Language of document : ECLI:EU:T:2004:218

Zaak T‑44/00

Mannesmannröhren-Werke AG

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markten van naadloze stalen buizen – Duur van inbreuk – Geldboeten”

Samenvatting van het arrest

1.      Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk – Overlegging van document door Commissie zonder prijsgave van bron – Toelaatbaarheid

2.      Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Beschikking die niet identiek is aan mededeling van punten van bezwaar – Schending van rechten van verdediging – Voorwaarde – Onmogelijkheid voor onderneming om zich te verdedigen tegen uiteindelijk in aanmerking genomen bezwaar

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1)

3.      Mededinging – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededingingverstorend doel – Vaststelling toereikend

(Art. 81, lid 1, EG)

4.      Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld – Verplichting om markt af te bakenen – Geen, indien overeenkomst tot doel heeft markt te verdelen

(Art. 81 EG)

5.      Mededinging – Mededingingsregelingen – Mededingingsregelingen die als bestanddelen van één enkele mededingingverstorende overeenkomst worden beschouwd – Voorwaarden – Algemeen plan dat gemeenschappelijk doel nastreeft – Ondernemingen waaraan deelneming aan unieke overeenkomst ten laste kan worden gelegd – Voorwaarden

(Art. 81, lid 1, EG)

6.      Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Onderscheid tussen middelen van openbare orde en andere middelen, zoals middelen ten gronde – Ontoereikende motivering – Middel dat in elke stand van geding kan worden aangevoerd

7.      Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Richtsnoeren van Commissie – Verplichting voor Commissie om zich hieraan te houden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

8.      Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsmarge van Commissie – Mogelijkheid om geldboeten te verhogen ter versterking van afschrikkende werking ervan

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

9.      Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

10.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Noodzaak om onderscheid te maken tussen bij zelfde inbreuk betrokken ondernemingen naar gelang van totale omzet ervan – Geen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, zesde alinea)

11.    Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Rechtspersoon die onderneming exploiteerde toen inbreuk werd gepleegd – Overname van aansprakelijkheid door persoon die exploitatie heeft overgenomen – Toelaatbaarheid – Draagwijdte in geval van deelneming van overnemer aan inbreuk

(Art. 81, lid 1, EG)

12.    Procedure – Bewijs – Bewijslast – Afwenteling door verzoekende partij op verwerende partij in specifiek geval – Onvermogen van Commissie om te preciseren wanneer door haar met derde land gesloten overeenkomst is afgelopen

13.    Procedure – Gevoegde zaken – Inaanmerkingneming van bewijselementen uit dossiers in parallelle zaken

14.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Beoordeling – Noodzaak om elke omstandigheid afzonderlijk in aanmerking te nemen – Geen – Globale beoordeling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

15.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Gedrag dat afwijkt van in kader van mededingingsregeling overeengekomen gedrag – Beoordeling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, tweede streepje)

16.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Beëindiging van inbreuk na optreden van Commissie – Noodzaak van causaal verband

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

17.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Inachtneming van gelijkheidsbeginsel

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

18.    Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Vermindering wegens niet-betwisting van feiten – Voorwaarden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, punt D2)

1.      In het gemeenschapsrecht primeert het beginsel van de vrije bewijslevering en het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen is de geloofwaardigheid ervan. Verder kan het noodzakelijk zijn voor de Commissie om de anonimiteit van de informanten te beschermen en deze omstandigheid alleen kan de Commissie niet verplichten een van de bewijzen waarover zij beschikt, terzijde te schuiven.

Het argument van een verzoekende partij dat de Commissie niet heeft bekendgemaakt wie een tegen haar aangevoerd document heeft opgesteld of waar het vandaan komt, kan dus weliswaar relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid en dus van de bewijskracht van dit document, maar er is geen reden om vast te stellen dat dit niet-ontvankelijk is als bewijs en uit het dossier dient te worden verwijderd.

(cf. punten 84‑85)

2.      Een verschil tussen de mededeling van punten van bezwaar en de uiteindelijke beschikking levert slechts een schending van de rechten van de verdediging op indien een in de beschikking vastgestelde grief niet op zo'n duidelijke wijze in de mededeling van punten van bezwaar is uiteengezet dat de adressaten zich naar behoren daartegen hebben kunnen verdedigen.

In de mededeling van de punten van bezwaar hoeft de Commissie immers enkel de aangevoerde grieven uiteen te zetten en duidelijk te vermelden op welke feiten zij zich baseert en welke kwalificatie zij daaraan heeft gegeven, opdat de adressaten ervan zich naar behoren zouden kunnen verdedigen.

De juridische kwalificatie van de feiten in de mededeling van de punten van bezwaar kan per definitie slechts voorlopig zijn, en een latere beschikking van de Commissie kan niet nietig worden verklaard op de loutere grond dat de uiteindelijke conclusies die uit deze feiten zijn getrokken, niet exact met deze tussentijdse kwalificatie overeenstemmen. De Commissie moet immers de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar horen en, in voorkomend geval, op basis van hun opmerkingen op de in aanmerking genomen punten van bezwaar haar standpunt wijzigen, precies om hun rechten van verdediging te eerbiedigen.

(cf. punten 98‑100)

3.      Ondernemingen die een overeenkomst sluiten die tot doel heeft de mededinging te beperken, kunnen zich in beginsel niet aan de toepassing van artikel 81, lid 1, EG onttrekken met het argument dat hun overeenkomst wellicht geen merkbare invloed op de mededinging heeft gehad.

(cf. punten 130, 196)

4.      De Commissie hoeft in een beschikking op grond van artikel 81 EG de markt enkel af te bakenen, wanneer zonder een dergelijke afbakening niet kan worden uitgemaakt of de betrokken overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en of zij ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Indien de overeenkomst als zodanig tot doel heeft de mededinging via een „marktverdeling” te beperken, hoeven de betrokken geografische markten in beginsel niet nauwkeurig te worden omschreven, aangezien de bestaande of potentiële mededinging binnen de betrokken gebieden noodzakelijkerwijs is beperkt, ongeacht of deze gebieden „markten” stricto sensu zijn.

(cf. punt 132)

5.      Op het gebied van de mededinging kunnen gedragingen die passen in een algemeen plan en een gemeenschappelijk doel nastreven, worden geacht deel uit te maken van één enkele overeenkomst. Indien de Commissie aantoont dat een onderneming die aan mededingingsregelingen heeft deelgenomen, wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat zij aldus betrokken was bij één enkele overeenkomst, kan zij immers worden geacht door haar deelneming aan de betrokken mededingingsregelingen met deze overeenkomst te hebben ingestemd.

(cf. punt 181)

6.      In het kader van een beroep tot nietigverklaring is een middel inzake niet- of ontoereikende motivering van een gemeenschapshandeling, anders dan een middel ten gronde, een middel van openbare orde dat als zodanig door de gemeenschapsrechter ambtshalve moet worden onderzocht en derhalve door partijen in elke stand van het geding kan worden aangevoerd.

(cf. punten 192, 210)

7.      De Commissie beschikt weliswaar bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete over een beoordelingsmarge, maar zij mag niet afwijken van de regels die zij zichzelf heeft opgelegd. Zo moet de Commissie noodzakelijkerwijs rekening houden met de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, met name met de punten die daarin dwingend zijn vastgesteld.

(cf. punten 212, 230‑231, 274)

8.      De Commissie beschikt bij de bepaling van de boetebedragen over een beoordelingsmarge om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat deze de mededingingsregels naleven. Bovendien ontneemt het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet de mogelijkheid dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien dit noodzakelijk is ter uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid. Voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels moet de Commissie integendeel het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen.

(cf. punt 217)

9.      Het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, moet evenredig zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan.

Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk moet rekening worden gehouden met een groot aantal factoren die naar aard en belang kunnen verschillen naar gelang van de soort inbreuk waarom het gaat en de bijzondere omstandigheden waaronder zij is begaan.

(cf. punt 229)

10.    Gelet op de bewoordingen van punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dient te worden aangenomen dat de Commissie een zekere marge heeft behouden bij de beoordeling van de opportuniteit om op basis van de omvang van elke onderneming een weging op de geldboeten toe te passen. Zo is de Commissie bij de vaststelling van de boetebedragen niet verplicht ervoor te zorgen dat, wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, de definitieve boetebedragen elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun totale omzet weerspiegelen.

(cf. punt 247)

11.    Voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk worden gehouden die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip van goedkeuring van de beschikking waarin de inbreuk wordt vastgesteld. Dit is evenwel niet het geval wanneer de persoon onder wiens verantwoordelijkheid de onderneming inmiddels wordt geëxploiteerd, heeft verklaard de verantwoordelijkheid voor de aan zijn voorganger verweten feiten op zich te nemen.

Op basis van deze regel kan evenwel niet worden aangenomen dat, wanneer de rechtspersoon die de verklaring heeft afgelegd, ook zelfstandig aan de inbreuk heeft deelgenomen, één enkele geldboete aan deze rechtspersoon zou moeten worden opgelegd, waarvan het bedrag lager is dan de som van de twee geldboeten die aan zelfstandige ondernemingen zouden zijn opgelegd.

(cf. punten 254‑255)

12.    Hoewel algemeen gesproken de verzoekende partij niet op grond van omstandigheden die zij niet kan aantonen, de bewijslast op de verwerende partij kan afwentelen, kan de bewijslastregeling, wanneer de Commissie heeft beslist om geen inbreuk op de mededingingsregels aan te nemen voor de periode waarin overeenkomsten inzake vrijwillige beperking van de uitvoer tussen een derde land en de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, golden, niet in het voordeel van de Commissie spelen met betrekking tot de vraag wanneer deze overeenkomsten zijn afgelopen. Door het onbegrijpelijke onvermogen van de Commissie om bewijsstukken voor te leggen met betrekking tot een omstandigheid waarbij zij rechtstreeks betrokken is, is het Gerecht immers niet in staat om met kennis van zaken te oordelen over het tijdstip waarop deze overeenkomsten zijn afgelopen, en het ware in strijd met het beginsel van goede rechtsbedeling om de gevolgen van deze tekortkoming van de Commissie te laten dragen door de adressaten van de bestreden beschikking, die anders dan de verwerende instelling niet in staat zijn het ontbrekende bewijs te leveren.

(cf. punten 261‑263)

13.    Het Gerecht kan in gevoegde zaken waarin alle partijen de gelegenheid hebben gehad alle dossiers te raadplegen, ambtshalve rekening houden met bewijselementen uit de dossiers in de parallelle zaken.

(cf. punt 264)

14.    Tot de omstandigheden die de Commissie in een bepaald geval in aanmerking kan nemen, behoren weliswaar zeker die welke zijn opgesomd in de lijst van punt 3 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, maar de Commissie is, gelet op de formulering van punt 3, niet verplicht om automatisch op die grond een extra vermindering te verlenen wanneer een onderneming elementen aanvoert die kunnen wijzen op het bestaan van een van deze omstandigheden. Of een eventuele vermindering van de geldboete wegens verzachtende omstandigheden hoog genoeg is, dient immers in zijn geheel te worden beoordeeld, rekening houdend met alle relevante omstandigheden.

(cf. punt 274)

15.    Het feit dat een onderneming waarvan is aangetoond dat zij met haar concurrenten heeft samengespannen om de markten te verdelen, zich op de markt niet overeenkomstig de met haar concurrenten overeengekomen wijze heeft gedragen, is niet noodzakelijkerwijs een omstandigheid die bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking moet worden genomen.

Punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dient derhalve aldus te worden uitgelegd dat de Commissie slechts verplicht is de niet-uitvoering van een mededingingsregeling als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen, indien de onderneming die dit aanvoert, kan aantonen dat zij zich zo duidelijk en sterk tegen de uitvoering van deze mededingingsregeling heeft verzet dat zij de werking zelf ervan heeft verstoord, en dat zij niet ogenschijnlijk met de overeenkomst heeft ingestemd en daardoor andere ondernemingen niet ertoe heeft aangezet de betrokken mededingingsregeling uit te voeren.

(cf. punt 277)

16.    Het feit dat de betrokken onderneming „reeds bij de eerste stappen van de Commissie [...] de inbreuken heeft beëindigd” in de zin van punt 3 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, kan logischerwijs slechts een verzachtende omstandigheid vormen indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze onderneming er door het optreden van de Commissie toe is aangezet haar mededingingverstorende praktijken te beëindigen. Het doel van deze bepaling is immers, de ondernemingen ertoe aan te zetten hun mededingingverstorende praktijken stop te zetten onmiddellijk nadat de Commissie daarnaar een onderzoek heeft ingesteld. Er kan geen vermindering van het boetebedrag op deze grond worden toegekend wanneer de inbreuk reeds vóór de eerste stappen van de Commissie is beëindigd of wanneer de betrokken ondernemingen reeds voor dit tijdstip vastbesloten waren om deze te beëindigen.

(cf. punten 280‑281)

17.    Ondernemingen die in hetzelfde stadium van de administratieve procedure en in vergelijkbare omstandigheden de Commissie soortgelijke inlichtingen over de hun verweten feiten verstrekken, moeten worden geacht in vergelijkbare mate te hebben meegewerkt, zodat zij op gelijke wijze dienen te worden behandeld bij de bepaling van het bedrag van de op te leggen geldboete.

(cf. punten 295, 298)

18.    Een onderneming kan overeenkomstig punt D 2 van de mededeling inzake medewerking slechts een vermindering van het boetebedrag wegens niet-betwisting van de feiten krijgen, indien zij de Commissie na ontvangst van de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk meedeelt dat zij de feiten niet betwist. Bij ontbreken van een dergelijke uitdrukkelijke verklaring kan de louter passieve houding van een onderneming niet worden geacht de taak van de Commissie te vergemakkelijken, aangezien deze in haar eindbeschikking alle feiten dient te bewijzen zonder dat zij zich daarbij op een verklaring van de onderneming kan beroepen.

(cf. punt 303)