Language of document : ECLI:EU:T:1998:197

BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

15 september 1998 (1)

„Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EG) nr. 3477/93 - Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T-100/94,

Kapniki A. Michailidis AE,

P. Moskof AE Kapna eis Fulla,

M. Vogiatzoglou exagogikos oikos kapnon AE,

Diethnis Kapniki-Georgios Allamanis AE,

Exelka Emporikai kai Viomichanikai Epicheiriseis AE,

vennootschappen naar Grieks recht, gevestigd te Thessaloniki (Griekenland), vertegenwoordigd door E. Metaxaki, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Thill-Kamitaki, advocaat aldaar, Rue de l'Avenir 4,

verzoeksters,

ondersteund door

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, juridisch adviseur bij de bijzondere juridische dienst voor de Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, D. Tsangaraki, jurist en bijzonder adviseur van de staatssecretaris voor Buitenlandse zaken, en M. Tsotsanis, jurist bij het Ministerie van Landbouw, als gemachtigden, bijgestaan door E. Lyratzaki, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,

interveniënte,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 3477/93 van de Commissie van 17 december 1993 betreffende de in de sector tabak toe te passen landbouwomrekeningskoersen (PB L 317, blz. 30),

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, C. W. Bellamy en J. Pirrung, rechters,

griffier: H. Jung

de navolgende

Beschikking

Juridisch kader van het geding

1.
    Tot en met de oogst van 1992 gold ingevolge verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 94, blz. 1; hierna: „verordening nr. 727/70”), een gemeenschappelijke regeling waarmee met name werd beoogd, de producenten van de Gemeenschap de garantie te bieden, dat zij hun oogsten tegen redelijke prijzen konden afzetten. Die regeling was gebaseerd op een systeem van jaarlijks door de Raad vast te stellen streef- en interventieprijzen. Zij omvatte enerzijds de verplichting voor de nationale interventiebureaus, de tabaksbladeren aan te kopen tegen een minimumprijs (de interventieprijs), en anderzijds de toekenning van premies om de verbruikers ertoe aan te zetten, die tabak rechtstreeks van de communautaire telers te kopen. Dat systeem van toekenning van premies moest de telers in staat stellen, een productieprijs te verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de streefprijs en boven de interventieprijs lag. De premies dienden het verschil te compenseren tussen de op de wereldmarkt toegepaste prijzen en de - hogere - communautaire streefprijzen.

2.
    Ingevolge artikel 3 van verordening nr. 727/70 werden de premies toegekend aan de eerste kopers van de tabaksbladeren, op voorwaarde dat zij aan de telers ten minste de interventieprijs hadden betaald en dat de ruwe tabak onder controle was geplaatst. Ter uitvoering van die bepaling werd bij verordening (EEG) nr. 1726/70 van de Commissie van 25 augustus 1970 betreffende de wijze van toekenning van de premie voor tabaksbladeren (PB L 191, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1726/70”), een controleregeling ingevoerd voor het stadium van de eerste bewerking en de conditionering van de tabak, die verificaties bij het begin en aan het einde van de bewerkingen mogelijk maakte (artikel 1). Er werd een „premiecertificaat” ingevoerd (artikel 2, lid 1, van de verordening), dat moest dienen als bewijs dat de in de Gemeenschap geoogste tabaksbladeren onder controle waren geplaatst in de lidstaat die het bewijs had afgegeven.

3.
    Aangezien het definitieve recht op de premie eerst werd verkregen indien de geleverde tabak was bewerkt, kon het definitieve bedrag van de premie pas worden vastgesteld op het tijdstip dat de tabak de plaats verliet waar hij onder controle was geplaatst. Tot 1990 kon de tabak de controle te allen tijde verlaten, zodat er verscheidene jaren konden verstrijken alvorens het definitieve premiebedrag kon worden vastgesteld.

4.
    Later is bij verordening (EEG) nr. 1329/90 van de Raad van 14 mei 1990 tot wijziging van verordening nr. 727/70 (PB L 132, blz. 25), de termijn voor de bewerkende onderneming om de tabak uit de controle te nemen, beperkt tot vier jaar. Artikel 3, lid 1, tweede alinea, sub iv, van verordening nr. 727/70, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1329/90, bepaalde, dat de premie uitsluitend werd toegekend aan kopers die binnen vier jaar na het oogstjaar het bewijs leverden, datde tabak was verkocht om te worden verwerkt tot tabaksfabrikaten of naar derde landen te worden uitgevoerd.

5.
    Om de bewerkende onderneming in staat te stellen, bij aankoop van de tabak de minimumprijs aan de teler te betalen, bepaalde artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1726/70, dat de koper onder bepaalde voorwaarden een voorschot kon ontvangen gelijk aan het totaalbedrag van de premie, zodra de tabak onder controle was geplaatst. De voorwaarden voor die vooruitbetaling van het volledige premiebedrag waren, dat een „Europees teeltcontract”, te weten een koop/verkoopcontract tussen de bewerkende onderneming en de teler, was gesloten, en dat de bewerker een waarborgsom ten belope van 20 % van het premiebedrag had gestort. Vanaf 1991 moesten de tussen de telers en de bewerkende ondernemingen gesloten overeenkomsten worden geregistreerd bij de nationale controleautoriteiten. Overeenkomstig de geldende regeling werden de premies ook toegekend aan telers die hun eigen tabaksbladeren aan de eerste bewerking en de conditionering onderwierpen.

6.
    In het kader van de bij verordening nr. 1726/70 ingevoerde controleregeling moest het premiebedrag worden uitbetaald in nationale valuta en worden berekend op basis van de omrekeningskoers die gold op het tijdstip dat de tabak de plaats verliet waar hij onder controle was geplaatst.

7.
    Artikel 6, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 1726/70, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1353/75 van de Commissie van 28 mei 1975 (PB L 138, blz. 12), en bij verordening (EEG) nr. 887/85 van de Commissie van 2 april 1985 (PB L 96, blz. 12), bepaalde namelijk:

„Het recht op de premie ontstaat op het tijdstip dat de tabak (...) de plaats verlaat waar hij onder controle is geplaatst.

Het feit waardoor dit recht op premie ontstaat (...) wordt geacht te hebben plaatsgevonden op dat zelfde tijdstip.”

8.
    Ingevolge artikel 7, lid 1, van dezelfde verordening was het (in ecu uitgedrukte) premiebedrag verschuldigd op het tijdstip waarop het recht op de premie ontstond, en werd het betaald in de lidstaat die het premiecertificaat had afgegeven.

9.
    De toepassing van deze verschillende bepalingen had tot gevolg, dat wanneer tussen de datum van betaling van het voorschot op de premie en die waarop de premie verschuldigd was, namelijk de datum waarop de tabak de controle verliet, de nationale valuta een waardevermindering had ondergaan, de bewerkende onderneming bij het verlaten van de controle een extra bedrag ontving dat overeenkwam met het verschil tussen het bedrag van de in nationale valuta omgezette premie tegen de koers ten tijde van de betaling van het voorschot, en hetzelfde bedrag, omgerekend tegen de koers van het tijdstip van verlaten van de controle.

10.
    In zijn arrest van 20 november 1997, Moskof (C-244/95, Jurispr. blz. I-6411, punten 53 en 93), merkte het Hof op, dat dit verschil tussen het tijdstip waarop de bewerker daadwerkelijk het voorschot op het volledige premiebedrag ontving, en de datum van het ontstaan van het recht op de premie, tot gevolg had, dat de bewerkers uit de lidstaten met een zwakke munt ervoor kozen de tabak zo laat mogelijk de controle te laten verlaten, in de hoop zoveel mogelijk profijt te trekken uit de waardevermindering van de nationale valuta en de daaruit voortvloeiende verhoging van het extra premiebedrag. Het beklemtoonde (punt 53 van het arrest), dat zelfs na 1990, toen een maximumtermijn van vier jaar werd vastgesteld, het tijdsverloop tussen de betaling van het voorschot op de premie en het verlaten van de controle kosten had veroorzaakt, die met name door de Rekenkamer in punt 3.4 van haar speciaal verslag nr. 8/93 inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1994, C 65, blz. 1), als ongerechtvaardigd waren aangemerkt.

11.
    Verordening nr. 727/70 is vervangen door verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 215, blz. 70; hierna: „verordening nr. 2057/92”). Het stelsel van streefprijzen is opgegeven en de premie wordt weliswaar nog steeds betaald via het bedrijf voor eerste bewerking, doch is voortaan bestemd voor de teler.

12.
    Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 2075/92 bepaalt, dat het bedrijf voor eerste bewerking bij de levering van de tabak, naast de aankoopprijs, aan de teler een met de premie overeenkomend bedrag betaalt. Volgens lid 2 betaalt de bevoegde instantie dit bedrag aan het bedrijf terug tegen overlegging van bewijsstukken. Hiermee is het tijdsverloop bij de toekenning van de premies, waardoor de vroegere regeling werd gekenmerkt, verdwenen.

13.
    Aangezien verordening nr. 727/70 ingevolge artikel 28 van verordening nr. 2075/92 evenwel slechts werd ingetrokken met werking vanaf de oogst 1993, bleef zij van toepassing voor de eerdere tabaksoogsten die zich in de in artikel 3, leden 1 en 2, omschreven situatie bevonden, zulks - gelet op de vierjarige „periode voor het in de handel brengen” - tot in 1997, het jaar waarin de oorspronkelijke gemeenschappelijke marktordening definitief ten einde liep. Voor die oogsten van vóór 1993 bleef dus gelden, dat de bewerkende bedrijven recht hadden op een voorschot op de premie zodra de tabak onder controle was geplaatst, en dat de premie pas definitief betaalbaar werd op het tijdstip dat de tabak na de bewerking de controle verliet. De met het tijdsverloop verband houdende monetaire consequenties zouden dus in beginsel ook blijven voortbestaan.

14.
    In deze context heeft de Commissie verordening (EG) nr. 3477/93 van 17 december 1993 vastgesteld, betreffende de de in de sector tabak toe te passen landbouwomrekeningskoersen (PB L 317, blz. 30; hierna: „bestreden verordening” of „verordening nr. 3477/93”).

15.
    Deze verordening introduceert het beginsel van vaste data voor de omzetting in nationale valuta van de verschillende steunbedragen en premies waarin de nieuwe gemeenschappelijke marktordening voorziet.

16.
    Bovendien stelt zij, teneinde verstoringen van de markt te voorkomen, voor tabak van de oogsten vóór 1993 het ontstaansfeit vast op 1 juli 1993 (zevende overweging van de considerans).

17.
    Daartoe bepaalt zij in artikel 5:

„Voor tabak van oogsten vóór de oogst 1993 die op of na 1 juli 1993 de controle verlaat is de landbouwomrekeningskoers voor de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 727/70 bedoelde premie die welke geldt op 1 juli 1993.”

18.
    Bij artikel 6, eerste streepje, wordt artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1726/70 ingetrokken.

19.
    Volgens artikel 7, tweede alinea, is de verordening van toepassing met ingang van 1 juli 1993.

20.
    De bestreden verordening is vastgesteld op de grondslag van verordening (EEG) nr. 3813/92 van de Raad van 28 december 1992 betreffende de rekeneenheid en de omrekeningskoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast (PB L 387, blz. 1; hierna: „verordening nr. 3813/92”), waarbij, met het oog op de totstandbrenging van de interne markt op 1 januari 1993, de bestaande agromonetaire regeling werd gewijzigd.

21.
    In artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3813/92 is het beginsel uit de vroegere agromonetaire regeling herhaald, dat de landbouwomrekeningskoers die op een bepaalde prijs of op een bepaald bedrag moet worden toegepast, de koers is die geldt ten tijde van het ontstaansfeit, dat wil zeggen de „handeling waardoor het economisch doel van de transactie wordt bereikt”. Artikel 6, lid 2, laat de Commissie evenwel de mogelijkheid een specifiek ontstaansfeit voor de landbouwomrekeningskoers vast te stellen dat niet overeenkomt met het algemene ontstaansfeit als bedoeld in lid 1.

22.
    Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3813/92 bepaalt, dat indien overgangsmaatregelen nodig zouden blijken, deze maatregelen door de Commissie worden vastgesteld en niet langer van toepassing blijven dan voor een vlotte invoering van de nieuwe regeling strikt noodzakelijk is.

23.
    Verordening (EEG) nr. 1068/93 van de Commissie van 30 april 1993 houdende nadere voorschriften voor de vaststelling en de toepassing van de omrekeningskoersen in de landbouwsector (PB L 108, blz. 106), bepaalt in artikel 23, dat de bepalingen betreffende het ontstaansfeit van de landbouwomrekeningskoersen (artikelen 9-12) met ingang van 1 juli 1993 vantoepassing zijn voor de producten of bedragen waarvoor er geen verkoopseizoen is. Dit is het geval voor ruwe tabak, zoals het Hof heeft vastgesteld in het arrest Moskof, reeds aangehaald (punt 18).

24.
    In deze omstandigheden, en gelijk het Hof in het arrest Moskof heeft opgemerkt (punten 71 en 78), komt artikel 5 van de bestreden verordening voor als een overgangsmaatregel, bedoeld ter voorkoming van verwarring ten gevolge van de gelijktijdige toepassing van de oude en de nieuwe agromonetaire regeling, die zou hebben meegebracht dat de tabak van de oogsten vóór 1993 waarschijnlijk de controle zou hebben verlaten na de tabak van de oogsten van 1993 en later.

De gevolgen van de bestreden verordening voor verzoeksters

25.
    Verzoeksters verwijten de Commissie, dat zij met de bestreden verordening het ontstaansfeit van de landbouwomrekeningskoers heeft „bevroren” op de vaste datum 1 juli 1993, en dat zij is afgestapt van het vroegere systeem van variabele ontstaansfeiten, waarbij de bewerkende bedrijven het recht op ontvangst van de premie konden uitoefenen op om het even welk tijdstip binnen de periode van vier jaar om de productie in de handel te brengen. Bij de aankoop van ruwe tabak betaalden die bedrijven de telers een hoge prijs, waarin de premie die zij later, wanneer de tabak de controle zou verlaten, zouden ontvangen, reeds was geïncorporeerd. Onder het nieuwe stelsel, zo stellen verzoeksters, kunnen die bedrijven de hoge aankoopprijs niet meer dekken, daar op de door hen ontvangen premie niet langer de landbouwomrekeningskoers wordt toegepast die geldt op het tijdstip dat de tabak de controle verlaat. Wegens de voortdurende waardevermindering van de Griekse munt ten opzichte van de ecu, zouden verzoeksters derhalve door de „bevriezing” van de landbouwomrekeningskoers aanzienlijke schade lijden.

Procedure

26.
    Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 maart 1994, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

27.
    Bij beschikking van 6 oktober 1994 heeft de president van de Eerste kamer (uitgebreid) de Helleense Republiek toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoeksters.

28.
    Bij beschikking van 4 juli 1995 heeft de Eerste kamer (uitgebreid) partijen verscheidene vragen gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep, waarop binnen de gestelde termijn is geantwoord.

29.
    Bij beschikking van het Gerecht van 19 september 1995 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Tweede kamer (uitgebreid), waaraan de zaak bijgevolg is toegewezen.

30.
    Bij beschikking van 9 januari 1996 heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) de behandeling van zaak T-100/94 geschorst in afwachting van de uitspraak van het arrest van het Hof in zaak C-244/95, Moskof, waarin een Griekse rechterlijke instantie het Hof had verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr. 3477/93.

31.
    In het arrest Moskof, reeds aangehaald, kwam het Hof tot de slotsom, dat bij onderzoek van de verschillende door de nationale rechter in zijn prejudiciële vragen uiteengezette middelen niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid zouden kunnen aantasten van artikel 5 van verordening nr. 3477/93.

32.
    In antwoord op een verzoek van het Gerecht hebben partijen tussen 5 en 16 februari 1998 hun opmerkingen over de eventuele consequenties van dat arrest voor het onderhavige geding ingediend.

33.
    Na te hebben beklemtoond, dat zij het onderhavige beroep niet-ontvankelijk acht, heeft de Commissie opgemerkt, dat het Hof zich in zijn arrest Moskof in wezen reeds heeft uitgelaten over alle middelen die ook door verzoeksters worden aangevoerd om de nietigverklaring van de bestreden verordening te bewerkstelligen. Dit betekent haars inziens, dat het beroep hoe dan ook moet worden verworpen.

34.
    Ook de Helleense Republiek heeft zich op het standpunt gesteld, dat de voor het Gerecht opgeworpen rechtsvragen door het Hof reeds zijn beantwoord. Wat het vervolg van de onderhavige procedure betreft, refereert zij zich aan het oordeel van het Gerecht.

35.
    Verzoeksters hebben vanuit diverse gezichtspunten kritiek geleverd op 's Hofs feitelijke vaststellingen en conclusies ten aanzien van het recht in het arrest Moskof.

36.
    Bij beschikking van 9 juni 1998 heeft het Gerecht de zaak overeenkomstig de artikelen 14 en 51 van het Reglement voor de procesvoering verwezen naar de uit drie rechters bestaande Tweede kamer.

Conclusies van partijen

37.
    Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:

-    ongeldig te verklaren de artikelen 5, 6, eerste streepje, en 7, tweede alinea, van de bestreden verordening;

-    de Commissie in de kosten te verwijzen.

38.
    Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:

-    het beroep tot nietigverklaring toe te wijzen;

-    de Commissie in de kosten te verwijzen.

39.
    De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

-    het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;

-    verzoeksters in de kosten te verwijzen.

De ontvankelijkheid van het beroep

Argumenten van partijen

40.
    De Commissie betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag. Bij eenvoudige lezing blijkt, dat de bestreden verordening een algemene regeling geeft voor de toepassing van de landbouwomrekeningskoersen in de sector tabak, en gericht is tot alle natuurlijke en rechtspersonen die dit product verhandelen. Gesteld al dat de bestreden verordening het equivalent was van een tot de tabakshandelaren gerichte beschikking, dan nog zou een dergelijke beschikking verzoeksters niet individueel kunnen raken.

41.
    Voor zover verzoeksters zich als individueel geraakt beschouwen wegens

-    het feit dat met de producenten „Europese teeltcontracten” waren afgesloten voor de tabak van de oogsten 1989, 1990, 1991 en 1992,

-    het feit dat die tabak op 1 juli 1993 de controle niet had verlaten,

-    het feit dat die contracten reeds waren geregistreerd bij de bevoegde nationale autoriteiten, en

-    het feit dat de premievoorschotten reeds waren uitbetaald,

beklemtoont de Commissie, dat zij geen weet heeft van die contracten en daarvan voor het beheer van de gemeenschappelijke marktordening overigens ook geen weet behoeft te hebben.

42.
    Zij stelt bovendien, dat zij de lidstaten nooit heeft verzocht, haar dit soort persoonlijke gegevens mee te delen. Zij was op de hoogte van de totale hoeveelheden ingevoerde en uitgevoerde tabak dankzij de controles inzake de kwaliteit en de soort, en niet door middel van een controle van de producenten die de tabak leveren, of van de bewerkers die het product ontvangen.

43.
    Verzoeksters' economische activiteiten vertegenwoordigden, zoals zij zelf hebben bevestigd, minder dan 40 % van de Griekse tabaksmarkt. Dit betekent volgens de Commissie, dat de bestreden verordening een veel ruimere kring van Griekse ondernemingen raakt, waaraan dan nog alle Italiaanse tabakshandelaren moeten worden toegevoegd, indien het tenminste juist is dat de bedrijven die tabak verhandelen in lidstaten met een stabiele munt, in mindere mate door de bestreden verordening worden geraakt. Bovendien is Griekenland, ofschoon het belangrijkste tabakproducerende land van de Gemeenschap, niet de enige producent, noch het enige land dat te maken heeft met inflatiedruk en, bijgevolg, met sterke koersschommelingen.

44.
    De Commissie merkt tot slot op, dat zelfs indien de kring van de door de bestreden verordening geraakte bewerkers ten tijde van de vaststelling van de bestreden handeling definitief gesloten was, het hierbij zou gaan om nagenoeg alle communautaire tabaksbewerkers die mogelijk Europese teeltcontracten hadden afgesloten. Het feit nu dat het aantal geraakte marktdeelnemers beperkt is, volstaat niet om die marktdeelnemers te individualiseren. Anders zou men kunnen stellen, dat elke maatregel van die aard in abstracto een bepaalde - meer of minder ruime - kring van marktdeelnemers raakt. Wanneer men deze redenering tot in het absurde zou doortrekken, zou men kunnen concluderen dat nagenoeg alle verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de belanghebbende landbouwers, die te allen tijde bij de administratie bekend zijn, hetzij omdat zij in de registers zijn opgenomen, hetzij omdat zij concreet in aanmerking hebben willen komen voor de verschillende mechanismen waarin dat beleid voorziet, individueel raken. Deze individualiseringsmogelijkheid, die voor niemand is uitgesloten, zou geenszins in overeenstemming zijn met het door artikel 173 van het Verdrag vereiste belang.

45.
    Verzoeksters, ondersteund door de Griekse regering, stellen daarentegen met een beroep op de rechtspraak van het Hof (onder meer arresten van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie, 41/70, 42/70, 43/70 en 44/70, Jurispr. blz. 411; 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207; 11 juli 1985, Salerno e.a./Commissie en Raad, 87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Jurispr. blz. 2523; 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477; 6 november 1990, Weddel/Commissie, C-354/87, Jurispr. blz. I-3847; 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853), dat de bestreden handeling enkel de vorm van een verordening heeft en in werkelijkheid een beschikking is die hen rechtstreeks en individueel raakt: rechtstreeks, omdat de bestreden bepalingen van toepassing zijn op de lidstaten, die over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikken bij het bepalen van het definitieve bedrag van de ingevolge artikel 7 van verordening nr. 1726/70 aan de bewerkende bedrijven uit te keren premie; en individueel, omdat die bepalingen, die terugwerkende kracht hebben, van toepassing zijn op een welbepaalde kring van ondernemingen en derhalve een bundel van individuele beschikkingen vormen.

46.
    Met betrekking tot dit laatste punt beklemtonen verzoeksters en interveniënte, dat artikel 5 van de bestreden verordening enkel die bewerkende bedrijven raakt waarvan de tabak van de oogsten 1989, 1990, 1991 en 1992 op 1 juli 1993 de controle niet had verlaten. Die personen vormen dus een beperkte kring, die onherroepelijk vaststaat en na de vaststelling van de in geding zijnde verordening niet kan worden verruimd. Bovendien waren zij ten tijde van de vaststelling van de verordening bij de Commissie bekend. Overeenkomstig verordening nr. 1726/70 waren zij immers in het bezit van premiecertificaten, opgesteld bij het onder controle plaatsen van de tabak, waarop nauwkeurig de hoeveelheden tabak, het oogstjaar en de naam van de bewerkers waren aangegeven. Dankzij die premiecertificaten en de met de telers gesloten en geregistreerde Europese teeltcontracten wist de Commissie met betrekking tot alle oogsten van vóór 1993 precies, hoeveel tabak er onder controle was geplaatst en door wie, hoeveel tabak de controle had verlaten, en hoeveel tabak ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordening nog onder een controleregeling viel.

47.
    Verzoeksters en interveniënte leiden hieruit af, dat de rechtspositie van de personen tot wie de bestreden verordening gericht is, wordt geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie welke hen karakteriseert ten opzichte van iedere andere bewerker van tabak van oogsten vóór de oogst 1993. Die bijzondere situatie - te weten het beperkte aantal, de omvang en de identiteit van de betrokken ondernemingen - was de Commissie bekend, althans had haar bekend kunnen zijn. Alle lidstaten hadden haar immers met betrekking tot de tabak van oogsten vóór de oogst 1993 regelmatig op de hoogte gehouden van het onder controle plaatsen respectievelijk uit de controle nemen van de tabak. Bovendien had zij verzoeksters voor de betrokken tabak premievoorschotten uitgekeerd.

48.
    Onder verwijzing naar het antwoord van de Commissie op het speciaal verslag nr. 8/93 van de Rekenkamer inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (reeds aangehaald in punt 10 hierboven), merken verzoeksters op, dat de Commissie zelf heeft bevestigd, dat zij haar kennis van de markt heeft verbeterd, waarbij zij heeft beklemtoond dat het aantal handelaren in deze sector beperkt is (punt 7.3). Tot slot wijzen zij erop, dat Griekenland de belangrijkste tabaksproducent van de Gemeenschap is en dat er een bijzonder groot koersverschil bestaat tussen de Griekse drachme en de ecu. Bijgevolg heeft de Commissie met de vaststelling van de bestreden verordening hoofdzakelijk de Griekse bewerkende bedrijven getroffen, die dus in voldoende mate geïndividualiseerd zijn. De gemeenschappelijke ordening van de tabaksmarkt beoogt niet uitsluitend de producenten te ondersteunen, maar breidt het ingestelde gunstige regime ook uit tot de handelaren, aan wie in het ingevoerde systeem een belangrijke rol toekomt. Het is immers enkel dankzij de in de Europese teeltcontracten geïncorporeerde premies, dat de bewerkende bedrijven de in de Gemeenschap geproduceerde tabak in de handel kunnen brengen. De „bevriezing” van de landbouwomrekeningskoers ingevolge de bestreden verordening betekentevenwel, dat verzoeksters de afgesloten teeltcontracten niet meer kunnen uitvoeren zonder daarbij zeer ernstige schade te lijden, die elk bedrijfsrisico te boven gaat.

Beoordeling door het Gerecht

49.
    Luidens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen. Daartoe behoren volgens vaste rechtspraak de in artikel 173 van het Verdrag geformuleerde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep (arrest Hof van 23 januari 1997, Coen, C-246/95, Jurispr. blz. I-403, punt 21, en beschikking Gerecht van 24 maart 1998, Meyer e.a./Hof van Justitie, T-181/97, JurAmbt. blz. II-481, punten 10 e.v.).

50.
    In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door het dossier om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep in het licht van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, zonder de mondelinge behandeling te openen.

51.
    Ingevolge artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag zijn particulieren gerechtigd beroep in te stellen tegen elke beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hen rechtstreeks en individueel raakt. Volgens vaste rechtspraak heeft deze bepaling met name ten doel, te voorkomen dat de gemeenschapsinstellingen, enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt, onmogelijk kunnen maken, en aldus te preciseren dat de keuze van de vorm de aard van het besluit niet kan wijzigen (zie arrest Hof van 17 juni 1980, Calpak en Società Emiliana Lavorazione Frutta/Commissie, 789/79 en 790/79, Jurispr. blz. 1949, punt 7, en beschikking Gerecht van 28 oktober 1993, FRSEA en FNSEA/Raad, T-476/93, Jurispr. blz. II-1187, punt 19).

52.
    Het criterium ter onderscheiding van verordeningen en beschikkingen moet in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling worden gezocht (zie arrest Hof van 6 oktober 1982, Alusuisse Italia/Raad en Commissie, 307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 8).

53.
    In casu dienen derhalve de aard van de gewraakte bepalingen van de bestreden verordening en, in het bijzonder, de beoogde of de daadwerkelijke rechtsgevolgen ervan te worden onderzocht.

54.
    Die bepalingen geven een regeling voor een bepaald product - tabak van oogsten vóór de oogst 1993, die de controle niet vóór 1 juli 1993 heeft verlaten - en stellen de koers voor de omrekening van ecu in nationale valuta vast, die van toepassing is op de voor dit product toegekende premie. Tegelijkertijd bepalen zij, dat de andersluidende bepalingen van de vroegere regeling worden ingetrokken. De gewraakte bepalingen zijn in algemene en abstracte bewoordingen geformuleerd,noemen verzoeksters niet met name en zijn evenmin gericht tot specifieke marktdeelnemers als de verzoekende ondernemingen.

55.
    De bestreden verordening is dus een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 189 van het Verdrag. Zij is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (vgl. beschikking Gerecht van 19 juni 1995, Kik/Raad en Commissie, T-107/94, Jurispr. blz. II-1717, punt 35, en de daar genoemde rechtspraak), te weten alle in de sector tabak actieve marktdeelnemers die binnen de Gemeenschap tabak van oogsten vóór de oogst 1993 onder controle hebben geplaatst, welke tabak de controle niet vóór 1 juli 1993 heeft verlaten.

56.
    In bepaalde omstandigheden kan echter ook een normatieve handeling die op alle betrokken marktdeelnemers van toepassing is, sommige van die marktdeelnemers individueel raken, namelijk voor zover zij door de handeling worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punten 19 en 20).

57.
    Onderzocht dient dus te worden, of verzoeksters door de bestreden bepalingen van de verordening individueel worden geraakt.

58.
    Verzoeksters, ondersteund door interveniënte, betogen, dat zij deel uitmaken van een op de beslissende datum, te weten 1 juli 1993, onherroepelijk vaststaande, beperkte kring van ondernemingen, waarvan de identiteit, het aantal en de omvang aan de Commissie bekend waren, zodat de bestreden bepalingen in werkelijkheid zijn te beschouwen als een bundel van door de Commissie vastgestelde individuele beschikkingen, gericht tot uitsluitend die ondernemingen. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de mogelijkheid om het aantal of zelfs de identiteit der rechtssubjecten waarop een handeling op een bepaald moment van toepassing is, in meer of mindere mate nauwkeurig te bepalen, niet volstaat om de algemene strekking en derhalve het normatief karakter van die handeling in geding te brengen, en geenszins inhoudt, dat die subjecten moeten worden geacht door de handeling individueel te worden geraakt, zolang maar vaststaat dat die toepassing geschiedt uit hoofde van een in de handeling omschreven objectieve situatie - feitelijk of rechtens - en in verband met het doel van de handeling (arresten Hof van 11 juli 1968, Zuckerfabrik Watenstedt/Raad, 6/68, Jurispr. blz. 595; 16 april 1970, Compagnie française commerciale et financière/Commissie, 64/69, Jurispr. blz. 221, punt 11, en 5 mei 1977, Koninklijke Scholten Honig/Raad en Commissie, 101/76, Jurispr. blz. 797, punt 23, alsmede beschikkingen Hof van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad, C-131/92, Jurispr. blz. I-2573, punt 13; 12 juli 1993, Gibraltar en Gibraltar Development/Raad, C-168/93, Jurispr. blz. I-4009, punt 12, en 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37).

59.
    In casu is niet aangetoond, dat de fixatie, ingevolge de bestreden bepalingen, van de koers waartegen de ecu moest worden omgezet in nationale valuta, een maatregel was die specifiek gericht was tegen de verzoekende bedrijven. Integendeel blijkt, dat de door die maatregel geraakte marktdeelnemers een vrij heterogene groep vormen, die overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 727/70 is samengesteld uit enerzijds kopers van tabak, dat wil zeggen handelsvennootschappen, en anderzijds telers die hun eigen tabak onder controle hebben geplaatst. Bovendien blijkt uit het door verzoeksters aangehaalde speciaal verslag nr. 8/93 van de Rekenkamer, dat die twee categorieën van marktdeelnemers gevestigd zijn in zeven lidstaten van de Gemeenschap waar tabaksbladeren worden geproduceerd, te weten België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland en Portugal. Bijgevolg bestaan er zeven verschillende verhoudingen tussen ecu en nationale valuta.

60.
    Voorts zij eraan herinnerd, dat de bestreden bepalingen voorzien in een overgangsregeling ter vergemakkelijking van het oude naar het nieuwe algemene agromonetaire regime, die beide onmiskenbaar een normatief karakter hebben. Het feit dat zij slechts een beperkte kring van marktdeelnemers raken, ontneemt die bepalingen derhalve nog niet hun normatief karakter. In dit verband oordeelde het Hof in zijn beschikking Arnaud e.a./Raad, reeds aangehaald (punten 4, 13, 15 en 16), ten aanzien van een bepaling die in een overgangsmaatregel voorzag, dat ofschoon die bepaling slechts een beperkte kring van marktdeelnemers raakte - namelijk allen die gedurende een bepaalde periode een bepaalde economische activiteit hadden uitgeoefend en wier inrichtingen in een communautair register waren opgenomen - zij rechtsgevolgen had voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen.

61.
    Verzoeksters betogen, dat de Griekse tabaksproducenten door de bestreden bepalingen in het bijzonder worden geraakt. Het is juist, dat marktdeelnemers die gevestigd zijn in een land met een „zwevende munt”, zoals destijds Griekenland of Italië, hun situatie kunnen zien verslechteren, terwijl marktdeelnemers die gevestigd zijn in een land met een „sterke munt”, zelfs van deze omstandigheid zouden kunnen profiteren ingeval de op 1 juli 1993 toepasselijke omrekeningskoers voor hen gunstiger is dan de koers op een datum na het tijdstip waarop hun tabak daadwerkelijk uit de controle is genomen. De omstandigheid dat de bestreden bepalingen voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing zijn, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kunnen leiden, doet evenwel op zichzelf niet aan het verordenend karakter van die bepalingen af, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is (arresten Koninklijke Scholten Honig/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 24, en Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, reeds aangehaald, punt 37).

62.
    Waar de thans bestreden bepalingen gevolgen hebben voor verschillende categorieën van personen en voor verschillende omrekeningssituaties, kan evenmin sprake zijn van een bundel van individuele beschikkingen in de zin van de voormelde arresten International Fruit Company e.a./Commissie (punt 21) enWeddel/Commissie (punt 23), waarop verzoeksters zich hebben beroepen. In die arresten ging het om de specifieke situatie waarin individuele aanvragen voor invoervergunningen waren ingediend, en waarin bij de bestreden verordening was beschikt over het aan die aanvragen te geven gevolg. In casu had de Commissie echter niet van verzoeksters een aanvraag ontvangen op basis waarvan de litigieuze overgangsregeling zou zijn vastgesteld. De twee genoemde arresten zijn bijgevolg irrelevant voor de oplossing van het onderhavige geding.

63.
    Hetzelfde geldt voor het arrest Salerno e.a./Commissie en Raad, reeds aangehaald, aangezien dit is gewezen op het specifieke terrein van het ambtenarenrecht en betrekking heeft op een verordening die was vastgesteld met het oog op de aanwerving van 56 personeelsleden wier identiteit ten tijde van die vaststelling definitief vaststond.

64.
    Met betrekking tot het arrest Sofrimport/Commissie, reeds aangehaald, zij eraan herinnerd, dat in dat arrest het beroep dat een importeur had ingesteld tegen een verordening waarbij de afgifte van invoercertificaten werd verboden, ontvankelijk werd verklaard op de enkele grond, dat de verzoeker zich bevond in een situatie die was bedoeld in een andere verordening, die de Commissie uitgerekend verplichtte om rekening te houden met die situatie (punten 11-13 van het arrest). De in casu relevante gemeenschapsregeling bevat echter geen specifieke bepaling volgens welke de Commissie bij de vaststelling van de bestreden bepalingen verplicht zou zijn geweest, rekening te houden met de gevolgen van die bepalingen voor de situatie van verzoeksters.

65.
    Bovendien is het feit dat verzoeksters mogelijk schade lijden bij de uitvoering van bepaalde Europese teeltcontracten betreffende tabak van de door de bestreden verordening bestreken oogsten, niet een omstandigheid die hen individualiseert in de zin van het arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald. Immers, anders dan het geval was bij de in dat arrest onderzochte beschikking, waarbij machtiging werd verleend voor een vrijwaringsmaatregel waardoor de uitvoering van door de verzoeker vóór de vaststelling van die beschikking gesloten overeenkomsten van invoer onmogelijk werd gemaakt (punt 19), maakt de bestreden verordening, ofschoon zij verzoeksters' economische situatie kan doen verslechteren, de uitvoering van de betrokken teeltcontracten niet onmogelijk.

66.
    Verzoeksters beroepen zich ook op het arrest Codorníu/Raad, waarin het Hof verklaarde, dat een bepaling met een normatief karakter bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken, voor zover zij specifieke rechten van hen aantast (zie beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 43, en arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609, punt 67). In casu hadden verzoeksters echter niet vóór de vaststelling van de bestreden verordening enig recht op toepassing van een bepaalde omrekeningskoers verworven. Die omrekeningskoers werd immers uitsluitend bepaald door de monetaire ontwikkeling van de drachme en was dusafhankelijk van de marktkrachten en van eventuele maatregelen van de kant van de ter zake bevoegde Griekse autoriteiten.

67.
    Verzoeksters worden derhalve evenmin geïndividualiseerd door het feit dat zij in het bezit zijn van premiecertificaten, het feit dat zij geregistreerde Europese teeltcontracten hebben afgesloten, en het feit dat zij van de Commissie reeds premievoorschotten hebben ontvangen. Het gaat hierbij immers niet om omstandigheden die concrete monetaire rechten doen ontstaan, maar om omstandigheden die inherent zijn aan de normale handelsactiviteit van elke onderneming die onder het regime van de gemeenschappelijke marktordening tabak verhandelt.

68.
    Ten slotte kunnen verzoeksters zich niet met vrucht beroepen op het arrest Extramet Industrie/Raad, reeds aangehaald. Daarin werd immers het beroep dat gericht was tegen een verordening tot instelling van antidumpingrechten, ontvankelijk verklaard op grond dat de verzoekster een reeks feiten had aangetoond die, gelet op haar zeer specifieke concurrentie- en economische positie, een bijzondere situatie vormden (punt 17). Vergelijkbare bijzondere elementen zijn echter in casu niet aanwezig.

69.
    Bovendien, zoals het Hof in zijn arrest Moskof, reeds aangehaald (punten 68-70), heeft verklaard, levert artikel 5 van verordening nr. 3477/93, dat een einde maakt aan de mogelijkheid voor de tabaksbewerkers om zelf het tijdstip van het ontstaansfeit van de landbouwomrekeningskoers te kiezen, geen schending van het vertrouwensbeginsel op, in welk verband het Hof nog heeft beklemtoond, dat die bewerkers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit de gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik was toegekend, te behouden. Bijgevolg kunnen verzoeksters niet worden geacht door de bestreden verordening individueel te worden geraakt, in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, op grond dat hun gewettigd vertrouwen of een door hen verkregen recht zou zijn geschonden.

70.
    Uit een ander volgt, dat de artikelen 5, 6, eerste streepje, en 7, tweede alinea, van verordening nr. 3477/93 verzoeksters niet individueel raken.

71.
    Het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat behoeft te worden onderzocht, of verzoeksters rechtstreeks door die bepalingen worden geraakt.

72.
    Ten overvloede zij nog opgemerkt, dat verzoeksters ondanks de thans vastgestelde niet-ontvankelijkheid de mogelijkheid hebben gehad, de geldigheid van artikel 5 van verordening nr. 3477/93 in geding te brengen. Immers, zoals uit het arrest Moskof blijkt, is één van hen voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie opgekomen tegen een op genoemde bepaling van de verordening gebaseerd en haar bezwarend besluit van het nationale interventieorgaan, en heeft de nationale rechterlijke instantie het Hof overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag verzocht om eenprejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr. 3477/93, die vanuit elf verschillende gezichtspunten in twijfel werd getrokken (zie de punten 30-35 hierboven).

Kosten

73.
    Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld en de Commissie in die zin heeft geconcludeerd, dienen zij hoofdelijk in de kosten van deze instelling te worden verwezen.

74.
    De Helleense Republiek, interveniënte, zal overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)

beschikt:

1)    Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)    Verzoeksters zullen hoofdelijk de door de Commissie gemaakte kosten dragen. Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.

Luxemburg, 15 september 1998

De griffier

De president van de Tweede kamer

H. Jung

A. Kalogeropoulos


1: Procestaal: Grieks.