Language of document :

Beroep ingesteld op 20 oktober 2020 – Leonine Distribution/Commissie

(Zaak T-641/20)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Leonine Distribution GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Kreile, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

uitvoeringsbesluit C(2020) 5515 final van de Commissie van 10 augustus 2020 houdende toetsing overeenkomstig verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad1 van de rechtmatigheid van een handeling van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (hierna: „EACEA”), nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster acht middelen aan.

De Commissie heeft de bewoordingen van het dossier betreffende de oproep onjuist uitgelegd.

De bewoordingen kunnen niet aldus worden uitgelegd dat de nationaliteit van de „uiteindelijke aandeelhouders” en niet alleen die van de rechtstreekse aandeelhouders doorslaggevend is voor de kwalificatie van verzoekster als Europees bedrijf.

De Commissie heeft ten onrechte geoordeeld dat KKR European Fund IV LP niet de uiteindelijke Europese eigenaar van LEONINE Distribution is.

Verzoekster betoogt dat het EACEA er reeds van uit gaat dat KKR European Fund IV LP als de „uiteindelijke eigenaar” van verzoekster moet worden beschouwd.

De Commissie heeft haar besluit ten onrechte gebaseerd op een gesteld gebrek aan informatie over de aandeelhoudersstructuur van KKR European Fund IV LP.

De exacte aandeelhoudersstructuur van het fonds is niet van belang voor de beoordeling van verzoeksters subsidiabiliteit. Het is alleen van belang dat sprake is van een gegarandeerde meerderheid van Europese aandeelhouders.

4. De Commissie heeft de feiten van de zaak en de doelstellingen van verordening (EU) nr. 1295/2013 (de „Creatief Europa verordening”)2 onvoldoende in aanmerking genomen.

De Commissie heeft haar besluit gebaseerd op de onbewezen stelling dat de gevraagde financiering zou worden overgeheveld naar derde landen;

De Commissie heeft in haar besluit niet de doelstellingen van de financieringsregelgeving onderzocht.

5. Het besluit van de Commissie is in strijd met de doelstellingen van de toepasselijke financieringsrichtsnoeren.

Het afwijzen van verzoeksters subsidiabiliteit is onverenigbaar met de doelstellingen van de Creatief Europa verordening.

6. Het besluit van de Commissie is in strijd met het begrip „Europese productie” van de Creatief Europa verordening.

Het concept „Europese productie”, dat wordt gedefinieerd in richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad3 , is algemeen bekend en niet verenigbaar met de door de Commissie gehanteerde beperkte uitlegging van subsidiabiliteit.

7. Het besluit van de Commissie is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Het toewijzen van MEDIA-financiering die zou afhangen van het gebruik ervan in overeenstemming met de financieringsregelgeving, zou een even effectieve maar mildere oplossing zijn geweest.

8. De Commissie heeft ten onrechte de nadere toelichting die verzoekster in haar brief van 15 juli 2020 heeft verstrekt, niet in aanmerking genomen.

De Commissie had de nadere toelichting van verzoekster in aanmerking moeten nemen, aangezien deze niet laat was verstrekt en dus niet was uitgesloten.

____________

1 Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1).

2 Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020) en tot intrekking van de besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (PB 2013, L 347, blz. 221).

3 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten (PB 2010, L 95, blz. 1).