Language of document : ECLI:EU:C:2013:779

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 28 november 2013 (1)

Gevoegde zaken C‑501/12 tot en met C‑506/12, C‑540/12 en C‑541/12

Thomas Specht (C‑501/12),

Jens Schombera (C‑502/12),

Alexander Wieland (C‑503/12),

Uwe Schönefeld (C‑504/12),

Antje Wilke (C‑505/12),

Gerd Schini (C‑506/12)

tegen

Land Berlin

en

Rena Schmeel (C‑540/12),

Ralf Schuster (C‑541/12)

tegen

Bundesrepublik Deutschland

[verzoeken van het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Sociaal beleid – Discriminatie op grond van leeftijd van werknemers – Nationale regelgeving die voorziet in vaststelling van basissalaris van ambtenaar op grond van diens leeftijd”





1.        In de onderhavige prejudiciële verzoeken is het toepasselijke rechtskader richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.(2)

2.        Meer in het bijzonder dient het Hof in het kader van de door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) gestelde vragen om te beginnen na te gaan of artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 geldig is, alsook of het van toepassing is op de bezoldiging van ambtenaren, en voorts of de betrokken nationale bepalingen verenigbaar zijn met het verbod van discriminatie op grond van leeftijd zoals dat in artikel 2 van deze richtlijn is neergelegd. Daarna dient het Hof te bepalen welke rechtsgevolgen uit een eventuele schending van dit verbod moeten worden getrokken. Ten slotte moet het Hof onderzoeken of een nationale bepaling, zoals die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, die de ambtenaar verplicht om een recht op een betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, vóór het einde van het lopende begrotingsjaar geldend te maken, met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte verenigbaar is.

I –    Rechtskader

A –    Unierecht

3.        Richtlijn 2000/78 heeft krachtens artikel 1 tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast.

4.        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt het volgende:

„1.      Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2.      Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)      ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

b)      ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,

i)      tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, [...]

[...].”

5.        Ingevolge artikel 3, lid 1, sub c, is deze richtlijn binnen de grenzen van de aan de Europese Unie verleende bevoegdheden, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van beloning.

6.        Artikel 6 van richtlijn 2000/78 luidt als volgt:

„1.      Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:

a)      het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;

b)      de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of ‑anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen; 

[...]”

7.        Volgens artikel 16, sub a, van richtlijn 2000/78 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft.

B –    Duits recht

1.      De regelgeving die van toepassing is op de bezoldiging van ambtenaren van het Land Berlin

a)      De tot en met juni 2011 geldende federale bezoldigingswet

8.        Tot en met 30 juni 2011 waren de §§ 27 e.v. van de federale bezoldigingswet in de versie die gold op 31 augustus 2006 (Bundesbesoldungsgesetz; hierna: „BBesG a.F.”) de rechtsgrondslag voor de bezoldiging van de ambtenaren van het Land Berlin.

9.        In het BBesG a.F. vormde de op basis van leeftijd bepaalde salarisanciënniteit het aanknopingspunt voor de eerste indeling in een salaristrap en ook het uitgangspunt voor de verdere overgang naar een hogere salaristrap in de salaristabel.

10.      Zo voorziet § 27 van het BBesG a.F. erin dat het basissalaris, behoudens andersluidende bepalingen in de salaristabellen, trapsgewijze wordt vastgesteld. Voor de overgang naar een hogere salaristrap zijn de salarisanciënniteit en de prestaties van de ambtenaar bepalend. De ambtenaar of militair ontvangt minimaal het aanvangsbasissalaris van de salarisgroep waarin hij is benoemd. Volgens diezelfde bepaling stijgt het basissalaris tot de vijfde trap om de twee jaar, vervolgens tot aan de negende trap om de drie jaar, en vanaf de negende trap om de vier jaar. Deze bepaling voorziet er ook in dat ambtenaren en militairen van salaristabel A bij aanhoudende uitstekende prestaties eerder naar de volgende hogere trap van het basissalaris kunnen overgaan (prestatietrap). Het aantal personen aan wie in een bepaald kalenderjaar bij een en dezelfde werkgever een prestatietrap wordt toegekend, mag niet groter zijn dan 15 % van het aantal bij die werkgever in dienst zijnde ambtenaren en militairen van salaristabel A die het eindsalaris nog niet hebben bereikt. Indien wordt vastgesteld dat het prestatieniveau van de ambtenaar of militair niet in overeenstemming is met de gemiddelde eisen die aan de vervulde functie worden gesteld, blijft hij in zijn salaristrap totdat zijn prestaties een overgang naar de volgende hogere trap rechtvaardigen.

11.      Volgens § 28 van het BBesG a.F. begint de salarisanciënniteit te lopen vanaf de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar of militair zijn 21e levensjaar heeft voltooid.

12.      De aldus verkregen salarisanciënniteit wordt verschoven met de duur van het tijdvak dat verloopt na voltooiing van de leeftijd van 31 jaar, waarin betrokkene geen recht op bezoldiging als ambtenaar of militair had, en wel met een kwart voor het tijdvak tot aan het tijdstip dat betrokkene het 35e levensjaar heeft voltooid, en met de helft voor het tijdvak daarna. Met een bezoldiging als ambtenaar of militair worden gelijkgesteld de inkomsten voor het verrichten van werkzaamheden die als hoofdberoep zijn verricht voor een publiekrechtelijke werkgever, voor publiekrechtelijke godsdienstige instellingen of organisaties daarvan, alsmede voor iedere andere werkgever die de in de publieke sector geldende collectieve arbeidsovereenkomsten dan wel collectieve arbeidsovereenkomsten met in wezen dezelfde inhoud toepast en waar de overheid door betaling van bijdragen of subsidies of op een andere wijze in wezenlijke mate bij betrokken is.

13.      Bij de tweede wet tot wijziging van het ambtenarenstatuut (Zweites Dienstrechtsänderungsgesetz) van 21 juni 2011 heeft het Land Berlin de relevante bepalingen van het BBesG a.F. opgenomen in het recht van het Land Berlin als federale bezoldigingswet in de overgangsversie voor Berlijn (Bundesbesoldungsgesetz in der Überleitungsfassung für Berlin; hierna: „BBesG Bln a.F.”).

b)      De op 1 augustus 2011 geldende federale bezoldigingswet

14.      Bij de wet houdende een nieuwe bezoldigingsregeling voor het Land Berlin (Gesetz zur Besoldungsneuregelung für das Land Berlin – Berliner Besoldungsneuregelungsgesetz; hierna: „BerlBesNG”) van 29 juni 2011 heeft het Land Berlin het BBesG Bln a.F. gewijzigd. Sindsdien gelden voor de ambtenaren van het Land Berlin verschillende regelingen al naargelang zij vanaf 1 augustus 2011 in dienst zijn getreden (hierna: „nieuwe ambtenaren”) dan wel op 31 juli 2011 reeds in dienst waren (hierna: „zittende ambtenaren”). Bij artikel I, § 1, BerlBesNG is het BBesG Bln a.F. met ingang van 1 augustus 2011 gewijzigd. Voor nieuwe ambtenaren geldt de aldus gewijzigde versie van de vroegere federale bezoldigingswet (hierna: „BBesG Bln n.F.”).

i)      De voor nieuwe ambtenaren geldende regelgeving

15.      De eerste inschaling van een nieuwe ambtenaar in een (ervarings)trap en de verdere trapsgewijze stijging van het salaris in salaristabel A geschiedt thans dus niet meer aan de hand van de op basis van leeftijd vastgestelde salarisanciënniteit, maar volgens de overeenkomstig de gestelde ervaringseisen vervulde tijdvakken van arbeid.

16.      Zo voorziet § 27 van het BBesG Bln n.F. erin dat het basissalaris, behoudens andersluidende bepalingen in de salaristabellen, trapsgewijze (ervaringstrappen) wordt vastgesteld. Voor de overgang naar de volgende hogere trap is de verworven ervaring bepalend. Volgens deze bepaling wordt bij een eerste benoeming voor een functie die recht geeft op een bezoldiging binnen de werkingssfeer van het BBesG Bln n.F., een basissalaris in trap 1 vastgesteld, voor zover geen eerdere tijdvakken overeenkomstig § 28, lid 1, in aanmerking worden genomen. § 27, lid 3, BBesG Bln n.F. geeft aan dat het basissalaris stijgt na een tijdvak van twee jaar ervaring in trap 1, na een tijdvak van drie jaar ervaring in de trappen 2 tot en met 4, en na een tijdvak van vier jaar ervaring in de trappen 5 tot en met 7. Tijdvakken zonder recht op bezoldiging als ambtenaar vertragen de overgang naar een hogere trap ten belope van die tijdvakken, onverminderd het bepaalde in § 28, lid 2, BBesG Bln n.F.

17.      Volgens § 27, lid 4, BBesG Bln n.F. kunnen ambtenaren van salaristabel A bij aanhoudende uitstekende prestaties eerder naar de volgende trap van het basissalaris overgaan (prestatietrap). Het aantal personen aan wie in een bepaald kalenderjaar bij een en dezelfde werkgever een prestatietrap wordt toegekend, mag niet groter zijn dan 15 % van het aantal bij die werkgever in dienst zijnde ambtenaren van salaristabel A die het eindsalaris nog niet hebben bereikt. Indien wordt vastgesteld dat het prestatieniveau van de ambtenaar niet in overeenstemming is met de gemiddelde eisen die aan de vervulde functie worden gesteld, blijft hij in zijn salaristrap totdat zijn prestaties een overgang naar de volgende trap rechtvaardigen.

18.      Volgens § 28, lid 1, BBesG Bln n.F. wordt bij de eerste vaststelling van de salaristrap overeenkomstig § 27, lid 2, BBesG Bln n.F. met name rekening gehouden met tijdvakken waarin gelijkwaardige werkzaamheden die geen voorwaarde voor toelating tot de loopbaan zijn, als hoofdberoep zijn verricht voor een publiekrechtelijke werkgever, voor publiekrechtelijke godsdienstige instellingen of organisaties daarvan. Eveneens worden de tijdvakken in aanmerking genomen die volgens het Arbeitsplatzschutzgesetz (wet betreffende de bescherming van de arbeidsplaats) moeten worden gecompenseerd omdat de dienstbetrekking in overheidsdienst ten gevolge van militaire dienst of burgerdienst pas op een later tijdstip kon aanvangen.

ii)    De voor zittende ambtenaren geldende regelgeving

19.      Bij artikel II, § 1, BerlBesNG is een afwijkende regeling gemaakt voor zittende ambtenaren. Het betreft de wettelijke regeling van het Land Berlin van 29 juni 2011, waarin de indeling van de zittende ambtenaren in het nieuwe stelsel is neergelegd (Berliner Besoldungsüberleitungsgesetz, hierna: „BerlBesÜG”).

20.      Volgens § 2, lid 1, BerlBesÜG, worden ambtenaren op 1 augustus 2011 op basis van de op 31 juli 2011 vervulde functie met het basissalaris waarop zij op grond van de wet betreffende de aanpassing van de bezoldiging en sociale voorzieningen voor Berlijn (Gesetz zur Besoldungs- und Versorgungsanpassung für Berlin) 2010/2011 van 8 juli 2010, op 1 augustus 2010 recht zouden hebben, volgens de hiernavolgende leden, ingedeeld in de trappen of overgangstrappen van het basissalaris, zoals vervat in bijlage 3 bij het BerlBesNG. Volgens § 2, lid 2, BerlBesÜG wordt de ambtenaar ingedeeld in de trap of overgangstrap van het basissalaris van de overeenkomstige salarisgroep met het onmiddellijk hogere bedrag.

21.      Ingevolge § 3, lid 1, BerlBesÜG begint het voor de overgang naar de volgende trap relevante tijdvak van ervaring, als bedoeld in § 27, lid 3, BBesG Bln n.F., te lopen vanaf het tijdstip van inschaling in een trap zoals vervat in bijlage 3 bij het BerlBesNG.

22.      De verwijzende rechter licht toe dat de wetgever als reden voor deze wijziging heeft aangevoerd dat, gelet op richtlijn 2000/78, het oude bezoldigingsstelsel wegens het verbod van discriminatie op grond van leeftijd steeds meer voorwerp van discussie was, vooral sinds de recente rechtspraak betreffende arbeidscontractanten.

23.      Wat de eigenlijke ambtenaren betreft, waren er volgens de wetgever weliswaar tot nu toe slechts arresten van rechters in eerste aanleg die geen discriminatie op grond van leeftijd hadden vastgesteld. Toch was het hoog tijd om te kiezen voor een op ervaring gebaseerd stelsel, aangezien niet kon worden uitgesloten dat de hogere rechterlijke instanties en het Hof van Justitie hierover anders zouden oordelen, hetgeen in voorkomend geval, naar schatting, jaarlijks 109 miljoen EUR extra kosten mee zou brengen. Daarom mocht de eerste indeling in een salaristrap en de verdere stijging van het salaris niet meer geschieden aan de hand van de op de leeftijd gebaseerde salarisanciënniteit, maar moesten in plaats daarvan de overeenkomstig de gestelde eisen vervulde tijdvakken van arbeid als maatstaf gelden. De wetgever vermeldt daarbij dat bij die wijziging rekening is gehouden met richtlijn 2000/78. Volgens hem heeft het nieuwe stelsel echter ook tot doel de inkomsten van de ambtenaren niet te laten dalen of stijgen. De nieuwe salaristabellen zijn dus in de eerste plaats aldus opgezet dat zij qua kosten begrotingsneutraal zijn en maximaal slechts +/-1 % afwijken van het fictieve levensinkomen dat een ambtenaar in de betrokken salarisgroep zonder bevordering op zijn 65e jaar zou hebben ontvangen. Wat de afwijkende regeling voor de zittende ambtenaren betreft, heeft de wetgever zich ook laten leiden door het streven de verworven rechten van ambtenaren te waarborgen.

2.      De regelgeving die van toepassing is op federale ambtenaren

24.      Tot 30 juni 2009 vormden de §§ 27 e.v. van het BBesG a.F. de rechtsgrondslag voor de bezoldiging van federale ambtenaren. Deze bepalingen waren gelijk aan de bepalingen van het BBesG a.F. in de versie die op 31 augustus 2006 gold, welke hierboven zijn uiteengezet.

25.      De wet houdende herziening en herstructurering van het federale overheidsrecht (Gesetz zur Neuordnung und Modernisierung des Bundesdienstrechts) van 5 februari 2009 heeft het op salarisanciënniteit gebaseerde bezoldigingsstelsel van federale ambtenaren gewijzigd. Zo is dit stelsel vanaf 1 juli 2009 krachtens de §§ 27 e.v. van het BBesG n.F. in de versie die gold op 5 februari 2009, gebaseerd op zogenoemde „ervaringstrappen”, die worden vastgesteld op grond van de overeenkomstig de gestelde eisen vervulde tijdvakken van arbeid.

II – De feiten in de hoofdgedingen

26.      De feiten in de hoofdgedingen laten zich als volgt samenvatten. Specht (zaak C501/12), Schombera (zaak C‑502/12), Wieland (zaak C‑503/12), Schönefeld (zaak C‑504/12), Wilke (zaak C‑505/12) en Schini (zaak C‑506/12) enerzijds, en Schmeel (zaak C‑540/12) en Schuster (zaak C‑541/12) anderzijds, (hierna gezamenlijk: „verzoekende partijen”) zijn als ambtenaar in vaste dienst benoemd bij respectievelijk het Land Berlin en de Bondsrepubliek Duitsland.

27.      Verzoekende partijen zijn voor het eerst ingedeeld in het bezoldigingsstelsel overeenkomstig het BBesG a.F., dat wil zeggen op grond van hun salarisanciënniteit ten tijde van hun benoeming.

28.      Verzoekende partijen betwisten de berekening van hun bezoldiging en voeren bij de verwijzende rechter aan dat zij op grond van leeftijd worden gediscrimineerd.

29.      In de zaken C‑502/12 en C‑506/12 vorderen Schombera en Schini een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging volgens de daadwerkelijk toegekende salaristrap en bezoldiging volgens de hoogste salaristrap, en wel voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2011, de datum waarop is overgegaan op de nieuwe, op ervaring gebaseerde bezoldigingsregeling.

30.      In de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 vorderen Specht, Wieland en Wilke dat hun voor het tijdvak van september 2006 tot en met 31 juli 2011 (zaak C‑501/12) en voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 juli 2011 (zaken C‑503/12 en C‑505/12) een bezoldiging wordt uitbetaald die overeenkomt met de hoogste salaristrap. Voor het tijdvak na 31 juli 2011, de datum waarop is overgegaan op het nieuwe bezoldigingsstelsel, vorderen zij een bezoldiging die gelijk is aan hetgeen zij zouden hebben gekregen indien zij krachtens het BerlBesÜG in de hoogste trap van hun oude salarisgroep waren ingedeeld.

31.      In zaak C‑504/12 betwist Schönefeld de wijze waarop hij in het nieuwe bezoldigingsstelsel is ingedeeld en vordert hij een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging volgens de daadwerkelijk toegekende salaristrap en de bezoldiging die hij naar zijn mening vanaf 1 augustus 2011 had moeten krijgen.

32.      Ten slotte betwisten Schmeel en Schuster in de zaken C‑540/12 en C‑541/12 de berekening van hun bezoldiging en vorderen zij een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging overeenkomstig de daadwerkelijk toegekende salaristrap en de bezoldiging overeenkomstig de hoogste salaristrap, en wel voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2009, de datum waarop is overgegaan op de nieuwe bezoldigingsregeling.

III – De prejudiciële vragen

33.      De in de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 gestelde vragen zijn identiek. De in de zaken C‑502/12 en C‑506/12 gestelde vragen zijn gelijk aan de eerste vijf vragen die in de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 zijn gesteld. De vragen één tot en met zes die in zaak C‑504/12 zijn gesteld, komen overeen met de vragen één, twee en drie en de vragen zes, zeven en acht van de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12. Ten slotte zijn de vragen in de zaken C‑540/12 en C‑541/12 ook gelijk aan de eerste vijf vragen die in de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 zijn gesteld, met als enige verschil dat bij die laatste zaken wordt verwezen naar de bezoldiging van federale ambtenaren en niet naar de bezoldiging van ambtenaren van het Land Berlin.

34.      Daarom neem ik de vragen in de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 over, aangezien deze zaken alle vragen in de zaken omvatten die ons hier worden voorgelegd.

35.      Het Verwaltungsgericht Berlin heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende vragen gesteld:

„1)      Dient het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie], in het bijzonder richtlijn 2000/78 [...], aldus te worden uitgelegd dat het daarin vervatte algemene verbod van ongerechtvaardigde discriminatie op grond van leeftijd ook van toepassing is op nationale bepalingen betreffende de bezoldiging van deelstaatambtenaren?

2)      Ingeval vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Volgt uit de uitlegging van dit primaire en/of afgeleide [...] recht [van de Unie] dat een nationale bepaling volgens welke de hoogte van het basissalaris van een ambtenaar bij zijn aanstelling in overheidsdienst in grote mate afhankelijk is van diens leeftijd en daarna vooral stijgt naarmate zijn dienstbetrekking voortduurt, een rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van leeftijd oplevert?

3)      Ingeval ook vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: Staat de uitlegging van dit primaire en/of afgeleide [...] recht [van de Unie] eraan in de weg dat een dergelijke nationale bepaling volgens de wetgever wordt gerechtvaardigd door het doel, beroepservaring te belonen?

4)      Ingeval ook vraag 3 bevestigend wordt beantwoord: Staat de uitlegging van het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie], zolang geen niet-discriminerende bezoldigingsregeling is ingevoerd, een ander rechtsgevolg toe dan de gediscrimineerden met terugwerkende kracht te bezoldigen volgens de hoogste salaristrap van hun salarisgroep?

Vloeit het rechtsgevolg van de inbreuk op het discriminatieverbod dan rechtstreeks voort uit het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie], in het bijzonder richtlijn 2000/78 [...], of vloeit de vordering slechts voort uit de in het recht van de Unie geldende aansprakelijkheid van de overheid voor onjuiste omzetting van [...] voorschriften [van de Unie] in het nationale recht?

5)      Staat deze uitlegging van het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie] in de weg aan een nationale maatregel die het recht op (na)betaling of schadevergoeding afhankelijk stelt van de omstandigheid dat de ambtenaar dit recht onverwijld geldend heeft gemaakt?

6)      Ingeval de eerste drie vragen bevestigend worden beantwoord: Volgt uit deze uitlegging van het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie] dat een overgangswet volgens welke de zittende ambtenaren uitsluitend op basis van het bedrag van het door hen op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel overeenkomstig het oude (discriminerende) bezoldigingsstelsel ontvangen basissalaris, in een trap van het nieuwe stelsel worden ingedeeld, en de overgang naar een hogere trap vervolgens, los van de totale duur van de verworven ervaring, slechts volgens de ervaring verworven sinds de inwerkingtreding van de overgangswet wordt bepaald, een – tot aan het bereiken van de hoogste salaristrap voortdurende – bestendiging van de bestaande discriminatie op grond van leeftijd oplevert?

7)      Ingeval ook vraag 6 bevestigend wordt beantwoord: Staat de uitlegging van het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie] eraan in de weg dat dit voortdurende verschil in behandeling door de wetgever aldus wordt gerechtvaardigd dat de overgangswet niet (slechts) de op de peildatum voor de overgang verworven rechten, maar (ook) de volgens het oude bezoldigingsstelsel te verwachten inkomsten van de ambtenaren in elke salarisgroep beoogt te beschermen? 

Kan de voortdurende discriminatie van de zittende ambtenaren worden gerechtvaardigd door de overweging dat de alternatieve regeling (ook de zittende ambtenaren individueel op grond van hun ervaring in te delen) meer bestuurlijke rompslomp meebrengt?

8)      Indien een eventuele rechtvaardiging, zoals bedoeld in vraag 7, door het Hof wordt afgewezen: Staat deze uitlegging van het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie], zolang ook voor de zittende ambtenaren geen niet-discriminerende bezoldigingsregeling is ingevoerd, een ander rechtsgevolg toe dan de zittende ambtenaren met terugwerkende kracht en doorlopend te bezoldigen volgens de hoogste salaristrap van hun salarisgroep?

Vloeit het rechtsgevolg van de inbreuk op het discriminatieverbod dan rechtstreeks voort uit het primaire en/of het afgeleide [...] recht [van de Unie], in het bijzonder richtlijn 2000/78 [...], of vloeit de vordering slechts voort uit de in het recht van de Unie geldende aansprakelijkheid van de overheid voor onjuiste omzetting van [...] voorschriften [van de Unie] in het nationale recht?”

IV – Beoordeling

A –    Geldigheid van artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 en toepassing ervan op de bezoldiging van ambtenaren

36.      De eerste vraag, die betrekking heeft op de toepassing van richtlijn 2000/78 op de situaties die aan de orde zijn in de hoofdgedingen, behelst mijns inziens twee delen. Om te beginnen wil de verwijzende rechter weten of artikel 3, lid 1, sub c, van deze richtlijn van toepassing is op de bezoldiging van ambtenaren. Op dit punt heeft hij twijfel over de geldigheid van deze bepaling gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

37.      Zo herinnert hij eraan dat deze richtlijn is vastgesteld op grond van artikel 19 VWEU (dat overeenkomt met het voormalige artikel 13 EG), waarvan lid 1 bepaalt: „Onverminderd de andere bepalingen van de Verdragen kan de Raad [van de Europese Unie], binnen de grenzen van de door de Verdragen aan de Unie verleende bevoegdheden(3), [...] passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van [...] leeftijd [...] te bestrijden.” Volgens de verwijzende rechter raakt de vraag van het wegnemen van een eventuele discriminatie op grond van leeftijd bij de bezoldiging van ambtenaren echter ook de beloning als zodanig, een gebied waarop de Unie volgens het primaire recht overeenkomstig artikel 153, lid 5, VWEU in beginsel geen bevoegdheden heeft. Aangezien artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 uitdrukkelijk erin voorziet dat deze richtlijn van toepassing is op de beloning, zou gelet op de bepalingen van het VWEU de geldigheid ervan in twijfel kunnen worden getrokken.

38.      Vervolgens wil de verwijzende rechter weten of ingeval het oordeel luidt dat artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 niet geldig is, het discriminatieverbod op grond van leeftijd als algemeen rechtsbeginsel of artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(4) autonoom zou kunnen worden toegepast in de gevallen die in deze zaken aan ons worden overgelegd.

39.      Volgens de Duitse regering en de Commissie is deze richtlijn geldig en in deze zaken van toepassing. Om de volgende redenen ben ik het daar mee eens.

40.      Het is stellig waar dat artikel 19 VWEU alleen als grondslag voor een Unierechtelijke regeling kan worden ingeroepen voor gebieden die ratione materiae onder de werkingssfeer van het Unierecht vallen. De Uniewetgever moet er zich, bij de vaststelling van een regeling ter bestrijding van discriminatie op grond van een van de in dit artikel genoemde redenen, dan ook van verzekeren dat de betrokken materie onder een gebied valt waarvoor de Unie bevoegd is te handelen overeenkomstig het toewijzingsbeginsel van artikel 5, leden 1 en 2, VEU, omdat hij anders het gevaar loopt het toepassingsgebied van de Verdragen uit te breiden.

41.      Artikel 153, lid 5, VWEU, dat staat in titel X over de sociale politiek en het voor de Uniewetgever mogelijk maakt om wettelijke regelingen vast te stellen over arbeidsvoorwaarden, sluit echter de beloning uitdrukkelijk hiervan uit.

42.      Moet het Hof zich dan toch van ieder toezicht onthouden, nu de nationale wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, verband houdt met de beloning? Is artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 ongeldig in verband met deze uitzondering van artikel 153, lid 5, VWEU? Ik meen van niet.

43.      Er bestaat tussen de term „beloning” zoals die in deze bepaling wordt gebruikt en de uitdrukking „beloning” in artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 een verschil dat weliswaar op het eerste gezicht kunstmatig kan aandoen, maar dat toch van belang is.

44.      In het arrest van 13 september 2007, Del Cerro Alonso(5), heeft het Hof immers, na eraan te hebben herinnerd dat het discriminatieverbod niet restrictief mag worden uitgelegd, aangegeven dat artikel 153, lid 5, VWEU een uitzondering inhoudt op de leden 1 tot en met 4 van dit artikel en de in dit lid uitgezonderde onderwerpen daarom strikt moeten worden geïnterpreteerd, en wel zo dat niet onnodig afbreuk wordt gedaan aan de strekking van de leden 1 tot en met 4, of de doelstellingen van artikel 151 VWEU in gevaar worden gebracht.(6) Het Hof heeft ook overwogen dat, wat in het bijzonder de in artikel 153, lid 5, VWEU gemaakte uitzondering wat de „beloning” betreft, deze haar bestaansreden vindt in het feit dat de vaststelling van de hoogte van de salarissen op nationaal niveau behoort tot de contractsautonomie van de sociale partners, en tot de bevoegdheid van de lidstaat op dit gebied. Het is dan ook opportuun geacht, bij de huidige stand van het Unierecht, om de vaststelling van de hoogte van de salarissen uit te sluiten van harmonisatie uit hoofde van de artikelen 151 VWEU en volgende.(7)

45.      Duidelijk is derhalve dat de term „beloning” in de zin van artikel 153, lid 5, VWEU, niet de beloningsvoorwaarden omvat. Deze beloningsvoorwaarden behoren tot de arbeidsvoorwaarden. Bij de beloningsvoorwaarden gaat het niet direct om de vaststelling van de hoogte van de beloning, maar om de omstandigheden waarin de werknemer een bepaalde van tevoren door de betrokken partijen vastgestelde bezoldiging verkrijgt, ongeacht of dit zich voordoet tussen partijen in de particuliere sector dan wel tussen sociale partners en de staat.

46.      Het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde bezoldigingsstelsel van de Duitse ambtenaren geeft, mijns inziens, dit verschil tussen beloning en beloningsvoorwaarden goed weer. De hoogte van het salaris van de Duitse ambtenaren wordt immers bepaald door salarisgroepen en salaristrappen. Het bedrag van iedere salarisgroep en iedere trap worden door de bevoegde instanties vrijelijk vastgesteld en de Uniewetgever kan zich op grond van artikel 153, lid 5, VWEU op geen enkele manier bemoeien met de vaststelling van deze bedragen door bijvoorbeeld een minimum op te leggen. Het gaat in dat laatste geval om een bevoegdheid die exclusief aan de lidstaten toekomt.(8) De salarisverschillen die binnen de Unie bestaan, kunnen bij de huidige stand van het recht niet het voorwerp zijn van een Unierechtelijke regeling.

47.      Daarentegen kunnen de nationale bepalingen die de wijze van indeling in deze salarisgroepen en salaristrappen regelen, niet tot gevolg hebben dat de ambtenaren wegens bijvoorbeeld hun leeftijd worden gediscrimineerd.

48.      Zoals de Raad in zijn schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, is de beloning een wezenlijk onderdeel van de arbeidsvoorwaarden(9), wellicht ook het belangrijkste onderdeel en het onderdeel waarbij het meest wordt gediscrimineerd.(10) Indien de beloningsvoorwaarden onder de uitzondering van artikel 153, lid 5, VWEU zouden vallen, zou artikel 19 VWEU, dat immers beoogt de discriminatie te bestrijden, hierdoor dan ook een groot deel van zijn betekenis verliezen.

49.      Artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 is derhalve geldig. Wat de toepassing van dit artikel op de bezoldiging van ambtenaren betreft, volstaat het eraan te herinneren dat in deze richtlijn wordt bepaald dat zij zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing is met betrekking tot werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning.(11)

50.      Bijgevolg denk ik dat artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op de bezoldiging van ambtenaren.

51.      Gelet op bovenstaande overwegingen is het mijns inziens niet nodig het tweede deel van de eerste vraag te beantwoorden.

B –    Discriminatie op grond van leeftijd

52.      Alvorens de tweede en derde vraag te behandelen acht ik het nuttig om terug te komen op het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde bezoldigingsstelsel en dit stelsel aan de hand van concrete voorbeelden uit te leggen om de werking ervan beter te begrijpen.

53.      Volgens het BBesG a.F. wordt een ambtenaar voor het eerst in een salaristrap van een salarisgroep ingedeeld op grond van zijn salarisanciënniteit, te rekenen vanaf de dag na voltooiing van zijn 21e levensjaar. Tot het voltooien van zijn 31e levensjaar wordt de ambtenaar dus aangesteld in de salaristrap waarin hij ingeschaald zou zijn geweest, indien hij op 21-jarige leeftijd was aangesteld. In bepaalde omstandigheden wordt deze salarisanciënniteit verschoven met de duur van het tijdvak dat verloopt na het voltooien van het 31e levensjaar, en wel met een kwart voor het tijdvak tot aan het tijdstip dat betrokkene het 35e levensjaar heeft voltooid, en met de helft voor het tijdvak daarna.

54.      De volgende voorbeelden geven concreet weer op welke wijze de salarisanciënniteit wordt berekend.(12)

55.      Iemand die op 1 april 1977 is geboren en op 1 oktober 1994 als ambtenaar is aangesteld, heeft op 31 maart 1998 zijn 21e levensjaar voltooid. Zijn salarisanciënniteit is derhalve 1 maart 1998.

56.      Iemand die op 1 april 1967 is geboren en op 16 oktober 2000 als ambtenaar is aangesteld, heeft op 31 maart 1988 zijn 21e levensjaar voltooid. Omdat hij op het tijdstip van aanstelling 33 jaar was, zal zijn salarisanciënniteit niet 1 maart 1988 zijn. Het tijdvak tussen 31 maart 1998 (voltooien van het 31e jaar) en 16 oktober 2000 (datum van aanstelling) is twee jaar, zes maanden en 16 dagen. Volgens § 28, lid 2, BBesG a.F. wordt de salarisanciënniteit verschoven met een kwart van deze periode, te weten zeven maanden en negentien dagen, afgerond op zeven maanden. Zijn salarisanciënniteit is derhalve 1 maart 1988 plus zeven maanden, dat wil zeggen 1 oktober 1988.

57.      Iemand die op 10 september 1964 is geboren en op 1 mei 2001 als ambtenaar is aangesteld, heeft op 9 september 1985 zijn 21e jaar voltooid. Zijn salarisanciënniteit had vastgesteld moeten worden op 1 september 1985. Toen hij werd aangesteld, was deze persoon echter 36 jaar. Dezelfde bepaling is derhalve van toepassing. Daarom wordt rekening gehouden met een kwart van de periode van vier jaar die ligt tussen 9 september 1995 (voltooien van het 31e jaar) en 9 september 1999 (voltooien van het 35e jaar), te weten een jaar. Vervolgens wordt in aanmerking genomen de helft van de periode van een jaar, zeven maanden en 21 dagen, die ligt tussen 9 september 1999 (voltooien van het 35e jaar) en 30 april 2001 (datum van aanstelling), te weten negen maanden. Zijn salarisanciënniteit wordt dan ook verschoven met een jaar en negen maanden en vastgesteld op 1 juni 1987.

58.      Met de tweede en derde vraag wil de verwijzende rechter dus in wezen weten of de artikelen 2 en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, volgens welke de hoogte van het basissalaris van een ambtenaar bij zijn aanstelling in overheidsdienst in grote mate afhankelijk is van diens leeftijd en daarna vooral stijgt naarmate zijn dienstbetrekking voortduurt.

59.      Voorts wenst de verwijzende rechter met zijn zesde en zevende vraag te vernemen of diezelfde bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een overgangsregeling, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die voor de indeling van de zittende ambtenaren in een salaristrap van het nieuwe bezoldigingsstelsel alleen het eerdere basissalaris in aanmerking neemt en voor de overgang naar een hogere trap slechts rekening houdt met de ervaring verworven vanaf de inwerkingtreding van deze overgangsregeling, en wel ongeacht de totale duur van de ervaring van de ambtenaar.

1.      Het door het BBesG a.F. ingevoerde bezoldigingsstelsel

60.      Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 is er sprake van directe discriminatie wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden, waarbij de leeftijd een van die gronden is.

61.      Gelet op de hierboven beschreven wijze waarop het door het BBesG a.F. ingevoerde bezoldigingsstelsel werkt, lijdt het mijns inziens geen twijfel dat deze wel degelijk een geval van discriminatie op grond van leeftijd in de zin van dit artikel vormt.

62.      Zoals gebleken voorziet dit stelsel er immers in dat de eerste indeling in een salaristrap van een salarisgroep geschiedt aan de hand van een enkel criterium, namelijk de leeftijd. Bijgevolg zullen twee ambtenaren, die niet tot dezelfde leeftijdsgroep behoren, maar met een gelijkwaardige beroepservaring, die in dezelfde salarisgroep zijn aangesteld, een verschillend salaris krijgen, omdat zij uitsluitend op grond van hun leeftijd in een verschillende salaristrap worden ingedeeld. Deze twee ambtenaren worden verschillend behandeld, hoewel zij zich in een vergelijkbare situatie bevinden, aangezien een van hen een lager basissalaris krijgt dan de ander, enkel omdat hij jonger is.

63.      Het door het BBesG a.F. ingevoerde bezoldigingsstelsel zorgt derhalve voor een verschillende behandeling op grond van het leeftijdscriterium in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78. Overigens is dit bezoldigingsstelsel vergelijkbaar met de regeling die aan de orde was in de zaak die aanleiding was tot het arrest van 8 september 2011, Hennigs en Mai(13), en die het Hof discriminerend heeft geacht.(14)

64.      Toch vormt een dergelijk verschil in behandeling op grond van leeftijd ingevolge artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 geen discriminatie, indien deze in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

65.      Dienaangaande is de Duitse regering van mening dat, ook al zou het Hof een discriminatie op grond van leeftijd vaststellen, deze gerechtvaardigd is, aangezien het bezoldigingsstelsel krachtens het BBesG a.F. dat als beginsel de bezoldiging op grond van salarisanciënniteit heeft, het absoluut legitieme doel nastreefde om bij de aanstelling van nieuwe ambtenaren op forfaitaire wijze rekening te houden met de kwalificaties en de binnen en buiten de overheid verworven beroepservaring. Overigens had dit stelsel een uniforme praktijk bij iedere aanstelling moeten garanderen. Daarmee werd beoogd de bezwaren te verhelpen van de eerdere inschalingspraktijk, die weliswaar in individuele gevallen rechtvaardig was, maar ingewikkeld was en daarom op niet-uniforme wijze werd toegepast. Ten slotte beoogde dit stelsel volgens de Duitse regering het werken bij de overheid aantrekkelijker te maken voor kandidaten met een tweede loopbaan.

66.      Ik denk niet dat deze doelstellingen legitiem zijn in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea van richtlijn 2000/78.

67.      Uit deze bepaling blijkt immers dat de doelstellingen die als legitiem kunnen worden beschouwd en bijgevolg kunnen rechtvaardigen dat van het verbod van leeftijdsdiscriminatie wordt afgeweken, doelstellingen zijn van sociaal beleid, zoals die in verband met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding.(15)

68.      Waar het gaat om het in aanmerking nemen van beroepservaring heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze doelstelling in beginsel moet worden geacht een verschil in behandeling op grond van leeftijd „in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk” te rechtvaardigen, in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78.(16) Het belonen van de door een werknemer verworven beroepservaring, die hem in staat stelt zijn werkzaamheden beter te verrichten, is in de regel immers een legitiem doel van loonbeleid.(17)

69.      In dit geval denk ik niet dat de gehanteerde middelen voor het bereiken van dit doel passend en noodzakelijk zijn. Weliswaar is de toepassing van het aan anciënniteit ontleende criterium in de regel geschikt om dit doel te bereiken, aangezien anciënniteit hand in hand gaat met beroepservaring.(18)

70.      Aangezien het bezoldigingsstelsel van de Duitse ambtenaren krachtens het BBesG a.F. evenwel alleen op de leeftijd van de ambtenaar was gebaseerd, kan in dit stelsel niet werkelijk met de verworven ervaring rekening worden gehouden. Een ambtenaar die op de dag van zijn aanstelling in een bepaalde salarisgroep 30 jaar is en geen beroepservaring heeft, zal direct in salaristrap 5 worden ingedeeld. Hij zal derhalve een basissalaris krijgen dat gelijk is aan het salaris dat een ambtenaar ontvangt die op de leeftijd van 21 jaar is aangesteld en, anders dan hij, een anciënniteit en beroepservaring van negen jaar in dezelfde salarisgroep heeft. Ook zal de ambtenaar die bij zijn aanstelling 30 jaar is, op dezelfde wijze als de ambtenaar die bij zijn aanstelling 21 jaar was, overgaan naar een hogere salaristrap tot het bereiken van de laatste trap, terwijl laatstgenoemde ambtenaar blijk geeft van een veel grotere beroepservaring in de salarisgroep.

71.      Weliswaar voorziet § 27 van het BBesG a.F. in inschaling in een hogere trap voor ambtenaren bij aanhoudende uitstekende prestaties, maar volgens deze bepaling mag het aantal personen aan wie in een bepaald kalenderjaar bij een en dezelfde werkgever een prestatietrap wordt toegekend, niet groter zijn dan 15 % van het aantal bij die werkgever in dienst zijnde ambtenaren en militairen van salaristabel A die het eindsalaris nog niet hebben bereikt. Niet alleen kunnen door deze maatregel niet alle ambtenaren die zich verdienstelijk hebben gemaakt in een hogere trap worden ingedeeld, maar bovendien wordt ook het ontbreken van beroepservaring niet rechtgezet door ambtenaren in een lagere trap overeenkomstig hun werkelijke ervaring in de salarisgroep in te schalen.

72.      Bijgevolg denk ik dat het bij het BBesG a.F. ingevoerde bezoldigingsstelsel verder gaat dan nodig en passend is om het door de Duitse regering ingeroepen legitieme doel, te weten het in aanmerking nemen van beroepservaring, te bereiken.

73.      Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Hennigs en Mai heeft aangegeven, zou een criterium dat eveneens op anciënniteit en beroepservaring berust zonder de leeftijd in aanmerking te nemen, gelet op richtlijn 2000/78, beter geschikt hebben geleken om die doelstelling te bereiken.(19)

74.      Het argument van de Duitse regering aangaande het doel om de bestuurlijke praktijk te vereenvoudigen kan mijns inziens geen discriminatie op grond van leeftijd rechtvaardigen. Gebleken is immers dat de doeleinden die geacht kunnen worden „legitiem” te zijn in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78, doeleinden zijn van sociaal beleid. De Duitse regering kan ter rechtvaardiging van een discriminatie op grond van leeftijd derhalve niet het enkele feit inroepen dat een praktijk waarvan zij erkende dat die weliswaar rechtvaardiger zou zijn geweest, ingewikkeld is.

75.      Ten slotte voert de Duitse regering ter rechtvaardiging van de discriminatie die in het BBesG a.F. besloten ligt, aan dat beoogd werd het werken bij de overheid voor kandidaten met een tweede loopbaan aantrekkelijker te maken. Weliswaar was het Hof reeds van oordeel dat de bevordering van aanstellingen onbetwistbaar een legitiem doel van sociaal beleid of werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten vormt(20), maar toch ben ik van mening dat het BBesG a.F. in casu verder gaat dan nodig en passend is om dit doel te bereiken, aangezien het voldoende was geweest de anciënniteit en de verworven beroepservaring in aanmerking te nemen zonder de leeftijd erbij te betrekken, om personen die al in de private sector werkzaam waren aan te moedigen om bij de Duitse overheid te solliciteren.

76.      Gelet op bovenstaande overwegingen ben ik van mening dat de artikelen 2 en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling, zoals die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, volgens welke de hoogte van het basissalaris van een ambtenaar bij zijn aanstelling in overheidsdienst voornamelijk van diens leeftijd afhangt en daarna vooral stijgt naarmate zijn dienstbetrekking voortduurt.

2.      De overgangsregeling

77.      Met zijn zesde en zevende vraag wil de verwijzende rechter ook weten of de overgangsregeling die van toepassing is op zittende ambtenaren, in strijd is met het verbod van discriminatie op grond van leeftijd.

78.      Overeenkomstig § 2 van het BerlBesÜG wordt immers bij de indeling van de zittende ambtenaren in een salaristrap van het nieuwe bezoldigingsstelsel alleen rekening gehouden met het eerdere basissalaris. Verder wordt krachtens § 3 van het BerlBesÜG voor de overgang naar een hogere salaristrap alleen rekening gehouden met de ervaring die is verworven vanaf het tijdstip dat het BerlBesÜG in werking is getreden.

79.      In het reeds aangehaalde arrest Hennigs en Mai was het Hof reeds van oordeel dat de overgangsregeling, door als uitgangspunt voor de vaststelling van het referentiesalaris – te weten het opnieuw ingedeelde salaris om naar een nieuw cao-bezoldigingsstelsel over te gaan – de voordien ontvangen beloning te nemen, heeft bestendigd dat arbeidscontractanten, uitsluitend vanwege hun leeftijd bij aanstelling, minder ontvangen dan andere arbeidscontractanten hoewel zij zich in een vergelijkbare situatie bevinden.(21)

80.      Hetzelfde is van toepassing in deze zaken, aangezien, zoals de verwijzende rechter aangeeft, het eerdere basissalaris is vastgesteld op grond van een discriminerend criterium, namelijk het leeftijdscriterium, blijft de krachtens het BBesG a.F. bestaande discriminatie bij toepassing van de overgangsregeling voortduren voor de zittende ambtenaren.

81.      Anders dan de Duitse regering betoogt, wordt de discriminatie op grond van leeftijd waarvan bij het door het BBesG a.F. ingevoerde bezoldigingsstelsel sprake was, door de nieuwe manier van indeling niet geleidelijk aan weggenomen.

82.      Ook al wordt immers krachtens § 3 van het BerlBesÜG voor de overgang naar een hogere salaristrap alleen rekening gehouden met de ervaring die is verworven vanaf het tijdstip dat het BerlBesÜG in werking is getreden, dat neemt niet weg dat voor de indeling in het nieuwe bezoldigingsstelsel wordt uitgegaan van het eerdere basissalaris dat discriminerend wordt geacht. Bij gelijke ervaring zal de overgang naar een hogere salaristrap dan ook altijd discriminerend zijn voor de jongere ambtenaar.

83.      Neemt men bijvoorbeeld twee ambtenaren met een gelijke ervaring, waarvan ambtenaar A twintig jaar is bij zijn aanstelling en ambtenaar B 30 jaar, dan zal ambtenaar B bij de overstap naar de overgangsregeling in een hogere salaristrap worden ingedeeld dan ambtenaar A, aangezien alleen met het eerdere op leeftijd gefundeerde basissalaris rekening wordt gehouden. Voorts zal de overgang naar een hogere salaristrap van het nieuwe stelsel voor ambtenaar B altijd voordeliger zijn dan voor ambtenaar A, aangezien ambtenaar B eerder die hogere salaristrap zal bereiken en derhalve gunstiger wordt behandeld.

84.      De Duitse regering heeft ter terechtzitting aangegeven dat bij de overgangsregeling de discriminatie niet voortduurt, aangezien de zittende ambtenaren en zij die onder het oude stelsel gediscrimineerd werden, sneller de hoogste salaristrap zullen bereiken dan wanneer zij volgens dit oude systeem de salaristrappen hadden doorlopen. Dit neemt echter niet weg dat bij gelijke ervaring een oudere ambtenaar gedurende een langere periode volgens de hoogste salaristrap wordt beloond en dus ten opzichte van een jongere ambtenaar een gunstiger basissalaris ontvangt. In plaats dat de discriminatie met de tijd verdwijnt, duurt deze veeleer voort.

85.      Thans moet worden nagegaan of deze discriminatie kan worden gerechtvaardigd door een objectief doel, zoals het door de Duitse regering aangevoerde doel, dat bestaat in de bescherming van verworven rechten op de peildatum van de overgang naar het nieuwe stelsel.

86.      Dienaangaande heeft het Hof in de context van een beperking van de vrijheid van vestiging geoordeeld dat de bescherming van door een categorie van personen verworven rechten een dwingende reden van algemeen belang vormt die deze beperking rechtvaardigt, mits deze beperkende maatregel evenwel niet verder gaat dan noodzakelijk is voor die bescherming.(22)

87.      Volgens de Duitse regering zou het inkomensverlies voor zittende ambtenaren bij toepassing van het nieuwe bezoldigingsstelsel zonder de overgangsregeling neerkomen op een salaristrap, hetgeen gelijk is aan een bedrag tussen de 80 tot en met 150 EUR.

88.      Anders dan de feiten in de zaak die aanleiding waren tot het reeds aangehaalde arrest Hennigs en Mai, en ten aanzien waarvan het Hof van oordeel was dat de overgangsmaatregel niet verder ging dan nodig was voor de bescherming van de verworven rechten(23), zullen, zoals gebleken, de discriminerende gevolgen hier niet verdwijnen naarmate het salaris van de ambtenaren stijgt.

89.      De discriminerende overgangsregeling duurt derhalve voor onbepaalde tijd voort. Weliswaar kan deze overgangsregeling dus inderdaad als passend worden beschouwd om een inkomensverlies van zittende ambtenaren te voorkomen, maar toch meen ik dat deze regeling verder gaat dan nodig is om het doel van bescherming van verworven rechten te bereiken. De Duitse wetgever had namelijk een overgangsregeling kunnen vaststellen waarbij de discriminerende gevolgen met de tijd worden weggenomen doordat geleidelijk aan wordt overgegaan op de nieuwe bezoldigingsregeling die op beroepservaring is gebaseerd en geen rekening houdt met leeftijd.

90.      Zoals de verwijzende rechter aangeeft, zou het ook mogelijk zijn geweest een overgangsregeling toe te passen die aan de zittende ambtenaar die onterecht wordt bevoordeeld, de hoogte van het eerdere salaris zou garanderen zolang hij de door het nieuwe bezoldigingsstelsel vereiste ervaring voor het verkrijgen van een hoger salaris niet heeft verworven. Op die wijze zou de discriminatie geleidelijk verdwijnen zonder dat de zittende ambtenaren die ten aanzien van jongere ambtenaren werden bevoordeeld, hun bezoldiging plotsklaps zagen dalen.

91.      De verwijzende rechter wenst ook te vernemen of overwegingen in verband met de administratieve rompslomp die een oplossing zoals hierboven beschreven, meebrengt, namelijk de individuele herindeling van zittende ambtenaren op grond van de duur van hun beroepservaring, discriminatie op grond van leeftijd zouden kunnen rechtvaardigen. Ik meen van niet. Zoals reeds door mij is aangegeven, zijn de doeleinden die als „legitiem” in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 kunnen worden beschouwd, doeleinden van sociaal beleid. Bestuurlijke overwegingen van praktische aard kunnen als zodanig geen doel zijn dat door dit beleid wordt nagestreefd en dat een schending van een fundamenteel beginsel zoals het discriminatieverbod op grond van leeftijd kan rechtvaardigen, temeer daar de inwerkingtreding van de nieuwe bezoldigingsregeling van ambtenaren wel degelijk aantoont dat het voor de overheid mogelijk is om de ambtenaren individueel in te delen naargelang hun beroepservaring.

92.      Bijgevolg ben ik van mening dat de artikelen 2 en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een overgangsregeling, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die voor de indeling van de zittende ambtenaren in een salaristrap van het nieuwe bezoldigingsstelsel alleen het eerdere basissalaris in aanmerking neemt en voor de overgang naar een hogere trap slechts rekening houdt met de beroepservaring verworven vanaf de inwerkingtreding van deze overgangsregeling, en wel ongeacht de totale duur van de beroepservaring van de ambtenaar.

C –    De juridische gevolgtrekkingen die moeten worden verbonden aan een geconstateerde schending van het discriminatieverbod op grond van leeftijd

93.      Met zijn vierde en achtste vraag wil de verwijzende rechter weten welke juridische gevolgtrekkingen moeten worden verbonden aan de vaststelling dat bepalingen zoals die in het BBesG a.F. en het BerlBesÜG het verbod van discriminatie op grond van leeftijd schenden.

94.      De verwijzende rechter geeft namelijk aan dat het voor hem niet mogelijk is om de methode van de richtlijnconforme uitlegging toe te passen, zelfs niet als hij rekening houdt met het gehele nationale recht.

95.      Verder is hij van mening dat hij evenmin de vaste rechtspraak van het Hof kan toepassen volgens welke de nationale rechter aan wie een geschil is voorgelegd waarbij het verbod van discriminatie op grond van leeftijd in geding is, in het kader van zijn bevoegdheid de voor de justitiabelen uit het Unierecht voortvloeiende rechtsbescherming dient te verzekeren en de volle werking daarvan dient te waarborgen, waarbij hij iedere strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing moet laten.(24)

96.      De verwijzende rechter legt op dit punt uit dat het buiten toepassing laten van de relevante bepalingen van het BBesG a.F., het BBesG Bln a.F. of het BerlBesÜG tot gevolg zou hebben dat de rechtsgrondslag voor de bezoldiging van ambtenaren wegvalt en ambtenaren derhalve geen salaris meer krijgen.

97.      Aangezien deze oplossing een rechtsleemte zou scheppen die het Duitse nationale recht niet kan verhelpen, wil de verwijzende rechter in het bijzonder weten of de oplossing die in de arresten van 26 januari 1999, Terhoeve(25), en 22 juni 2011, Landtová(26), is gebruikt, in casu kan worden toegepast. In deze arresten heeft het Hof een schending van het discriminatieverbod vastgesteld en vervolgens aangegeven dat de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel, wanneer met het recht van de Unie strijdige discriminatie is vastgesteld, en zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, alleen kan worden verzekerd door de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten, welke regeling, zolang het recht van de Unie niet naar behoren wordt toegepast, het enig bruikbare referentiekader blijft.(27)

98.      In casu zou dit volgens de verwijzende rechter betekenen dat de bezoldiging met terugwerkende kracht naar boven moet worden aangepast, aangezien de enige methode om een schending van het discriminatieverbod op grond van leeftijd te verhelpen erin bestaat om de gediscrimineerde ambtenaren achteraf de bezoldiging overeenkomstig de hoogste salaristrap uit te betalen.

99.      Centraal staat daarbij de vraag op welke wijze de met het Unierecht strijdige discriminatie op grond van leeftijd doeltreffend kan worden bestreden. Is, zoals de Commissie voorstelt, de aansprakelijkheid van de lidstaat voor schending van het Unierecht de enige oplossing die in overweging moet worden genomen, hoewel daarvoor een nieuwe rechtsvordering bij de nationale rechter moet worden ingesteld en dus degenen die gediscrimineerd worden, een extra last wordt opgelegd?

100. Instemmen met het standpunt van de Commissie, volgens hetwelk zij die gediscrimineerd worden met terugwerkende kracht in de hoogste trap van de salarisgroep waartoe zij behoren, worden ingedeeld, zou andere gevallen van discriminatie opleveren en is derhalve niet de passende oplossing; toch meen ik dat het mogelijk is om het reeds aangehaalde arrest Landtová toe te passen in de hoofdgedingen.

101. Zoals gebleken kan gelijke behandeling, zolang geen nationale maatregel tot herstel daarvan is genomen, volgens de rechtspraak van het Hof alleen tot stand worden gebracht indien de personen die tot de benadeelde groep behoren, de behandeling krijgen die de personen die tot de bevoordeelde groep behoren genieten. Daarvoor dient derhalve precies te worden vastgesteld om welke twee groepen het gaat.

102. Inderdaad heeft het probleem waarop men in deze zaken stuit, te maken met de omstandigheid dat het identificeren van deze twee groepen niet zo gemakkelijk is als in de zaken waarover het Hof tot op heden heeft moeten beslissen. De groepen waarom het gaat, bestaan bijvoorbeeld niet enerzijds uit mannen en anderzijds uit vrouwen.(28)

103. In de hoofdgedingen bestaan er geen homogene groepen van gediscrimineerde en bevoordeelde personen. De discriminatie door het bezoldigingsstelsel op grond van het BBesG a.F. vindt immers op verschillende niveaus plaats. Zo is naar voren gekomen dat bij gelijke beroepservaring de jongsten door de discriminatie worden geraakt.(29) Er zijn derhalve talrijke groepen die met elkaar vergeleken moeten worden, aangezien het mogelijk is dat er net zo veel groepen zijn als personen van verschillende leeftijd die een gelijkwaardige beroepservaring hebben.

104. Toch zie ik geen reden om de reeds lang gevestigde rechtspraak(30), zoals die in de reeds aangehaalde arresten Terhoeve en Landtová is overgenomen, niet op de hoofdgedingen toe te passen. Met deze rechtspraak wordt immers beoogd de gediscrimineerde burger van de Unie onverwijld de eerbiediging van de door hem aan het Unierecht ontleende rechten te verzekeren. Wanneer een nationale wettelijke regeling in strijd is met het Unierecht, is het, zolang er geen nationale maatregelen zijn vastgesteld om de gelijke behandeling te herstellen, aan de nationale rechter om deze rechten te beschermen.

105. In casu ontlenen verzoekende partijen aan richtlijn 2000/78 het recht om niet op grond van leeftijd te worden gediscrimineerd. Het onverwijld herstel van een gelijke behandeling is te meer van belang omdat de discriminatie gevolgen heeft voor de bezoldigingsvoorwaarden en hierdoor voor een gedeelte van het salaris van ambtenaren dat bestemd is voor levensonderhoud. Toepassing van het arrest Francovich e.a.(31) zou ertoe kunnen leiden dat verzoekende partijen een nieuwe rechtsvordering bij de nationale rechter moeten instellen, met alle financiële en temporele consequenties van dien.

106. Het feit dat de betrokken groepen in deze zaken niet geheel homogeen zijn, lijkt mij geen onoverkomelijke hinderpaal. Ik denk namelijk dat voor het herstel van gelijke behandeling de gediscrimineerde ambtenaren niet in de hoogste trap van de salarisgroep behoren te worden ingedeeld, maar in de trap waarin een oudere ambtenaar met een gelijkwaardige beroepservaring is ingedeeld. Overigens noemt de Duitse regering deze oplossing in haar schriftelijke opmerkingen, wanneer zij uitlegt dat, voor zover het Unierecht tot een aanpassing zou verplichten, daarbij individuele situaties meer in aanmerking zouden moeten worden genomen. In die zin geeft zij vervolgens aan dat een individueel passende compensatie zou vereisen dat wordt onderzocht welke kandidaten in welke concrete situatie ondanks een gelijk profiel op gunstiger voorwaarden zijn aangesteld, omdat zij ouder waren.(32)

107. Deze oplossing, die mij het meest billijk lijkt, heeft het voordeel dat de nationale rechter zich op een bestaand referentiesysteem kan baseren, te weten het oude bezoldigingsstelsel, en aldus de discriminatie van de ambtenaar snel kan wegnemen. In bepaalde gevallen kan het weliswaar voorkomen dat de nationale rechter niet over een profiel beschikt dat gelijkwaardig is aan het profiel van de op grond van zijn leeftijd benadeelde ambtenaar. In dat geval zou het aan de nationale rechter staan om in alle billijkheid te beslissen welke oplossing volgens hem het geschiktst is om zo goed mogelijk recht te doen aan de loopbaan van die ambtenaar. Dienaangaande zou hij zich bijvoorbeeld kunnen baseren op het nieuwe bezoldigingsstelsel, dat het mogelijk maakt om in te schalen aan de hand van de beroepservaring.

108. Bijgevolg ben ik, gelet op bovenstaande factoren, van mening dat, voor zover een geval van met het Unierecht strijdige discriminatie is vastgesteld, de naleving van het beginsel van gelijke behandeling, zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, alleen kan worden verzekerd door de gediscrimineerde ambtenaren in te delen in de salaristrap waarin een oudere ambtenaar met een gelijkwaardige beroepservaring is ingedeeld.

D –    Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte

109. Met zijn vijfde vraag wil de verwijzende rechter in wezen van het Hof vernemen of nationale bepalingen, zoals die in het hoofdgeding aan de orde, die de uitoefening van het recht op een gelijke behandeling van verzoekende partijen afhankelijk stellen van de omstandigheid dat zij dit recht onverwijld, dat wil zeggen vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, geldend hebben gemaakt, in strijd zijn met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. De begroting wordt, zo verduidelijkt de Duitse regering, jaarlijks bij de begrotingswet opgesteld en vastgesteld.

110. In de eerste plaats heeft volgens artikel 47, eerste alinea, van het Handvest „[e]enieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, [...] recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden”.

111. In de tweede plaats was het Hof in het arrest van 8 juli 2010, Bulicke(33), van oordeel dat artikel 9 van richtlijn 2000/78, enerzijds bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures voor de naleving van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen en, anderzijds, dat deze verplichtingen de nationale regels betreffende de termijnen voor de instelling van een rechtsvordering aangaande het beginsel van gelijke behandeling onverlet laten. Hieruit volgt dat de termijnen om een procedure tot naleving van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen in te leiden, niet door het recht van de Unie worden bepaald.(34)

112. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, bij gebreke van een Unieregeling ter zake, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elk van de lidstaten om, krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van die staten, de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor beroepen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, waarbij de lidstaten evenwel gehouden zijn in elk geval een doeltreffende bescherming van die rechten te verzekeren.(35) Toch mogen overeenkomstig het thans in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van die rechten niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(36)

113. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de naleving van het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat de betrokken nationale bepaling gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen en op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht, voor zover deze vorderingen eenzelfde voorwerp en oorzaak hebben. Het staat aan de nationale rechter, die rechtstreeks bekend is met de toepasselijke procedurevoorschriften, om na te gaan of de betrokken vorderingen vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken betreft.(37)

114. In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat ambtenaren krachtens een in de Duitse rechtspraak neergelegd beginsel een recht op een betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, onverwijld, dat wil zeggen in elk geval vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, geldend moet worden gemaakt. Volgens de toelichting van de verwijzende rechter vloeit uit de bijzondere kenmerken van een dienstbetrekking bij de overheid als een op wederzijdse loyaliteit gebaseerde verbintenis voort dat het recht van ambtenaren om dergelijke vorderingen in te stellen, in bepaalde gevallen aan beperkingen is gebonden.

115. Het vereiste van het onverwijld, namelijk binnen het begrotingsjaar, geldend maken lijkt derhalve betrekking te hebben op zowel vorderingen van ambtenaren die wegens een schending van het nationale recht worden ingesteld als vorderingen van ambtenaren die wegens een schending van het Unierecht worden ingesteld. Het lijkt er derhalve op dat deze nationale regel het gelijkwaardigheidsbeginsel naleeft.(38) Het is in elk geval aan de nationale rechter om dat na te gaan.

116. Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij opgemerkt dat het Hof reeds in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing dat als rechtskader richtlijn 2000/78 had, van oordeel was dat uit niets blijkt dat een termijn van twee maanden om bij de werkgever bezwaar te maken de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.(39)

117. Daarom lijkt mij a fortiori dat de verplichting voor de ambtenaar om een recht op betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, binnen het lopende begrotingsjaar geldend te maken, in beginsel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken, aangezien het begrotingsjaar gelijk is aan een kalenderjaar(40).

118. Toch rijst de vraag of een dergelijke voorziening in rechte doeltreffend is wanneer de ambtenaar aan het einde van het begrotingsjaar te weten komt dat zijn recht om niet te worden gediscrimineerd, geschonden wordt. In bijvoorbeeld het geval dat deze ambtenaar enkele dagen vóór het einde van het begrotingsjaar kennisneemt van het feit dat hij wordt gediscrimineerd, zou hij immers zijn recht om een rechtsvordering in te stellen bijna verloren hebben.

119. Daarom blijkt dat een ambtenaar in een situatie als die welke hierboven is beschreven, niet over een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechter kan beschikken om zijn aan het Unierecht ontleende rechten te verdedigen.

120. Het staat aan de nationale rechter, die anders dan het Hof in het kader van artikel 267 VWEU bevoegd is om de feiten van de hoofdgedingen te beoordelen en het Duitse recht uit te leggen, om na te gaan of de nationale bepaling die in de hoofdgedingen aan de orde is, die de ambtenaar verplicht om een recht op een betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, geldend te maken vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, niet indruist tegen het effectiviteitsbeginsel.

121. Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit, alsook artikel 47 van het Handvest, zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, die een ambtenaar verplicht om een recht op een betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, geldend te maken vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, voor zover de voorwaarden voor het indienen van vorderingen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor vorderingen ter bescherming van de aan het nationale recht ontleende betalingsrechten, en een dergelijke nationale bepaling voor de justitiabelen geen procedurele nadelen inhoudt ter zake van de vervaltermijn, waardoor de uitoefening van de aan het recht van de Unie ontleende rechten uiterst moeilijk kan worden gemaakt, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

V –    Conclusie

122. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Verwaltungsgericht Berlin te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op de bezoldiging van ambtenaren.

2)      De artikelen 2 en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling, zoals die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, volgens welke de hoogte van het basissalaris van een ambtenaar bij zijn aanstelling in overheidsdienst voornamelijk van diens leeftijd afhangt en daarna vooral stijgt naarmate zijn dienstbetrekking voortduurt.

3)      De artikelen 2 en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een overgangsregeling, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die voor de indeling van de op 31 juli 2011 zittende ambtenaren in een salaristrap van het nieuwe bezoldigingsstelsel alleen het eerdere basissalaris in aanmerking neemt en voor de overgang naar een hogere trap slechts rekening houdt met de beroepservaring verworven vanaf de inwerkingtreding van deze overgangsregeling, en wel ongeacht de totale duur van de beroepservaring van de ambtenaar.

4)      Voor zover een geval van met het Unierecht strijdige discriminatie is vastgesteld, kan de naleving van het beginsel van gelijke behandeling, zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, alleen worden verzekerd door de gediscrimineerde ambtenaren in te delen in de salaristrap waarin een oudere ambtenaar met een gelijkwaardige beroepservaring is ingedeeld.

5)      Het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit, alsook artikel 47 van het Handvest, verzet zich niet tegen een nationale bepaling als die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, die een ambtenaar verplicht om een recht op een betaling die niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet, geldend te maken vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, voor zover de voorwaarden voor het indienen van vorderingen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor vorderingen ter bescherming van de aan het nationale recht ontleende betalingsrechten, en een dergelijke nationale bepaling voor de justitiabelen geen procedurele nadelen inhoudt ter zake van de vervaltermijn, waardoor de uitoefening van de aan het Unierecht ontleende rechten uiterst moeilijk kan worden gemaakt, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB L 303, blz. 16.


3 –      Cursivering van mij.


4 – Hierna: „Handvest”.


5 – C307/05, Jurispr. blz. I7109.


6 – Punten 37‑39.


7 –      Punt 40.


8 – Zie in deze zin arrest Del Cerro Alonso, reeds aangehaald (punt 46).


9 – Zie punt 21 van deze opmerkingen. Overigens heeft het Hof in punt 33 van het arrest van 11 november 2004, Delahaye (C425/02, Jurispr. blz. I10823) gewezen op het belang van de beloning.


10 – Zie blz. 10 van het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep [COM(1999) 565 def.].


11 – Zie voor de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op ambtenaren arresten van 18 juni 2009, Hütter (C88/08, Jurispr. blz. I5325); 12 januari 2010, Wolf (C229/08, Jurispr. blz. I1); 21 juli 2011, Fuchs en Köhler (C159/10 en C160/10, Jurispr. blz. I6919), en 6 december 2012, Dittrich e.a. (C124/11, C125/11 en C143/11).


12 – Deze voorbeelden zijn ontleend aan de volgende internetsites: http://www.dz-portal.de/003_menue_links/008_bezuege/BDA.html en http://www.pc-gehalt.de/Seiten/Besoldungsdienstalter.htm


13 – C‑297/10 en C‑298/10, Jurispr. blz. I‑7965.


14 –      Punten 54‑59.


15 – Zie arrest van 6 november 2012, Commissie/Hongarije (C286/12, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16 – Arrest Hennigs en Mai, reeds aangehaald (punt 72).


17 –      Ibidem.


18 – Ibidem (punt 74).


19 – Ibidem (punt 77).


20 – Zie arrest Fuchs en Köhler, reeds aangehaald (punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 11 april 2013, HK Danmark (C‑335/11 en C‑337/11, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


21 –      Punt 84 van dit arrest.


22 – Zie arrest Hennigs en Mai, reeds aangehaald (punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


23 –      Ibidem (punten 96‑98).


24 – Zie de arresten van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981, punt 77), en 12 januari 2010, Petersen (C‑341/08, Jurispr. blz. I‑47, punt 81).


25 – C18/95, Jurispr. blz. I345.


26 – C399/09, Jurispr. blz. I‑5573.


27 – Reeds aangehaalde arresten Terhoeve (punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Landtová (punt 51).


28 – Zie met name arrest van 11 april 2013, Soukupová (C401/11).


29 –      Zie punt 62 van deze conclusie.


30 – Zie met name arresten van 4 december 1986, Federatie Nederlandse Vakbeweging (71/85, Jurispr. blz. 3855); 24 maart 1987, McDermott en Cotter (286/85, Jurispr. blz. 1453); 13 december 1989, Ruzius-Wilbrink (C102/88, Jurispr. blz. 4311); 27 juni 1990, Kowalska (C‑33/89, Jurispr. blz. I‑2591), en 7 februari 1991, Nimz (C‑184/89, Jurispr. blz. I‑297).


31 –      Arrest van 19 november 1991 (C‑6/90 en C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357).


32 –      Zie punt 78 van de schriftelijke opmerkingen van de Duitse regering.


33 – C‑246/09, Jurispr. blz. I‑7003.


34 –      Punt 24.


35 – Zie arrest van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04 (C93/12, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


36 –      Ibidem (punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


37 –      Ibidem (punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


38 – Zie in die zin arrest van 25 november 2010, Fuß (C‑429/09, Jurispr. blz. I‑12167, punt 73).


39 – Zie arrest Bulicke, reeds aangehaald (punten 38 en 39). Zie ook beschikking van 18 januari 2011, Berkizi-Nikolakaki (C‑272/10, punt 51).


40 – § 4 van de federale begrotingswet (Bundeshaushaltsordnung) bepaalt namelijk dat het begrotingsjaar het kalenderjaar is en de bondsminister van Financiën voor bepaalde gebieden andere regelingen kan vaststellen.