Language of document : ECLI:EU:T:2021:528

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

1 september 2021 (*)

„Institutioneel recht – Lid van het EESC – OLAF-onderzoek naar vermeend psychisch geweld – Besluit om een lid activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer – Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handeling – Ontvankelijkheid – In het belang van de dienst genomen maatregel – Rechtsgrondslag – Rechten van de verdediging – Weigering van toegang tot de bijlagen bij het OLAF-verslag – Openbaarmaking van de essentie van getuigenverklaringen in de vorm van een samenvatting – Aansprakelijkheid”

In de zaak T‑377/20,

KN, vertegenwoordigd door M. Casado García-Hirschfeld en M. Aboudi, advocaten,

verzoeker,

tegen

Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), vertegenwoordigd door M. Pascua Mateo, K. Gambino, X. Chamodraka, A. Carvajal García-Valdecasas en L. Camarena Januzec als gemachtigden, bijgestaan door A. Duron, advocaat,

verweerder,

betreffende ten eerste een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van het EESC van 9 juni 2020 en ten tweede een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, C. Mac Eochaidh en T. Pynnä, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 april 2021,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoeker, KN, is sinds 1 mei 2004 lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC). Tussen april 2013 en 27 oktober 2020 was hij voorzitter van de binnen het EESC opgerichte werkgeversgroep (hierna: „groep I”).

2        Op 6 december 2018 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), na te zijn ingelicht over aantijgingen betreffende het gedrag van verzoeker jegens andere EESC-leden en personeelsleden van het EESC, een onderzoek naar hem ingesteld. Verzoeker is bij brief van 18 oktober 2019 in kennis gesteld van de inleiding van dit onderzoek.

3        Op 25 november 2019 is verzoeker tijdens een hoorzitting door OLAF gehoord. Bij e-mails van 26 en 29 november 2019 heeft hij zijn verhoor aangevuld met schriftelijke verklaringen.

4        Bij brief van 4 december 2019 heeft OLAF, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door OLAF en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1), verzoeker verzocht om schriftelijk en binnen een termijn van tien werkdagen zijn opmerkingen in te dienen over de hem betreffende feiten zoals uiteengezet in een bij deze brief gevoegde samenvatting. Deze feiten hadden betrekking op het gedrag van verzoeker ten aanzien van A, B en C en, meer algemeen, ten aanzien van personeelsleden van het secretariaat van groep I.

5        Op 17 december 2019 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend over de samenvatting van de hem betreffende feiten.

6        Bij brief van 16 januari 2020 heeft OLAF verzoeker in kennis gesteld van de afsluiting van het onderzoek en van de toezending van het eindverslag (hierna: „OLAF-verslag”) aan het Belgisch federaal parket en aan de voorzitter van het EESC. Laatstgenoemde was met name verzocht om de transcripties te verwerken van de verhoren van de getuigen en klokkenluiders en om daarbij „de grootst mogelijke vertrouwelijkheid” in acht te nemen, aangezien deze „zeer gevoelige” informatie bevatten die „de betrokken personen nog meer zou kunnen blootstellen”. Bovendien was de voorzitter van het EESC uitdrukkelijk gevraagd om OLAF te raadplegen in geval van een verzoek om toegang tot de genoemde transcripties.

7        Overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 883/2013 is het OLAF-verslag vergezeld gegaan van aanbevelingen betreffende het al dan niet ondernemen van actie. Zo heeft OLAF aan de ene kant het Belgisch federaal parket aanbevolen om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen verzoeker wegens feiten die kunnen worden aangemerkt als psychisch geweld ten aanzien van A en B, aangezien deze feiten een strafbaar feit konden vormen in de zin van artikel 442 bis van het Belgische strafwetboek. Aan de andere kant, en nog steeds aangaande de genoemde feiten alsook met betrekking tot mogelijk ongepast gedrag ten aanzien van C, D en andere personeelsleden die functies binnen het secretariaat van groep I hadden uitgeoefend of nog steeds uitoefenden, heeft OLAF het EESC aanbevolen te overwegen om de procedure in te leiden van artikel 8 van de gedragscode voor de leden van het EESC die op 20 februari 2019 in werking was getreden (hierna: „gedragscode 2019”), alsook in het vierde deel van het reglement van orde van het EESC. Voorts heeft OLAF het EESC aanbevolen „alle nodige maatregelen te nemen teneinde op de werkplek nieuwe gevallen van intimidatie door [verzoeker] te voorkomen”.

8        Bij e-mail van 21 januari 2020 heeft verzoeker de voorzitter van het EESC verzocht de in artikel 8 van de gedragscode 2019 bedoelde procedure voor eventuele overtredingen van de gedragscode in te leiden door een vergadering bijeen te roepen van het raadgevend comité voor het gedrag van de leden dat bij artikel 7 van diezelfde gedragscode was ingesteld (hierna: „raadgevend comité”), en wel vóór de stemming die daags daarna binnen groep I was gepland ter aanwijzing van de kandidaat van deze groep voor de verkiezing van voorzitter van het EESC.

9        Tijdens een vergadering op 21 januari 2020, die verzoeker heeft bijgewoond, heeft de voorzitter van het EESC de leden van het bureau van het EESC in kennis gesteld van de ontvangst van het OLAF-verslag en de daarbij horende aanbevelingen op 16 januari 2020.

10      Bij nota van 22 januari 2020 heeft de voorzitter van het EESC het OLAF-verslag toegezonden aan het raadgevend comité met het verzoek om overeenkomstig artikel 7, lid 4, van de gedragscode 2019 binnen dertig kalenderdagen een advies uit te brengen over de vermeende overtredingen van de genoemde code. De voorzitter van het EESC heeft echter aangegeven dat, met het oog op de bescherming van de getuigen en klokkenluiders, de transcripties van hun verhoren door OLAF niet werden toegezonden aan het raadgevend comité.

11      Op diezelfde dag hebben de leden van groep I besloten om verzoeker voor te dragen als kandidaat voor de verkiezing van voorzitter van het EESC die voor oktober 2020 was gepland.

12      Bij nota van 10 februari 2020 heeft de voorzitter van het raadgevend comité verzoeker uitgenodigd voor een verhoor op 6 maart 2020.

13      Bij brief van 17 februari 2020 aan de voorzitter van het raadgevend comité heeft verzoeker met name verzocht om in het bezit te worden gesteld van een „kopie van alle documenten die rechtstreeks verband houden met de aantijgingen [jegens hem], uiteraard met inachtneming van het vertrouwelijkheidsbeginsel”.

14      In antwoord op een verzoek van het EESC heeft OLAF bij e-mail van 20 februari 2020 erop gewezen dat bepaalde informatie, waaronder met name de persoonsgegevens van derden, inzonderheid die van getuigen en klokkenluiders, alsook de juridische beoordeling van de feiten door OLAF, in de regel niet mag worden meegedeeld aan de betrokkene. Het EESC werd tevens verzocht om de niet-vertrouwelijke versie van het verslag die dit comité wilde toezenden aan verzoeker, eerst naar OLAF te sturen. Ter informatie had OLAF in bijlage bij deze e-mail ook de richtsnoeren gevoegd voor het gebruik van zijn eindverslagen door de diensten van de Europese Commissie in het kader van invorderingsprocedures en andere maatregelen op het gebied van directe uitgaven en externe steun.

15      Op 4 maart 2020 is een versie van het OLAF-verslag, met weglating van bepaalde gegevens – vooral ter bescherming van de anonimiteit van getuigen en klokkenluiders – en zonder bijlage, toegezonden aan verzoeker (hierna: „niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag”).

16      Bij e-mail van 4 maart 2020 aan de voorzitter van het raadgevend comité heeft verzoeker met name aangedrongen op uitstel van zijn verhoor, dat oorspronkelijk was gepland op 6 maart 2020, teneinde hem meer tijd te gunnen om kennis te nemen van de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag.

17      Op 6 maart 2020 is het raadgevend comité, samengesteld uit telkens twee leden van de drie groepen van het EESC, overgegaan tot het verhoor van verzoeker, na eerst de OLAF-onderzoekers en D, voormalig lid van het EESC en klokkenluider, afzonderlijk te hebben gehoord.

18      Tijdens zijn verhoor heeft verzoeker met name zijn beklag gedaan over de beperkte toegang die hem tot het OLAF-verslag was verleend.

19      Tijdens zijn verhoor heeft D bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid in het raadgevend comité van E, een van de leden van groep I, op grond dat er sprake was van een belangenconflict. Dit belangenconflict zou zijn oorsprong vinden in het feit dat E, op verzoek van verzoeker, een onderzoek zou hebben uitgevoerd binnen het secretariaat van groep I na afloop waarvan hij een verslag zou hebben opgesteld dat aantijgingen bevatte over het gedrag van A. Dit verslag zou vervolgens door verzoeker zijn gebruikt om op 25 oktober 2018 een vertrouwensstemming af te dwingen op een bureauvergadering van groep I.

20      Het tweede verhoor van verzoeker door het raadgevend comité, gepland voor 17 maart 2020, heeft niet kunnen plaatsvinden wegens de ingestelde beperkingen ter bestrijding van de door COVID-19 veroorzaakte gezondheidscrisis. Nadien heeft het raadgevend comité noch verzoeker verzocht om dit tweede verhoor alsnog te laten plaatsvinden.

21      Bij brief van 2 april 2020 heeft het raadgevend comité de voorzitter van het EESC ervan in kennis gesteld dat E niet meer zou deelnemen aan de beraadslagingen van het raadgevend comité over verzoekers geval, aangezien hij een belangenconflict had. In deze brief werd eveneens gepreciseerd dat F, het tweede lid van groep I binnen het raadgevend comité, in die omstandigheden had geweigerd akkoord te gaan met het besluit om E uit te sluiten van de beraadslagingen en dat zij bijgevolg ook niet meer zou deelnemen aan de beraadslagingen van het raadgevend comité over verzoekers geval.

22      Bij brief van 7 april 2020 aan de voorzitter van het EESC heeft verzoeker aangegeven dat hij wegens gezondheidsproblemen voor onbepaalde tijd zijn functie van voorzitter van groep I niet kon uitoefenen. De vicevoorzitter van groep I werd aangewezen om deze functie tijdelijk waar te nemen tijdens verzoekers ziekteverlof.

23      Bij brief van 28 april 2020 aan de voorzitter van het EESC heeft het raadgevend comité overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de gedragscode 2019 zijn aanbevelingen overgelegd met betrekking tot verzoekers vermeende overtredingen van de gedragscode. Daarin heeft het raadgevend comité de voorzitter van het EESC met name aanbevolen om de volgende maatregelen te nemen:

„1.) In het licht van de verhoren van OLAF en van [verzoeker] die het raadgevend comité op 6 maart 2020 heeft gehouden, en na grondige bestudering van het verslag van het verhoor van [verzoeker] door OLAF alsook van het OLAF-verslag, onderschrijft het raadgevend comité de feitelijke vaststellingen van OLAF en de daaruit voortvloeiende juridische conclusies. Derhalve stelt het raadgevend comité vast dat het gedrag van [verzoeker] ten aanzien van personeelsleden en voormalige leden van het EESC schending heeft opgeleverd van artikel 1, lid 4, van het reglement van orde van het EESC, artikel 4, lid 1, van de gedragscode voor de leden van het EESC van 17 januari 2013, artikel 4, lid 1, van de [gedragscode 2019], alsook van artikel 31, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het raadgevend comité stelt voorts vast dat de procedurele rechten van de beschuldigde persoon volledig zijn geëerbiedigd tijdens het door OLAF uitgevoerde onderzoek;

2.) Op grond van de herhaalde en ernstige schending van centrale bepalingen van de Europese rechtsorde wordt [verzoeker] ontzet uit zijn leidinggevende rechten en, bijgevolg, uit zijn gezag ten aanzien van de personeelsleden van het secretariaat van groep I;

3.) Als gevolg van de ontzetting uit zijn recht om leiding te geven aan de personeelsleden en aangezien de functie van voorzitter nauw samenhangt met dit recht, wordt [verzoeker] geschorst in zijn functie van voorzitter van groep I; deze schorsing geldt onverminderd het feit dat [verzoeker] om gezondheidsredenen en tot aan zijn herstel het voorzitterschap van groep I heeft overgedragen aan de vicevoorzitter van groep I;

4.) De voorzitter van het EESC [...] wordt verzocht om [verzoeker] dringend te verzoeken afstand te doen van zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC, zoals bekrachtigd door de leden van groep I tijdens de verkiezingsprocedure van 23 januari 2020, teneinde te voorkomen dat schade wordt berokkend aan het EESC en aan de leden ervan;

5.) Mocht het Belgisch Openbaar Ministerie een onderzoek instellen, dan zal het EESC een gerechtelijke procedure inleiden teneinde zich burgerlijke partij te stellen in de rechtszaak tegen [verzoeker] [...]”.

24      Bij brief van 12 mei 2020 heeft de voorzitter van het EESC verzoeker verzocht om hem overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de gedragscode 2019 zijn eventuele schriftelijke opmerkingen mee te delen over de door het raadgevend comité gedane aanbevelingen.

25      Op 13 mei 2020 heeft het Europees Parlement besluit (EU) 2020/1984 aangenomen over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (PB 2020, L 417, blz. 469), waarbij deze instelling haar besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van het EESC voor de uitvoering van de begroting van het EESC voor het begrotingsjaar 2018 heeft uitgesteld. Daags daarna heeft het Parlement resolutie (EU) 2020/1985 aangenomen met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (PB 2020, L 417, blz. 470), waarbij het EESC werd verzocht om het Parlement vóór eind september 2020 naar behoren in kennis te stellen van de maatregelen genomen in reactie op de in het OLAF-verslag geformuleerde aanbevelingen.

26      Op 27 mei 2020 heeft de voorzitter van het EESC overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de gedragscode 2019 het presidium in uitgebreide samenstelling van het EESC geraadpleegd.

27      Bij brief van 2 juni 2020 aan de voorzitter van het EESC heeft verzoeker zijn opmerkingen kenbaar gemaakt over de aanbevelingen van het raadgevend comité. Daarin verwijt verzoeker het raadgevend comité met name dat het zijn rechten van verdediging heeft geschonden, aangezien hij niet kon beschikken over de bijlagen bij het OLAF-verslag en hij bijgevolg niet zijn opmerkingen daaromtrent kenbaar heeft kunnen maken.

28      Bij nota van 3 juni 2020 heeft de voorzitter van het EESC de aanbevelingen van het raadgevend comité en verzoekers schriftelijke opmerkingen dienaangaande, alsook de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag en het besluit van het Parlement inzake het uitstel van kwijting voor de uitvoering van de begroting, toegezonden aan de leden van het bureau van het EESC met het oog op het nemen van een besluit ten aanzien van verzoeker. Bij deze nota was eveneens een ontwerp besluit gevoegd.

29      Op 9 juni 2020 heeft het bureau van het EESC in besloten vergadering met 21 stemmen voor en 4 stemmen tegen bij één onthouding, met voorts één ongeldig verklaarde stem, het besluit goedgekeurd waartegen het onderhavige beroep is gericht (hierna: „bestreden besluit”). Het enige artikel van dit besluit is verwoord als volgt:

„Het bureau

1. neemt nota van de conclusies van OLAF en van het raadgevend comité met betrekking tot de aansprakelijkheid van [verzoeker] [...] voor de daden van intimidatie en het ongepaste gedrag waarvan hij wordt beschuldigd;

2. stelt vast dat de in de [gedragscode 2019] genoemde sancties in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, gelet op het legaliteitsbeginsel inzake straffen (nulla poena sine lege);

3. verzoekt [verzoeker]:

–        ontslag te nemen uit zijn functie van voorzitter van groep I;

–        afstand te doen van zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC.

4. ontneemt [verzoeker] alle activiteiten op het gebied van management en beheer van personeel;

5. draagt de secretaris-generaal op de maatregelen te nemen die nodig zijn voor een civiele partijstelling van het EESC indien de procureur des Konings een procedure tegen [verzoeker] zou inleiden;

6. draagt de secretaris-generaal op dit besluit toe te zenden aan OLAF en aan het Europees Parlement; dit besluit kan in voorkomend geval ook worden toegezonden aan andere instellingen en/of de autoriteiten van de lidstaten.

Dit besluit vormt een integrerend deel van de notulen van de vergadering van het bureau van 9 juni 2020 en de verspreiding ervan is beperkt.”

30      Het bestreden besluit is op 17 juni 2020 betekend aan verzoeker.

31      Bij besluit van 15 juli 2020 heeft de voltallige vergadering van het EESC, op verzoek van het arbeidsauditoraat te Brussel (België) en na ontvangst van verzoekers opmerkingen, de vrijstelling van rechtsvervolging van laatstgenoemde opgeheven. Vervolgens heeft de voltallige vergadering van het EESC bij besluit van 28 juli 2020 besloten dat dit comité zich civiel partij zou stellen in de tegen verzoeker ingeleide procedure bij de correctionele rechtbank te Brussel.

32      De afwezigheid van verzoeker wegens ziekte is afgelopen op 28 augustus 2020.

33      Bij brief van 1 september 2020 heeft de directeur van de directie Personeel en Financiën van het EESC verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij hem ter uitvoering van het bestreden besluit zijn activiteiten op het gebied van management en personeelsbeheer van het secretariaat van groep I had ontnomen. Daarnaast werd verzoeker verzocht om een ander lid van groep I aan te wijzen om het dagelijkse beheer van het secretariaat van deze groep waar te nemen.

34      Op 8 september 2020 heeft groep I een van haar andere leden voorgedragen als kandidaat voor het voorzitterschap van het EESC en heeft verzoeker zijn kandidatuur voor deze verkiezing ingetrokken.

35      Op 27 oktober 2020, zijnde de datum van het verstrijken van het mandaat van verzoeker, heeft groep I een nieuwe voorzitter verkozen. Op diezelfde dag is de door groep I voorgedragen kandidate verkozen tot voorzitter van het EESC.

36      Bij besluit (EU) 2020/1636 van de Raad van 30 oktober 2020 tot benoeming van een lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025 (PB 2020, L 369, blz. 1) is verzoeker op voordracht van de Republiek Polen benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025.

 Procedure en conclusies van partijen

37      Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 18 juni 2020, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

38      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, heeft verzoeker een verzoek in kort geding ingediend tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Bij beschikking van 22 juli 2020, KN/EESC (T‑377/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:353), is dit verzoek wegens gebrek aan spoedeisendheid afgewezen en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

39      Bij een andere afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, heeft verzoeker het Gerecht verzocht uitspraak te doen volgens de versnelde procedure bedoeld in artikel 152 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij beslissing van 24 juli 2020, aan verzoeker betekend op 27 juli 2020, heeft het Gerecht (Achtste kamer) dit verzoek afgewezen.

40      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 juni 2020, heeft verzoeker verzocht om anonimiteit overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering. Dit verzoek is toegewezen.

41      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 augustus 2020, heeft verzoeker een nieuw verzoek in kort geding ingediend op grond van beweerde nieuwe feiten in de zin van artikel 160 van het Reglement voor de procesvoering en strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Bij beschikking van 19 oktober 2020, KN/EESC (T‑377/20 R II, niet gepubliceerd, EU:T:2020:505), is dit verzoek wegens gebrek aan spoedeisendheid afgewezen en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

42      Na een tweede memoriewisseling is de schriftelijke behandeling van de procedure gesloten op 25 november 2020.

43      Bij brief van 18 december 2020 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om een pleitzitting te houden.

44      Bij brief van de griffie van 9 februari 2021 is het EESC bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang door het Gerecht verzocht om de bijlagen bij het OLAF-verslag – in voorkomend geval in de vorm van een niet-vertrouwelijke versie – over te leggen, samen met de transcripties van de verhoren van getuigen en klokkenluiders, onverminderd de bepalingen van artikel 92, lid 3, en artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering.

45      Bij brief van 23 februari 2021 heeft het EESC aangegeven dat de bijlagen bij het OLAF-verslag vertrouwelijk waren en bijgevolg niet aan verzoeker mochten worden verstrekt. In die omstandigheden heeft het EESC gesteld dat de gevraagde documenten alleen konden worden overgelegd bij wege van maatregel van instructie krachtens artikel 91, onder b), van het Reglement voor de procesvoering en dat zij dienden te worden behandeld overeenkomstig artikel 103 van datzelfde Reglement.

46      Bij brief van de griffie van 5 maart 2021 heeft het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang aan alle partijen vragen ter schriftelijke beantwoording gesteld. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

47      Bij beschikking van 9 maart 2021 heeft het Gerecht krachtens artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering het EESC gelast de bijlagen bij het OLAF-verslag over te leggen, alsook van de transcripties van de verhoren van getuigen en klokkenluiders die OLAF bij nota van 16 januari 2020 aan het EESC had toegezonden. Voorts heeft het Gerecht gepreciseerd dat deze documenten in dit stadium van de procedure niet aan verzoeker zouden worden meegedeeld, tenzij het EESC naast de integrale versie van de genoemde documenten ook een niet-vertrouwelijke versie ervan zou kunnen overleggen.

48      Op 17 maart 2021 heeft het EESC de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag overgelegd.

49      Op 30 maart 2021 heeft het Gerecht besloten dat de overeenkomstig de beschikking van 9 maart 2021 door verweerder overgelegde documenten relevant zijn voor de uitspraak in het geding en een vertrouwelijk karakter hebben. Bovendien heeft het Gerecht besloten om een maatregel tot organisatie van de procesgang vast te stellen met betrekking tot de wijze waarop de genoemde documenten ter kennis van verzoeker zouden kunnen worden gebracht.

50      Bij brief van de griffie van 30 maart 2021 heeft het Gerecht verzoekers advocaten verzocht een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen alvorens een kopie te ontvangen van de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag. Op 7 april 2021 hebben verzoekers advocaten de ondertekende geheimhoudingsverklaringen teruggestuurd naar het Gerecht.

51      Bij brief van de griffie van 7 april 2021 heeft het Gerecht verzoekers advocaten verzocht om in de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag de eventuele elementen aan te wijzen waarvan de essentie niet zou zijn weergegeven in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag waartoe verzoeker toegang had gehad en om, in voorkomend geval, de aanvullende opmerkingen te formuleren die de uitkomst van de administratieve procedure hadden kunnen beïnvloeden en die verzoeker in dat stadium van de procedure had kunnen indienen, mocht hij kennis van deze elementen hebben gehad. Verzoekers advocaten hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

52      Partijen zijn ter terechtzitting van 21 april 2021 gehoord. Tijdens de terechtzitting heeft het EESC verzocht om schriftelijk te mogen antwoorden op de door verzoekers advocaten overgelegde opmerkingen over de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag. Na ontvangst van de schriftelijke opmerkingen van het EESC op 5 mei 2021 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling gesloten.

53      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ontvankelijk te verklaren;

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        het EESC te veroordelen tot betaling van een bedrag van 200 000 EUR aan hem ter vergoeding van zijn immateriële schade, alsook van een bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van zijn materiële schade;

–        het EESC te verwijzen in alle kosten.

54      Het EESC verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding en van het verzoek om versnelde behandeling.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring

55      Zonder bij afzonderlijke akte formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert het EESC niettemin aan dat de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

56      Ten eerste betoogt het EESC dat de aan verzoeker gerichte verzoeken om ontslag te nemen uit zijn functie van voorzitter van groep I en om afstand te doen van zijn kandidatuur voor het voorzitterschap, geen bindende rechtsgevolgen hebben gehad, aangezien de keuze om ontslag te nemen of zijn kandidatuur in te trekken uitsluitend toekwam aan verzoeker.

57      Ten tweede is het EESC van mening dat het besluit om verzoeker alle activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer van het secretariaat van groep I, een louter interne reorganisatiemaatregel van het EESC is geweest die de administratie heeft genomen op grond van haar bevoegdheid om vrijelijk haar diensten te organiseren. Uit het arrest van 25 februari 1988, Les Verts/Parlement (190/84, EU:C:1988:94), volgt immers dat handelingen die enkel binnen de kring van de administratie rechtsgevolgen hebben, geen rechten of verplichtingen scheppen tegenover derden en derhalve geen bezwarende handelingen vormen in de zin van artikel 263 VWEU.

58      Wat ten derde de overige elementen van het bestreden besluit betreft, namelijk de civiele partijstelling van het EESC in de procedure voor de correctionele rechtbank van Brussel enerzijds, en de toezending van het bestreden besluit aan verschillende instellingen of organen van de Europese Unie of lidstaten anderzijds, is het EESC de mening toegedaan dat het „louter handelingen ter uitvoering van OLAF-aanbevelingen” betreft die eveneens niet vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring.

59      Verzoeker betwist dit betoog.

60      In het onderhavige geval heeft het bureau van het EESC bij het bestreden besluit drie maatregelen ten aanzien van verzoeker vastgesteld. Derhalve moet worden onderzocht of deze maatregelen door de rechter kunnen worden getoetst krachtens artikel 263 VWEU.

 Verzoeken om ontslag te nemen als voorzitter van groep I en om afstand te doen van de kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC

61      In lid 3 van het enige artikel van het bestreden besluit heeft het bureau van het EESC verzoeker verzocht om ontslag te nemen uit zijn functie van voorzitter van groep I en om afstand te doen van zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC.

62      Volgens de rechtspraak staat beroep tot nietigverklaring open tegen alle handelingen van de instellingen, organen of instanties van de Unie, ongeacht hun aard of vorm, die bindende rechtsgevolgen in het leven beogen te roepen die de verzoeker in zijn belangen raken doordat diens rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd (zie arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      In het onderhavige geval brengen de verzoeken om ontslag te nemen als voorzitter van groep I en om afstand te doen van de kandidatuur voor het voorzitterschap, zoals het EESC terecht aanvoert, naar hun aard geen bindende rechtsgevolgen teweeg in de zin van deze rechtspraak.

64      Aangezien het bureau van het EESC niet bevoegd is te eisen dat een van zijn leden ontslag neemt als voorzitter van een groep of zijn kandidatuur intrekt voor de verkiezing van voorzitter van dit orgaan, kon verzoeker immers vrij beslissen om geen gevolg te geven aan de genoemde verzoeken.

65      Overigens is verzoeker in het onderhavige geval, in weerwil van deze verzoeken, tot aan het verstrijken van zijn mandaat op 27 oktober 2020 aangebleven als voorzitter van groep I.

66      Wel is het juist dat verzoeker op 8 september 2020, toen groep I een van haar andere leden heeft voorgedragen als kandidaat voor het voorzitterschap van het EESC en bijna drie maanden na de vaststelling van het bestreden besluit, ermee akkoord is gegaan om zijn kandidatuur in te trekken.

67      Het onderhavige beroep, dat is ingesteld op 18 juni 2020, is echter niet gericht tegen de op 8 september 2020 genomen beslissing van verzoeker om zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC in te trekken, maar tegen het verzoek van het bureau tot intrekking ervan, dat geen bezwarende handeling vormt (zie naar analogie arrest van 12 mei 2015, Dalli/Commissie, T‑562/12, EU:T:2015:270, punt 155).

68      Hieruit volgt dat het bestreden besluit, voor zover verzoeker daarbij wordt verzocht ontslag te nemen als voorzitter van groep I en afstand te doen van zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van het EESC, geen bindende rechtsgevolgen teweegbrengt. Derhalve moet het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het tegen die verzoeken is gericht.

 Besluit om verzoeker alle activiteiten op het gebied van management en personeelsbeheer te ontnemen

69      In lid 4 van het enige artikel van het bestreden besluit heeft het bureau van het EESC verzoeker alle activiteiten ontnomen op het gebied van management en personeelsbeheer.

70      Overeenkomstig artikel 80, lid 1, van het reglement van orde beschikt „[e]lke groep [...] over een secretariaat dat rechtstreeks onder haar voorzitter valt”. Krachtens artikel 80, leden 2 en 3, van datzelfde reglement worden de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag (hierna: „TAOBG”) ten aanzien van de personeelsleden van het secretariaat van de groep uitgeoefend „op voorstel van de groepsvoorzitter”.

71      In het onderhavige geval blijkt uit de – in punt 33 hierboven genoemde – brief van 1 september 2020 van de directeur van de directie Personeel en Financiën van het EESC dat het besluit om verzoeker alle activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer tot gevolg heeft gehad dat laatstgenoemde niet meer mocht wordt betrokken bij de aanwerving, beoordeling, herindeling, opleiding, studiebezoeken alsook het tijdbeheer van de personeelsleden van het secretariaat van groep I.

72      Deze taken en verantwoordelijkheden hebben dus betrekking op bevoegdheden die samenhangen met de uitoefening van een hiërarchisch gezag waarover verzoeker beschikt in zijn hoedanigheid van voorzitter van groep I, hetgeen overigens ook blijkt uit de in punt 23 hierboven genoemde aanbevelingen van het raadgevend comité.

73      Dienaangaande heeft het EESC ter terechtzitting bovendien het onherroepelijke karakter van een dergelijke maatregel bevestigd en daarbij aangegeven dat verzoeker dergelijke activiteiten op het gebied van management en personeelsbeheer niet meer zou mogen uitoefenen, ook wanneer hij na afloop van zijn mandaat was herkozen tot voorzitter van groep I. Zoals het EESC eveneens ter terechtzitting heeft aangevoerd, kan de omstandigheid dat dit comité het bestreden besluit op een later tijdstip zou moeten herzien mochten de rechtvaardigingsgronden voor de vaststelling ervan niet meer gelden, bijvoorbeeld om rekening te houden met de uitkomst van de tegen verzoeker ingeleide strafprocedure, niet in aanmerking worden genomen bij de ontvankelijkheidsbeoordeling van het beroep, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep moet worden beoordeeld naar de situatie op het tijdstip van de neerlegging van het verzoekschrift (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, Deutsche Post/Commissie, C‑77/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:695, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74      Gelet op de aard en omvang van deze taken, moet derhalve worden vastgesteld dat het besluit om verzoeker alle activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer bindende rechtsgevolgen in het leven roept welke zijn belangen kunnen aantasten doordat zij zijn rechtspositie aanzienlijk wijzigen (zie naar analogie arrest van 22 oktober 2002, Pflugradt/ECB, T‑178/00 en T‑341/00, EU:T:2002:253, punt 81).

75      Tot slot doet het argument van het EESC dat de bevoegdheid van de Unierechter op grond van artikel 263, eerste alinea, VWEU beperkt is tot handelingen die rechtsgevolgen ten aanzien van derden teweeg beogen te brengen, niet af aan deze conclusie.

76      Het is immers vaste rechtspraak dat deze woorden bedoeld zijn om handelingen uit te sluiten die niet bezwarend zijn doordat zij louter verband houden met de interne organisatie van de administratie, enkel binnen dat interne kader gevolgen ressorteren en geen rechten of verplichtingen ten aanzien van derden in het leven roepen (zie arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77      Hoewel het besluit om verzoeker alle activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer wel degelijk de interne organisatie van het EESC betreft, neemt dat niet weg dat dit besluit – anders dan het EESC aanvoert – een tot verzoeker gerichte handeling is in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU en voor hem bezwarend is, aangezien hem op grond daarvan het hiërarchische gezag wordt ontnomen dat hij krachtens artikel 80 van het reglement van orde van het EESC uitoefent ten aanzien van de personeelsleden van het secretariaat van groep I (zie in die zin arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 74).

78      Aangezien verzoeker – althans in deze context – een andere rechtspersoon is dan het EESC, kan bovendien niet worden geoordeeld dat het in casu niet gaat om een geding tussen het EESC en een derde in de zin van artikel 263, eerste alinea, VWEU (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 75, en de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:220, punt 111).

79      Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen het besluit om verzoeker alle activiteiten op het gebied van management en personeelsbeheer te ontnemen.

 Aan de secretaris-generaal van het EESC gegeven instructies

80      In de leden 5 en 6 van het enige artikel van het bestreden besluit heeft het bureau van het EESC de secretaris-generaal van het EESC opgedragen „de maatregelen te nemen die nodig zijn” voor enerzijds een civiele partijstelling van het EESC ingeval een gerechtelijke procedure tegen verzoeker zou worden ingeleid, en anderzijds het toezenden van een kopie van dit besluit aan, inzonderheid, OLAF en het Europees Parlement.

81      In antwoord op de door het EESC opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoeker in zijn stukken of ter terechtzitting echter geen specifiek argument aangedragen waaruit blijkt in welke mate dit onderdeel van het bestreden besluit zijn rechtspositie aanmerkelijk zou wijzigen in de zin van de in punt 62 hierboven aangehaalde rechtspraak.

82      Aangaande het voornemen van het EESC om zich civiele partij te stellen voor een nationale rechter, zij er echter aan herinnerd dat de mogelijkheid om zijn rechten voor de rechter te kunnen doen gelden en de rechterlijke controle die dit meebrengt, de uitdrukking zijn van een algemeen rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan het constitutionele erfgoed dat alle lidstaten gemeen hebben en dat eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (arresten van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, EU:C:1986:206, punten 17 en 18, en 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie, T‑111/96, EU:T:1998:183, punt 60), en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

83      Door zich voor een nationale rechter civiele partij te stellen in een tegen verzoeker ingeleide procedure, beoogt het EESC niet zelf de rechtspositie van verzoeker te wijzigen, maar neemt het alleen deel aan een procedure die deze positie via een rechterlijke uitspraak mogelijkerwijs kan wijzigen. In voorkomend geval zou de rechtspositie van verzoeker immers worden gewijzigd door de beslissing van de aangezochte nationale rechter. Het voornemen van het EESC om zich civiele partij te stellen in de tegen verzoeker ingeleide procedure kan derhalve niet worden aangemerkt als een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU (zie naar analogie arrest van 15 januari 2003, Philip Morris International/Commissie, T‑377/00, T‑379/00, T‑380/00, T‑260/01 en T‑272/01, EU:T:2003:6, punt 79).

84      Afgezien daarvan, en zelfs al zou de adiëring van een nationale rechter door een instelling van de Unie vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU, moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep niet is gericht tegen het besluit van de voltallige vergadering van het EESC van 28 juli 2020 tot civiele partijstelling in de tegen verzoeker ingeleide procedure, maar tegen het bestreden besluit dat hooguit kan worden aangemerkt als een handeling ter voorbereiding van het besluit van de vergadering.

85      Wat tot slot het besluit betreft om de secretaris-generaal van het EESC op te dragen het bestreden besluit toe te zenden aan bepaalde instellingen of bepaalde organen van de lidstaten, volstaat het vast te stellen dat, zoals ook het EESC aanvoert, deze maatregel voor verzoeker geen bindende rechtsgevolgen teweegbrengt. Het staat de adressaten van deze mededeling immers vrij om, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, de inhoud en draagwijdte van de in dit besluit vervatte informatie te beoordelen om op grond daarvan de gevolgen te bepalen die er eventueel aan moeten worden gegeven.

86      Derhalve moet het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gericht tegen de door het bureau van het EESC gegeven instructies aan de secretaris-generaal van het EESC.

87      Gelet op een en ander moet het beroep tot nietigverklaring alleen ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit om verzoeker alle activiteiten te ontnemen op het gebied van management en personeelsbeheer (hierna: „litigieuze maatregel”), en niet-ontvankelijk voor het overige.

 Ten gronde

88      Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan:

–        ten eerste, schending van de rechten van de verdediging, van het recht op behoorlijk bestuur, van het recht om te worden gehoord en van het evenredigheidsbeginsel;

–        ten tweede, schending van de beginselen van het vermoeden van onschuld en van onpartijdigheid;

–        ten derde, schending van het verbod van terugwerkende kracht en van de beginselen van rechtszekerheid en van legaliteit van sancties;

–        ten vierde, niet-nakoming van de „geheimhoudingsplicht in tuchtprocedures en met betrekking tot gerechtelijke informatie” als neergelegd in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 883/2013, alsook in artikel 4, lid 1, van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39).

89      Aangezien het derde door verzoeker aangevoerde middel met name inhoudt dat het Gerecht dient na te gaan of de litigieuze maatregel op een rechtsgrondslag berust die het bureau van het EESC machtigt tot het nemen ervan en of het een vraag van openbare orde betreft (zie arrest van 13 mei 2014, McBride e.a./Commissie, T‑458/10-T‑467/10 en T‑471/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:249, punten 25‑28 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet dit middel eerst worden behandeld.

 Derde middel: schending van het verbod van terugwerkende kracht en van de beginselen van rechtszekerheid en van legaliteit van sancties

90      Ter ondersteuning van dit middel betoogt verzoeker in wezen dat de litigieuze maatregel elke rechtsgrondslag ontbeert en dat het bureau van het EESC niet bevoegd was om hem een dergelijke sanctie op te leggen.

91      In dit verband voert verzoeker aan dat de in artikel 8 van de gedragscode 2019 genoemde sancties niet kunnen worden opgelegd ter bestraffing van feiten die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de genoemde gedragscode. Daarbij komt dat de gedragscode voor de leden van het EESC van 17 januari 2013 niet voorzag in de mogelijkheid tot het opleggen van enige sanctie aan een lid van het EESC dat de bepalingen ervan had geschonden.

92      Het EESC betwist dit betoog.

93      Vooraf zij eraan herinnerd dat ter eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel weliswaar de toepassing geboden is van de materiële bepalingen die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al gelden deze bepalingen niet meer op de datum waarop door een instelling van de Unie een handeling wordt vastgesteld, doch dat de procedure tot vaststelling van deze handeling dient te worden gevoerd overeenkomstig de op de datum van de vaststelling ervan geldende voorschriften (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a., C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 40).

94      Derhalve kan verzoeker het EESC niet verwijten de genoemde beginselen te hebben geschonden door de litigieuze maatregel vast te stellen overeenkomstig de bij de gedragscode 2019 ingestelde procedure, temeer daar uit punt 8 hierboven blijkt dat verzoeker zelf de voorzitter van het EESC heeft verzocht om deze procedure in te leiden.

95      In dit verband bepaalt artikel 8, lid 3, eerste alinea, van de gedragscode 2019 dat de voorzitter van het EESC, na het betrokken lid te hebben verzocht schriftelijke opmerkingen in te dienen over de aanbevelingen van het raadgevend comité, het presidium in uitgebreide samenstelling raadpleegt en vervolgens het bureau verzoekt om een besluit over de maatregelen die overeenkomstig het Statuut van de leden en het reglement van orde van het Comité zouden kunnen worden genomen.

96      In casu heeft het bureau van het EESC na afloop van deze procedure in lid 2 van het enige artikel van het bestreden besluit eerst vastgesteld dat verzoeker geen sanctie kon worden opgelegd op straffe van schending van het beginsel van legaliteit van straffen. Vervolgens heeft het bureau van het EESC in lid 4 van het enige artikel van het bestreden besluit de litigieuze maatregel vastgesteld.

97      Aangezien partijen het oneens zijn over de aard van de litigieuze maatregel en de beoordeling van het derde middel afhangt van de vraag of deze maatregel al dan niet een sanctie vormt, moet het bestreden besluit worden gekwalificeerd, met dien verstande dat de door partijen aan deze maatregel gegeven kwalificatie het Gerecht niet kan binden (zie in die zin en naar analogie arrest van 19 oktober 2017, Bernaldo de Quirós/Commissie, T‑649/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:736, punt 19).

98      Om te beginnen dient het argument van het EESC te worden afgewezen dat de litigieuze maatregel geen sanctie vormt op grond dat hij niet bezwarend is voor verzoeker, en wel om de in de punten 69 tot en met 79 hierboven uiteengezette redenen.

99      Het enkele feit dat de litigieuze maatregel bezwarend is voor verzoeker, wat de ontvankelijkverklaring van het beroep tot nietigverklaring op dit punt rechtvaardigt, betekent daarom echter nog niet dat de genoemde maatregel moet worden gekwalificeerd als sanctie in de zin van artikel 8, lid 3, tweede alinea, van de gedragscode 2019 (zie in die zin en naar analogie arrest van 19 oktober 2017, Bernaldo de Quirós/Commissie, T‑649/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:736, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100    In dit verband heeft het bureau van het EESC de vaststelling van de litigieuze maatregel in het bestreden besluit gerechtvaardigd onder verwijzing naar de aanbevelingen van OLAF, volgens welke alle nodige maatregelen dienden te worden genomen teneinde nieuwe gevallen van intimidatie door verzoeker op de werkplek te voorkomen. Het EESC heeft voorts gepreciseerd dat met de litigieuze maatregel werd beoogd te voldoen aan de op dit comité rustende verplichting om zijn personeelsleden te beschermen tegen intimidatie.

101    Uit het oogpunt van de inhoud en de gevolgen ervan moet bovendien worden vastgesteld dat de litigieuze maatregel niet gelijkwaardig is aan de in artikel 8, lid 3, tweede alinea, van de gedragscode 2019 vastgestelde sancties, namelijk een schriftelijke waarschuwing, het opnemen van deze schriftelijke waarschuwing in de notulen van het bureau en eventueel van de voltallige zitting of ook de tijdelijke schorsing van het lid als rapporteur, voorzitter of lid van een studiegroep, en de tijdelijke uitsluiting van deelname aan studiebezoeken en buitengewone vergaderingen.

102    Gezien de inhoud en de gevolgen van de litigieuze maatregel kan bijgevolg niet worden geoordeeld dat deze een punitief karakter heeft en een sanctie vormt. Deze maatregel beoogt immers niet het straffen, sanctioneren of berispen van verzoeker voor een eventuele niet-nakoming van de uit de gedragscode voortvloeiende verplichtingen, maar hij heeft een preventief doel, namelijk een betere bescherming bieden aan de ambtenaren en personeelsleden van het EESC in het belang van de goede werking van het secretariaat van groep I.

103    In dit verband zij nog opgemerkt dat verzoeker geen enkel element heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de litigieuze maatregel het door het EESC aangevoerde doel in werkelijkheid niet zou beogen of dat deze niet zou beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de dienst.

104    In een context van spanningen die schadelijk waren voor de goede werking van de dienst, kon het bureau van het EESC in de omstandigheden van de onderhavige zaak bijgevolg tot het oordeel komen dat het dienstbelang vergde dat verzoeker bepaalde administratieve taken werden ontnomen die samenhingen met de uitoefening van hiërarchisch gezag (zie in die zin en naar analogie arresten van 7 maart 1990, Hecq/Commissie, C‑116/88 en C‑149/88, EU:C:1990:98, punt 22; 28 oktober 2004, Meister/BHIM, T‑76/03, EU:T:2004:319, punten 79‑81, en 19 oktober 2017, Bernaldo de Quirós/Commissie, T‑649/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:736, punt 40), zonder dat een dergelijke maatregel – gezien de inhoud en de gevolgen ervan – tegelijkertijd een tuchtbesluit vormt.

105    Overeenkomstig artikel 9, lid 8, van het reglement van orde van het EESC is in dit verband met name het bureau verantwoordelijk voor een goede benutting van de beschikbare personele en begrotingsmiddelen bij de uitvoering van de taken waarmee het comité ingevolge de Verdragen is belast. Aangezien de litigieuze maatregel betrekking heeft op de goede benutting van de personele middelen van het EESC, in casu die van het secretariaat van groep I, was het bureau van het EESC wel degelijk het bevoegde orgaan om een dergelijke maatregel vast te stellen na afloop van de procedure als geregeld in artikel 8, lid 3, eerste alinea, van de gedragscode 2019.

106    Gelet op het bovenstaande moet het argument van verzoeker dat het bureau van het EESC hem een sanctie heeft opgelegd die schending oplevert van het verbod van terugwerkende kracht en van de beginselen van rechtszekerheid en van legaliteit van straffen worden afgewezen en dient het derde middel derhalve ongegrond te worden verklaard.

 Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging, van het recht op behoorlijk bestuur, van het recht om te worden gehoord en van het evenredigheidsbeginsel

107    Ter ondersteuning van dit middel betoogt verzoeker in wezen dat het EESC zijn rechten van verdediging heeft geschonden.

108    In dit verband voert verzoeker ten eerste aan dat hem geen redelijke termijn is gegund om kennis te nemen van het OLAF-verslag en om zijn verdediging voor te bereiden. Volgens hem kan dan ook niet worden uitgesloten dat het bestreden besluit een andere inhoud zou hebben gehad indien hij over een dergelijke termijn had kunnen beschikken.

109    Ten tweede is verzoeker van mening dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden op grond dat hij vóór de vaststelling van het bestreden besluit niet in staat is gesteld om naar behoren zijn opmerkingen te maken, aangezien hem geen volledige toegang is verleend tot zijn dossier, en inzonderheid tot de in het OLAF-verslag gegeven juridische beoordeling van de feiten en de als bijlage bij dit verslag gevoegde transcripties van de verhoren van getuigen en klokkenluiders. In hun opmerkingen over de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag die het EESC ter uitvoering van de instructiemaatregel heeft overgelegd, hebben verzoekers advocaten in wezen aangevoerd dat de inhoud van sommige getuigenverklaringen die OLAF tijdens het onderzoek heeft verkregen, niet is weergegeven in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag waartoe verzoeker toegang was verleend, zodat sprake is van schending van zijn recht om naar behoren te worden gehoord.

110    Ten derde en tot slot heeft het EESC het evenredigheidsbeginsel geschonden door niet te voorzien in de benodigde instrumenten voor een adequate uitvoering van zijn „nultolerantiebeleid” inzake het verbod op en de preventie van intimidatie op de werkplek waaraan in het bestreden besluit wordt gerefereerd. Integendeel, het EESC heeft hiermee willen aansturen op het voorkomen van elke procedure op tegenspraak vooraleer het besluit te nemen tot vervroegde beëindiging van verzoekers functies.

111    Het EESC betwist dit betoog.

112    Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren (zie arrest van 5 oktober 2016, ECDC/CJ, T‑395/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:598, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113    In dit verband volgt met name uit de rechtspraak dat verzoeker het recht had om op zijn minst kennis te nemen van een samenvatting van de verklaringen van de verschillende personen die in de onderzoeksprocedure waren gehoord teneinde naar behoren zijn opmerkingen kenbaar te kunnen maken bij het bureau van het EESC voordat dit een besluit zou nemen, aangezien OLAF die verklaringen in zijn verslag had gebruikt om aanbevelingen te doen aan de voorzitter van het EESC op basis waarvan het bureau de litigieuze maatregel heeft vastgesteld. In voorkomend geval diende bij de mededeling van deze samenvatting het vertrouwelijkheidsbeginsel in acht te worden genomen (zie in die zin arresten van 4 april 2019, OZ/EIB, C‑558/17 P, EU:C:2019:289, punt 57; 25 juni 2020, HF/Parlement, C‑570/18 P, EU:C:2020:490, punt 60, en 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 121).

114    Om in een dergelijke context de vertrouwelijkheid van getuigenverklaringen en de daardoor beschermde doelstellingen te waarborgen en tegelijkertijd te verzekeren dat de verzoekende partij naar behoren wordt gehoord voordat jegens haar een bezwarend besluit wordt genomen, heeft het Hof geoordeeld dat bepaalde technieken kunnen worden gebruikt, zoals anonimisering of zelfs openbaarmaking van de essentie van de getuigenverklaringen in de vorm van een samenvatting of het afschermen van bepaalde delen van de inhoud van de getuigenverklaringen (zie in die zin arresten van 4 april 2019, OZ/EIB, C‑558/17 P, EU:C:2019:289, punt 59, en 25 juni 2020, HF/Parlement, C‑570/18 P, EU:C:2020:490, punt 66).

115    Tot slot had verzoeker, teneinde naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop het bureau van het EESC zijn besluit wilde baseren, daartoe over een toereikende termijn moeten beschikken (zie arrest van 18 december 2008, Sopropé, C‑349/07, EU:C:2008:746, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

116    In casu staat vast dat verzoeker slechts toegang heeft gehad tot een niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag zonder bijlage, hetgeen het EESC heeft gerechtvaardigd op grond van de noodzaak om de identiteit van de klokkenluiders en de vertrouwelijkheid van de verkregen getuigenverklaringen te beschermen.

117    Het argument van het EESC dat het eerste middel moet worden afgewezen op grond dat ook het bureau van het EESC slechts toegang heeft gehad tot deze niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, dat wil zeggen zonder kennis te hebben kunnen nemen van met name de transcripties van de verhoren van de getuigen en klokkenluiders alvorens het bestreden besluit vast te stellen, moet meteen worden afgewezen.

118    Dit argument mist feitelijke grondslag. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, onder a), van het reglement van orde is de voorzitter van het EESC immers lid van het bureau dat bij nota van 16 januari 2020 wel degelijk in het bezit is gesteld van de vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, inclusief de daarbij gevoegde bijlagen, hetgeen het EESC ter terechtzitting heeft toegegeven.

119    Het feit dat een lid van het bureau van het EESC inzage heeft gehad in de vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, levert echter geen schending op van verzoekers rechten van verdediging. De eerbiediging van dit beginsel, dat het recht omvat om te worden gehoord, vereist dat de van intimidatie beschuldigde persoon – met inachtneming van mogelijke vertrouwelijkheidsvereisten – in staat wordt gesteld om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken voordat een voor hem nadelig besluit wordt genomen (zie in die zin arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punten 116 en 117).

120    In dit verband betoogt het EESC dat verzoeker voldoende toegang heeft gehad tot het OLAF-verslag, aangezien de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, anders dan bij de feiten die hebben geleid tot de arresten van 4 april 2019, OZ/EIB (C‑558/17 P, EU:C:2019:289), 25 juni 2020, HF/Parlement (C‑570/18 P, EU:C:2020:490), en 25 juni 2020, Satcen/KF (C‑14/19 P, EU:C:2020:492), een samenvatting bevatte die de essentie weergaf van de tijdens het onderzoek door dit bureau opgetekende getuigenverklaringen, zodat verzoekers rechten van verdediging voldoende waren beschermd.

121    In het licht van deze argumenten moet worden onderzocht of de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag een samenvatting bevat van de tijdens het onderzoek verkregen getuigenverklaringen alvorens, in voorkomend geval, na te gaan of deze samenvatting de essentie weergeeft van de door OLAF verkregen getuigenverklaringen om tot slot te onderzoeken of verzoeker voldoende tijd heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden en zijn opmerkingen in te dienen.

–       Aanwezigheid van een samenvatting van de verklaringen van de gehoorde getuigen en klokkenluiders in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag

122    Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag dertig bladzijden telt. In punt 2.2 van dit verslag, met als opschrift „Verzameld bewijsmateriaal”, heeft OLAF aangegeven dat het „gelijklopende getuigenverklaringen heeft gebundeld en daarbij heeft getracht om de door de personeelsleden van het secretariaat gebruikte bewoordingen zo precies mogelijk weer te geven” met het oog op de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de verkregen getuigenverklaringen. Overigens vermeldt het verslag de identiteit van de personeelsleden die niet om anonimiteit hadden verzocht, of van de personeelsleden die volgens OLAF niet rechtstreeks vielen onder het hiërarchische gezag van verzoeker, en is deze identiteitsvermelding niet weggelaten in de aan verzoeker toegezonden niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag.

123    Zo bevat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag een gedetailleerde samenvatting van alle aan verzoeker verweten gedragingen, geïllustreerd met verwijzingen naar specifieke feiten ten aanzien van in het bijzonder A, B, en C die bij naam zijn genoemd in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, alsook ten aanzien van personeelsleden van het secretariaat van groep I. OLAF heeft ook de gevolgen beschreven die deze gedragingen volgens de gehoorde getuigen voor hun gezondheid hebben gehad.

124    Bovendien bevat het verslag met betrekking tot alle aan verzoeker verweten gedragingen zowel rechtstreekse verwijzingen naar verklaringen van gehoorde personen in de vorm van citaten tussen aanhalingstekens, als indirecte verwijzingen in de vorm van geanonimiseerde herformuleringen van deze verklaringen. OLAF heeft evenmin nagelaten om aan te geven of de jegens verzoeker geformuleerde aantijgingen door getuigen waren bevestigd en om, in voorkomend geval, het aantal getuigen en hun hoedanigheid te preciseren. Wanneer een aantijging niet werd bevestigd door een getuigenverklaring, heeft OLAF dit ook aangegeven.

125    Uit het voorgaande volgt dat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag een samenvatting bevat van de door de gehoorde getuigen en klokkenluiders afgelegde verklaringen. In die omstandigheden heeft het bestaan van een dergelijke samenvatting in de zin van de in punt 114 hierboven aangehaalde rechtspraak tot gevolg dat niet automatisch kan worden geconcludeerd dat de niet-toezending van de bijlagen bij het OLAF-verslag een onregelmatigheid vormt die onvermijdelijke gevolgen heeft gehad voor de rechtmatigheid van de litigieuze maatregel. Er dient immers eerst te worden onderzocht of deze samenvatting de essentie weergeeft van de door OLAF verkregen getuigenverklaringen.

–       Vraag of deze samenvatting de essentie weergeeft van de verklaringen van de gehoorde getuigen en klokkenluiders

126    In zijn opmerkingen over de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag heeft verzoeker gewezen op verschillende elementen die naar zijn mening niet waren opgenomen in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag die hem was toegezonden teneinde vóór de vaststelling van het bestreden besluit zijn rechten van verdediging te kunnen uitoefenen. Verzoeker concludeert dat het EESC zijn rechten van verdediging heeft geschonden door hem vóór de vaststelling van het bestreden besluit slechts de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag zonder bijlagen toe te zenden.

127    Ten eerste betoogt verzoeker dat de precieze draagwijdte van bepaalde vragen die hem tijdens zijn verhoor door OLAF waren gesteld, hem pas duidelijk was geworden nadat hij kennis had genomen van de inhoud van de verkregen getuigenverklaringen. Indien hij kennis had kunnen nemen van deze getuigenverklaringen die soms voorvallen van lang geleden betroffen, had hij zich beter kunnen verdedigen. Bij wijze van voorbeeld verwijst verzoeker naar een vraag over een voorval dat in zijn kantoor zou hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van twee getuigen en waarop hij niet had kunnen antwoorden, aangezien de identiteit van deze getuigen hem niet was meegedeeld.

128    Er dient evenwel te worden vastgesteld dat dit betoog geen betrekking heeft op de vraag of het EESC verzoekers rechten van verdediging heeft geschonden en, inzonderheid, of de in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag opgenomen samenvatting die het EESC in samenwerking met OLAF heeft opgesteld, de essentie weergeeft van de in de loop van het onderzoek verkregen getuigenverklaringen.

129    Het volstaat hoe dan ook eraan te herinneren dat het op OLAF van toepassing zijnde wettelijke kader in beginsel uitsluit dat de betrokken persoon in de loop van het onderzoek recht op toegang tot het dossier van OLAF heeft. Alleen wanneer de autoriteit waarvoor het eindverslag is bestemd, de intentie heeft om voor de betrokken persoon bezwarende handelingen vast te stellen, moet die autoriteit, overeenkomstig de op haar van toepassing zijnde procedureregels, toegang verlenen tot het OLAF-eindverslag om die persoon in de gelegenheid te stellen zijn rechten van verdediging uit te oefenen (arrest van 28 november 2018, Le Pen/Parlement, T‑161/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:848, punt 67).

130    Bijgevolg kwam verzoeker tijdens zijn verhoor door OLAF geen recht op inzage in de verklaringen van de getuigen en klokkenluiders toe om de vragen van de onderzoekers te beantwoorden.

131    Het Gerecht stelt bovendien vast dat de tijdens het verhoor aan verzoeker gestelde vragen voldoende precies waren en dat laatstgenoemde in staat was die vragen zonder veel moeite te beantwoorden. Het feit dat verzoeker in antwoord op bepaalde vragen aangaf dat hij zich niets meer herinnerde of geen antwoord kon geven zonder over aanvullende informatie te beschikken, doet niet af aan die vaststelling.

132    Met betrekking tot een van de subvragen van vraag 12, waarop verzoeker heeft geantwoord dat hij het betrokken voorval niet kon thuisbrengen zonder de identiteit van de aanwezige personen te kennen, valt immers op te merken dat hij niettemin heeft toegevoegd dat een dergelijk voorval volgens hem nooit had plaatsgevonden.

133    In die omstandigheden en in het licht van de gedetailleerde inhoud van de verkregen getuigenverklaringen, moet het argument inzake de vermeende vaagheid van de door de OLAF-onderzoekers aan verzoeker gestelde vragen worden afgewezen.

134    Ten tweede merkt verzoeker op dat verschillende getuigen melding hebben gemaakt van het bestaan van een door E, een lid van groep I, opgesteld verslag over de problemen die de personeelsleden van het secretariaat van groep I ondervonden en het onbehagen dat bij hen heerste ten aanzien van A. In de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag wordt hiervan geen gewag gemaakt. Dit verslag had echter een ander licht kunnen werpen op de door A gegeven voorstelling van de feiten.

135    Niettemin blijkt uit het dossier, en inzonderheid uit het proces-verbaal van verzoekers verhoor, dat hij kennis had van dit verslag en dat bijgevolg niets hem belette om zo nodig in de loop van de procedure ter voorbereiding van het bestreden besluit melding te maken van dit verslag teneinde de hem verweten gedragingen ten aanzien van A van context of nuance te voorzien. Het bestaan van dit verslag is overigens expliciet aan bod gekomen in het raadgevend comité, hetgeen heeft geleid tot de wraking van het in dit comité zetelende lid van groep I dat dit verslag had opgesteld.

136    Bijgevolg kan het argument ontleend aan het feit dat in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag niet wordt gerefereerd aan dit verslag, niet aantonen dat verzoekers rechten van verdediging zijn geschonden.

137    Ten derde voert verzoeker aan dat een van de getuigen eerder was bestraft voor het uiten van valse beschuldigingen jegens hem, hetgeen een andere getuige uit eigen herinnering heeft beaamd. Ook dit element is niet opgenomen in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag.

138    Zoals het EESC terecht opmerkt, wordt dit element echter expliciet vermeld in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, en wel onder punt 1.4, met als opschrift „Overeenkomsten met een geval betreffende een gewezen hoofd van het secretariaat”. Niets belette verzoeker dus om vóór de vaststelling van het bestreden besluit zijn opmerkingen daarover te maken.

139    Ten vierde wijst verzoeker erop dat sommige getuigen hebben verklaard problemen te hebben gehad met A. Meer in het bijzonder hebben meerdere getuigen melding gemaakt van een gespannen relatie met laatstgenoemde, waardoor de goede werking van de eenheid in het gedrang was gekomen. Bovendien hebben twee getuigen beweerd dat A zich ten aanzien van hen agressief had gedragen en heeft één getuige hieraan toegevoegd dat verzoeker niet alleen verantwoordelijk mocht worden geacht voor de gehele situatie. Volgens verzoeker zijn de namen van deze getuigen noch enige verwijzing naar hun verklaringen opgenomen in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag waartoe hij toegang heeft gehad, terwijl deze elementen de conclusies van OLAF van context en nuance hadden kunnen voorzien.

140    Uit het dossier blijkt evenwel dat verzoeker niet alleen op de hoogte was van de problemen die sommige personeelsleden van het secretariaat van groep I met A hadden, maar dat deze bovendien expliciet aan bod komen in de samenvatting die in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag is opgenomen.

141    Tijdens zijn verhoor door OLAF en in zijn schriftelijke opmerkingen over de nota aangaande de hem betreffende feiten had verzoeker immers reeds aangevoerd dat sommige personeelsleden hun beklag hadden gedaan over A en dat dit – aldus verzoeker – nadelige gevolgen had gehad voor de goede werking van het secretariaat.

142    In de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag staat bovendien met name het volgende te lezen:

„Tijdens hun verhoor door OLAF hebben ten minste zes personeelsleden van het secretariaat te kennen gegeven dat A problemen had ondervonden bij het aantonen van de voor haar functie vereiste bekwaamheden en vaardigheden. Ten minste drie personeelsleden van het secretariaat hebben gesignaleerd dat zij vanwege de onduidelijke situatie problemen hadden ondervonden bij het identificeren van de juiste gesprekspartner (hoofd van het secretariaat of adjunct-diensthoofd). Tevens hebben personeelsleden te kennen gegeven dat A zich vervolgens jegens hen ook agressief had gedragen. Een van de personeelsleden heeft verklaard dat laatstgenoemden veeleer hadden gerekend op een eenheidshoofd dat de door [verzoeker] veroorzaakte spanningen zou hebben beheerst en het voor hen zou hebben opgenomen. In die zin waren de personeelsleden teleurgesteld in A.”

143    Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag de essentie weergeeft van de verkregen getuigenverklaringen. Het EESC kan dan ook niet op goede gronden worden verweten dat het op dit punt verzoekers rechten van verdediging heeft geschonden.

144    Ten vijfde voert verzoeker aan dat uit de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag blijkt dat het onderzoek ook tegen twee andere personen was gericht. Indien het bureau van het EESC hiervan op de hoogte was geweest, dan had het de respectieve rollen van deze personen in de verweten feiten kunnen beoordelen, inzonderheid ten aanzien van B. Ook zou verzoeker hiernaar hebben kunnen verwijzen om de jegens hem geuite aantijgingen van context te voorzien.

145    Uit de brief van 3 juni 2020, waarbij het bureau van het EESC werd verzocht om een besluit te nemen in verzoekers geval, blijkt echter dat de voorzitter van het EESC ook de nota van de directeur-generaal van OLAF van 16 januari 2020, waarin de identiteit staat vermeld van de twee andere personen tegen wie het OLAF-onderzoek was gericht, aan het bureau heeft toegezonden.

146    Voorts moet worden vastgesteld dat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag meer dan eens de essentie weergeeft van verschillende getuigenverklaringen over de rol van twee andere personen tegen wie het OLAF-onderzoek was gericht. Bijgevolg was verzoeker in staat om zijn eventuele opmerkingen dienaangaande te maken in de loop van de procedure ter voorbereiding van het bestreden besluit.

147    Ten zesde betoogt verzoeker dat een getuige heeft verklaard nooit getuige te zijn geweest van ongepast gedrag door hem. Ook dit element is weggelaten uit de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag.

148    Er moet evenwel worden vastgesteld dat de betrokken getuigenverklaring genuanceerder is.

149    Op de vraag of zij getuige was geweest van situaties waarin verzoeker zich ongepast zou hebben gedragen ten aanzien van personeelsleden van het secretariaat van groep I of dat verzoeker de gewoonte had om kritiek te uiten op personeelsleden, heeft deze getuige inderdaad geantwoord dat zij daarvan niet op de hoogte was.

150    Deze getuige heeft echter ook verklaard dat „verzoekers persoonlijkheid” volgens haar onder meer „werd gekenmerkt door een autoritair karakter en een groot zelfbeeld” en dat zij „niet al te veel hinder had ondervonden van deze minder aangename kant [van verzoeker], omdat G tussen [hen] in stond.” Voorts heeft deze getuige verklaard dat zij „had horen vertellen dat [verzoeker] in zijn kantoor tegen zijn personeelsleden schreeuwde, maar dat [zij] dat [zelf] nooit had meegemaakt”. Op de laatste vraag of zij het gedrag van verzoeker ten aanzien van de personeelsleden zou kwalificeren als intimidatie, heeft deze getuige verklaard dat dat zij „dergelijk gedrag van [verzoeker] nooit heeft ondervonden”, maar dat zij „zich [kon] voorstellen dat bepaalde personen een dergelijk gedrag zelf [hadden] kunnen uitlokken” en dat „[w]ie het karakter van [verzoeker] [kende], [kon weten] dat hij nogal snel, door het lint [kon] gaan’”.

151    Voorts heeft deze getuige de situatie aangehaald van drie collega’s die problemen zouden hebben ondervonden in hun relatie met verzoeker. Voornoemde getuige besloot haar verklaring met de woorden dat „[verzoeker] een moeilijke persoonlijkheid [had]”, dat „hij zich misschien niet ongepast [had] willen gedragen, maar [dat] zijn reacties nogal snel als intimiderend [konden] worden ervaren”, al „[kon] dit ook afhangen van de gevoeligheid van de andere persoon”, dat „[a]lle collega’s van het secretariaat hun beklag over hem [hadden] gedaan” en dat „wanneer er geen band van solidariteit tussen hen had bestaan, ze misschien wel waren ingestort”.

152    Hieruit volgt dat de bewering dat deze getuige zou hebben verklaard nooit getuige te zijn geweest van ongepast gedrag door verzoeker, onvolledig is en niet de essentie van deze getuigenverklaring weergeeft.

153    Ten zevende betoogt verzoeker dat meerdere getuigenverklaringen bevestigen dat de secretaris-generaal van het EESC niet tijdig heeft ingegrepen om de problemen op te lossen waarmee sommige personeelsleden van het secretariaat van groep I kampten. In het bijzonder verwijst verzoeker naar de beslissing van de secretaris-generaal van het EESC om A na afloop van haar proeftijd in vaste dienst aan te stellen, in weerwil van zijn voorstel om haar niet aan te stellen, wat ertoe heeft bijgedragen dat de bestaande spanningen binnen het secretariaat van groep I verder zijn opgelopen. De niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag laat echter doorschemeren dat alleen verzoeker verantwoordelijkheid draagt voor deze situatie en gaat daarbij voorbij aan de verantwoordelijkheid van het TAOBG.

154    Evenals het EESC merkt het Gerecht op dat deze bewering haaks staat op de door verzoeker afgelegde verklaring tijdens diens verhoor door OLAF, volgens welke hij „A niet wenste te ontslaan” en „dat in overleg met H was besloten om een gunstig advies over de proeftijd uit te brengen”.

155    Met name uit zijn opmerkingen over de nota aangaande de feiten van 4 december 2019 blijkt hoe dan ook dat verzoeker eerder al heeft aangevoerd dat de beslissing van de secretaris-generaal van het EESC om A in vaste dienst aan te stellen, ertoe heeft bijgedragen dat de bestaande spanningen binnen de eenheid verder zijn opgelopen. De omstandigheid dat de secretaris-generaal van het EESC ten aanzien van de personeelsleden van het secretariaat van groep I fungeert als het TAOBG, is bovendien geen nieuw element waarvan verzoeker pas kennis kon nemen bij lezing van de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag.

156    Derhalve kan het EESC niet worden verweten dat het op dit punt verzoekers rechten van verdediging heeft geschonden.

157    Ten achtste is verzoeker van mening dat de weglating van de gegevens met betrekking tot het rechtskader waarbinnen het OLAF-verslag tot stand komt, hem de gelegenheid heeft ontnomen zijn opmerkingen te maken over de gehanteerde rechtsgrond voor de kwalificatie van zijn gedrag als psychisch geweld. Dit argument sluit aan op het in het verzoekschrift en de repliek ontwikkelde betoog over de weglating van de juridische beoordeling van de feiten door OLAF die volgens verzoeker onterecht is en hem heeft belet zijn rechten van verdediging uit te oefenen.

158    Wat het rechtskader betreft, moet in navolging van het EESC worden vastgesteld dat dit met name is uiteengezet in de nota aangaande de feiten die op 4 december 2019 aan verzoeker is toegezonden.

159    Met betrekking tot de weglating van de juridische beoordeling van de feiten door OLAF uit de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag moet worden vastgesteld dat deze niet van belang is voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

160    Er zij immers op gewezen dat de door het EESC gevoerde procedure tegen verzoeker tot doel had vast te stellen of de aan hem verweten handelingen en gedragingen, zoals door OLAF vastgesteld na afloop van zijn onderzoek, de vaststelling rechtvaardigden van een maatregel krachtens artikel 8, lid 3, eerste alinea, van de gedragscode 2019. Overeenkomstig artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 valt een dergelijke beoordeling onder de exclusieve bevoegdheid van het EESC en hangt zij bijgevolg niet af van de juridische beoordeling van de feiten door OLAF. Het stond dus aan het EESC om de tijdens het onderzoek vastgestelde feiten aan een eigen juridische beoordeling te onderwerpen om op grond daarvan te bepalen of het opportuun was een maatregel vast te stellen jegens verzoeker.

161    Derhalve kan uit de niet-mededeling van de door OLAF gegeven juridische beoordeling van de feiten geen schending van verzoekers rechten van verdediging blijken.

162    Ten negende en tot slot, en zonder een exceptie van onwettigheid op te werpen overeenkomstig artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering, betoogt verzoeker niettemin dat, aangezien de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag hem niet mocht worden meegedeeld op grond van de door zijn advocaten ondertekende geheimhoudingsverklaringen, de opmerkingen van laatstgenoemden bijzonder summier zijn en in geen geval de plaats kunnen innemen van de opmerkingen die hij zou hebben kunnen maken indien hij zelf toegang had gehad tot de genoemde bijlagen.

163    Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 103, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering ter bescherming van het beginsel van hoor en wederhoor uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor het Gerecht – waarvan het in casu heeft gebruikgemaakt – om bepaalde inlichtingen en stukken die relevant zijn voor de uitspraak in het geding en die vertrouwelijk zijn, ter kennis te brengen van een hoofdpartij, in voorkomend geval onder de voorwaarde van het aangaan van specifieke verbintenissen. Uit punt 191 van de Praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering volgt bovendien dat een dergelijke verbintenis kan inhouden dat de vertegenwoordigers van een partij de verbintenis aangaan dat zij deze inlichtingen of stukken niet zullen meedelen aan hun lastgever of aan een derde.

164    Zo heeft het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang van 7 april 2021 verzoekers advocaten eerst verzocht om precies aan te geven welke elementen in de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag volgens hen inhoudelijk niet zouden zijn weergegeven in de samenvatting van de feiten en van het vergaarde bewijsmateriaal, zoals opgenomen in de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag.

165    Uit het voorgaande is echter gebleken dat verzoekers advocaten in de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag geen enkel element hebben aangewezen waarvan de essentie niet reeds was weergegeven in de niet-vertrouwelijke versie van dat verslag. Deze toetsing kon worden uitgevoerd zonder de vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het OLAF-verslag aan verzoeker mee te delen. Aangezien dergelijke elementen niet zijn aangewezen, is het hoe dan ook niet nodig de aanvullende opmerkingen te onderzoeken die verzoeker tijdens de administratieve procedure zelf had kunnen indienen, mocht hij kennis hebben gehad van deze documenten, en die de uitkomst van deze procedure hadden kunnen beïnvloeden.

166    Gelet op een en ander dient derhalve te worden geconcludeerd dat het EESC verzoeker, ondanks de niet-toezending van de bijlagen bij het OLAF-verslag, in kennis heeft gesteld van de essentie van de verkregen getuigenverklaringen in de vorm van een samenvatting als bedoeld in punt 66 van het arrest van 25 juni 2020, HF/Parlement (C‑570/18 P, EU:C:2020:490).

–       Vraag of verzoeker voldoende tijd heeft gehad om zijn opmerkingen in te dienen over de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag

167    In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat verzoeker, hoewel vaststaat dat hij de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag pas heeft ontvangen op 4 maart 2020 om 12.40 uur, dat wil zeggen nauwelijks twee dagen vóór zijn verhoor door het raadgevend comité dat op 6 maart 2020 om 15.00 uur heeft plaatsgevonden, reeds op die datum vrij accuraat op de hoogte was van de hem verweten feiten.

168    Na de vragen van OLAF te hebben beantwoord tijdens een verhoor in de loop waarvan de identiteit was bekendgemaakt van een aantal personen die van mening waren dat zij slachtoffer waren van zijn gedrag, heeft verzoeker immers op 4 december 2019 een nota aangaande de feiten ontvangen met daarin een samenvattende beschrijving van de hem bij specifieke voorvallen verweten feiten ten aanzien van A, B en C, en meer in het algemeen ten aanzien van personeelsleden van het secretariaat van groep I. Ook heeft verzoeker binnen een termijn van tien werkdagen zijn opmerkingen over deze nota kunnen maken.

169    De door verzoeker ter terechtzitting aangevoerde omstandigheid dat deze nota geen aantijgingen bevatte in verband met zijn gedrag ten aanzien van het voormalige EESC-lid D, is in casu niet relevant. Verzoeker is immers bij brief van 18 oktober 2019 ervan in kennis gesteld dat het tegen hem ingestelde onderzoek inzonderheid betrekking had op zijn vermeende gedrag ten aanzien van EESC-leden, en tijdens zijn verhoor door OLAF is hem verzocht zijn standpunt kenbaar te maken over zijn vermeende gedrag ten aanzien van D. Bovendien volgt uit het bovenstaande dat de litigieuze maatregel de personeelsleden van het secretariaat van groep I beoogt te beschermen en de goede werking van deze dienst te garanderen. Bijgevolg kan de omstandigheid – gesteld al dat zij was bewezen – dat verzoeker vóór de opstelling van het OLAF-verslag niet in de gelegenheid is geweest om zijn opmerkingen te maken over het hem verweten gedrag ten aanzien van een voormalig EESC-lid – dat sowieso niet behoort tot de personeelsleden van het secretariaat van groep I – niet aantonen dat de vaststelling van de litigieuze maatregel schending van zijn rechten heeft opgeleverd. Tot slot moet hoe dan ook, en wel om de hieronder uiteengezette redenen, worden aangenomen dat verzoeker vóór de vaststelling van het bestreden besluit voldoende tijd heeft gehad om zijn eventuele opmerkingen te maken over alle gedragingen die hem in het OLAF-verslag werden verweten.

170    In de tweede plaats zij namelijk opgemerkt dat het raadgevend comité zijn aanbevelingen pas op 28 april 2020 heeft toegezonden aan de voorzitter van het EESC en dat het bestreden besluit pas op 9 juni 2020 is vastgesteld, dat wil zeggen drie maanden nadat de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag aan verzoeker was toegezonden.

171    Ook al blijkt in dit verband niet uit het dossier dat het raadgevend comité verzoeker uitdrukkelijk heeft verzocht zijn schriftelijke opmerkingen in te dienen in aanvulling op zijn verklaringen tijdens het eerste verhoor van 6 maart 2020, nadat het tweede – voor 17 maart 2020 geplande – verhoor was geannuleerd, zulks neemt niet weg dat niets verzoeker belette om het genoemde comité schriftelijk in kennis te stellen van enig element dat hij relevant zou hebben geacht ten behoeve van zijn verdediging.

172    In de derde plaats heeft de voorzitter van het EESC verzoeker op 12 mei 2020 verzocht om eventuele opmerkingen in te dienen over de aanbevelingen van het raadgevend comité. Op 2 juni 2020 heeft verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen over deze aanbevelingen ingediend.

173    In zijn schriftelijke opmerkingen van 2 juni 2020 over genoemde aanbevelingen heeft verzoeker, hoewel bijna drie maanden waren verstreken sinds de toezending van de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag op 4 maart 2020, geen enkel argument aangevoerd met betrekking tot de inhoud van dit verslag en, inzonderheid, de vermeende feiten die hem werden verweten.

174    Hieruit volgt dat verzoeker tussen 4 maart 2020, de datum waarop hij de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag heeft ontvangen, en 9 juni 2020, de datum waarop het bestreden besluit is vastgesteld, tot tweemaal toe is gehoord over de inhoud van dit verslag en binnen die periode voldoende tijd heeft gehad om naar behoren kennis te nemen van dit verslag, zijn opmerkingen daarover in te dienen en zijn verdediging voor te bereiden.

175    Tot slot wordt de grief ontleend aan een vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel door geen enkel argument gestaafd, aangezien verzoeker alleen in algemene en abstracte bewoordingen opkomt tegen de „geschiktheid en noodzaak van de inhoud van het bestreden besluit”, zonder argumenten te ontwikkelen aan de hand waarvan het Gerecht de gegrondheid van die stelling kan beoordelen. Deze grief moet derhalve worden afgewezen.

176    Gelet op een en ander dient te worden geconcludeerd dat bij de vaststelling van de litigieuze maatregel geen inbreuk is gemaakt op verzoekers rechten van verdediging.

177    Het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel: schending van de beginselen van het vermoeden van onschuld en van onpartijdigheid

178    Verzoeker verwijt het EESC in het bestreden besluit te hebben vastgesteld dat hij de bepalingen van het Handvest, het reglement van orde van het EESC en de gedragscode 2019 heeft geschonden.

179    Volgens verzoeker vereist het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat met name is neergelegd in artikel 48 van het Handvest, dat de leden van het bureau van het EESC niet vooringenomen mogen zijn en dus niet ervan mogen uitgaan dat hij de daden heeft begaan die hem door OLAF worden verweten. Door geen eigen onderzoek uit te voeren nadat OLAF zijn onderzoek had beëindigd, heeft het EESC de omstandigheden van de vermeende inbreuken niet onderzocht en evenmin eigen conclusies getrokken over zijn gedrag.

180    Ook het raadgevend comité heeft dit beginsel geschonden. Dit raadgevend orgaan is immers zijn adviserende bevoegdheid te buiten gegaan door in zijn aanbevelingen aan de voorzitter van het EESC te stellen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan intimidatie, zonder hem te horen.

181    Bovendien is ook het beginsel van onpartijdigheid geschonden, aangezien de twee leden die groep I in het raadgevend comité vertegenwoordigden, niet hebben deelgenomen aan de beraadslagingen over verzoeker. Door deze leden niet te vervangen, heeft het raadgevend comité niet onpartijdig gehandeld, hetgeen invloed heeft gehad op de inhoud van de uitgebrachte aanbevelingen en van het bestreden besluit, aangezien het bureau van het EESC zich heeft beperkt tot het bekrachtigen van deze aanbevelingen.

182    Tot slot is de voorzitter van het EESC objectief tekortgeschoten in zijn verplichting tot onpartijdigheid door de diensten van het EESC op te dragen geen onderzoek in te stellen naar dezelfde feiten, wat neerkomt op een bevestiging van verzoekers schuld.

183    Het EESC betwist dit betoog.

–       Eerste grief: schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld

184    Vooraf zij eraan herinnerd dat het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals neergelegd in artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in artikel 48, lid 1, van het Handvest, een fundamenteel recht vormt dat particulieren rechten verleent waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt (arrest van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T‑193/04, EU:T:2006:292, punt 121). Volgens deze bepalingen verlangt de eerbiediging van het vermoeden van onschuld dat eenieder die van een strafbaar feit wordt beschuldigd, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld rechtmatig is aangetoond [arrest van 3 juli 2019, PT/EIB, T‑573/16, EU:T:2019:481, punt 360 (niet-gepubliceerd)].

185    Uit het voorgaande volgt evenwel dat de litigieuze maatregel niet bedoeld is om verzoeker een inbreuk op de regels van de gedragscode te verwijten en dat deze geen sanctie vormt. Bovendien doet de vaststelling van deze maatregel geen afbreuk aan de mogelijke schuld van verzoeker in het licht van de bepalingen van nationaal recht. Bijgevolg moet de eerste grief van het tweede middel als niet ter zake dienend worden afgewezen (zie in die zin arrest van 14 april 2021, RQ/Commissie, T‑29/17 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2021:188, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

186    In elk geval moet eraan worden herinnerd dat de litigieuze maatregel werd vastgesteld in het kader van twee afzonderlijke procedures, namelijk een onderzoek van OLAF tot vaststelling van de feiten, gevolgd door een beoordeling van het EESC van eventueel vast te stellen maatregelen in het licht van de tijdens het onderzoek vastgestelde feiten. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker in het kader van deze interne EESC-procedure kennis heeft genomen van de resultaten van het onderzoek voordat het bureau het bestreden besluit heeft vastgesteld en dat zijn rechten van verdediging zijn geëerbiedigd.

187    Anders dan verzoeker aanvoert, hield zijn recht op vermoeden van onschuld geenszins in dat het EESC verplicht was om na ontvangst van het eindverslag een nieuw onderzoek in te stellen. Integendeel, hoewel het EESC overeenkomstig artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 verplicht was de acties te ondernemen die op grond van de resultaten van het eindverslag geboden waren, neemt dit niet weg dat het dit comité volledig vrijstond om de inhoud te bepalen van de te ondernemen acties in reactie op de aanbevelingen van OLAF (zie in die zin beschikking van 25 oktober 2018, UI/Commissie, T‑370/18, niet gepubliceerd, EU:T:2018:770, punt 13; zie ook in die zin en naar analogie arrest van 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, EU:T:2006:110, punt 51).

188    Bovendien heeft verzoeker geen enkel element aangedragen waaruit blijkt dat het EESC vanaf het begin van de procedure had besloten om het bestreden besluit vast te stellen, ongeacht de door hem verstrekte uitleg (zie in die zin arrest van 9 juli 2002, Zavvos/Commissie, T‑21/01, EU:T:2002:177, punt 341). Overigens is het bureau van het EESC, na verzoeker te hebben gehoord, afgeweken van het advies van het raadgevend comité om zwaardere sancties vast te stellen dan die genoemd in artikel 8, lid 3, tweede alinea, van de gedragscode 2019, en wel door verzoeker geen sanctie op te leggen.

189    Bijgevolg moet de grief inzake schending van het vermoeden van onschuld in ieder geval ongegrond worden verklaard.

–       Tweede grief: schending van het beginsel van onpartijdigheid

190    Ook al is het beginsel van het vermoeden van onschuld niet van toepassing in het onderhavige geval, dit neemt niet weg dat het EESC de grondrechten van de Unie, waaronder het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur, tijdens de administratieve procedure diende te eerbiedigen (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154).

191    Zo heeft volgens de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest eenieder er onder meer recht op dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat geen lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid, in de zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 155 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

192    Met betrekking tot een vermeend gebrek aan objectieve onpartijdigheid betoogt verzoeker in casu enkel dat de voorzitter van het EESC om een nieuw onderzoek had moeten verzoeken alvorens zijn schuld te bevestigen.

193    Dit betoog moet echter worden afgewezen, aangezien het EESC geenszins verplicht was een nieuw onderzoek in te stellen alvorens het bestreden besluit vast te stellen.

194    Op grond van het recht op behoorlijk bestuur was het EESC immers niet verplicht een dergelijk onderzoek in te stellen dat hetzelfde voorwerp zou hebben gehad als het eerder door OLAF uitgevoerde onderzoek. Het EESC was alleen verplicht een grondige studie te maken van de onderzoeksresultaten van dit bureau, zoals uiteengezet in het verslag ervan, en verzoeker in de gelegenheid te stellen zich te verweren tegen de inhoud van het genoemde verslag en tegen de mogelijke gevolgen voor hem, hetgeen wel degelijk is gebeurd.

195    Bovendien geven de verklaringen van de voorzitter van het EESC waaraan verzoeker refereert, geen blijk van enig gebrek aan subjectieve dan wel objectieve onpartijdigheid, aangezien hij alleen heeft aangegeven dat het EESC overeenkomstig artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 verplicht was gevolg te geven aan de aanbevelingen van OLAF en aan dit bureau verslag uit te brengen over de eraan gegeven gevolgen.

196    Aangaande het vermeende gebrek aan subjectieve onpartijdigheid voert verzoeker alleen aan dat het raadgevend comité blijk heeft gegeven van onvoldoende onpartijdigheid door aanbevelingen te doen in afwezigheid van twee leden van groep I, namelijk E en F. Verzoeker legt evenwel niet uit in hoeverre dit duidt op partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid in de zin van de in punt 191 hierboven aangehaalde rechtspraak.

197    Hoe dan ook kan worden volstaan met de vaststelling dat de wraking van E juist tot doel had te voorkomen dat de onpartijdigheid van het raadgevend comité in het gedrang zou komen, aangezien tot deze wraking werd besloten om reden dat deze persoon een belangenconflict had. Wat voorts F betreft, moet worden vastgesteld dat haar afwezigheid niet toe te rekenen was aan het raadgevend comité, aangezien zij uit eigen beweging had besloten niet deel te nemen aan de beraadslagingen van het raadgevend comité over verzoekers geval. Verzoeker legt hoe dan ook niet uit waarom de afwezigheid van deze twee leden gerechtvaardigde twijfel zou kunnen doen ontstaan over de onpartijdigheid van het raadgevend comité, temeer daar de gedragscode 2019 geen bepalingen bevat die voorschrijven dat de bevoegdheid van het raadgevend comité om aanbevelingen te doen enigerlei aanwezigheidsquorum vereist.

198    Bijgevolg moet de tweede door verzoeker aangevoerde grief inzake schending van het beginsel van onpartijdigheid ongegrond worden verklaard en dient derhalve het tweede middel in zijn geheel te worden afgewezen.

 Vierde middel: schending van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 883/2013, van de geheimhoudingsplicht in tuchtprocedures en met betrekking tot gerechtelijke informatie, alsook van artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1725

199    Verzoeker betoogt dat personeelsleden van OLAF inbreuk hebben gemaakt op artikel 10, lid 2, van verordening nr. 883/2013 door voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement te verklaren dat hij zich schuldig had gemaakt aan intimidatie, op grond waarvan de leden van deze commissie tot de overtuiging zijn gekomen dat zijn schuld vaststond, nog voordat het raadgevend comité en het bureau van het EESC dienaangaande een standpunt hadden ingenomen.

200    Bovendien heeft ook het Parlement het „vertrouwelijkheidsbeginsel” geschonden door informatie te verspreiden waarin erop werd gezinspeeld dat verzoeker schuld droeg aan de beweerde feiten. Dit levert schending op van de geheimhoudingsplicht in tuchtprocedures en met betrekking tot gerechtelijke informatie. Deze schending is des te ernstiger, daar OLAF terzelfder tijd heeft erkend dat verzoekers gedrag geen financiële gevolgen heeft gehad voor de begroting van de Unie.

201    Tot slot heeft ook de voorzitter van het EESC het „vertrouwelijkheidsbeginsel” geschonden door de inhoud van het eindverslag bekend te maken op de vergadering van het bureau van het EESC van 21 januari 2020. Voorts voert verzoeker aan dat het EESC het Parlement had moeten verzoeken om zijn persoonsgegevens weg te laten uit zijn verschillende mededelingen aangaande zijn begroting of de hem verweten feiten.

202    Het EESC betwist dit betoog.

203    Er zij aan herinnerd dat de Unierechter een middel of een grief kan afwijzen wanneer hij vaststelt dat het middel of de grief, in geval van gegrondheid, niet tot de nagestreefde nietigverklaring kan leiden (zie arrest van 19 november 2009, Michail/Commissie, T‑50/08 P, EU:T:2009:457, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

204    Zoals het EESC heeft opgemerkt, volstaat het dienaangaande vast te stellen dat de argumenten met betrekking tot de handelwijze van het Parlement en de verklaringen van OLAF voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, die geen partij zijn bij deze procedure, geen invloed hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, aangezien deze niet toerekenbaar zijn aan het EESC, dat het bestreden besluit heeft vastgesteld.

205    Bijgevolg moeten de argumenten inzake de vermeende schending door OLAF en het Parlement van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 883/2013 en van artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1725 als niet ter zake dienend worden afgewezen.

206    Verzoekers voor het eerst in repliek aangevoerde argument dat de voorzitter van het EESC de inhoud van het OLAF-verslag op de vergadering van 21 januari 2020 aan de leden van het bureau had meegedeeld, moet ongegrond worden verklaard, ongeacht de ontvankelijkheid ervan op grond van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.       

207    Hoewel verzoeker aanwezig was op deze vergadering, heeft hij immers geen elementen aangedragen die kunnen afdoen aan de uitleg van het EESC dat de voorzitter de leden van het bureau alleen in kennis heeft gesteld van het bestaan van het OLAF-verslag en de daarbij horende aanbevelingen, en wel uitsluitend ter voorbereiding van de raadpleging van het raadgevend comité.

208    Bovendien blijkt uit het dossier dat de overige leden van het bureau uiteindelijk pas op 3 juni 2020 kennis hebben genomen van de inhoud van de niet-vertrouwelijke versie van het OLAF-verslag, zijnde de datum waarop het raadgevend comité zijn aanbevelingen heeft toegezonden aan de voorzitter van het EESC, nadat verzoeker zijn opmerkingen had kunnen maken over de inhoud van dit verslag en over deze aanbevelingen.

209    Gelet op een en ander moet het vierde middel deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden verklaard.

 Vordering tot schadevergoeding

210    Verzoeker vordert om het EESC krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU te veroordelen tot betaling van een bedrag van 250 000 EUR ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden.

211    De door verzoeker geleden immateriële schade is veroorzaakt doordat hij is uitgesloten van zijn werkomgeving. In dit verband heeft de tussenkomst van de directeur van OLAF voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement op 3 februari 2020 zijn eer en goede naam onherstelbaar aangetast doordat deze de leden van die commissie in kennis heeft gesteld van de inhoud van het eindverslag, zonder verzoeker te horen en zonder dat was aangetoond dat de aantijgingen tegen hem financiële gevolgen voor de Unie hadden gehad.

212    Voorts heeft het EESC, door zonder duidelijk regelgevend kader een tuchtprocedure tegen hem in te leiden en door in het bestreden besluit te verwijzen naar het besluit van het Parlement van 13 mei 2020 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 en naar de resolutie van het Parlement van 14 mei 2020, eveneens zijn eer en goede naam aangetast.

213    Zo heeft het feit dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over de hem betreffende feiten, bij hem een gevoel van frustratie, angst en onrechtvaardigheid opgeroepen dat ernstige gevolgen heeft gehad voor zijn gezondheid en privéleven en het rechtstreekse gevolg is geweest van de handelwijze van OLAF.

214    Om die redenen vordert verzoeker vergoeding van zijn immateriële schade welke hij voorlopig ex aequo et bono begroot op 200 000 EUR, een bedrag dat in verhouding staat tot de door het EESC, het Parlement en OLAF begane fouten. In repliek heeft verzoeker evenwel aangegeven dat hij zich op de wijsheid van het Gerecht verlaat voor de begroting van het bedrag dat ter vergoeding van zijn immateriële schade moet worden toegekend.

215    De materiële schade van verzoeker bestaat in de door hem sinds januari 2020 gemaakte kosten ten behoeve van zijn verdediging, welke hij begroot op 50 000 EUR. Bovendien acht verzoeker het onaanvaardbaar dat, mocht het beroep worden verworpen, hij zou worden verwezen in de door het EESC betaalde honoraria voor de diensten van een externe advocaat.

216    Het EESC betwist dit betoog.

217    In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de niet-nakoming van de op de verrichter van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C‑221/10 P, EU:C:2012:216, punt 80).

218    Wanneer bovendien aan een van die voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden voor deze aansprakelijkheid behoeven te worden onderzocht (zie arrest van 29 april 2020, Tilly-Sabco/Raad en Commissie, T‑707/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:160, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

219    In casu zij opgemerkt dat de schade die verzoeker stelt te hebben geleden, met name haar oorsprong zou vinden in de onrechtmatige handelwijze van OLAF voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement.

220    In zijn verzoekschrift heeft verzoeker het EESC echter aangewezen als enige verwerende partij.

221    Derhalve is de vordering die verzoeker in het kader van het onderhavige beroep heeft ingesteld, slechts ontvankelijk voor zover hij daarbij de veroordeling beoogt van het EESC tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden door onrechtmatig handelen van dit comité. Teneinde vergoeding te verkrijgen van door een andere instelling veroorzaakte schade, dient verzoeker zijn vordering tot schadevergoeding te richten tot de instelling aan welke het feit dat dat tot de aansprakelijkheidsactie aanleiding geeft, wordt verweten (zie in die zin beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

222    Met betrekking tot de handelwijze van het EESC zij herinnerd aan de rechtspraak volgens welke vorderingen tot vergoeding van materiële of immateriële schade moeten worden afgewezen wanneer zij een nauwe samenhang vertonen met vorderingen tot nietigverklaring die, op hun beurt, niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard (zie arrest van 19 december 2019, ZQ/Commissie, T‑647/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:884, punt 202 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

223    Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit geenszins onrechtmatig is en dat in de procedure ter voorbereiding ervan verzoekers rechten van verdediging zijn geëerbiedigd. Hoe dan ook heeft verzoeker niet duidelijk gemaakt in welk opzicht het enkele feit dat in het besteden besluit wordt gerefereerd aan het besluit van het Parlement van 13 mei 2020 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 en aan de resolutie van het Parlement van 14 mei 2020, zou neerkomen op een schending door het EESC van een voldoende gekwalificeerde rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

224    Aangezien de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie niet is vervuld, moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden nagegaan of aan de andere aansprakelijkheidsvoorwaarden is voldaan.

225    In die omstandigheden moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

226    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van het EESC worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten die verband houden met de procedures in kort geding.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      KN wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten die verband houden met de procedures in kort geding.

Svenningsen

Mac Eochaidh

Pynnä

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 september 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.