Language of document : ECLI:EU:C:2016:980

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

21 december 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Consumentenovereenkomsten – Hypotheekleningen – Oneerlijke bedingen – Artikel 4, lid 2 – Artikel 6, lid 1 – Nietigverklaring – Beperking in de tijd door de nationale rechter van de gevolgen van de nietigverklaring van een oneerlijk beding”

In de gevoegde zaken C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Granada (handelsrechter Granada, Spanje) (C‑154/15), bij beslissing van 25 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 1 april 2015, en door de Audiencia Provincial de Alicante (provinciaal gerechtshof Alicante, Spanje) (C‑307/15 en C‑308/15) bij beslissingen van 15 juni 2015, ingekomen bij het Hof op 1 juli 2015, in de procedures

Francisco Gutiérrez Naranjo

tegen

Cajasur Banco SAU (C‑154/15),

Ana María Palacios Martínez

tegen

Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA (BBVA) (C‑307/15),

Banco Popular Español, SA

tegen

Emilio Irles López,

Teresa Torres Andreu (C‑308/15),

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, R. Silva de Lapuerta en M. Ilešič, kamerpresidenten, J. Malenovský, E. Levits (rapporteur), J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin, F. Biltgen en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 april 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        Francisco Gutiérrez Naranjo, vertegenwoordigd door A. Navarro Vidal, A. Martínez Muriel, D. Pineda Cuadrado en L. Pineda Salido, abogados,

–        Ana María Palacios Martínez, vertegenwoordigd door F. J. Zambudio Nicolas, abogado, en R. López Coloma, procuradora,

–        Banco Popular Español SA, vertegenwoordigd door C. Fernández Vicién, I. Moreno-Tapia Rivas en J. Capell, abogados,

–        Cajasur Banco SAU, vertegenwoordigd door J. Remón Peñalver en D. Sarmiento Ramirez-Escudero, abogados,

–        Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA (BBVA), vertegenwoordigd door J. Rodríguez Cárcamo en A. Rodríguez Conde, abogados,

–        Emilio Irles López en Teresa Torres Andreu, vertegenwoordigd door Y. Sánchez Orts, procuradora, en F. García Cerrillo, abogado,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en M. Sampol Pucurull als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Simmons en L. Christie als gemachtigden, bijgestaan door S. Ford, barrister, en K. Smith en B. Kennelly, QC,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Roussanov, N. Ruiz García en J. Baquero Cruz als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2016,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van met name de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds personen die hypotheekleningen hebben afgesloten en anderzijds kredietinstellingen, over het recht op terugbetaling van bedragen die zijn betaald op grond van contractuele bedingen waarvan in rechte is vastgesteld dat zij oneerlijk zijn.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Die tiende overweging van richtlijn 93/13 luidt:

„[…] door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen [kan] een doeltreffender bescherming van de consument […] worden bewerkstelligd […]”.

4        De twaalfde overweging van deze richtlijn preciseert:

„[…] het [is] van belang […] de lidstaten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het Verdrag in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn”.

5        De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt:

„[…] de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten [moeten] over passende en doeltreffende middelen […] beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

6        Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

7        Artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn bepaalt het volgende:

„Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.”

8        Artikel 4 van de richtlijn luidt als volgt:

„1.      Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.      De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

9        Artikel 5 van deze richtlijn bepaalt:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. […]”

10      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

11      In artikel 7, lid 1, van de richtlijn is bepaald:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

 Spaans recht

 Wetgeving

12      Artikel 1303 van de Código Civil (Spaans Burgerlijk Wetboek) luidt:

,,Na de nietigverklaring van een verbintenis moeten de partijen elkaar de zaken teruggeven die het voorwerp waren van de overeenkomst, met de vruchten, en de prijs, met rente, onverminderd de hiernavolgende artikelen.”

13      Artikel 82, lid 1, van de texto refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios y otras leyes complementarias (tekst van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers en andere aanvullende wetten), zoals goedgekeurd bij Real Decreto Legislativo 1/2007 (koninklijk wetsbesluit 1/2007) van 16 november 2007 (BOE nr. 287 van 30 november 2007), in de versie die van toepassing was ten tijde van de hoofdgedingen (hierna: „LGDCU”) bepaalt:

„Alle bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, en alle niet uitdrukkelijk overeengekomen praktijken die, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, worden als oneerlijk beschouwd.”

14      In artikel 83 LGDCU wordt bepaald:

„Oneerlijke bedingen zijn van rechtswege nietig en worden als niet geschreven beschouwd. Na de partijen te hebben gehoord, stelt de rechter derhalve de nietigheid van de in de overeenkomst opgenomen oneerlijke bedingen vast, met dien verstande dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft onder dezelfde voorwaarden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

15      Artikel 5, lid 5, van de Ley 7/1998 sobre Condiciones Generales de la Contratación (wet 7/1998 inzake de algemene voorwaarden in overeenkomsten) van 13 april 1998 (BOE nr. 89 van 14 april 1998), in de versie die van toepassing was ten tijde van de hoofdgedingen (hierna: „LCGC”), bepaalt:

„Bij de formulering van de algemene voorwaarden dienen de criteria van transparantie, duidelijkheid, nauwgezetheid en eenvoud in acht te worden genomen.”

16      In artikel 7 LCGC wordt bepaald:

„De volgende algemene voorwaarden worden geacht niet in het contract voor te komen:

a)      bedingen waarvan de consument niet daadwerkelijk geheel kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst of die in voorkomend geval niet overeenkomstig artikel 5 zijn ondertekend;

b)      voorwaarden die onleesbaar, dubbelzinnig, onduidelijk en onbegrijpelijk zijn, tenzij, wat de laatstgenoemde betreft, de wederpartij deze uitdrukkelijk schriftelijk heeft aanvaard en de voorwaarden voldoen aan de specifieke regelgeving betreffende de transparantie van contractuele voorwaarden op dit gebied.”

17      Artikel 8 LCGC luidt:

„1.      Zijn van rechtswege nietig algemene voorwaarden die ten nadele van de wederpartij inbreuk maken op de bepalingen van deze wet of op enige andere dwingende regel of een verbod, tenzij schending van die regel of van dat verbod anders wordt bestraft.

2.      Nietig zijn inzonderheid oneerlijke algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten […]”

 Rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje)

–       Arrest nr. 241/2013 van 9 mei 2013

18      In arrest nr. 241/2013 van 9 mei 2013 (hierna: „arrest van 9 mei 2013”) heeft de Tribunal Supremo in het kader van een collectieve verbodsactie van een consumentenorganisatie tegen verscheidene kredietinstellingen, vastgesteld dat de bedingen in de algemene voorwaarden van de met consumenten gesloten hypotheekovereenkomsten, en die voorzagen in een minimumrente waaronder de variabele rente niet meer kon dalen (hierna: „bodemrentebedingen”), oneerlijk waren, en deze bedingen vervolgens nietig verklaard.

19      Deze rechterlijke instantie heeft overwogen dat deze bedingen, die betrekking hadden op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de aan de orde zijnde overeenkomsten, voor de consumenten grammaticaal begrijpelijk waren en dus voldeden aan het in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 neergelegde vereiste van een duidelijke en begrijpelijke formulering. Volgens deze rechterlijke instantie hoefden deze bedingen, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof in het arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, (C‑484/08, EU:C:2010:309), dan ook niet als oneerlijk te worden aangemerkt.

20      Deze rechterlijke instantie heeft echter, op grond van met name de in het arrest van het Hof van 21 maart 2013, RWE Vertrieb (C‑92/11, EU:C:2013:180) geformuleerde beginselen, vastgesteld dat het in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vervatte transparantievereiste aldus moet worden begrepen dat daaronder niet alleen de eerbiediging van een formeel aspect, maar eveneens van een materieel aspect valt, dat dezelfde draagwijdte heeft als het in artikel 5 van deze richtlijn bedoelde vereiste, en dat verband houdt met de toereikendheid van de bij het afsluiten van het contract aan de consumenten verstrekte informatie over de juridische en economische gevolgen die voor hen voortvloeien uit de toepassing van de bedingen betreffende met name het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst.

21      Volgens de Tribunal Supremo was in de zaak die tot het arrest van 9 mei 2013 heeft geleid, niet voldaan aan het materiële transparantievereiste, voor zover de betrokken bankinstellingen dergelijke informatie bij het afsluiten van de leningsovereenkomsten waarin bodemrentebedingen waren opgenomen, niet aan de consumenten hadden verstrekt. Bijgevolg heeft de Tribunal Supremo onderzocht of die bedingen eventueel oneerlijk waren, aan de hand van de in artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13 neergelegde algemene criteria van goede trouw, evenwicht en transparantie, en deze bedingen nietig verklaard vanwege gebrek aan transparantie door ontoereikende informatie aan kredietnemers over de concrete gevolgen van hun praktische toepassing.

22      De Tribunal Supremo heeft evenwel overwogen dat de betrokken hypotheekovereenkomsten in stand konden blijven en heeft bovendien de terugwerkende kracht van de gevolgen van de nietigverklaring van de bodemrentebedingen beperkt.

23      In dit verband heeft de Tribunal Supremo, na in herinnering te hebben gebracht dat blijkens de op de nietigverklaring van oneerlijke bedingen van toepassing zijnde jurisprudentie van het Hof de betrokken bedingen geacht moesten worden geen gevolgen te hebben, immers opgemerkt dat niettegenstaande de algemene regel dat nietigverklaringen terugwerkende kracht hebben, de gevolgen daarvan niet immuun kunnen zijn voor de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid.

24      De Tribunal Supremo heeft geoordeeld dat de bodemrentebedingen als zodanig rechtmatig waren, dat zij voldeden aan objectieve gronden, dat zij niet ongewoon of buitensporig waren, dat de markt van hypothecair krediet het gebruik ervan langdurig heeft gedoogd, dat de nietigverklaring ervan was gebaseerd op het gebrek aan transparantie vanwege ontoereikende informatie aan kredietnemers, dat de bankinstellingen de informatievereisten in acht hadden genomen, dat de vaststelling van een minimumrentepercentage aan de behoefte voldeed om een minimumrendement van de betrokken hypothecaire leningen te behouden die het de bankinstellingen mogelijk maakte om de kosten van verstrekking en instandhouding van deze financieringen te dekken, dat de bodemrentebedingen zodanig waren berekend dat zij geen belangrijke veranderingen teweegbrachten in de aanvankelijke aflossingsbedragen, waarmee de kredietnemers rekening hielden toen zij hun financiële beslissingen namen, dat de Spaanse regelgeving substitutie van de schuldeiser toestond en dat de terugwerkende kracht van de nietigverklaring van de betrokken bedingen ernstige economische verstoringen tot gevolg zou hebben.

25      In het licht van bovenstaande overwegingen heeft de Tribunal Supremo, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel, de werking in de tijd van zijn arrest bijgevolg beperkt tot na de publicatie daarvan, door te oordelen dat de nietigverklaring van de betrokken bodemrentebedingen geen gevolgen had voor situaties waarover reeds definitief uitspraak was gedaan in rechterlijke beslissingen met kracht van gewijsde, noch voor betalingen die waren gedaan vóór 9 mei 2013, zodat alleen de na deze datum op grond van deze bedingen onverschuldigd betaalde bedragen dienden te worden terugbetaald.

–       Arrest nr. 139/2015 van 25 maart 2015

26      In arrest nr. 139/2015 van 25 maart 2015 (hierna: „arrest van 25 maart 2015”) heeft de Tribunal Supremo in het kader van een individuele vordering van een consument die de terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen op grond van een bodemrentebeding vorderde, de beperking van de terugwerkende kracht van de nietigverklaring van dat beding bevestigd. Deze rechterlijke instantie heeft daarmee de eerdere oplossing uit het arrest van 9 mei 2013 voor collectieve verbodsacties uitgebreid naar individuele verbodsacties die een vordering tot vergoeding behelzen. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 25 maart 2015 is de verplichting tot terugbetaling aldus beperkt tot enkel die bedragen die na de uitspraak van het arrest van 9 mei 2013 onverschuldigd zijn betaald.

 Feiten van de hoofdgedingen en prejudiciële vragen

 Zaak C154/15

27      Francisco Gutiérrez Naranjo heeft bij de Cajasur Banco SAU een hypotheeklening met een bodemrentebeding afgesloten.

28      Gutiérrez Naranjo heeft op grond van richtlijn 93/13 en de rechtspraak van de Tribunal Supremo beroep ingesteld bij de Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Granada (handelsrechter Granada, Spanje) tot nietigverklaring van dat bodemrentebeding en tot terugbetaling van de bedragen die op grond van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

29      De verwijzende rechter vraagt zich af of de beperking van de gevolgen van een nietigverklaring van een contractueel beding vanwege het oneerlijke karakter ervan tot enkel de periode na deze nietigverklaring, verenigbaar is met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

30      In die omstandigheden heeft de Juzgado de lo Mercantil n°1 de Granada de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Kan in deze gevallen aan ‚onverbindendheid’ in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 een uitlegging worden gegeven volgens welke het betrokken beding ondanks zijn nietigverklaring effect blijft sorteren tot de datum waarop de nietigheid ervan is vastgesteld? Mag er met andere woorden van worden uitgegaan dat, ook al wordt de nietigheid van het beding vastgesteld, de gevolgen die het beding vóór die nietigverklaring heeft gehad, hun geldigheid of werking niet hebben verloren?

2)      Wanneer een beding in het kader van een individuele vordering van een consument nietig wordt verklaard, is dan een (overeenkomstig artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 [van richtlijn 93/13 opgelegd]) verbod om dat beding verder te gebruiken, verenigbaar met een beperking van de gevolgen van die nietigverklaring? Is het voor de rechter mogelijk om de verplichting van de verkoper tot terugbetaling van de bedragen die de consument heeft betaald op grond van het beding dat later wegens gebrek aan informatie en/of transparantie van meet af aan nietig is verklaard, te matigen?”

 Zaak C307/15

31      Op 28 juli 2006 heeft Ana María Palacios Martínez bij de Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA (BBVA) een hypotheekovereenkomst met een bodemrentebeding afgesloten.

32      Op 6 maart 2014 heeft de kredietneemster beroep ingesteld bij de Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Alicante (handelsrechter Alicante, Spanje) tot nietigverklaring van dat bodemrentebeding vanwege het oneerlijke karakter ervan, en tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen die de bankinstelling had ontvangen.

33      Deze rechterlijke instantie heeft in eerste aanleg overwogen, onder verwijzing naar de oplossing van de Tribunal Supremo in het arrest van 9 mei 2013, dat het beroep zonder onderwerp was geraakt, maar de bank wel veroordeeld om aan verzoekster de bedragen terug te betalen die zij na de dag van de uitspraak van dat arrest uit hoofde van het betrokken beding had ontvangen.

34      In hoger beroep uit de Audiencia Provincial de Alicante (provinciaal gerechtshof Alicante, Spanje) twijfels over de verenigbaarheid met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 van de in eerste aanleg gekozen oplossing.

35      Volgens deze rechterlijke instantie is de niet-terugwerkende kracht van de nietigverklaring van een oneerlijk beding mogelijk in strijd met zowel de doelstellingen van deze richtlijn als met het verbod de gevolgen van een oneerlijk beding in rechte te matigen. Bovendien heeft deze rechterlijke instantie er twijfels over of in de zaak die tot het arrest van 9 mei 2013 heeft geleid, was voldaan aan de door het Hof gestelde voorwaarden om de gevolgen van een nietigverklaring van een oneerlijk beding in de tijd te beperken.

36      In die omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Alicante de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is het met het in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 erkende beginsel van onverbindendheid [van oneerlijke bedingen] verenigbaar dat de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de vaststelling dat een in een leningsovereenkomst opgenomen ‚bodemrentebeding’ wegens zijn oneerlijke karakter nietig is, niet met terugwerkende kracht geldt vanaf de datum waarop de overeenkomst is gesloten, maar [met terugwerkende kracht] vanaf een latere datum?

2)      Is het criterium van de goede trouw van de belanghebbende kringen, als grond voor beperking van de terugwerkende kracht [van de nietigverklaring] van een oneerlijk beding, een autonoom Unierechtelijk begrip dat door alle lidstaten uniform dient te worden uitgelegd?

3)      Zo ja, aan welke voorwaarden moet dan zijn voldaan om goede trouw van de belanghebbende kringen te kunnen vaststellen?

4)      Is in elk geval met de goede trouw van de belanghebbende kringen in overeenstemming het gedrag van de verkoper bij de totstandkoming van de overeenkomst, dat heeft geleid tot het gebrek aan transparantie dat bepalend is geweest voor de kwalificatie van het beding als oneerlijk?

5)      Is het gevaar van ernstige verstoringen als grond om de terugwerkende kracht [van de nietigverklaring] van een oneerlijk beding te beperken, een autonoom Unierechtelijk begrip dat door alle lidstaten uniform dient te worden uitgelegd?

6)      Zo ja, welke criteria moeten dan in aanmerking worden genomen?

7)      Moet bij de beoordeling van het gevaar van ernstige verstoringen enkel worden gekeken naar het gevaar dat voor de verkoper kan ontstaan, of moet ook de schade in aanmerking worden genomen die de consumenten lijden wanneer zij de op grond van een ‚bodemrentebeding’ betaalde bedragen niet volledig terugbetaald krijgen?”

 Zaak C308/15

37      Op 1 juni 2001 hebben Emilio Irles López en Teresa Torres Andreu bij de Banco Popular Español SA (hierna: „BPE”) een hypotheekovereenkomst met een bodemrentebeding afgesloten. Op 2 mei 2007 en 14 juni 2007 hebben de partijen de overeenkomst gewijzigd om het geleende kapitaal te verhogen. In beide gewijzigde overeenkomsten was een bodemrentebeding opgenomen.

38      Daar kredietnemers van mening waren dat hun wijze van instemming met de bodemrentebedingen werd gekenmerkt door een gebrek aan transparantie, hebben zij bij de Juzgado de lo Mercantil n° 3 de Alicante (handelsrechter Alicante) beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze bedingen en tot terugbetaling van de op grond daarvan onverschuldigd betaalde bedragen.

39      In eerste aanleg heeft deze rechterlijke instantie het beroep gegrond verklaard, en BPE veroordeeld tot terugbetaling aan de kredietnemers van de op grond van die bedingen onverschuldigd betaalde bedragen vanaf de datum van sluiting van de leningsovereenkomst en de gewijzigde overeenkomsten.

40      PBE heeft onder verwijzing naar de arresten van 9 mei 2013 en van 25 maart 2015 hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Alicante (provinciaal gerechtshof Alicante).

41      De verwijzende rechter uit in de eerste plaats twijfels over de verenigbaarheid van de beperking van de gevolgen van de nietigverklaring van een oneerlijk beding met artikel 6 van richtlijn 93/13. In de tweede plaats kan volgens deze rechter het feit dat de Tribunal Supremo in zijn arrest van 25 maart 2015 de bij zijn arrest van 9 mei 2013 in het kader van een collectieve actie gevonden oplossing heeft uitgebreid tot individuele acties, tot gevolg hebben dat het recht van de afzonderlijke kredietnemers op effectieve rechterlijke bescherming wordt beperkt, daar de bijzondere omstandigheden van elk concreet geval niet in overweging worden genomen bij de bepaling van het beginpunt van de terugbetalingsplicht die rust op de bankinstelling die baat heeft gehad bij de gevolgen van een oneerlijk beding.

42      Bijgevolg heeft de Audiencia Provincial de Alicante de behandeling van de zaak geschorst en het Hof, naast dezelfde prejudiciële vragen die deze rechterlijke instantie heeft gesteld in het kader van zaak C‑307/15, een achtste vraag gesteld, die als volgt luidt:

„8)      Is het met het in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 geformuleerde beginsel van onverbindendheid van oneerlijke bedingen en met het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte verenigbaar dat de beperking van de uit de nietigheid van een ‚bodemrentebeding’ voortvloeiende terugbetalingsplicht, waartoe is besloten in het kader van een door een consumentenorganisatie tegen financiële instellingen ingestelde procedure, automatisch wordt uitgebreid tot de individuele vorderingen tot nietigverklaring van een ‚bodemrentebeding’ wegens het oneerlijke karakter ervan, die zijn ingesteld door consumenten die als klant een hypotheek hebben afgesloten bij een andere financiële instelling?”

43      Bij beschikking van de president van het Hof van 10 juli 2015 zijn de zaken C‑307/15 en C‑308/15 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

44      Bij beschikking van de president van het Hof van 14 augustus 2015 zijn de verzoeken van de Audiencia Provincial de Alicante om behandeling van de zaken C‑307/15 en C‑308/15 volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, afgewezen.

45      Bij beschikking van de president van het Hof van 21 oktober 2015 is zaak C‑154/15 gevoegd met de zaken C‑307/15 en C‑308/15 voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag in zaak C154/15 en eerste vraag in de zaken C307/15 en C308/15

46      Met de twee vragen in zaak C‑154/15 en de eerste vraag in de zaken C‑307/15 en C‑308/15, die tezamen moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

47      Vooraf dient het door de Spaanse regering, Cajasur Banco en BPE aangevoerde argument te worden onderzocht dat de vraag wat de gevolgen zijn van de vaststelling dat een beding als aan de orde is in de hoofdgedingen oneerlijk is, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, omdat de Tribunal Supremo met deze vaststelling een hoger beschermingsniveau voor consumenten heeft gewaarborgd dan de richtlijn.

48      In dat verband volgt uit de verwijzingsbeslissingen dat de Tribunal Supremo in het arrest van 9 mei 2013, ter rechtvaardiging van een toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van de betrokken bodemrentebedingen met betrekking tot het eigenlijke voorwerp van de aan de orde zijnde overeenkomsten, het transparantievereiste in artikel 4, lid 2, van deze richtlijn aldus heeft uitgelegd dat hieronder niet alleen de eerbiediging van de formele transparantie van contractuele voorwaarden wordt verstaan, die verband houden met de duidelijke en begrijpelijke formulering ervan, maar ook de eerbiediging van de materiële transparantie, die verband houdt met de toereikendheid van de verstrekte gegevens aan de consument wat betreft zowel de juridische als de economische omvang van zijn contractuele verplichting.

49      Echter, zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, komt de materiële transparantietoets van bedingen die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, voort uit de ingevolge artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 te verrichten toets. Deze bepaling bepaalt immers, in dezelfde bewoordingen als die van artikel 5 van deze richtlijn, dat de contractuele voorwaarden „duidelijk en begrijpelijk” moeten zijn geformuleerd.

50      Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat het voor een consument van wezenlijk belang is dat hij, vóór sluiting van de overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van de overeenkomst. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 21 maart 2013, RWE Vertrieb, C‑92/11, EU:C:2013:180, punt 44).

51      Het onderzoek naar het oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, van een contractueel beding dat betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, valt bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze richtlijn in het algemeen, en van artikel 6, lid 1, ervan in het bijzonder, wanneer de consument vóór de sluiting van het contract niet over de benodigde informatie over de contractuele voorwaarden en de gevolgen van de sluiting ervan beschikte.

52      Voor zover de verwijzende rechters verwijzen naar het arrest van 9 mei 2013, waarin de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de vaststelling dat de bodemrentebedingen oneerlijk zijn, wordt beperkt, moet dus worden onderzocht of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het een dergelijke inperking door een nationale rechter toestaat.

53      Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen de lidstaten dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.

54      Deze bepaling moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 44).

55      Bovendien gaat het hier om een dwingende bepaling die beoogt het door de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 63).

56      Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument – die zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt – verschafte bescherming berust, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 78).

57      Hiertoe is de nationale rechter zonder meer verplicht om een contractueel oneerlijk beding buiten toepassing te laten, opdat dat beding geen bindende werking krijgt ten aanzien van de consument, maar heeft hij niet de bevoegdheid om de inhoud van een dergelijk beding te herzien (zie in die zin arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 65).

58      In dit verband moet de nationale rechter in de eerste plaats ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

59      De door de richtlijn vastgelegde bescherming is immers slechts volledig doeltreffend indien de nationale rechter die ambtshalve heeft vastgesteld dat een beding oneerlijk is, hieruit alle consequenties kan trekken zonder te wachten tot de consument die van zijn rechten in kennis is gesteld, verklaart dat hij om nietigverklaring van dit beding verzoekt (arrest van 30 mei 2013, Jőrös, C‑397/11, EU:C:2013:340, punt 42).

60      In de tweede plaats heeft de nationale rechter niet de bevoegdheid om de inhoud van de oneerlijke bedingen te herzien, omdat dit er anders toe kan bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers daarin besloten ligt dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, teniet wordt gedaan (zie in die zin arrest van 21 januari 2015, Unicaja Banco en Caixabank, C‑482/13, C‑484/13, C‑485/13 en C‑487/13, EU:C:2015:21, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld.

62      Hieruit volgt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die overeenkomt met deze zelfde bedragen.

63      Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers de afschrikkende werking in gevaar kunnen brengen die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, heeft willen hechten aan de vaststelling dat de bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn.

64      Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden (arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 57).

65      Het feit dat het nationale recht een regelingskader biedt voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, mag echter niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen en aldus afbreuk doen aan de door de wetgever van de Europese Unie gewenste versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, zoals ook is aangegeven in de tiende overweging van richtlijn 93/13.

66      Hoewel de lidstaten bijgevolg door middel van hun nationale recht de modaliteiten dienen te bepalen in het kader waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en in het kader waarvan de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, neemt dit niet weg dat op basis van een dergelijke vaststelling de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, moet kunnen worden hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen.

67      In casu heeft de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013, waarnaar de verwijzende rechters verwijzen, geoordeeld dat de vaststelling dat de betrokken bodemrentebedingen oneerlijk zijn, geen gevolgen had voor situaties waarover reeds definitief uitspraak was gedaan in rechterlijke beslissingen met kracht van gewijsde, en evenmin voor betalingen die waren gedaan vóór de uitspraak van dat arrest, en dat derhalve de gevolgen die uit deze vaststelling voortvloeiden, met name het recht van de consument op terugbetaling, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel waren beperkt tot de bedragen die na die datum onverschuldigd waren betaald.

68      In dit verband is het juist dat het Hof reeds heeft erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is. In het bijzonder heeft het Hof in deze zin vastgesteld dat het Unierecht een nationale rechter niet gebiedt, nationale procedureregels buiten toepassing te laten die, met name, een beslissing gezag van gewijsde verlenen, ook al zou daardoor een schending van een bepaling, van welke aard dan ook, uit richtlijn 93/13 door deze beslissing kunnen worden opgeheven (zie in die zin arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 37). Hieruit volgt dat de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013 kon beslissen dat dit arrest geen gevolgen had voor situaties waarover reeds definitief was beslist bij eerdere rechterlijke uitspraken die kracht van gewijsde hebben verkregen.

69      Daarnaast heeft het Hof reeds geoordeeld dat met het Unierecht verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 41).

70      Evenwel dient de toepassing van een procedureregel, zoals een redelijke verjaringstermijn, te worden onderscheiden van een beperking in de tijd van de gevolgen van een uitlegging van een regel van Unierecht (zie in die zin arrest van 15 april 2010, Barth, C‑542/08, EU:C:2010:193, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat kader dient in herinnering te worden gebracht dat, gelet op het fundamentele karakter van een algemene eenvormige toepassing van het Unierecht, alleen het Hof kan beslissen over beperkingen in de tijd die voor een door hem gegeven uitlegging hebben te gelden (zie in die zin arrest van 2 februari 1988, Barra e.a., C‑309/85, EU:C:1988:42, punt 13).

De in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, mogen derhalve geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling – zoals uitgelegd in de in de punten 54 tot en met 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof – ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn.

71      De door de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013 toegepaste beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de nietigverklaring van de bodemrentebedingen komt erop neer dat op algemene wijze aan elke consument die vóór deze datum een hypotheeklening met een dergelijk beding heeft afgesloten, het recht wordt ontnomen op gehele terugbetaling van de bedragen die hij in de periode vóór 9 mei 2013 op grond van dat beding onverschuldigd aan de bankinstelling heeft betaald.

72      Hieruit volgt dat nationale rechtspraak, zoals die welke volgt uit het arrest van 9 mei 2013, betreffende de beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeien uit de vaststelling dat een contractueel beding oneerlijk is, slechts een beperkte bescherming biedt aan consumenten die vóór de datum van de uitspraak waarin het oneerlijke karakter van dat beding is vastgesteld, een hypotheeklening met een bodemrentebeding hebben afgesloten. Een dergelijke bescherming is bijgevolg onvolledig en ontoereikend en vormt geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dit soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 60).

73      Bijgevolg dienen de verwijzende rechters, die voor de beslechting van de hoofdgedingen gebonden zijn aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht, op eigen gezag de door de Tribunal Supremo in het arrest van 9 mei 2013 vastgestelde beperking in de tijd van de gevolgen buiten toepassing te laten, aangezien deze beperking niet verenigbaar is met dit recht (zie in die zin arresten van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, EU:C:2010:581, punten 29‑32; 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punten 33 en 34; 5 juli 2016, Ognyanov, C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 36, en 8 november 2016, Ognyanov, EU:C:2016:835, C‑554/14, punten 67‑70).

74      Uit het voorgaande vloeit voort dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

 Overige prejudiciële vragen

75      Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag in zaak C‑154/15 en op de eerste vraag in de zaken C‑307/15 en C‑308/15, hoeven de overige prejudiciële vragen niet te worden beantwoord.

 Kosten

76      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

ondertekeningen


* Procestaal: Spaans