Language of document : ECLI:EU:C:2021:433

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

3 juni 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2003/71/EG – Prospectus wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten – Artikel 3, lid 2 – Artikel 6 – Aanbieding die gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers – Inhoud van de in het prospectus verstrekte informatie – Aansprakelijkheidsvordering – Retailbeleggers en gekwalificeerde beleggers – Kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling”

In zaak C‑910/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 10 december 2019, ingekomen bij het Hof op 12 december 2019, in de procedure

Bankia SA

tegen

Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS),

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Bankia SA, vertegenwoordigd door J. M. Fatás Monforte, J. Salinas Aguirre en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados,

–        Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS), vertegenwoordigd door L. Lozano García, abogada,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en J. Rodríguez de la Rúa Puig als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en J. Očková als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en J. Rius Riu als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 februari 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2003, L 345, blz. 64), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 (PB 2008, L 76, blz. 37) (hierna: „richtlijn 2003/71”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bankia SA en Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS) over de aansprakelijkheid van Bankia als instelling waarvan een aanbieding tot inschrijving op aandelen uitgaat, wegens de informatie die is verstrekt in een voorafgaandelijk aan deze aanbieding gepubliceerd prospectus.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Richtlijn 2003/71 is met ingang van 20 juli 2019 ingetrokken bij verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten (PB 2017, L 168, blz. 12). Gelet op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding blijven de bepalingen van richtlijn 2003/71 echter van toepassing.

4        De overwegingen 10, 16, 18, 19, 21 en 27 van richtlijn 2003/71 luidden:

„(10)      Deze richtlijn en de maatregelen ter uitvoering ervan hebben ten doel de beleggers te beschermen en de efficiëntie van de markt te waarborgen, overeenkomstig de hoge standaarden die door de relevante internationale gremia zijn vastgesteld [op het gebied van toezicht].

[...]

(16)      Een van de doelstellingen van deze richtlijn is het beschermen van beleggers. Het verdient bijgevolg aanbeveling met de uiteenlopende behoefte aan bescherming van de diverse categorieën beleggers rekening te houden, alsmede met hun deskundigheid. Voor aanbiedingen die uitsluitend voor gekwalificeerde beleggers zijn bedoeld, behoeft geen informatie te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus. Elke doorverkoop van de effecten aan het publiek of openbare verhandeling van de effecten als gevolg van de toelating ervan tot de handel op een gereglementeerde markt vereist de publicatie van een prospectus.

[...]

(18)      Samen met gedragsregels bevordert de verstrekking van [...] volledige informatie over effecten en de uitgevende instellingen ervan de bescherming van de beleggers. Deze informatie vormt tevens een doeltreffend middel om het vertrouwen in effecten te versterken en draagt aldus bij tot de goede werking en de ontwikkeling van de effectenmarkten. De informatie dient te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus.

(19)      Evenals alle andere beleggingsvormen brengen beleggingen in effecten risico’s met zich. In alle lidstaten dienen waarborgen ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers te worden geboden, zodat dezen in staat worden gesteld deze risico’s in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

[...]

(21)      Informatie is een wezenlijk element in de bescherming van de belegger: in het prospectus moet een samenvatting worden opgenomen waarin de essentiële kenmerken van en risico’s verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten worden beschreven. Om deze informatie gemakkelijk toegankelijk te maken, moet de samenvatting in niet-technische bewoordingen gesteld zijn en mag deze in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld normaliter niet meer dan 2 500 woorden tellen.

[...]

(27)      Teneinde beleggers afdoende te beschermen, moet erop worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd. Uitgevende instellingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zijn weliswaar verplicht doorlopend informatie te verstrekken, maar niet om periodiek geactualiseerde informatie te publiceren. Bovendien zouden uitgevende instellingen ten minste jaarlijks een lijst moeten opstellen van alle relevante informatie die gedurende de twaalf voorafgaande maanden is bekendgemaakt of ter beschikking gesteld van het publiek, met inbegrip van de informatie uit hoofde van in andere communautaire wetgeving vastgestelde verslagleggingsvereisten. [...]”

5        Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/71 bepaalde:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

d)      ‚aanbieding van effecten aan het publiek’: een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten. Deze definitie is ook van toepassing op de plaatsing van effecten via financiële intermediairs;

e)      ‚gekwalificeerde beleggers’:

i)      juridische entiteiten die een vergunning hebben of gereglementeerd zijn om op de financiële markten actief te mogen zijn, met inbegrip van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, andere vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, instellingen voor collectieve belegging en de beheermaatschappijen ervan, pensioenfondsen en de beheermaatschappijen ervan, grondstoffentermijnhandelaren, alsmede niet-vergunninghoudende of niet-gereglementeerde entiteiten waarvan het enige ondernemingsdoel het beleggen in effecten is;

ii)      nationale en regionale regeringen, centrale banken, internationale en supranationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en andere soortgelijke internationale organisaties;

[...]

iv)      indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, natuurlijke personen die hun woonplaats in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt, mits deze personen aan ten minste twee van de in lid 2 vervatte criteria voldoen;

v)      indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, kleine en middelgrote ondernemingen die hun statutaire zetel in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt;

[...]

h)      ‚uitgevende instelling’: een juridische entiteit die effecten uitgeeft of voornemens is effecten uit te geven;

[...]”

6        In artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Prospectusplicht”, stond te lezen:

„1.      De lidstaten staan aanbieding van effecten aan het publiek zonder voorafgaande publicatie van een prospectus op hun grondgebied niet toe.

2.      De prospectusplicht geldt niet voor de volgende categorieën aanbiedingen:

a)      een uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbieding van effecten [...]

[...]

3.      De lidstaten dragen er zorg voor dat elke toelating van effecten tot de handel op een op hun grondgebied gelegen of functionerende gereglementeerde markt afhankelijk wordt gesteld van de publicatie van een prospectus.”

7        Artikel 4 van richtlijn 2003/71 voorzag in vrijstellingen van de prospectusplicht voor bepaalde categorieën effecten.

8        Artikel 5 van deze richtlijn bepaalde:

„1.      Onverminderd artikel 8, lid 2, bevat het prospectus alle gegevens welke in het licht van de specifieke aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten de noodzakelijk informatie vormen om de beleggers in staat te stellen zich een verantwoord oordeel te vormen over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant, en over de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn. Deze gegevens worden gepresenteerd in een vorm die makkelijk te analyseren en te begrijpen is.

2.      Het prospectus bevat gegevens over de uitgevende instelling en de effecten die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. Het omvat ook een samenvatting. De samenvatting beschrijft op beknopte wijze en in niet-technische bewoordingen de belangrijkste kenmerken van en risico’s verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten, in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld. De samenvatting bevat ook de waarschuwing dat:

[...]

d)      de personen die de samenvatting, met inbegrip van een vertaling ervan, hebben ingediend en om kennisgeving ervan hebben verzocht, wettelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, doch enkel indien de samenvatting wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen misleidend, onjuist of inconsistent is.

[...]”

9        Artikel 6 van die richtlijn, met als opschrift „Verantwoordelijkheid voor het prospectus”, luidde:

„1.      De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie ten minste berust bij de uitgevende instelling of bij zijn leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant, al naargelang van het geval. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.

2.      De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie.

De lidstaten dragen er evenwel ook zorg voor dat een persoon niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van de samenvatting alleen, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen.”

 Spaans recht

10      Artikel 28 van Ley 24/1988, de 28 de julio, del Mercado de Valores (wet 24/1988 van 28 juli 1988 betreffende de effectenmarkt, BOE nr. 181 van 29 juli 1988, blz. 23405), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalde:

„1.      De verantwoordelijkheid voor de in het prospectus verstrekte informatie berust, overeenkomstig de bij besluit vastgestelde voorwaarden, ten minste bij de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel op een officiële secundaire markt, alsmede bij hun bestuurders.

[...]

2.      De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie, worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel. Tevens moeten zij een verklaring afleggen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.

3.      Overeenkomstig de bij besluit vastgestelde voorwaarden zijn alle in de voorgaande leden bedoelde personen in voorkomend geval aansprakelijk voor alle schade die aan de houders van verworven effecten is toegebracht doordat onjuiste informatie is verstrekt dan wel relevante gegevens zijn weggelaten in het prospectus of in het eventueel door de garant op te stellen document.

[...]

4.      De in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen niet aansprakelijk worden gesteld op basis van de samenvatting of enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen of wanneer zij, gelezen in samenhang met de andere delen van het prospectus, geen essentiële informatie bevat die beleggers kunnen helpen wanneer zij overwegen in voormelde effecten te beleggen.”

11      In artikel 30bis, lid 1, van die wet stond te lezen:

„Een aanbieding aan het publiek tot verhandeling van of inschrijving op effecten is een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten.

De prospectusplicht geldt niet voor de volgende categorieën aanbiedingen, die voor de toepassing van deze wet dus niet als openbare aanbiedingen worden beschouwd:

a)      een uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbieding van effecten;

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      In 2011 heeft Bankia met het oog op haar beursgang een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen uitgebracht die was onderverdeeld in twee tranches. De eerste tranche was gericht tot beleggers die geen gekwalificeerde beleggers in de zin van artikel 2, lid 1, onder e), van richtlijn 2003/71 waren (hierna: „retailbeleggers”) en tot de werknemers en de bestuurders van die vennootschap, terwijl een tweede, zogenoemde institutionele tranche gericht was tot „gekwalificeerde beleggers”.

13      De twee tranches zijn aangeboden vanaf de datum waarop het prospectus is geregistreerd bij de Comisión Nacional del Mercado de Valores (nationale commissie voor de effectenmarkt, Spanje), te weten op 29 juni 2011. Tussen deze datum en 18 juli 2011 vond de zogenoemde bookbuildingperiode plaats, waarin eventuele gekwalificeerde beleggers inschrijvingsvoorstellen konden formuleren. Op 18 juli 2011 is de prijs van het aandeel vastgesteld op 3,75 EUR voor zowel de tranche voor retailbeleggers als de institutionele tranche. De inschrijvingsvoorstellen zijn geselecteerd en zijn na de bevestiging ervan onherroepelijk geworden. De overeenkomstige aandelen zijn op dezelfde dag aan de beleggers toegewezen en de daaraanvolgende dag tot de officiële notering toegelaten.

14      In verband met de aanbieding tot inschrijving heeft Bankia contact opgenomen met UMAS, een instelling die actief is in de sector van de onderlinge verzekeringen en die wordt beschouwd als gekwalificeerde belegger. Op 5 juli 2011 heeft UMAS een aankooporder voor 160 000 aandelen tegen 3,75 EUR per aandeel ondertekend, hetgeen overeenkomt met een bedrag van in totaal 600 000 EUR.

15      Door een herziening van de jaarrekening van Bankia verloren de aandelen van die vennootschap op de secundaire markt nagenoeg hun volledige waarde en werd hun beursnotering geschorst.

16      UMAS heeft tegen Bankia een vordering ingesteld die er primair toe strekte dat de aankooporder voor de aandelen nietig zou worden verklaard wegens een wilsgebrek, en er subsidiair toe strekte dat Bankia aansprakelijk zou worden gehouden wegens het niet-waarheidsgetrouwe karakter van het prospectus. De rechter in eerste aanleg heeft de nietigheid van de aankooporder voor de aandelen vastgesteld en de teruggave van de door UMAS betaalde bedragen gelast, zonder zich uit te spreken over de aansprakelijkheid van Bankia.

17      Bankia heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Madrid (rechter in tweede aanleg Madrid, Spanje), die – anders dan de rechter in eerste aanleg – de door UMAS ingestelde vordering tot nietigverklaring heeft afgewezen, maar de aansprakelijkheidsvordering in verband met het prospectus heeft toegewezen.

18      Naar aanleiding van dat arrest heeft Bankia cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), die in procedures die waren ingesteld door retailbeleggers, reeds had geoordeeld dat het door Bankia uitgegeven prospectus ernstige onjuistheden bevatte wat de werkelijke financiële situatie van die vennootschap betreft.

19      De verwijzende rechter merkt op dat de verplichting om het prospectus te publiceren voortvloeide uit het feit dat een tranche van de aanbieding gericht was tot retailbeleggers, en dat dit prospectus weliswaar niet bestemd was voor gekwalificeerde beleggers maar invloed kon hebben gehad op hun beslissing om te beleggen. Volgens die rechter biedt richtlijn 2003/71 noch het Spaanse recht gekwalificeerde beleggers uitdrukkelijk de mogelijkheid om de uitgevende instelling wegens een onjuist prospectus aansprakelijk te stellen wanneer de openbare aanbieding tot inschrijving gemengd is, dat wil zeggen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers. Hij benadrukt dat in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 is bepaald dat de prospectusplicht niet geldt voor uitgevende instellingen die uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbiedingen uitbrengen – omdat deze beleggers worden geacht te beschikken over de bekwaamheid en informatiemiddelen die hen in staat stellen om hun beslissing met kennis van zaken te nemen – terwijl in overweging 27 van die richtlijn staat te lezen dat erop moet worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd teneinde beleggers afdoende te beschermen, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën beleggers.

20      In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers en er een prospectus is uitgegeven voor retailbeleggers, [moeten artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71 dan aldus worden uitgelegd dat] beide categorieën beleggers [...] een aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus [kunnen] instellen, dan wel aldus dat enkel retailbeleggers deze vordering kunnen instellen?

2)      Indien het antwoord op de vorige vraag luidt dat die vordering ook kan worden ingesteld door gekwalificeerde beleggers, is het dan mogelijk om de mate waarin zij kennis dragen van de economische situatie van de uitgevende instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen uitbrengt, los van het prospectus te beoordelen op basis van hun juridische of professionele betrekkingen met deze instelling (als aandeelhouder van die instelling, als lid van haar bestuursorganen, enzovoort)?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

21      UMAS stelt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Ten eerste is dit volgens haar het geval omdat de vragen van de verwijzende rechter niet door partijen in het hoofdgeding zijn opgeworpen en niet ambtshalve door de verwijzende rechter aan de orde kunnen worden gesteld. Ten tweede is UMAS van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, omdat er sprake is van leemten en tekortkomingen met betrekking tot de weergave van de feiten en de uiteenzetting van de redenen waarom de verwijzende rechter zich tot het Hof heeft gewend. Ten derde laat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling volgens UMAS geen ruimte voor enige twijfel over de personen die de in artikel 6 van richtlijn 2003/71 bedoelde aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen.

22      In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de regeling die in artikel 267 VWEU is neergelegd om te waarborgen dat het Unierecht op dezelfde wijze wordt uitgelegd in de lidstaten, een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties tot stand brengt in de vorm van een procedure die losstaat van enig initiatief van de partijen. Derhalve mag de verwijzende rechter de partijen in het bij hem aanhangige geding weliswaar uitnodigen om mogelijke formuleringen van de prejudiciële vragen voor te stellen, maar blijft hij uiteindelijk zelf als enige bevoegd om te beslissen over zowel de vorm als de inhoud van die vragen (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C‑136/12, EU:C:2013:489, punten 28‑30).

23      Gesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing – zoals UMAS betoogt – betrekking heeft op vragen die niet zijn opgeworpen door partijen in het hoofdgeding, kan deze omstandigheid dus niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van dat verzoek.

24      In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie geldt voor de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, waarvan de juistheid niet door het Hof behoort te worden onderzocht (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 43). Het Hof kan enkel weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer, met name, niet is voldaan aan de in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde vereisten die betrekking hebben op de inhoud van het verzoek om een prejudiciële beslissing, wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierechtelijke voorschrift kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (zie in die zin arrest van 3 september 2020, Supreme Site Services e.a., C‑186/19, EU:C:2020:638, punt 42).

25      De argumenten van UMAS met betrekking tot de Spaanse wettelijke regeling die van toepassing is op het hoofdgeding, kunnen niet afdoen aan het vermoeden van relevantie dat geldt voor de vragen van de verwijzende rechter. Bovendien heeft die rechter voldaan aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, aangezien hij met voldoende nauwkeurigheid de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feitelijke en juridische gegevens heeft uiteengezet, alsmede toelichting heeft verstrekt bij het voorwerp van het hoofdgeding en bij het verband tussen dat geding en de gevraagde uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen.

26      Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste prejudiciële vraag

27      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.

28      Het is vaste rechtspraak van het Hof dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de doelstellingen van deze bepaling, maar ook met haar context en met het Unierecht in zijn geheel [arrest van 11 maart 2020, X (Inning van aanvullende invoerrechten), C‑160/18, EU:C:2020:190, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

29      Dienaangaande zij opgemerkt dat in richtlijn 2003/71 niet wordt vermeld welke beleggers een aansprakelijkheidsvordering in vorenbedoelde zin kunnen instellen. In artikel 6, lid 1, van die richtlijn worden namelijk enkel de personen genoemd die aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens het feit dat de inhoud van het prospectus onjuist of onvolledig is.

30      Wat de doelstellingen van richtlijn 2003/71 betreft, blijkt onder meer uit overweging 10 van deze richtlijn dat de bescherming van de beleggers alsook de goede werking en de ontwikkeling van de markten de fundamentele kern van die doelstellingen vormen (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Almer Beheer en Daedalus Holding, C‑441/12, EU:C:2014:2226, punten 31 en 33).

31      Bovendien volgt uit de overwegingen 18, 21 en 27 van richtlijn 2003/71, gelezen in onderlinge samenhang, dat volledige, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie over effecten en uitgevende instellingen de bescherming van beleggers bevordert alsook een doeltreffend middel vormt om het vertrouwen van het publiek te versterken en aldus bij te dragen tot de goede werking en de ontwikkeling van de effectenmarkten door te voorkomen dat die goede werking en die ontwikkeling door onregelmatigheden worden belemmerd (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Almer Beheer en Daedalus Holding, C‑441/12, EU:C:2014:2226, punt 33).

32      In dit verband draagt de publicatie van een prospectus – zoals het in overweging 19 van richtlijn 2003/71 luidt – bij tot het bieden van waarborgen ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers, zodat dezen in staat worden gesteld om de aan beleggingen in effecten verbonden risico’s in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

33      Uit het voorgaande volgt dat een belegger die heeft deelgenomen aan een aanbieding van effecten waarbij een prospectus is gepubliceerd, zich op de in dit prospectus verstrekte informatie mag baseren en bijgevolg gerechtigd is om een aansprakelijkheidsvordering wegens die informatie in te stellen, ongeacht of dat prospectus te zijnen behoeve is uitgegeven of niet.

34      Aan deze uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2003/71 wordt niet afgedaan door het uit artikel 3 van deze richtlijn voortvloeiende onderscheid tussen retailbeleggers en gekwalificeerde beleggers.

35      Het is juist dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 voorziet in een reeks vrijstellingen van de in lid 1 van dat artikel neergelegde algemene prospectusplicht, met name wanneer de aanbieding van effecten uitsluitend gericht is tot gekwalificeerde beleggers. Zoals in overweging 16 van die richtlijn staat te lezen, heeft de Uniewetgever rekening willen houden met de uiteenlopende behoefte aan bescherming van de verschillende categorieën beleggers, alsook met hun deskundigheid. Derhalve geldt de verplichting om voorafgaandelijk een prospectus te publiceren niet voor uitsluitend aan gekwalificeerde beleggers voorbehouden aanbiedingen van effecten, omdat gekwalificeerde beleggers – anders dan retailbeleggers – los van het prospectus dankzij hun eigen middelen toegang kunnen hebben tot de informatie die noodzakelijk is voor hun beleggingsbeslissingen.

36      Uit artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71 – dat als uitzondering op het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel restrictief moet worden uitgelegd (zie naar analogie arresten van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 69, en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 30) – kan echter niet worden afgeleid dat gekwalificeerde beleggers de mogelijkheid is ontnomen om een aansprakelijkheidsvordering als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2003/71 in te stellen wegens de informatie die is vervat in een prospectus dat is gepubliceerd op grond van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn.

37      Immers, in het geval van een gemengde aanbieding als in het hoofdgeding aan de orde is, die gericht is tot zowel gekwalificeerde beleggers als retailbeleggers, beschikken alle beleggers ongeacht hun hoedanigheid over dat document, dat – zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt – wordt geacht volledige en betrouwbare informatie te bevatten waarop zij zich mogen baseren. Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, staan de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 vermelde vrijstellingen van de prospectusplicht er overigens niet aan in de weg dat een dergelijk document vrijwillig wordt gepubliceerd ten behoeve van alle beleggers.

38      Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt, brengt het feit dat de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2003/71 op detailleerde wijze in talrijke vrijstellingen van de prospectusplicht voorzien terwijl in artikel 6 van die richtlijn een zonder uitzonderingen geldend beginsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid in geval van een onjuist prospectus is neergelegd, met zich mee dat laatstgenoemd artikel aldus moet worden uitgelegd dat na de publicatie van een prospectus een burgerrechtelijke aansprakelijkheidsvordering moet kunnen worden ingesteld wegens de in dat prospectus verstrekte informatie, ongeacht de hoedanigheid van de belegger die zich benadeeld acht.

39      Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.

 Tweede prejudiciële vraag

40      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling.

41      In zoverre zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 6, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2003/71 bepaalt dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie. Deze bepaling vereist dus niet dat op dit gebied specifieke nationaalrechtelijke bepalingen worden vastgesteld, met dien verstande dat volgens de tweede alinea van die bepaling „een persoon” niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van enkel de samenvatting van het prospectus, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij die samenvatting misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen.

42      Hieruit volgt dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 – zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 44, 47 en 49 van zijn conclusie – de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de nadere regels voor het instellen van een aansprakelijkheidsvordering wegens de in het prospectus verstrekte informatie.

43      Voorts blijkt uit artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71, gelezen in het licht van overweging 16 ervan, dat het prospectus voor de verkoop van effecten weliswaar informatie bevat die voor retailbeleggers van essentieel belang is om met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te kunnen nemen, maar dat gekwalificeerde beleggers – onder meer gelet op hun deskundigheid – normaal gesproken toegang hebben tot andere informatie die ervoor kan zorgen dat zij hun beslissingen kunnen nemen met kennis van zaken.

44      De lidstaten zijn dus in beginsel vrij om – in voorkomend geval door specifieke bepalingen op het gebied van burgerrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen in hun nationale rechtsorde – toe te staan of zelfs de verplichting op te leggen om de deskundigheid van een gekwalificeerde belegger en zijn betrekkingen met de betrokken instelling die effecten uitgeeft in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de op artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 gebaseerde aansprakelijkheid wegens de in het prospectus verstrekte informatie.

45      Niettemin zij opgemerkt dat de lidstaten op grond van het beginsel van institutionele en procedurele autonomie weliswaar over een ruime beoordelingsmarge beschikken ten aanzien van de vaststelling van de in artikel 6 van richtlijn 2003/71 bedoelde aansprakelijkheid, maar dat dit beginsel moet worden toegepast met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, teneinde het nuttig effect van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen te waarborgen (zie naar analogie arrest van 19 december 2013, Hirmann, C‑174/12, EU:C:2013:856, punt 40).

46      Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat de nationale procedurele bepalingen die onder het Unierecht vallende situaties regelen, niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die voor soortgelijke onder het nationale recht vallende situaties gelden, terwijl het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat die bepalingen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe, C‑752/18, EU:C:2019:1114, punt 33).

47      Ingeval op grond van nationaalrechtelijke bepalingen bij het nemen van een beslissing over een aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 rekening mag of zelfs moet worden gehouden met de kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling waarover een gekwalificeerde belegger gelet op zijn betrekkingen met die instelling beschikt of behoort te beschikken, is het dan ook de taak van de nationale rechter bij wie een dergelijke aansprakelijkheidsvordering aanhangig is gemaakt, om na te gaan of die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht overigens voorziet, en of zij het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

48      Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling, mits die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht voorziet en het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

 Kosten

49      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.

2)      Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling, mits die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht voorziet en het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.