Language of document : ECLI:EU:C:2001:434

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

11 september 2001 (1)

„Niet-nakoming - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats - Instandhouding van wilde flora en fauna - Artikel 4, lid 1 - Lijst van gebieden - Informatie over gebieden”

In zaak C-220/99,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli en O. Couvert-Castéra als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en D. Colas als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen, dat de Franse Republiek, door aan de Commissie niet de volledige lijst toe te zenden van de gebieden als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7), samen met de volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn vereiste informatie over elk gebied, de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, V. Skouris, R. Schintgen, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,


griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 januari 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door aan de Commissie niet de volledige lijst toe te zenden van de gebieden als bedoeld in artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: „richtlijn”), samen met de volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn vereiste informatie over die gebieden, de krachtens genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Gemeenschapsrecht

2.
    Volgens artikel 2 van de richtlijn heeft deze tot doel, bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het EG-Verdrag van toepassing is.

3.
    Artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn bepaalt:

„1.    Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemdesoorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.

Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.

2.    Elke lidstaat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.”

4.
    In artikel 1, sub j, van de richtlijn wordt „gebied” omschreven als een geografisch bepaalde zone, waarvan de oppervlakte duidelijk is afgebakend. Volgens artikel 1, sub k, van de richtlijn is een „gebied van communautair belang” een gebied dat er in de biogeografische regio of regio's waartoe het behoort, significant toe bijdraagt een type natuurlijke habitat van bijlage I of een soort van bijlage II in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen en ook significant kan bijdragen tot de coherentie van het Natura 2000-netwerk, en/of significant bijdraagt tot de instandhouding van de biologische diversiteit in de betrokken biogeografische regio of regio's. Voor de diersoorten met een zeer groot territorium komen de gebieden van communautair belang overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn.

5.
    De procedure voor de aanwijzing van speciale beschermingszones (hierna: „SBZ”), geregeld in artikel 4 van de richtlijn, verloopt in vier fasen. In de eerste plaats stelt iedere lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen (artikel 4, lid 1). In de tweede plaats werkt de Commissie aan dehand van de lijsten van de lidstaten en met instemming van iedere lidstaat een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit (artikel 4, lid 2, eerste en tweede alinea). Vervolgens stelt de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang vast volgens de procedure van artikel 21 (artikel 4, lid 2, derde alinea, en lid 3). Ten slotte wijzen de lidstaten de gebieden van communautair belang aan als SBZ (artikel 4, lid 4).

6.
    Wat meer in het bijzonder de eerste fase betreft, bepaalt artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn dat de lidstaten de lijst van gebieden voorstellen op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) bij de richtlijn en van de relevante wetenschappelijke gegevens.

7.
    Bijlage III (fase 1), punten A en B, van de richtlijn noemt de volgende criteria:

„A.    Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een type natuurlijke habitat van bijlage I

    a)    Mate van representativiteit van het type natuurlijke habitat in het gebied.

    b)    Door het type natuurlijke habitat bestreken oppervlakte van het gebied ten opzichte van de totale door dit type natuurlijke habitat op het nationale grondgebied bestreken oppervlakte.

    c)    Mate van instandhouding van de structuur en de functies van het betrokken type natuurlijke habitat en herstelmogelijkheid.

    d)    Algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van het betrokken type natuurlijke habitat.

B.    Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een soort van bijlage II

    a)    Omvang en dichtheid van de populatie van de soort in het gebied ten opzichte van de populaties op het nationale grondgebied.

    b)    Mate van instandhouding van de elementen van de habitat die van belang zijn voor de betrokken soort en herstelmogelijkheid.

    c)    Mate van isolatie van de populatie in het gebied ten opzichte van het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.

    d)    Algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van de betrokken soort.”

8.
    Bijlage III (fase 1), punt C, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten volgens de criteria van bijlage III (fase 1), punten A en B, de gebieden indelen die zij op de nationale lijst voorstellen als gebieden welke in aanmerking komen voor aanwijzing als gebied van communautair belang, al naar gelang van hun betekenis voor de instandhouding van de in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats of de in bijlage II genoemde soorten.

9.
    Volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn moet de lijst van voorgestelde gebieden, met informatie over elk gebied, binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van de richtlijn opgesteld formulier (hierna: „formulier”).

10.
    Aangezien de richtlijn op 10 juni 1992 ter kennis van de lidstaten is gebracht, dienden zij de lijst van voorgestelde gebieden en de informatie over de gebieden vóór 11 juni 1995 aan de Commissie te zenden.

11.
    Het formulier is door de Commissie pas vastgesteld bij beschikking 97/266/EG van 18 december 1996 betreffende het informatieformulier voor als Natura 2000-gebied voorgestelde gebieden (PB 1997, L 107, blz. 1). Deze beschikking is aan de lidstaten meegedeeld op 19 december 1996 en op 24 april 1997 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Precontentieuze procedure

12.
    Aangezien de Commissie van de Franse autoriteiten noch de volledige lijst van gebieden waar de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de inheemse soorten van bijlage II bij de richtlijn voorkomen, noch de informatie over deze gebieden had ontvangen, en zij niet over andere informatie beschikte waaruit bleek dat de Franse Republiek de nodige maatregelen had getroffen om aan de krachtens artikel 4 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen te voldoen, heeft zij de Franse regering op 27 maart 1996 aangemaand om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen hierover te maken.

13.
    Nu het formulier pas met ingang van 19 december 1996 beschikbaar was, zond de Commissie de Franse regering op 3 juli 1997 een aanvullende ingebrekestelling waarin zij haar opnieuw het verwijt maakte niet de volledige lijst van gebieden en de daarop betrekking hebbende informatie te hebben meegedeeld en haar uitnodigde om binnen een maand haar opmerkingen te maken ter zake van deze inbreuk op artikel 4, lid 1, van de richtlijn. In het bijzonder benadrukte de Commissie, dat voor de verstrekking van de relevante gegevens gebruik moest worden gemaakt van het formulier.

14.
    Bij brief van 21 oktober 1997 deelden de Franse autoriteiten een eerste lijst van 74 gebieden mee. Slechts ten aanzien van 25 van deze gebieden werd, gedeeltelijk, informatie verstrekt. Van de 49 overige gebieden werd uitsluitend de naam gegevenzonder vermelding van de oppervlakte of de voorkomende typen natuurlijke habitats of inheemse soorten.

15.
    Van mening dat uit haar correspondentie met de Franse autoriteiten niet geconcludeerd kon worden, dat de Franse Republiek een volledige lijst had toegezonden van de gebieden waarin de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de inheemse soorten van bijlage II bij de richtlijn voorkomen, alsmede de informatie met betrekking tot deze gebieden, zond de Commissie de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag op 6 november 1997 een met redenen omkleed advies, met het verzoek binnen twee maanden na de kennisgeving ervan aan dat advies te voldoen.

16.
    Bij brieven van 9 december 1997, 22 en 26 januari, 12 februari en 17 november 1998, 21 en 28 januari en 18 februari 1999 hebben de Franse autoriteiten de Commissie lijsten gezonden met in totaal 672 gebieden waar de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de habitats van de soorten van bijlage II bij de richtlijn voorkomen en die een oppervlakte van 1 453 000 ha beslaan, alsmede 381 formulieren voor een aantal van deze gebieden.

17.
    Van mening dat daaruit niet bleek, dat de Franse Republiek de betrokken inbreuk had beëindigd, besloot de Commissie het onderhavige beroep in te stellen.

Ontvankelijkheid

18.
    De Franse regering betoogt dat het gedeelte van het beroep betreffende enerzijds het te gering aantal voorgestelde gebieden in verhouding tot het aantal gebieden die geschikt zijn om op de nationale lijst te worden opgenomen, en anderzijds de uitsluiting van gebieden op gronden die niet in de richtlijn zijn voorzien, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de Commissie deze bezwaren niet in haar met redenen omkleed advies heeft genoemd.

19.
    In dit verband zij eraan herinnerd, dat het voorwerp van een krachtens artikel 226 EG ingesteld beroep afgebakend wordt door de in die bepaling voorgeschreven precontentieuze procedure, zodat het met redenen omkleed advies van de Commissie en het beroep op dezelfde grieven moeten berusten (zie met name arrest van 16 september 1997, Commissie/Italië, C-279/94, Jurispr. blz. I-4743, punt 24).

20.
    Deze regel verzet zich er echter niet tegen, dat de Commissie in het verzoekschrift haar aanvankelijke grieven preciseert, op voorwaarde evenwel dat zij het voorwerp van het geschil niet wijzigt (zie arrest van 6 april 2000, Commissie/Frankrijk, C-256/98, Jurispr. blz. I-2487, punten 30 en 31).

21.
    In haar met redenen omkleed advies heeft de Commissie gesteld, dat de Franse Republiek haar noch de definitieve en volledige lijst van de voor aanwijzing als SBZ in aanmerking komende gebieden, noch de hierop betrekking hebbende informatie als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste en tweede alinea, van de richtlijn heeft toegezonden. Zij heeft daarbij opgemerkt, dat de door de Franse autoriteiten op 21 oktober 1997 toegezonden gedeeltelijke lijst noch vanuit geografisch oogpunt, noch wat de op te nemen typen natuurlijke habitats en habitats van soorten betreft, als volledig kon worden beschouwd, en dat de over de gebieden meegedeelde informatie niet op alle genoemde gebieden betrekking had.

22.
    De Commissie heeft in haar verzoekschrift dezelfde conclusies geformuleerd als in het met redenen omkleed advies. In de eerste plaats heeft zij aangegeven, dat de Franse Republiek geen enkel gebied had voorgesteld dat zich op militair terrein bevond, met de toelichting dat dergelijke terreinen wanneer zij in aanmerking komen om in het Natura 2000-netwerk te worden opgenomen, later zouden worden meegedeeld. In de tweede plaats heeft zij aangegeven, dat van verschillende typen van de natuurlijke habitats van bijlage I en verscheidene inheemse soorten van bijlage II bij de richtlijn geen enkel gebied was voorgesteld, hoewel deze toch op het Franse grondgebied voorkomen. In de derde plaats heeft zij naar voren gebracht, dat de vergelijking vande overgelegde lijsten met de wetenschappelijke gegevens die over de in Frankrijk aanwezige typen natuurlijke habitats en inheemse soorten beschikbaar zijn, laat zien, dat verschillende daarvan niet op deze lijsten voorkwamen. De Commissie heeft er met name op gewezen, dat de Franse regering heeft besloten om 319 van de 1 695 natuurlijke zones van ecologisch belang die op grond van hun waarde zijn beoordeeld en gerangschikt in het nationale wetenschappelijke overzicht dat door het „Museum national d'histoire naturelle” onder auspiciën van diezelfde regering is opgesteld, uit te sluiten. Eveneens heeft zij naar voren gebracht, dat de Franse autoriteiten bij de keuze van de gebieden, criteria in aanmerking hebben genomen die niet in de richtlijn zijn genoemd.

23.
    Hieruit blijkt, dat de Commissie in haar verzoek het voorwerp van het geschil niet heeft gewijzigd maar zich ertoe heeft beperkt de in haar met redenen omkleed advies geformuleerde grief dat haar geen lijst is toegezonden van alle gebieden die in aanmerking komen om als SBZ aangewezen te worden, toe te lichten door precieze voorbeelden te geven van de onvolkomenheden in de lijsten die reeds door de Franse Republiek waren meegedeeld.

24.
    De door Frankrijk aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet bijgevolg worden verworpen.

Ten gronde

Het eerste middel

25.
    Ten aanzien van de verplichte toezending van de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn genoemde lijst van gebieden, wijst de Commissie erop, dat iedere lidstaat bijdraagt tot de vorming van een coherent Europees ecologisch netwerk al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en habitats van de soorten van bijlage II bij de richtlijn. Uit het bepaalde in artikel 4,lid 1, in samenhang met bijlage III bij de richtlijn volgt, dat de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid hebben bij de selectie van de in de lijst op te nemen gebieden. Aan deze beoordelingsvrijheid zijn echter de volgende drie voorwaarden verbonden:

-    alleen wetenschappelijke criteria mogen aan de keuze van de voor te stellen gebieden ten grondslag liggen;

-    de voorgestelde gebieden moeten geografisch homogeen zijn en representatief voor het gehele grondgebied van iedere lidstaat, zodat de coherentie en de evenwichtigheid van het eruit voortvloeiende netwerk wordt gegarandeerd. De door de lidstaat voorgestelde lijst moet dus de ecologische (en bij soorten de genetische) diversiteit van de natuurlijke habitats en van de soorten op zijn grondgebied weerspiegelen;

-    de lijst dient compleet te zijn, hetgeen wil zeggen dat iedere lidstaat een zodanig aantal gebieden moet voorstellen, dat alle op zijn grondgebied voorkomende typen natuurlijke habitats van bijlage I en alle habitats van de soorten van bijlage II bij de richtlijn op voldoende representatieve wijze vertegenwoordigd zijn.

26.
    De Commissie merkt over de Franse nationale lijst op, dat bij het verstrijken op 6 januari 1998 van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, de Franse regering haar een lijst van 535 gebieden had overgelegd; op de datum dat het beroep bij het Hof werd ingesteld, 9 juni 1999, was deze lijst toegenomen tot 672 gebieden; op de datum van de terechtzitting, 18 januari 2001, had de Franse Republiek een lijst van in totaal 1 030 gebieden overgelegd.

27.
    De Commissie betoogt, dat zij het onderhavige beroep heeft ingesteld om te doen vaststellen dat de Franse nationale lijst kennelijk ontoereikend is, aangezien de grenzen van de aan de lidstaten gelaten beoordelingsvrijheid daarin ruimschoots wordenoverschreden. Dat die lijst ontoereikend was, is in feite evident ten aanzien van de situatie die bestond bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, aangezien de Franse Republiek sindsdien immers het aantal voorgestelde gebieden nagenoeg heeft verdubbeld. Bovendien is de lijst ook thans nog ontoereikend, ondanks een onmiskenbare vooruitgang. De Franse nationale lijst beantwoordt dus niet aan de criteria van artikel 4, lid 1, in samenhang met bijlage III bij de richtlijn.

28.
    De Franse regering erkent, dat zij bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet alle gebieden had meegedeeld die op de lijst van gebieden als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn moesten worden opgenomen.

29.
    Zij herinnert er echter aan, dat op de datum van de terechtzitting, de Franse nationale lijst in totaal 1 030 gebieden omvatte, die samen ongeveer 5 % van het Franse grondgebied beslaan. De Commissie heeft geen bewijs geleverd, dat zou kunnen aantonen, dat de lijst van 1 030 gebieden niet voldoet aan de verplichting van artikel 4, lid 1, van de richtlijn. In feite gaat het er in de eerste fase van de procedure voor de aanwijzing van SBZ niet om, een uitputtend overzicht op te stellen van gebieden binnen iedere staat waar de typen van natuurlijke habitats van bijlage I en de inheemse soorten van bijlage II bij de richtlijn voorkomen. De deugdelijkheid van de nationale lijst moet niet op grond van het aantal van de voorgestelde gebieden beoordeeld worden maar op grond van de representativiteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de inheemse soorten die op genoemde lijst voorkomen, beschouwd vanuit het oogpunt van hun zeldzaamheid en hun verdeling over het nationale grondgebied.

30.
    Er zij op gewezen, dat de lidstaten blijkens de in artikel 4, lid 1, van de richtlijn gegeven regeling van de procedure ter bepaling van de gebieden die voor aanwijzing als SBZ in aanmerking komen, weliswaar over een zekere beoordelingsmarge beschikken bij het voorstellen van gebieden, wat evenwel niet wegneemt dat zij daarbij,zoals de Commissie heeft opgemerkt, de in de richtlijn bepaalde criteria in acht dienen te nemen.

31.
    Om een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang te kunnen opstellen die tot de vorming van een coherent Europees ecologisch netwerk van SBZ leidt, moet de Commissie beschikken over een uitputtende lijst van de gebieden die, op nationaal niveau, een relevant ecologisch belang hebben voor de door de richtlijn beoogde instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna. Met dit doel wordt deze inventaris op basis van de in bijlage III (fase 1) bij de richtlijn vastgestelde criteria opgesteld (arrest van 7 november 2000, First Corporate Shipping, C-371/98, Jurispr. blz. I-9235, punt 22).

32.
    Overigens is dit het enige middel ter bereiking van het in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn beoogde doel, de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen, welk gebied zich aan weerszijden van een of meerdere binnengrenzen van de Gemeenschap kan bevinden. Blijkens artikel 1, sub e en i, in samenhang met artikel 2, lid 1, van de richtlijn moet immers bij de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat of van een soort worden uitgegaan van het hele Europese grondgebied van de lidstaten waar het Verdrag van toepassing is (arrest First Corporate Shipping, reeds aangehaald, punt 23).

33.
    Bovendien zij eraan herinnerd, dat het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Met daarna opgetreden wijzigingen kan het Hof derhalve geen rekening houden (zie, onder meer, arrest van 8 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-266/99, Jurispr. blz. I-1981, punt 38).

34.
    Vastgesteld moet worden, dat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn op 6 januari 1998, de inhoud van de aan de Commissietoegezonden Franse nationale lijst kennelijk ontoereikend was, zodat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij het opstellen van de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bedoelde lijst van gebieden ruimschoots was overschreden. Overeenkomstig de in het vorige punt van het onderhavige arrest geciteerde rechtspraak zijn de lijsten van gebieden die na het verstrijken van deze termijn aan de Commissie zijn meegedeeld, in het kader van dit beroep niet relevant.

35.
    De conclusie dient dus te luiden, dat de Franse Republiek, door de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bedoelde lijst van gebieden niet binnen de gestelde termijn aan de Commissie toe te zenden, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Het tweede middel

36.
    Met betrekking tot de verplichting om informatie toe te zenden over de gebieden die in aanmerking komen voor aanwijzing als SBZ, erkent de Franse regering dat zij bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn deze informatie nog niet had toegezonden. Zij wijst er echter op, dat het haar absoluut onmogelijk was om binnen de gestelde termijn aan deze verplichting te voldoen. Zij is van mening dat de vertraging waarmee de Commissie het formulier heeft opgesteld, in feite een weerslag heeft gehad op de gehele nationale gang van zaken. Toen de Commissie beschikking 97/266 bekend heeft gemaakt, waarbij het formulier werd vastgesteld, zijn de Franse autoriteiten genoodzaakt geweest om het geheel van de gegevens die reeds in een nationaal overzicht waren opgenomen, om te zetten en aan te passen.

37.
    De Commissie betoogt, dat aan de verplichting om informatie over de gebieden toe te zenden, vóór 11 juni 1995 behoorde te worden voldaan. Ook indien wordt aangenomen dat bepaalde lidstaten, die vóór 11 juni 1995 over de lijst van voor te stellen gebieden en de desbetreffende informatie moesten beschikken, de vaststelling van het formulier zouden hebben willen afwachten, hadden zij deze informatie niettemin korte tijd na demededeling van het formulier op 19 december 1996 daarin kunnen overnemen en ter kennis van de Commissie kunnen brengen.

38.
    De Commissie voegt hieraan toe, dat zij de precontentieuze procedure vanwege de verlate vaststelling van het formulier heeft verlengd door de Franse Republiek op 3 juli 1997 - dus ruim na de datum van kennisgeving van het formulier - een aanvullende ingebrekestelling te zenden. De Franse autoriteiten waren bijgevolg volledig in staat om te voldoen aan hun verplichting tot toezending van de informatie over elk gebied. Op 6 januari 1998, toen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn afliep, had de Franse Republiek de informatie over de voor te stellen gebieden evenwel nog steeds niet aan de Commissie toegezonden.

39.
    Om te beginnen moet erop worden gewezen, dat de Commissie de Franse regering weliswaar in eerste instantie op 27 maart 1996 een ingebrekestelling heeft gezonden, dus vóór de kennisgeving van het formulier, doch dat zij haar na die kennisgeving een nieuwe ingebrekestelling heeft gezonden waarin zij haar een nieuwe termijn heeft gesteld om aan artikel 4, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn te voldoen.

40.
    Bovendien wisten de lidstaten vanaf de kennisgeving van de richtlijn op 10 juni 1992 welke soort informatie diende te worden verzameld met het oog op toezending binnen de termijn van drie jaar vanaf deze kennisgeving, te weten vóór 11 juni 1995. Zij wisten voorts, dat deze informatie diende te worden verstrekt op basis van het formulier, zodra dit door de Commissie zou zijn opgesteld. Artikel 4, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk, dat de op basis van een door de Commissie opgesteld formulier toe te zenden informatie een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, omvat.

41.
    Bijgevolg moet de termijn die de Commissie de Franse regering heeft verleend ter voldoening aan de verplichting om de informatie over de gebieden, waarover zij reedsvóór 11 juni 1995 diende te beschikken, op het formulier over te nemen, als redelijk worden beschouwd. De Franse regering heeft immers meer dan een jaar tijd gehad - van 19 december 1996, de datum van kennisgeving van het formulier, tot 6 januari 1998, de datum van het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn - om deze specifieke verplichting na te komen.

42.
    Aangezien de Franse regering heeft erkend, dat zij bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de informatie over de voor te stellen gebieden niet op basis van het formulier aan de Commissie had toegezonden, moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de informatie over de gebieden die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn, aan de Commissie toe te zenden overeenkomstig de tweede alinea van deze bepaling, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

43.
    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1)    Door niet binnen de gestelde termijn de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna,bedoelde lijst van gebieden samen met de volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn vereiste informatie over elk gebied aan de Commissie toe te zenden, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)    De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.

Gulmann
Skouris
Schintgen

Macken

Cunha Rodrigues

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 september 2001.

De griffier

De president van de Zesde kamer

R. Grass

C. Gulmann


1: Procestaal: Frans.