Language of document : ECLI:EU:F:2016:132

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

15 juni 2016

Zaak F‑88/12

Harald Gaertner

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Pensioenen – Overdracht van nationale pensioenrechten – Voorstellen voor extra pensioenjaren – Geen bezwarend besluit – Niet-ontvankelijkheid van het beroep – Verzoek om uitspraak te doen zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan – Artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Harald Gaertner vraagt om nietigverklaring van het „besluit” van 16 januari 2012 tot berekening van de extra pensioenrechten in de pensioenregeling van de Europese Unie, volgende uit de pensioenrechten die hij eerder in een andere regeling had verworven en, voor zover nodig, van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie van 15 juni 2012 tot afwijzing van zijn klacht tegen het „besluit” tot vaststelling van die extra pensioenjaren.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Gaertner draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Voorstel voor extra pensioenjaren met het oog op de overdracht aan de regeling van de Unie van pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij de Unie zijn verworven – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1, en bijlage VIII, art. 11, lid 2)

Een voorstel voor extra pensioenjaren, dat een ambtenaar wordt gedaan met het oog op de overdracht aan de pensioenregeling van de Europese Unie van pensioenrechten die in het kader van een ander stelsel zijn verworven, heeft geen bindende rechtsgevolgen die de rechtspositie van de adressaat ervan rechtstreeks en onmiddellijk raken door deze kenmerkend te wijzigen, en vormt geen bezwarend besluit in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut.

De vordering tot nietigverklaring van een voorstel voor extra pensioenjaren met het oog op de overdracht aan de pensioenregeling van de Europese Unie van pensioenrechten die in het kader van een ander stelsel zijn verworven, moet worden opgevat als strekkende tot nietigverklaring van het eindbesluit tot toekenning van extra pensioenjaren indien, ten eerste, tussen partijen vaststaat dat de belanghebbende zijn toestemming heeft gegeven voor de voortzetting van de procedure om de vóór zijn indiensttreding verworven pensioenrechten over te dragen, door in te stemmen met het hem gedane voorstel, en, ten tweede, dat eindbesluit was genomen vóór de instelling van het beroep bij de Unierechter.

Wanneer een besluit tot toekenning van extra pensioenjaren volgende uit de pensioenrechten die de verzoeker eerder in het kader van een andere regeling heeft verworven is genomen vóór de instelling van het beroep, de verzoekende partij uitdrukkelijk heeft betoogd dat zijn beroep kon worden opgevat als feitelijk strekkende tot nietigverklaring van het eindbesluit tot toekenning van extra pensioenjaren, er een nieuw besluit is genomen tot toekenning van extra pensioenjaren volgende uit de pensioenrechten die de verzoekende partij eerder in het kader van een andere regeling heeft verworven en waarbij het eerste besluit uitdrukkelijk is ingetrokken en vervangen, kan dat nieuwe besluit alleen aldus worden opgevat dat het het besluit met hetzelfde voorwerp met terugwerkende kracht intrekt, zodat ervan moet worden uitgegaan dat laatstgenoemd besluit nooit heeft bestaan.

(cf. punten 14‑18)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arresten van 13 oktober 2015, Commissie/Verile en Gjergji, T‑104/14 P, EU:T:2015:776, punten 62, 110 en 120, en Teughels/Commissie, T‑131/14 P, EU:T:2015:778, punt 58