Language of document : ECLI:EU:C:2013:472

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 11 juli 2013 (1)

Zaak C‑209/12

Walter Endress

tegen

Allianz Lebensversicherungs-AG

[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Levensverzekering – Opzeggingsrecht – Opzegtermijn – Begin en looptijd – Informatieverstrekking”





1.        Krachtens EU-recht moet de houder van een levensverzekeringspolis beschikken over een termijn van 14 tot 30 dagen na kennisgeving van de sluiting van de overeenkomst (hierna: „opzegtermijn”)(2), waarin hij de overeenkomst kan opzeggen, en moet hij, vóór de sluiting van de overeenkomst, worden geïnformeerd over de wijze van uitoefening van dit opzeggingsrecht. Wat gebeurt er als hij daarover niet is geïnformeerd? Kan hij de overeenkomst opzeggen? Zo ja, staat dan het EU-recht in de weg aan een nationale maatregel krachtens welke dat recht uiterlijk een jaar na de eerste premiebetaling en ongeacht de vraag of de verplichte informatie betreffende het opzeggingsrecht aan de polishouder ter beschikking is gesteld, vervalt?

2.        Dit zijn de belangrijkste punten waaraan aandacht moet worden besteed bij de beantwoording van de in deze zaak gestelde vraag.

 EU-recht

 Tweede richtlijn levensverzekering

3.        Richtlijn 90/619/EEG van de Raad (hierna: „Tweede richtlijn levensverzekering”)(3) heeft richtlijn 79/267/EEG („Eerste richtlijn levensverzekering”)(4) gewijzigd en aangevuld. Laatstgenoemde richtlijn had betrekking op „de levensverzekeringsbranche”, gedefinieerd als „de branche die onder andere de verzekering bij leven, de verzekering bij overlijden, de gemengde verzekering, de levensverzekering met contraverzekering, de verzekeringen in verband met huwelijk en geboorte omvat”.(5)

4.        De Tweede en Derde richtlijn levensverzekering waren primair gericht op het totstandbrengen van de interne levensverzekeringsmarkt, met inbegrip van de vrijheid van diensten op het gebied van levensverzekeringen.(6)

5.        Krachtens artikel 4, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering was het toepasselijke recht in beginsel het recht van de lidstaat van de verbintenis, hoewel partijen, indien zulks volgens het recht van deze staat mogelijk was, konden kiezen voor het recht van een ander land. De „lidstaat van de verbintenis” werd in artikel 2, sub e, ervan gedefinieerd als „de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats [had] of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon [was], de lidstaat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon [bevond] waarop de overeenkomst betrekking [had]”.

6.        Artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering, in de versie zoals gewijzigd bij artikel 30 van de Derde richtlijn levensverzekering, luidde als volgt:

„1.      Elke lidstaat schrijft voor dat de verzekeringnemer die een individuele levensverzekering aangaat, beschikt over een termijn van 14 tot 30 dagen, te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij ervan in kennis wordt gesteld dat de overeenkomst is gesloten, om deze overeenkomst op te zeggen.

De kennisgeving van de verzekeringnemer waarin hij de overeenkomst opzegt, heeft ten gevolge dat hij voor de toekomst wordt ontheven van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

De andere rechtsgevolgen en de voorwaarden van de opzegging worden beheerst door het op de overeenkomst toepasselijke recht, als gedefinieerd in artikel 4, met name voor wat betreft de wijze waarop de verzekeringnemer ervan in kennis wordt gesteld dat de overeenkomst gesloten is.

2.      De lidstaten behoeven lid 1 niet toe te passen op overeenkomsten met een looptijd van ten hoogste zes maanden of in gevallen waarin de verzekeringnemer, vanwege zijn positie of de omstandigheden waarin de overeenkomst is gesloten, deze bijzondere bescherming niet nodig heeft.”

 Derde richtlijn levensverzekering

7.        Punt 23 van de considerans van de Derde richtlijn levensverzekering luidt:

„Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst.”

8.        Artikel 31 bevatte de verplichting om informatie te verstrekken aan de polishouder vóór de sluiting van de overeenkomst:

„1.      Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.

2.      De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.

3.      De lidstaat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

4.      De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de lidstaat van de verbintenis vastgesteld.”

9.        Bijlage II bevatte de „inlichtingen, die hetzij voor de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer [moesten] worden meegedeeld”. Deze inlichtingen moesten „duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis”. Deel A bevatte een tabel: in de linkerkolom werden inlichtingen vermeld betreffende de verzekeringsonderneming en in de rechterkolom werden inlichtingen vermeld betreffende de verbintenis zelf. In punt 13 van laatstgenoemde kolom werden, in de Franse versie, inlichtingen vermeld betreffende de „modalités d’exercise du droit de renonciation” en, in de Engelse versie, „[a]rrangelents for application of the cooling-off period”, dat wil zeggen, de wijze waarop het recht van opzegging kon worden uitgeoefend.(7) De Duitse taalversie, die spreekt van de „Ausübung des Widerrufs[-] und Rücktritt[s]rechts”, leek te verwijzen naar andere aspecten van het opzeggingsrecht.

 Nationaal recht

10.      § 5a van het Versicherungsvertragsgesetz (Duitse wet inzake de verzekeringsovereenkomst; hierna: „VVG”), in de versie die op het tijdstip van de feiten van het hoofdgeding toepasselijk was (hierna: „oorspronkelijke versie van § 5a VVG”), luidde:

„(1)      Wanneer de verzekeraar de verzekeringnemer tijdens de aanvraagprocedure niet de verzekeringsvoorwaarden verstrekt of hem de in § 10a van het Versicherungsaufsichtsgesetz(8) bedoelde consumentenvoorlichting heeft onthouden, geldt de overeenkomst op basis van de polis, de verzekeringsvoorwaarden en de verder voor de inhoud van de overeenkomst belangrijke consumentenvoorlichting als gesloten, wanneer de verzekeringnemer niet binnen veertien dagen na beschikbaarstelling van de documenten in tekstvorm schriftelijk herroept. [...]

(2)      De termijn gaat pas in wanneer de polis en de in lid 1 bedoelde documenten de verzekeringnemer volledig ter beschikking staan en de verzekeraar de verzekeringnemer bij afgifte van de polis schriftelijk in druktechnisch duidelijke vorm heeft geïnformeerd over het herroepingsrecht, het begin van de termijn en de looptijd ervan. Het bewijs voor de beschikbaarstelling van de documenten rust op de verzekeraar. Voor inachtneming van de termijn volstaat de tijdige verzending van de herroeping. In afwijking van de eerste zin vervalt het herroepingsrecht echter één jaar na betaling van de eerste premie.”

11.      Hoewel de oorspronkelijke versie van § 5a VVG met ingang van 31 december 2007 was gewijzigd, is hij blijkbaar nog steeds van toepassing op levensverzekeringsovereenkomsten die zijn gesloten vóór die datum.

12.      In de oorspronkelijke versie van § 5a VVG werden de Duitse termen „widerspricht”, „Widerspruchsrecht” en „Widerspruch” gebruikt. Die termen wijken af van die welke werden gebruikt in artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering (waarin gebruik werd gemaakt van de termen „zurückzutreten”, „zurücktritt” en „Rücktritt”), en in de zinsnede „Ausübung des Widerrufs[-] und Rücktritt[s]rechts” in bijlage II bij de Derde richtlijn levensverzekering.

13.      In deze conclusie zal ik mij toespitsen op de in deze procedure gegeven toelichting op de werking van de oorspronkelijke versie van § 5a VVG en niet zozeer op de nuances van de betekenis van de termen „widerspricht”, „Widerspruchsrecht” en „Widerspruch” naar Duits recht.(9)

 Feiten, procesverloop en prejudiciële vraag

14.      De heer Endress wenste een levensverzekeringsovereenkomst te sluiten met Allianz Lebensversicherungs-AG (hierna: „Allianz”), met ingang van 1 december 1998.

15.      Endress ontving de Algemene Voorwaarden en de nota met achtergrondinformatie pas toen Allianz hem de verzekeringspolis toezond. Volgens de vaststellingen van de appelrechter, die voor het Bundesgerichtshof (hierna: „verwijzende rechter”) bindend zijn, heeft Allianz, hoewel zij met die toezending het aanbod van Endress aanvaardde, Endress niet correct geïnformeerd over zijn door de oorspronkelijke versie van § 5a VVG gewaarborgde rechten.(10)

16.      Dientengevolge verklaart de verwijzende rechter dat de termijn van 14 dagen die wordt omschreven in de oorspronkelijke versie van § 5a VVG, niet was aangevangen.

17.      Volgens de overeenkomst moest er gedurende een periode van vijf jaar een jaarlijkse premie worden betaald. Overeenkomstig de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden was de afkoopsom bij opzegging beperkt tot de waarde van de garantie in geval van overlijden.

18.      Van december 1998 tot en met december 2002 betaalde Endress premies. Blijkbaar heeft hij een extra premie betaald in 2004.

19.      Op 1 juni 2007 zegde Endress de overeenkomst op met ingang van 1 september 2007. In september 2007 betaalde de verzekeringsmaatschappij hem de afkoopsom uit, die minder bedroeg dan de som van de premies, vermeerderd met rente.

20.      Bij brief van 31 maart 2008 (en dus meer dan een jaar na de betaling van de eerste premie) oefende Endress de rechten uit die hem werden verleend door de oorspronkelijke versie van § 5a VVG. Hij stelde dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was gesloten en verzocht de verzekeraar hem alle premies terug te betalen, vermeerderd met rente (onder verrekening van de afkoopsom). Het is niet duidelijk hoe en op welk tijdstip Endress op de hoogte was (gesteld) van zijn recht krachtens de oorspronkelijke versie van § 5a VVG en de wijze van uitoefening van dit recht.

21.      De rechter in eerste aanleg wees de vordering van Endress van een bijkomend bedrag van de verzekeraar van de hand. De appelrechter verwierp zijn hoger beroep tegen die beslissing.

22.      Vervolgens tekende Endress beroep in cassatie aan bij het Bundesgerichtshof, dat van oordeel was dat de uitkomst van het cassatieberoep afhangt van de vraag of de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich verzetten tegen de regel volgens welke het recht van de polishouder krachtens de oorspronkelijke versie van § 5a, lid 2, VVG één jaar na betaling van de premie was komen te vervallen (hierna: „één-jaar-regel”). Tegen die achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Moet artikel 15, lid 1, eerste zin, van [de Tweede richtlijn levensverzekering], gelet op het bepaalde in artikel 31, lid 1, van [de Derde richtlijn levensverzekering] in die zin worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling – zoals § 5a, lid 2, vierde zin, [van de VVG in de op het hoofdgeding toepasselijke versie] – krachtens welke een opzeggings‑ of herroepingsrecht uiterlijk een jaar na de eerste premiebetaling vervalt, zelfs wanneer de verzekeringnemer niet over het opzeggings‑ of herroepingsrecht is geïnformeerd?”

23.      Endress, Allianz, de Duitse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en hun standpunten ter terechtzitting van 24 januari 2013 mondeling toegelicht.

 Beoordeling

 Voorafgaande opmerkingen

24.      Blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft Endress voor de Duitse rechterlijke instanties betoogd dat de één-jaar-regel in strijd is met de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering.

25.      Ik zal derhalve ingaan op de vraag of de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich verzetten tegen een bepaling als de oorspronkelijke versie van § 5a VVG, waarin de één-jaar-regel was opgenomen, en, indien dit niet het geval is, vervolgens de gevolgen bespreken van die conclusie voor de onderhavige zaak.

26.      Hoewel de oorspronkelijke versie van § 5a VVG niet meer van kracht is(11), blijft een aanzienlijk aantal levensverzekeringsovereenkomsten onderworpen aan deze bepaling. Het arrest van het Hof in de onderhavige zaak zal dus waarschijnlijk ook gevolgen hebben voor andere polishouders dan Endress.(12) Het kan eveneens relevant zijn voor polishouders die levensverzekeringsovereenkomsten hebben ondertekend op basis van een andere bepaling dan de oorspronkelijke versie van § 5a VVG, voor zover het recht om die overeenkomsten op te zeggen is onderworpen aan diezelfde (of een soortgelijke) één-jaar-regel.

27.      De in deze zaak ingediende opmerkingen bieden slechts een fragmentarische beschrijving van het Duitse levensverzekeringsrecht en de bijzondere kenmerken van de totstandkoming en de opzegging van levensverzekeringsovereenkomsten zoals die welke in de oorspronkelijke versie van § 5a VVG werden omschreven.

28.      Volgens de verwijzende rechter was die bepaling van toepassing op overeenkomsten die waren opgesteld volgens wat ik hierna het „polisafgiftemodel” zal noemen. Volgens die benadering vormde de aanvraag van een levensverzekering een aanbod van een overeenkomst en kwam de aanvaarding door de verzekeraar van dat aanbod tot stand door toezending, aan de aanvrager, van de verzekeringspolis, de Algemene Voorwaarden en de nota met achtergrondinformatie. Het lijkt erop dat de overeenkomst pas was gesloten na het verstrijken van de termijn van 14 dagen volgend op de afgifte van deze documenten, en op voorwaarde dat de aanvrager gedurende die periode geen blijk had gegeven van de wil om niet door de overeenkomst gebonden te zijn. Gedurende die periode was de overeenkomst dus, naar Duits recht, vooralsnog niet rechtsgeldig. Indien de aanvrager niet binnen de bovengenoemde termijn reageerde, was de overeenkomst gesloten met ingang van de datum waarop de aanvrager de verzekeringspolis, de Algemene Voorwaarden en de nota met achtergrondinformatie had ontvangen. Indien de verzekeraar verzuimde om die documenten aan de toekomstige polishouder toe te zenden, begon de termijn van 14 dagen niet te lopen. Nadat na betaling van de eerste premie meer dan een jaar was verstreken, kon de aanvrager evenwel niet langer blijk geven van zijn wil om niet door de overeenkomst gebonden te zijn.

29.      De vraag van de verwijzende rechter heeft met name betrekking op de vierde zin van de oorspronkelijke versie van § 5a, lid 2, VVG, waarin werd bepaald dat de aanvrager na het verstrijken van een periode van één jaar na betaling van de eerste premie niet langer blijk kon geven van zijn wil om niet door de overeenkomst gebonden te zijn – zelfs indien, zoals de verwijzende rechter naar voren brengt, de verzekeraar nooit de relevante informatie had verstrekt (inclusief de informatie betreffende het recht van de aanvrager om blijk te geven van zijn wil om niet door de overeenkomst gebonden te zijn) en de termijn van 14 dagen dus nooit was gaan lopen.

30.      De verwijzende rechter toetst de één-jaar-regel aan de bepalingen van de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering die betrekking hebben op, respectievelijk, het recht van opzegging na kennisgeving van het sluiten van de overeenkomst en de verplichting om vóór het sluiten van de overeenkomst bepaalde informatie te verstrekken aan de aanvrager (dat wil zeggen: aan de toekomstige polishouder).

31.      Het is mij niet duidelijk of de toepasselijke nationale wet aldus moet worden begrepen dat deze betrekking heeft op het opzeggingsrecht in de zin van artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering, dan wel op een ander recht dat de aanvrager die het sluiten van de levensverzekeringsovereenkomst wenst te voorkomen, ter beschikking staat en dat niet vermeld wordt in die bepaling.

32.      De tekst van de oorspronkelijke versie van § 5a VVG suggereert dat die bepaling betrekking had op het „Widerspruchsrecht”, terwijl de Duitse versie van artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering de omstandigheden beschrijft waarin de polishouder „zurücktritt” („terugtreedt”) en de Duitse versie van bijlage II bij de Derde richtlijn levensverzekering de informatie die moet worden verstrekt vóór het sluiten van de overeenkomst aldus definieert dat daartoe ook behoort de „Ausübung des Widerrufs[-] und Rücktritt[s]rechts”. De verwijzende rechter verzoekt daarentegen dit Hof zich te buigen over het „Rücktritts- oder Widerspruchsrecht”, dat zowel betrekking lijkt te hebben op (een deel van) het recht dat valt onder de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering, als op het recht waarop de oorspronkelijke versie van § 5a VVG betrekking had.

33.      Om de verwijzende rechter behulpzaam te zijn – zonder een definitief standpunt in te nemen over het Duitse recht – zal ik derhalve de volgende twee vragen afzonderlijk beantwoorden: (i) verzetten de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich tegen een wettelijke regeling waarin werd bepaald dat wanneer na betaling van de eerste premie meer dan een jaar was verstreken, het opzeggingsrecht niet langer kon worden uitgeoefend, ongeacht de vraag of de vereiste informatie betreffende het opzeggingsrecht aan de polishouder ter beschikking was gesteld; en (ii) los van het opzeggingsrecht in de zin van artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering, verzetten de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich tegen de totstandkoming van levensverzekeringsovereenkomsten op basis van de voorwaarden die werden gepreciseerd in een bepaling als de oorspronkelijke versie van § 5a VVG? De eerste vraag gaat uit van de veronderstelling dat de nationaalrechtelijke bepaling betrekking had op het opzeggingsrecht in de zin van de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering; de tweede vraag gaat ervan uit dat dit niet het geval was.

 Ervan uitgaande dat de oorspronkelijke versie van § 5a VVG betrekking had op het opzeggingsrecht: verzetten de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich tegen de één-jaar-regel?

34.      Krachtens artikel 15, lid 1, van de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering, begon de opzegtermijn te lopen met de kennisgeving aan de polishouder dat de overeenkomst was gesloten. Dat startpunt was gebaseerd op twee premissen: (i) alleen een overeenkomst die gesloten is, kan worden opgezegd en (ii) een polishouder kan het opzeggingsrecht alleen uitoefenen wanneer hij op de juiste manier van dit recht in kennis is gesteld. Bijgevolg vereiste artikel 31 van de Derde richtlijn levensverzekering dat de relevante informatie, zoals gepreciseerd in bijlage II bij die richtlijn, aan de aanvrager werd meegedeeld vóór het sluiten van de overeenkomst.

35.      Artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering bepaalde evenwel niet welke consequenties moesten worden verbonden aan het niet naar behoren meedelen van die informatie, met inbegrip van de wettelijke regelingen van het opzeggingsrecht, vóór het sluiten van de overeenkomst.

36.      In artikel 31, lid 1, van de Derde richtlijn levensverzekering werden die consequenties evenmin omschreven en werd evenmin verklaard of deze moesten worden bepaald in overeenstemming met het recht van de bevoegde lidstaat. Artikel 31, lid 4, verklaarde enkel dat de toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II werden beheerst door het recht van de lidstaat van de verbintenis.

37.      Verzetten tegen die achtergrond de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich ertegen dat een lidstaat bepaalt dat, in omstandigheden waarin de relevante informatie – inclusief de informatie betreffende het opzeggingsrecht – niet (naar behoren) was meegedeeld aan de polishouder, het opzeggingsrecht slechts tot uiterlijk een jaar na de eerste premiebetaling kon worden uitgeoefend?

38.      Ik denk niet dat het de taak van het Hof is om uitputtend aan te geven welke consequenties moeten worden verbonden aan het niet-meedelen van de vereiste informatie. Veeleer staat het aan de lidstaten om de Derde richtlijn levensverzekering (specifiek artikel 31) te implementeren op een wijze die in overeenstemming is met het Unierecht, en in het bijzonder met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en effectiviteit.

39.      Mijns inziens kunnen de lidstaten niet simpelweg helemaal geen consequentie verbinden aan het niet-meedelen van informatie. Dit zou zowel elke prikkel wegnemen voor de verzekeraar om de verplichting tot het meedelen van informatie na te komen, als afbreuk doen aan de bescherming van de toekomstige verwerver van een levensverzekering. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering de lidstaten verplichtte om te bepalen dat de overeenkomst ongeldig zou zijn telkens wanneer de verplichting om informatie mee te delen vóór het sluiten van de overeenkomst, niet was nageleefd. Een dergelijke sanctie hoeft niet altijd een evenredige en effectieve remedie te zijn.

40.      Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verzekeraar heeft nagelaten alle, of althans een substantieel deel van de, informatie mee te delen die is opgesomd in bijlage II bij de Derde richtlijn levensverzekering. In dat geval is het niet goed denkbaar hoe een overeenkomst tot stand zou kunnen komen: één partij zou immers alle, of althans een aanzienlijk deel van, de wezenlijke informatie betreffende die overeenkomst ontberen.

41.      Het kan ook zijn dat alleen de informatie betreffende het opzeggingsrecht en de wettelijke regelingen die de uitoefening daarvan beheersen, niet waren meegedeeld, maar dat de toekomstige verwerver verder in alle opzichten naar behoren was geïnformeerd. In dergelijke omstandigheden zou de verwerver enkel niet op de hoogte zijn geweest van de bredere bescherming waarop dat opzeggingsrecht hem recht gaf. Het lijkt onwaarschijnlijk dat een persoon die had besloten om een levensverzekeringsovereenkomst te sluiten, hiervan zou zijn weerhouden door de wetenschap dat hem een bredere bescherming zou zijn verschaft door het opzeggingsrecht. Een lidstaat zou kunnen besluiten dat in dergelijke omstandigheden een passend herstel kan worden geboden door de polishouder een termijn te gunnen na het moment waarop hij naar behoren in kennis was gesteld van zijn opzeggingsrecht, gedurende welke termijn hij dat recht zou kunnen uitoefenen. Als andere mogelijkheid zou de lidstaat kunnen besluiten om de polishouder een ruimere bescherming te verlenen, of rekening te houden met de vraag of de polishouder de overeenkomst nietig wenste te zien verklaard.(13)

42.      Ik breng in herinnering dat, met betrekking tot het opzeggingsrecht krachtens de colportagerichtlijn(14), het Hof in het arrest Heininger erop heeft gewezen dat „een consument die niet van zijn recht van opzegging op de hoogte is, dit recht onmogelijk kan uitoefenen”.(15) Die zaak betrof een Duitse wet krachtens welke een consument die niet de vereiste informatie had ontvangen, het opzeggingsrecht kon uitoefenen totdat beide partijen aan hun uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen hadden voldaan, maar dit niet meer kon doen nadat meer dan een jaar was verstreken na de datum waarop hij blijk had gegeven van zijn wens om de overeenkomst te sluiten. Het Hof oordeelde voorts dat redenen van rechtszekerheid niet kunnen rechtvaardigen dat de termijn voor het uitoefenen van het recht van opzegging wordt beperkt voor zover als gevolg hiervan rechten worden beperkt die door de colportagerichtlijn uitdrukkelijk aan de consument worden toegekend om hem te beschermen tegen het risico dat voortvloeit uit het feit dat de kredietinstellingen hebben besloten buiten hun verkoopruimten overeenkomsten betreffende zakelijk krediet te sluiten.(16)

43.      Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de colportagerichtlijn en de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering. Mijns inziens betekent het standpunt van het Hof in de zaak Heininger dat consumentenrechten niet mogen worden afgezwakt teneinde rechtszekerheid te bieden aan een verkoper die heeft nagelaten naar behoren en tijdig informatie aan de consument mee te delen, die laatstgenoemde in staat zou hebben gesteld om zijn opzeggingsrecht uit te oefenen binnen de daartoe door de Uniewetgever vastgestelde termijn.(17)

44.      Ik ben van mening dat dezelfde overwegingen moeten gelden voor de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering.

45.      Net als de consument in een colportageovereenkomst, is de polishouder de zwakkere partij in de contractuele verhouding met de verzekeraar. Hij moet op de hoogte worden gesteld van de implicaties van die overeenkomst, teneinde een geïnformeerde keuze te kunnen maken met betrekking tot zowel de verzekeraar als de overeenkomst, voordat hij juridisch gebonden is door de overeenkomst. Net als de colportagerichtlijn leggen de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering de taak om de nodige informatie mee te delen bij de verzekeraar.(18) Die partij zou zich niet moeten kunnen beroepen op de rechtszekerheid om een situatie te herstellen die is veroorzaakt door zijn eigen verzuim om te voldoen aan een krachtens het Unierecht op hem rustende verplichting om een vastgelegde lijst met informatie mee te delen.(19)

46.      Ik voeg hieraan toe dat de eerste premiebetaling kan worden beschouwd als het bewijs dat de polishouder gebonden wenste te zijn door de overeenkomst op basis van de informatie betreffende die overeenkomst die hem vóór of na dat tijdstip was meegedeeld. Vanwege het verzuim van de verzekeraar was hem echter niet alle informatie verstrekt die het Unierecht relevant acht voor het sluiten van de overeenkomst.

47.      Een polishouder die door de verzekeraar niet in kennis is gesteld van zijn opzeggingsrecht, kan hiervan weliswaar via een ander kanaal op de hoogte raken, doch dit neemt niet weg dat de verzekeraar nog altijd niet heeft voldaan aan de verplichting die door de Derde richtlijn levensverzekering is opgelegd en door nationaal recht is geïmplementeerd. Het is ontoelaatbaar dat de verzekeraar zich op dat verzuim beroept (aangenomen dat hij zou kunnen bewijzen wanneer de polishouder op de hoogte is gekomen van het opzeggingsrecht) om te kunnen stellen dat de opzegtermijn is verstreken. Slechts indien de verzekeraar kan bewijzen dat hij alle benodigde informatie heeft meegedeeld, is er voldoende rechtszekerheid opdat de opzegtermijn in kan gaan en tot een einde kan komen.

48.      Dit betekent evenwel niet dat de polishouder niet mag opzeggen voordat de verzekeraar de informatie aan hem meedeelt, wanneer hij op een andere manier op de hoogte is of raakt van zijn opzeggingsrecht. Ook dat zou erop neerkomen dat wordt toegestaan dat de verzekeraar voordeel trekt uit zijn eigen nalaten van de informatiemededeling, om de polishouder zijn recht te ontzeggen.

49.      Een en ander brengt mij tot de conclusie dat artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering en artikel 31 van de Derde richtlijn levensverzekering zich ertegen verzetten dat een lidstaat bepaalt dat het opzeggingsrecht, ongeacht de vraag of de verzekeraar de polishouder naar behoren en tijdig van dat recht in kennis heeft gesteld, niet langer kan worden uitgeoefend wanneer na betaling van de eerste premie een jaar is verstreken. Krachtens een dergelijke wettelijke regeling komt aan de opzegtermijn een einde als gevolg van het feit dat de polishouder zijn contractuele verplichtingen nakomt (door de verschuldigde premie te betalen) en niettegenstaande het verzuim van de verzekeraar om zijn wettelijke verplichting na te komen om informatie mee te delen aan de polishouder. Een dergelijk resultaat zou verkeerd zijn.

50.      Deze conclusie kan volstaan om de verwijzende rechter in de onderhavige zaak behulpzaam te zijn. Niettemin zal ik toch kort ingaan op de vraag of artikel 15, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering zich ertegen verzette dat een lidstaat een opzegtermijn vaststelt die langer is dan 14 tot 30 dagen na de kennisgeving van het sluiten van de overeenkomst.

51.      Naar mijn mening blijkt uit artikel 15, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering duidelijk dat de opzegtermijn niet korter kon zijn dan 14 dagen, welke termijn begon te lopen op het moment waarop het sluiten van de overeenkomst ter kennis werd gebracht. Die termijn kon variëren van 14 tot 30 dagen. Artikel 15, lid 1, stelde dus zowel een onder- als een bovengrens vast van de opzegtermijn die lidstaten eventueel kunnen vastleggen in hun wetgeving. De ondergrens was duidelijk bedoeld om een minimumniveau van bescherming te bieden voor de polishouder. De bovengrens leek er logischerwijze te zijn om rechtszekerheid te bieden voor zowel de polishouder als de verzekeraar.

52.      Hoe ligt het nu, wanneer de levensverzekeringsovereenkomst niet was gesloten in overeenstemming met de vereisten van de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering? Meer in het bijzonder: hoe zit het wanneer de informatie die wordt omschreven in artikel 31 van de Derde richtlijn levensverzekering pas later aan de polishouder was meegedeeld?

53.      In dat geval moet de polishouder, om de redenen die ik reeds heb genoemd, in staat zijn om de overeenkomst op te zeggen gedurende een termijn die begint te lopen na de mededeling van de relevante informatie.

54.      Moest dan aan de polishouder een opzegtermijn worden gegund die langer was dan de in artikel 15, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering vastgestelde bovengrens?

55.      Ik meen van niet.

56.      Hoewel artikel 15, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering precies omschreef wat in dergelijke omstandigheden het startpunt was van de opzegtermijn(20), kan nationaal recht mijns inziens niet bepalen dat de polishouder gerechtigd is om zijn overeenkomst op te zeggen na het verstrijken van een termijn die langer is dan de uitdrukkelijk in die bepaling neergelegde bovengrens.

 Ervan uitgaande dat de oorspronkelijke versie van § 5a VVG geen betrekking had op het opzeggingsrecht: verzetten de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich tegen de totstandkoming van een levensverzekeringsovereenkomst op basis van die bepaling?

57.      Mocht de verwijzende rechter van oordeel zijn dat het in de oorspronkelijke versie van § 5a VVG omschreven recht los stond van het in artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering bedoelde opzeggingsrecht, dan wordt het van belang te onderzoeken of de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich ertegen verzetten dat een lidstaat voor de totstandkoming van een levensverzekeringsovereenkomst een model vaststelt als het polisafgiftemodel. Zo nee, dan is de prejudiciële vraag in feite hypothetisch.

58.      Beide richtlijnen(21) waren van toepassing op de totstandkoming en de opzegging van een levensverzekeringsovereenkomst. De relevante bepalingen ervan hadden betrekking op vijf verschillende fasen: (i) de totstandkoming van de overeenkomst; (ii) de sluiting ervan; (iii) de kennisgeving van de sluiting aan de polishouder; (iv) de start van een opzegtermijn na die kennisgeving, en (v) de mogelijke opzegging binnen die termijn.

59.      Met betrekking tot fase (i) bepaalde artikel 31, lid 1, van de Derde richtlijn levensverzekering dat de informatie die werd genoemd in deel A van bijlage II bij deze richtlijn moest worden meegedeeld aan de toekomstige verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst. In het bijzonder ben ik van mening dat, om de polishouder in staat te stellen een geïnformeerd besluit te nemen, deze informatie aan hem had moeten worden meegedeeld vóór zijn keuze van een bepaalde verzekeraar en een bepaalde overeenkomst. De doelstelling van die verplichting om informatie mee te delen was erin gelegen de toekomstige verwerver te kunnen laten kiezen voor de overeenkomst die het beste aansloot bij zijn behoeften en hem te voorzien van „duidelijke en nauwkeurige informatie [...] over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst”.(22) Die mededeling diende ook informatie te omvatten over de wijzen waarop de overeenkomst kon worden opgezegd.(23)

60.      Met betrekking tot de fasen (ii) tot en met (v) bepaalde artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering dat na het sluiten van de overeenkomst en na de kennisgeving van dat feit, de polishouder de overeenkomst kon opzeggen binnen een beperkte opzegtermijn. Een nog niet gesloten overeenkomst, in het geval waarin nog geen sprake was van aanbod en aanvaarding die hebben geleid tot een overeenstemming tussen partijen om gebonden te zijn aan de specifieke termen van de overeenkomst, kan vanzelfsprekend niet worden opgezegd.

61.      Hieruit volgt dat de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering, tezamen gelezen, vereisten dat bepaalde informatie werd meegedeeld aan de (toekomstige) polishouder vóór het sluiten van de overeenkomst, en dat hem vervolgens een opzegtermijn werd gegund van tussen de 14 en 30 dagen na de kennisgeving van het sluiten van die overeenkomst. Derhalve verzetten die richtlijnen zich tegen nationale wettelijke regelingen die deze vereisten niet in acht nemen.

62.      Voor zover op grond van de nationale wettelijke regeling een levensverzekeringsovereenkomst ook tot stand kon komen zonder dat de relevante informatie naar behoren en tijdig werd meegedeeld – zoals dit door artikel 31, lid 1, van de Derde richtlijn levensverzekering werd vereist – lijkt die richtlijn zich tegen deze regeling te verzetten. De verplichting om informatie mee te delen, zou worden ondermijnd indien die informatie pas zou worden meegedeeld nadat de polishouder zijn aanbod had gedaan en dus reeds had gekozen voor een verzekeraar en een overeenkomst.

63.      Indien de wettelijke regeling van een lidstaat voorzag in een termijn waarbinnen de aanvrager zich kon verzetten tegen het sluiten van de overeenkomst en bepaalde dat gedurende die termijn de overeenkomst nog niet was gesloten, dan was die termijn duidelijk geen opzegtermijn in de zin van artikel 15, lid 1, van de Tweede richtlijn levensverzekering en vormde dit recht eerder onderdeel van fase (i) (totstandkoming van de overeenkomst) dan van een van de daaraanvolgende fasen.

64.      In dergelijke omstandigheden had de wettelijke regeling van de lidstaat erin moeten voorzien dat na het verstrijken van de termijn waarin de aanvrager blijk kon geven van zijn wil om niet door de overeenkomst gebonden te zijn [fase (ii)], de polishouder in kennis had moeten worden gesteld van het sluiten van de overeenkomst [fase (iii)] en dat de polishouder het recht had om de overeenkomst op te zeggen gedurende een termijn na het sluiten van die overeenkomst [fasen (iv) en (v)], die zich onderscheidde van de termijn waarbinnen hij bezwaar kon maken tegen het sluiten van de overeenkomst [fase (ii)]. Anders zou tegen de tijd dat de overeenkomst was gesloten blijken dat de opzegtermijn reeds was verstreken.

 Gevolgen

65.      Het toepasselijke recht in het hoofdgeding tussen Endress en Allianz – beide particuliere partijen – is het Duitse recht. Dat recht moet door de verwijzende rechter worden uitgelegd teneinde de conformiteit ervan te verzekeren met het Unierecht, en met name met de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering, die van toepassing waren toen de overeenkomst werd gesloten. Het is evenwel vaste rechtspraak dat in een geding tussen twee particuliere partijen richtlijnen uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen kunnen opleggen en als zodanig dus niet tegenover een particulier kunnen worden ingeroepen.(24)

66.      Ik kom tot de conclusie dat artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering en artikel 31 van de Derde richtlijn levensverzekering aldus moeten worden uitgelegd dat (i) zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat bepaalt dat het opzeggingsrecht, ongeacht de vraag of de verzekeraar de polishouder naar behoren en tijdig van dat recht in kennis heeft gesteld, niet langer kan worden uitgeoefend wanneer na betaling van de eerste premie een jaar is verstreken en (ii) zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat toelaat dat bepaalde verplichte informatie niet vóór het sluiten van de overeenkomst aan de (toekomstige) polishouder wordt meegedeeld en dat hem niet na de kennisgeving van het sluiten van die overeenkomst een opzegtermijn van tussen de 14 en 30 dagen wordt gegund.

67.      Elk van deze conclusies kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de positie van Endress en de verzekeraar in het hoofdgeding.

68.      Wat deze gevolgen zijn, zal met name afhangen van de vraag in hoeverre de verwijzende rechter het Duitse recht kan uitleggen in overeenstemming met de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering. Dienaangaande dient de verwijzende rechter, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, „het gehele nationale recht in beschouwing [te nemen] om te beoordelen in hoeverre dit zodanig kan worden toegepast dat het niet tot een resultaat leidt dat in strijd is met het door de betrokken richtlijn beoogde resultaat”.(25) Dit betekent dat de verwijzende rechter verplicht is om die door het nationale recht erkende uitleggingsmethoden toe te passen die het mogelijk maken om in bepaalde omstandigheden een bepaling van nationaal recht zodanig uit te leggen dat een conflict met een andere regel van nationaal recht wordt vermeden, of de strekking van deze bepaling te beperken door haar alleen toe te passen voor zover zij verenigbaar is met de betrokken regeling.(26) Tegelijkertijd is de verplichting om bij de uitlegging en toepassing van nationaal recht naar een richtlijn te verwijzen „begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht”, en „kan [zij] niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht”.(27)

69.      Indien het door de toepasselijke richtlijnen voorgeschreven resultaat niet op die manier kan worden bereikt, is het ook vaste rechtspraak dat nationaal recht buiten toepassing moet worden gelaten(28) en dat, voor zover er schade is geleden en die schade te wijten is aan een niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichtingen, de verwijzende rechter „in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht het recht van de benadeelde personen op vergoeding van de schade [moet] verzekeren”.(29)

 Werking in de tijd van het arrest van het Hof

70.      Allianz heeft het Hof verzocht om, voor zover het van oordeel mocht zijn dat de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als de één-jaar-regel, de werking in de tijd van zijn arrest te beperken.(30) In die context stelt Allianz dat meer dan 108 miljoen overeenkomsten, die waren gesloten tussen 1995 en 2007 en op grond waarvan in totaal ongeveer 400 miljard EUR aan premies was betaald, door het arrest zouden kunnen worden geraakt.(31) Allianz verklaart dat zij zelf in die periode ongeveer 9 miljoen van deze overeenkomsten heeft gesloten, en daarvoor ongeveer 62 miljard aan premies heeft ontvangen.

71.      Het beperken van de werking in de tijd is een mogelijkheid waarvan het Hof slechts gebruik heeft gemaakt (1) „wanneer er gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen”, en (2) „wanneer bleek dat particulieren en de nationale autoriteiten tot een met het Unierecht strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van de bepalingen van het Unierecht, aan welke onzekerheid het gedrag van andere lidstaten of van de Europese Commissie eventueel had bijgedragen”.(32) Financiële gevolgen alleen kunnen deze uitzonderlijke stap niet rechtvaardigen.(33)

72.      In de onderhavige zaak ben ik van mening dat er onvoldoende elementen zijn om een beperking van de werking in de tijd van het arrest van het Hof te rechtvaardigen. Aan het Hof is geen bewijs overgelegd inzake de waarschijnlijkheid dat levensverzekeringsovereenkomsten die door zijn arrest kunnen worden geraakt, zullen worden opgezegd, inzake de hieruit voortvloeiende economische kosten voor de verzekeraar(s), of inzake de omvang van een gevaar voor ernstige, nadelige economische gevolgen. Ook ben ik er niet van overtuigd dat „objectieve, grote onzekerheid” over de betrokken EU-bepalingen ten minste de nationale autoriteiten ertoe hebben bewogen om ofwel het polisafgiftemodel te handhaven, ofwel de eerste premiebetaling te gebruiken als uitgangspunt voor het berekenen van de relevante termijn volgens de één-jaar-regel.

 Conclusie

73.      Gelet op de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof als volgt te beantwoorden:

„Artikel 15, lid 1, van richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG, juncto artikel 31 van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling krachtens welke het recht om een levensverzekering op te zeggen, ongeacht de vraag of de polishouder naar behoren en tijdig over dat recht was geïnformeerd, uiterlijk een jaar na de eerste premiebetaling vervalt.”


1 – Oorspronkelijke taal: Engels.


2 – Dit wordt in de toepasselijke richtlijn het „recht van opzegging” genoemd, zie punt 9 hieronder.


3 – Richtlijn van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG) (PB L 330, blz. 50). De Tweede richtlijn levensverzekering is gewijzigd bij richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde richtlijn levensverzekering) (PB L 360, blz. 1). Laatstgenoemde richtlijn is eveneens verscheidene malen gewijzigd. De Tweede richtlijn levensverzekering is ingetrokken bij richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB L 345, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2002/83”), die op haar beurt is ingetrokken bij richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335, blz. 1). De artikelen 35 en 36 van richtlijn 2002/83 betreffen, respectievelijk, het opzeggingsrecht en de verplichting om bepaalde informatie te verstrekken aan polishouders. Hun bewoordingen zijn vergelijkbaar met die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn. In deze conclusie zal ik de Tweede richtlijn levensverzekering en de Derde richtlijn levensverzekering gezamenlijk aanduiden als „Tweede en Derde richtlijn levensverzekering”. Omdat beide richtlijnen thans ingetrokken zijn, zal ik ernaar verwijzen in de verleden tijd.


4 – Eerste richtlijn 79/267/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PB L 63, blz. 1), zoals gewijzigd (nadien ingetrokken bij richtlijn 2002/83).


5 – Artikel 1, lid 1, sub a, van de Eerste richtlijn levensverzekering.


6 – Zie bijvoorbeeld punt 19 van de considerans van de Derde richtlijn levensverzekering.


7 – Zie bijvoorbeeld ook de Nederlandse tekst („[w]ijze van uitoefening van het recht van opzegging”) en de Spaanse tekst („[m]odalidades de ejercicio del derecho de renuncia”).


8 –      Duitse wet inzake het toezicht op verzekeringsondernemingen.


9 – Zie punten 28 tot en met 32 hieronder.


10 – Zie punt 10 supra.


11 – Zie punt 11 supra.


12 – Er zijn inderdaad diverse vergelijkbare zaken aanhangig bij het Hof: de zaak Gawelczyk (C‑439/12), de zaak Krieger (C‑459/12), de zaak Lange (C‑529/12), en de zaak Merten (C‑590/12).


13 – In de context van richtlijn 85/577/EEG van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31) (hierna: „colportagerichtlijn”), zie bijvoorbeeld arrest van 17 december 2009, Martín Martín (C‑227/08, Jurispr. blz. I‑11939, punten 34 en 35). Die richtlijn zal met ingang van 13 juni 2014 worden ingetrokken bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304, blz. 64).


14 – Zie voetnoot 13 supra. Ik merk op dat de wetgever in deze verschillende richtlijnen geen uniforme benadering heeft gevolgd van de verplichting om informatie mee te delen vóór het sluiten van de overeenkomst, en ook niet van het opzeggingsrecht; ook de verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten is niet in uniforme bewoordingen omschreven. De rechtspraak van het Hof inzake de colportagerichtlijn kan derhalve niet automatisch worden toegepast op de Tweede en Derde richtlijn levensverzekering: elementen die eigen zijn aan een specifieke aan de orde zijnde richtlijn moeten worden onderscheiden van algemeen toepasselijke elementen.


15 – Arrest van 13 december 2001 (C‑481/99, Jurispr. Blz. I‑9945, punt 45); zie ook punt 60 van de conclusie van advocaat-generaal Léger in die zaak, alsmede arrest van 10 april 2008, Hamilton (C412/06, Jurispr. blz. I‑2383, punt 33), en arrest Martín Martín, aangehaald in voetnoot 13 supra, punten 25 en 26.


16 – Arrest Heininger, aangehaald in voetnoot 15 supra, punt 47.


17 – Het Hof aanvaardde een soortgelijke grondgedachte in een andere zaak betreffende de colportagerichtlijn, met betrekking tot de gevolgen van het niet meedelen aan de consument van zijn opzeggingsrecht: zie bijvoorbeeld arrest van 25 oktober 2005, Schulte (C‑350/03, Jurispr. blz. I‑9215, punten 100 en 101).


18 – Zie punt 8 supra.


19 – In antwoord op een ter terechtzitting aan haar gestelde vraag heeft de Duitse regering erkend dat het polisafgiftemodel de verzekeraar bevoordeelde.


20 – Zie punten 34 tot en met 49 supra.


21 – Artikel 15 van de Tweede richtlijn levensverzekering, zoals gewijzigd bij de Derde richtlijn levensverzekering, en artikel 31 van de Derde richtlijn levensverzekering.


22 – Punt 23 van de considerans van de Derde richtlijn levensverzekering.


23 – Zie punt 9 supra.


24 – Zie arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


25 – Arrest Pfeiffer e.a., aangehaald in voetnoot 24 supra, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


26 – Arrest Pfeiffer e.a., aangehaald in voetnoot 24 supra, punt 116.


27 – Arrest van 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


28 – Arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci (C‑555/07, Jurispr. blz. I‑365, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29 – Arrest van 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325, punt 29). Zie ook, meer recentelijk, arrest Adeneler e.a., aangehaald in voetnoot 27 supra, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


30 – Zie bijvoorbeeld het soortgelijke argument dat door de bank werd aangevoerd in het arrest Heininger, aangehaald in voetnoot 15 supra, punt 49.


31 – Gezien het feit dat de Duitse bevolking in 2010 werd geschat op 82 miljoen, heb ik enige moeite met de bewering dat er over de periode 1995‑2007 meer dan 108 miljoen levensverzekeringsovereenkomsten werden gesloten.


32 – Arrest van 13 december 2012, Forposta en ABC Direct Contact (C‑465/11, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


33 – Arrest Forposta Forposta en ABC Direct Contact (aangehaald in voetnoot 32 supra, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).