Language of document : ECLI:EU:C:2014:2337

Zaak C‑311/13

O. Tümer

tegen

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(verzoek van de Centrale Raad van Beroep om een prejudiciële beslissing)

„Bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever – Richtlijn 80/987/EEG – Werknemer die derdelander is en geen geldige verblijfsvergunning bezit – Weigering van het recht op een insolventie-uitkering”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 november 2014

1.        Sociale politiek – Harmonisatie van de wetgevingen – Bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever – Richtlijn 80/987 – Werkingssfeer – Derdelanders die geen geldige verblijfsvergunning bezitten – Daaronder begrepen

(Art. 136 EG en 137, lid 2, EG; richtlijnen van de Raad 80/987, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74, art. 1, leden 1, 2 en 3, en 2, lid 2, en 2003/109, art. 3, lid 1, en 11)

2.        Sociale politiek – Harmonisatie van de wetgevingen – Bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever – Richtlijn 80/987 – Beperking van de betalingsverplichting van de waarborgfondsen – Nationale regeling die voor betaling als voorwaarde stelt dat het verblijf van de derdelander legaal is – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 80/987 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74, art. 1, leden 2 en 3)

1.        Artikel 137, lid 2, EG, dat de grondslag vormt voor richtlijn 2002/74 tot wijziging van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, beperkt de bevoegdheid om minimumvoorschriften vast te stellen ter verwezenlijking van met name de doelstelling van artikel 136 EG, de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden van werknemers verbeteren, niet tot staatsburgers van de lidstaten, onder uitsluiting van derdelanders.

Wat richtlijn 2003/109 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen betreft, stelt artikel 3, lid 1, van deze richtlijn voor de toekenning van de status van langdurig ingezetene, welke een recht op gelijke behandeling op de in artikel 11 van die richtlijn genoemde gebieden impliceert, weliswaar als voorwaarde dat het verblijf legaal is, doch die richtlijn sluit geenszins uit dat andere Uniehandelingen, zoals richtlijn 80/987, onder andere voorwaarden, ter verwezenlijking van de aan die handelingen eigen doelstellingen, rechten toekennen aan derdelanders.

(cf. punten 32, 33)

2.        Richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74, moet in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever, volgens welke een derdelander die niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, niet wordt aangemerkt als werknemer die aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering wegens met name onvervulde loonaanspraken in geval van insolventie van de werkgever, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als „werknemer” die recht heeft op loon in verband waarmee hij tegen zijn werkgever beroep kan instellen bij de nationale rechterlijke instanties.

Om te beginnen sluiten noch artikel 1, lid 1, noch de andere bepalingen van deze richtlijn derdelanders uit van de werkingssfeer van deze richtlijn en staat zij evenmin uitdrukkelijk toe dat de lidstaten dat doen.

Vervolgens is richtlijn 80/987 volgens de bewoordingen van dat artikel 1, lid 1, ervan bedoeld is om te worden toegepast op de loonaanspraken van elke werknemer tegenover zijn werkgever. De bij artikel 1, leden 2 en 3, van die richtlijn aan de lidstaten geboden mogelijkheid om bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn uit te sluiten, betreft daarentegen slechts specifieke gevallen en is gebonden aan voorwaarden.

Voorts stelt artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987, op grond waarvan bij wijze van uitzondering bepaalde categorieën werknemers mogen worden uitgesloten op grond van het bestaan van andere waarborgen, de lidstaten niet vrij van elke verplichting om deze werknemers bescherming te bieden in geval van insolventie van hun werkgever, maar vereist het dat de betrokken werknemers eenzelfde mate van bescherming genieten als die welke deze richtlijn biedt.

In dit verband kwalificeert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar in beginsel iedere natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat, als „werknemer” die recht heeft op een insolventie-uitkering, doch sluit zij illegaal verblijvende derdelanders uit van het begrip „werknemer” en bijgevolg van het recht op deze insolventie-uitkering.

Gelet op het feit dat de nationale regeling aan deze derdelanders niet dezelfde mate van bescherming biedt als die insolventie-uitkering, blijkt zij niet te voldoen aan de voorwaarden waaronder bepaalde categorieën „werknemers” krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987 mogen worden uitgesloten. Voorts staat vast dat die bepaling niet valt onder artikel 1, lid 3, van deze richtlijn, op grond waarvan huispersoneel in dienst van een natuurlijk persoon en deelvissers mogen worden uitgesloten van de werkingssfeer ervan.

Bovendien heeft de definitie van de term „werknemer”, gelet het sociale doel van richtlijn 80/987 en op de bewoordingen van artikel 1, lid 1, ervan, volgens welke deze van toepassing is „op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers”, noodzakelijkerwijs betrekking op een arbeidsverhouding die een recht in het leven roept, tegenover de werkgever, om loon voor de verrichte arbeid te verlangen. Dat is het geval met de in het nationale recht opgenomen definitie van de term „werknemer”.

Het zou aldus in strijd zijn met het sociale doel van richtlijn 80/987, dat erin bestaat alle werknemers bij insolventie van de werkgever een minimumbescherming op het niveau van de Europese Unie te waarborgen door de honorering van de onvervulde aanspraken uit arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen die betrekking hebben op het loon over een bepaalde periode, dat personen aan wie de nationale regeling in de regel de hoedanigheid van werknemer toekent en die krachtens die regeling tegenover hun werkgever loonaanspraken uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen hebben, als bedoeld in de artikelen 1, lid 1, en 3, eerste alinea, van deze richtlijn, de bescherming wordt ontnomen die deze richtlijn in geval van insolventie van de werkgever biedt.

(cf. punten 36‑38, 40‑42, 44, 45, 49 en dictum)