Language of document : ECLI:EU:C:1999:452

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. MISCHO

van 23 september 1999 (1)

Zaak C-382/98

The Queen

tegen

Secretary of State for Social Security

ex parte: John Henry Taylor

[verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk), om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 79/7/EEG - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Toekenning van stookkostentoelage -

Koppeling aan pensioenleeftijd”

1.
    In deze zaak moet het Hof zich uitspreken over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(2) (hierna de „richtlijn”), in verband met een bepaling van het nationale recht krachtens welke een toelage voor stookkosten in de winter, aan mannen en aan vrouwen wordt toegekend op een verschillende leeftijd.

Het hoofdgeding

2.
    Taylor is een voormalig medewerker van de posterijen. Hij heeft bij de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk), beroep ingesteld tot verkrijging van de stookkostentoelage van 20 GBP, die in 1998 in het Verenigd Koninkrijk is ingevoerd. Deze toelage wordt aan vrouwen verleend vanaf 60 jaar en aan mannen pas vanaf 65 jaar.

3.
    Taylor, die op het tijdstip waarop hij bij de nationale rechter beroep instelde 62 jaar was, stelt dat hij gediscrimineerd is wegens zijn geslacht.

4.
    Om in aanmerking te komen voor stookkostentoelage zou Taylor bovendien een ouderdomspensioen van de staat moeten ontvangen. Hij heeft zijn gehele beroepsleven de vereiste socialezekerheidspremies betaald, maar hij krijgt dit pensioen eerst uitbetaald wanneer hij 65 wordt, terwijl een vrouw in dezelfde situatie daarop reeds vanaf 60 jaar recht heeft. Intussen ontvangt Taylor een pensioen van de posterijen, dat geen recht geeft op de stookkostentoelage.

De toepasselijke nationale wetgeving

5.
    De Social Fund Winter Fuel Payment Regulations 1998 (regeling betreffende de toelage voor stookkosten in de winter, uitgekeerd door het Social Fund, hierna: „Regulations”) werden in januari 1998 vastgesteld krachtens de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 (wet betreffende de socialezekerheidsbijdragen en -uitkeringen, hierna: „Act”).

6.
    Krachtens Regulation 2 komen twee categorieën van personen in aanmerking voor een stookkostentoelage, en wel

a)    volgens Regulation 2(2) personen die een aanvulling op hun inkomen of een aan het inkomen gerelateerde uitkering voor werkzoekenden ontvangen (voor beide uitkeringen gelden inkomensvoorwaarden) en die een van de uitkeringen ontvangen die in een lijst zijn vermeld. Al deze uitkeringen worden uitsluitend betaald aan personen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt of overschreden of die samenwonen met een persoon die deze leeftijd heeft bereikt of overschreden;

b)    volgens Regulation 2(5) „mannen van 65 jaar en ouder en vrouwen van 60 jaar en ouder”, die recht hebben op een van de uitkeringen of pensioenen vermeld in Regulation 2(6). Volgens verzoeker gelden voor de meeste van deze uitkeringen, volgens de High Court of Justice voor sommige daarvan, geen inkomensvoorwaarden. Dit is het geval voor het ouderdomspensioen en het oorlogsinvalidenpensioen.

7.
    Ingevolge Regulation 3(1) hebben personen van de eerste categorie recht op een stookkostentoelage van 50 GBP per jaar. Personen van de tweede categorie hebben recht op een stookkostentoelage van 20 GBP per jaar, of 10 GBP indien zij samenwonen met een persoon die daarop een eigen recht heeft.

8.
    Krachtens Regulation 1, junctis Section 44 van de Act en bijlage 4 bij de Pensions Act 1995 (pensioenwet), wordt voor de toepassing van Regulation 2(6) onder ouderdomspensioen verstaan een door de staat betaald ouderdomspensioen, dat verschuldigd wordt wanneer de aanvrager aan de premievoorwaarden voldoet en de leeftijd bereikt van 65 jaar voor een man en 60 jaar voor een vrouw.

De relevante bepalingen van de richtlijn

9.
    Volgens artikel 1 beoogt de richtlijn „de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid”.

10.
    Krachtens artikel 3, lid 1, is de richtlijn van toepassing op:

„a)    de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:

    -    ziekte,

    -    invaliditeit,

    -    ouderdom,

    -    arbeidsongevallen en beroepsziekten,

    -    werkloosheid;

b)    de socialebijstandsregelingen, voorzover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen”.

11.
    Het beginsel van gelijke behandeling wordt in artikel 4 als volgt omschreven:

„Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

-    de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen.”

12.
    Volgens artikel 7, lid 1, sub a, doet de richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer onder meer uit te sluiten „de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”.

13.
    Artikel 7, lid 2, legt de staten evenwel de verplichting op „periodiek de gebieden [te] onderzoeken die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd, ten einde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling ter zake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven”.

14.
    De High Court of Justice heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)    Valt een krachtens de Regulations 2(5 en 6) en 3(1)(b) van de Social Fund Winter Fuel Payment Regulations 1998 verstrekte toelage voor stookkosten in de winter, binnen de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 79/7/EEG?

2)    Zo ja:

    a)    Is artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG op het onderhavige geval van toepassing?

    b)    Is het met name zo, dat verweerster zich niet kan beroepen op artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG, nu de Social Fund Winter Fuel Payment Regulations 1998 en de Social Security Contributions and Benefits Act 1992, waarop deze Regulationsgebaseerd zijn, in werking zijn getreden na 23 december 1984, de uiterste datum waarop de richtlijn volledig in nationaal recht moest zijn omgezet?”

De eerste vraag

15.
    Met de eerste vraag wil de High Court of Justice vernemen, of artikel 3, lid 1, van de richtlijn in die zin moet worden uitgelegd, dat een stookkostentoelage als bedoeld in Regulation 2(5 en 6) binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. De vraag heeft dus uitsluitend betrekking op de toelagen voor de tweede categorie van personen als hiervóór in punt 6 bedoeld.

16.
    In de eerste plaats is het volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat een uitkering om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen, gebaseerd is op of deel uitmaakt van een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen een van de in artikel 3, lid 1, genoemde risico's, dan wel een vorm van sociale bijstand is met hetzelfde doel.(3)

17.
    Het Hof heeft voorts verklaard dat, hoewel de uitkeringsvoorwaarden niet doorslaggevend zijn om te bepalen of een uitkering binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, deze uitkering toch rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden met de bescherming tegen een van de genoemde risico's.(4)

18.
    De Regulation waarbij de stookkostentoelage is ingevoerd, berustte op een machtigingswet. De eerste voorwaarde, dat het om een wettelijke regeling moet gaan, is dus vervuld. Dit wordt in casu trouwens door niemand betwist.

19.
    De kern van deze zaak is de tweede voorwaarde, dat de regeling „rechtstreeks en daadwerkelijk” verband moet houden met de bescherming tegen een van de in deze bepaling genoemde risico's. Is bescherming tegen het risico van ouderdom het doel van de uitkering, of is leeftijd gewoon één van de criteria voor toekenning van een uitkering aan personen in financiële nood, een situatie die niet onder artikel 3 van de richtlijn valt?(5) Dat is de vraag waarop het Hof antwoord moet geven.

20.
    Laatstgenoemd standpunt wordt verdedigd door de regering van het Verenigd Koninkrijk, daarin gesteund door de Oostenrijkse regering, die stellen dat de richtlijn niet van toepassing is daar de uitkering moet worden gezien in „de legislatieve context van de toelage”. Dat is in dit geval het Social Fund, dat is ingesteld bij de Social Security Act 1986 (wet op de sociale zekerheid). Het doel van het Social Fund wordt beschreven in het „White Paper” op basis waarvan de instelling in 1986 is opgericht. Zoals daarin wordt uiteengezet, heeft het Social Fund tot doel uitkeringen te financieren die bestemd zijn om te voorzien in de „bijzondere behoeften” van personen die een aan het inkomen gerelateerde uitkering ontvangen.

21.
    Deze regeringen beklemtonen, dat terwijl in de zaak Atkins(6) alleen personen die onder een van de risico's van artikel 3 van de richtlijn vielen (gehandicapten en bejaarden), in aanmerking kwamen voor tariefreductie voor het plaatselijk vervoer, toch werd geoordeeld dat de regeling niet binnen de werkingssfeer van artikel 3 viel, gezien haar doelstelling als onderdeel van een wettelijke bijstandsregeling voor verschillende categorieën van personen die het in financieel en materieel opzicht moeilijk hadden. Ook in de zaak Smithson, reeds aangehaald, kwamen uitsluitend de categorieën die onder een van de risico's van artikel 3 vielen, in aanmerking voor de hogere premie voor gepensioneerden. Tochviel de premie hierdoor niet binnen de werkingssfeer van artikel 3, omdat de uitkering moest worden gezien als onderdeel van een wettelijk stelsel dat tot doel had personen in financiële nood bijstand te verlenen.

22.
    Evenals in de zaak Atkins, reeds aangehaald, is het doel van het Social Fund en de regelingen op grond waarvan dit fonds uitkering verleent, bijstand te verlenen aan categorieën van personen die het in financieel en materieel opzicht moeilijk hebben. Het feit dat de ouderdom tot de criteria voor toekenning behoort en dat een groot aantal gerechtigden onder een van de in artikel 3 genoemde risico's valt, betekent volgens deze regeringen niet, dat de Regulations binnen de werkingssfeer van dit artikel vallen.

23.
    Daarentegen verdedigen verzoeker en de Commissie, dat uit de arresten Richardson en Atkins, reeds aangehaald, blijkt dat de vraag of een uitkering binnen de werkingssfeer van artikel 3 van de richtlijn valt, niet afhankelijk is van de wijze waarop de betaling wettelijk geregeld is of van het fonds waaruit zij wordt bekostigd, maar van het rechtstreekse verband tussen de uitkering zelf en het daadwerkelijk intreden van een van de in deze bepaling bedoelde risico's. Zoals advocaat-generaal Elmer in punt 13 van zijn conclusie in de zaak Richardson benadrukte, moet worden uitgegaan van de concrete prestatie.

24.
    Volgens verzoeker in het hoofdgeding moet voor de beslechting van het geschil inderdaad te rade worden gegaan bij het arrest Richardson. In die zaak oordeelde het Hof, dat het recht op gratis geneesmiddelen voor bepaalde categorieën van personen (bejaarden, jongeren en personen die aan bepaalde ziekten lijden) binnen de werkingssfeer van de richtlijn viel, aangezien de toekenning steeds afhankelijk was van het intreden van het risico van ziekte.

25.
    Deze op zich juiste redenering gaat mijns inziens in casu niet zonder meer op. Wat in één zaak een vaststaand risico is, behoeft dat in een andere niet te zijn. Zo kon de uitkering in de zaak Richardson, namelijk vrijstelling van de eigenbijdrage in de medische kosten, naar haar aard alleen ten goede komen aan personen die dergelijke kosten maken en dus op een of andere manier ziek zijn. Het verband met dit in artikel 3 genoemde risico was dus rechtstreeks en noodzakelijk.

26.
    In casu kan evenwel uit de aard van de uitkering, namelijk de betaling van een geldbedrag in bepaalde omstandigheden, niet onmiddellijk een conclusie worden getrokken.

27.
    De leeftijd is ontegenzeglijk een conditio sine qua non voor de verkrijging van de stookkostentoelage. Datzelfde geldt echter voor de tweede, cumulatieve voorwaarde, dat de aanvrager recht moet hebben op een van de uitkeringen van Regulation 2(6), waarvan sommige voorzien in een gebrek aan financiële middelen van de betrokkene en andere niet.

28.
    Een persoon die de vereiste leeftijd heeft bereikt maar geen recht heeft op een van de uitkeringen van Regulation 2(6), komt immers niet in aanmerking voor de stookkostentoelage.

29.
    Beslissend voor de vraag of een uitkering al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 3 van de richtlijn valt, is het doel van de uitkering. Het doel van een uitkering kan niet steeds met zekerheid worden vastgesteld alleen door te kijken naar de uitkeringscriteria, al bestaat er uiteraard een verband tussen de uitkeringscriteria en het beoogde doel.

30.
    Het spreekt vanzelf, dat een stookkostentoelage bedoeld is om bepaalde personen te helpen hun stookkosten te betalen. Dit veronderstelt dus, dat deze personen in financiële moeilijkheden verkeren of dreigen te geraken, waardoor zij deze kosten niet kunnen dragen.

31.
    Deze constatering wordt bevestigd door het feit dat de toelage wordt uitgekeerd door het Social Fund, dat blijkens de verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk tot doel heeft, mensen te helpen die op een of andere wijze in financiële nood verkeren.

32.
    Betekent dit nu dat het, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, in casu gaat om een vergelijkbare situatie als die van het arrest Atkins, waarin het Hof verklaarde dat ouderdom, één van de in artikel 3, lid 1, genoemde risico's, slechts een van de criteria is om te bepalen welke categorieën van personen voor een dergelijke uitkering in aanmerking komen, en dat de uitkeringsgerechtigde in feite(7) in een van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde situaties verkeert, hetgeen niet volstaat om die prestatie als zodanig binnen de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen?

33.
    Mijns inziens niet. Indien de Britse autoriteiten zich tot doel hadden gesteld al degenen te helpen die hun stookkosten niet konden betalen, dan hadden zij de „Winter Fuel Payments” moeten uitbreiden tot al deze personen, ongeacht hun leeftijd. Dit hebben zij evenwel niet gedaan; alleen personen van 60 of 65 jaar en ouder hebben immers recht op deze toelage.

34.
    Bovendien is ter terechtzitting bevestigd, dat voor de meeste uitkeringen die recht geven op de litigieuze toelage geen inkomensvoorwaarden gelden, terwijl aan de voorwaarde dat men de pensioenleeftijd heeft bereikt, zonder meer moet zijn voldaan.

35.
    De regering van het Verenigd Koninkrijk wijst evenwel niet slechts in algemene zin op het verband tussen de betrokken uitkering en de bestrijding van de armoede, de doelstelling van het Social Fund. Zij is namelijk van mening dat, al zou men de Regulations los zien van hun algemene legislatieve context, toch nietkan worden voorbijgegaan aan de samenhang tussen de verschillende onderdelen van de Regulations. De onderhavige toelage, die wordt aangevraagd op basis van Regulation 2(5 en 6), heeft een doel dat vergelijkbaar is met het doel van Regulation 2(2).

36.
    De in Regulation 2(2) bedoelde personen zijn volgens de Britse regering alleen diegenen die een aanvulling op hun inkomen of een aan het inkomen gerelateerde uitkering voor werkzoekenden ontvangen. Dergelijke personen behoren eveneens tot de potentiële gerechtigden tot de uitkering van Regulation 2(5).

37.
    Uiteraard mag niet te snel worden aangenomen, dat twee onderdelen van één bepaling van de Regulations verschillende doelstellingen hebben. Dit formalistisch uitgangspunt mag echter niet het zicht benemen op het feit dat er tussen de uitkering van Regulation 2(2) en die van Regulation 2(5 en 6) wel degelijk verschillen zijn.

38.
    De bewoordingen van deze onderdelen wijzen al op een verschil in benadering, aangezien Regulation 2(2) het leeftijdscriterium slechts zijdelings noemt en uitdrukkelijk de aanvulling op het inkomen en de uitkering voor werkzoekenden betreft, terwijl het in Regulation 2(5 en 6) draait om het leeftijdscriterium. Overigens zijn de leeftijdsvoorwaarden, althans voor mannen, niet in beide gevallen gelijk.

39.
    Vooral echter kan de toelage van Regulation 2(2) uitsluitend worden verleend aan personen die tevens een uitkering ontvangen die rechtstreeks verband houdt met financiële nood, te weten een aanvulling op het inkomen of een uitkering voor werkzoekenden, terwijl de toelagen van Regulation 2(5 en 6) zoals gezegd in veel gevallen kunnen worden uitgekeerd zonder dat de ontvanger aantoont dat hij onvoldoende middelen heeft.

40.
    Ten slotte is het bedrag van Regulation 2(2) hoger dan dat van Regulation 2(5 en 6).

41.
    Het Verenigd Koninkrijk stelt voorts, dat het feit dat leeftijd een conditio sine qua non is voor toekenning van de toelage, niet betekent dat deze uitkering daarmee binnen de werkingssfeer van de richtlijn komt te vallen, en beroept zich daartoe op het arrest Smithson, reeds aangehaald.

42.
    In die zaak was echter het minimumleeftijdsvereiste niet gesteld voor de uitkering zelf, een huisvestingstoelage, maar alleen voor het verkrijgen van een hogere huisvestingstoelage. In casu gaat het echter niet om een regeling waarin de basistoelage openstaat voor andere categorieën van gerechtigden en de hogere toelage alleen voor ouderen. Zoals gezegd, moet voor betaling van de litigieuze uitkering in elk geval zijn voldaan aan het minimumleeftijdsvereiste.

43.
    Bovendien hebben blijkens de voor de verwijzende rechter overgelegde stukken de nationale autoriteiten in een verklaring van de Chancellor of the Exchequer aan het Parlement van 25 november 1997 en in een persbericht van het „Department of Social Security (DSS)” uitdrukkelijk verklaard, dat de betrokken maatregelen tot doel hebben hulp te bieden aan pensioengerechtigden, die worden beschouwd als een bijzondere categorie, en niet aan personen in financiële nood in het algemeen. De woorden „pensioengerechtigden” of „huishoudens van pensioengerechtigden” komen in de verklaring van de Chancellor of the Exchequer, die zes paragrafen telt, twaalf maal voor.

44.
    De betrokken maatregel houdt dus inderdaad „rechtstreeks en daadwerkelijk” verband met het risico van ouderdom, vermeld in artikel 3 van de richtlijn. Ik geef het Hof dan ook in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt:

„Artikel 3 van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat een krachtens Regulation 2(5 en 6) en 3(1)(b) verstrekte toelage voor stookkosten in de winter, onder deze richtlijn valt.”

De tweede vraag

45.
    De verwijzende rechter vraagt in wezen, of de regering van het Verenigd Koninkrijk zich in dit geval kan beroepen op de afwijking van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, neergelegd in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten „de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”.

46.
    Taylor, de Commissie, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Oostenrijkse regering zijn het erover eens, dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 7 strikt moet worden uitgelegd en dat de ongelijke leeftijdsvoorwaarden in de Regulations alleen dan kunnen worden gerechtvaardigd door de afwijking, indien zij objectief noodzakelijk zijn om te vermijden dat het financieel evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt verstoord of om de samenhang van het stelsel van de rustpensioenen en de andere daarmee samenhangende uitkeringen te bewaren.(8)

47.
    Zij zijn ook unaniem van mening dat, aangezien het gaat om niet op premiebetaling berustende uitkeringen, argumenten die verband houden met het financieel evenwicht in casu niet relevant zijn.(9)

48.
    De standpunten lopen daarentegen uiteen over de vraag of de discriminatie kan worden gerechtvaardigd door het vereiste van samenhang van het socialezekerheidsstelsel.

49.
    Volgens Taylor blijkt uit tal van voorbeelden, dat de discriminatie niet noodzakelijk is. Ook de Commissie meent dat dit niet het geval is. Er is geen nauw structureel verband tussen de stookkostentoelage en het ouderdomspensioen en er is ook geen argument voor het tegendeel aangevoerd waaruit deze noodzaak blijkt.

50.
    De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt in de eerste plaats, dat het verband tussen de krachtens de Regulations verleende uitkering en de pensioenleeftijd objectief is in die zin dat de uitkeringsgerechtigde leeftijd rechtstreeks is gekoppeld aan het feit dat de pensioenleeftijd voor het overheidspensioen is vastgesteld op 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen.

51.
    Ik deel dit standpunt niet. Uit de bewoordingen van Regulation 2(5 en 6) blijkt immers, dat het ouderdomspensioen van de staat slechts een van de uitkeringen is die recht geven op „Winter Fuel Payments”. Het is dus heel goed mogelijk, stookkostentoelage te ontvangen zonder dat men ouderdomspensioen geniet. Zo kan het gebeuren dat iemand vóór de leeftijd van 60 jaar invaliditeitspensioen geniet, maar pas recht heeft op „Winter Fuel Payments” vanaf 65 jaar indien hij een man is, terwijl een vrouw hiervoor reeds bij 60 jaar in aanmerking komt.

52.
    Bovendien wordt in Regulation 2(5 en 6), anders dan in Regulation 2(2) overigens, uitdrukkelijk de voorwaarde van de minimumleeftijd gesteld, hetgeen zinloos zou zijn indien deze voorwaarde reeds inherent zou zijn aan het feit dat de in Regulation 2(6) genoemde uitkeringen alleen openstaan voor personen die aan deze voorwaarde voldoen.

53.
    Het verband tussen de pensioenleeftijd en de stookkostentoelage is dus geen objectief, noodzakelijk en automatisch gevolg van de leeftijd waarop het recht op de in Regulation 2(6) genoemde uitkeringen ontstaat.

54.
    Hoe kan dit verschil in behandeling, dat rechtstreeks in de Regulations zelf is neergelegd en niet voortvloeit uit de voorwaarden voor het merendeel van de uitkeringen die recht geven op de toelage, dan worden gerechtvaardigd?

55.
    De regering van het Verenigd Koninkrijk meent, dat de rechtvaardiging te vinden is in de samenhang van het socialezekerheidsstelsel.

56.
    Indien de toelage binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, dan is dat immers vanwege het verband met het risico van ouderdom. Het zou dan niet logisch zijn, een andere leeftijd te kiezen dan die welke geldt voor de betaling van het ouderdomspensioen van de staat, dat precies voor het risico van ouderdom bedoeld is.

57.
    Uit het voorgaande volgt echter dat, in tegenstelling tot hetgeen het geval was in het arrest Graham e.a.(10), er geen structureel verband bestaat tussen de toelage en het ouderdomspensioen.

58.
    Met andere woorden, het overheidspensioenstelsel zou niet worden verstoord, indien een man met een erkende handicap of een pensioen van een bepaald type, zoals dat van de posterijen, vanaf 60 jaar een stookkostentoelage zou ontvangen.

59.
    Het beroep op de samenhang van het stelsel is dan ook niet relevant. Wanneer er geen structureel verband bestaat tussen het ouderdomspensioen van de staat en de toelage van de Regulations, is een betoog dat op de samenhang vanhet stelsel berust, volgens mij niets anders dan het argument dat het theoretisch beter, of zelfs mooier, is om de uiteenlopende pensioenleeftijden als uitkeringsvoorwaarde te kiezen, ook al zou er geen enkele objectieve noodzaak zijn om dit onderscheid te behouden, in plaats van één minimumleeftijd te nemen, bijvoorbeeld de leeftijd van 60 jaar die geldt voor Regulation 2(2) of een andere leeftijd.

60.
    Het argument betreffende de samenhang van het stelsel is des te minder overtuigend nu, zoals Taylor en de Commissie terecht opmerken, het gaat om rechtvaardiging van de toepassing op het onderhavige geval, van een uitzondering op het algemene discriminatieverbod, die dus per definitie strikt moet worden uitgelegd.

61.
    Aangezien artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn dus niet op de Regulations kan worden toegepast, is het niet nodig antwoord te geven op de vraag of deze bepaling ook van toepassing is op discriminatie die na de inwerkingtreding van de richtlijn in de wet is opgenomen.

62.
    De volgende opmerkingen maak ik dan ook ten overvloede.

63.
    De Commissie sluit uit, dat een lidstaat na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van de richtlijn nog maatregelen kan nemen die aanknopen bij de uiteenlopende pensioenleeftijden die in deze lidstaat nog gelden.

64.
    Zij baseert zich met name op de tekst van artikel 7, lid 2, die luidt: „De lidstaten onderzoeken periodiek de gebieden die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd, ten einde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling ter zake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven.”

65.
    Het gebruik van het woord „handhaven” sluit volgens de Commissie nieuwe maatregelen bij voorbaat uit.

66.
    Ik wijs er echter op, dat artikel 7, lid 1, van de richtlijn naast de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd nog vier andere „uitgezonderde gebieden” bevat. Elk van deze gebieden moet periodiek worden onderzocht.

67.
    Indien een lidstaat in het kader van dit onderzoek tot de conclusie komt dat voor het eerste van de „uitgezonderde gebieden”, de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd, het ogenblik nog niet is gekomen om het onderscheid ongedaan te maken, waartoe hij volgens lid 2 het recht heeft, mag hij natuurlijk ook „de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties” handhaven. En indien de lidstaat na de omzetting van de richtlijn een nieuw type uitkering invoert, die om overtuigende redenen van samenhang (wat in casu niet het geval is) moet worden gekoppeld aan de uiteenlopende leeftijden voor de ingang van het pensioen, heeft hij naar mijn mening eveneens het recht dit te doen.

68.
    Anders zou immers de vrijheid om de pensioenleeftijden vast te stellen, die artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aan de lidstaten heeft willen laten - met alle consequenties van dien - in gevaar kunnen komen.

69.
    Artikel 7, lid 1, sub a, kan dus slechts aan zijn doel beantwoorden (of „nuttige werking” hebben), indien de lidstaten ook in de toekomst de maatregelen mogen nemen die het noodzakelijke gevolg zijn van deze vaststelling.

70.
    Gezien de bestaansreden van artikel 7, lid 1, sub a, kan daarin volgens mij dus onmogelijk een „standstill-bepaling” worden gezien.

71.
    Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de tweede vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:

„a)    Artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn moet in die zin worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een stookkostentoelage als bedoeld in de vragen van de High Court;

b)    Gezien het antwoord op vraag 2 a behoeft vraag 2 b niet te worden beantwoord.”

Conclusie

72.
    Ik geef het Hof daarom in overweging, de vragen van de High Court of Justice te beantwoorden als volgt:

„1)    Artikel 3 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet aldus worden uitgelegd, dat een toelage voor stookkosten in de winter, van het type als krachtens Regulation 2(5 en 6) en 3(1)(b) van de Social Fund Winter Fuel Payment Regulations 1998 wordt verstrekt, onder deze richtlijn valt.

2)     a)    Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 moet in die zin worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een stookkostentoelage als bedoeld in de vragen van de High Court.

    b)    Gezien het antwoord op vraag 2 a behoeft vraag 2 b niet te worden beantwoord.”


1: Oorspronkelijke taal: Frans.


2: -     PB 1979, L 6, blz. 24.


3: -     Arresten van 24 juni 1986, Drake (150/85, Jurispr. blz. 1995, punt 21); 4 februari 1992, Smithson (C-243/90, Jurispr. blz. I-467, punt 12; 16 juli 1992, Jackson en Cresswell (C-63/91 en C-64/91, Jurispr. blz. I-4737, punt 15), en 19 oktober 1995, Richardson, C-137/94, Jurispr. blz. I-3407, punt 8).


4: -     Reeds aangehaalde arresten Smithson, punt 14, en Jackson en Cresswell, punt 16.


5: -     Zie arrest Jackson en Cresswell, reeds aangehaald.


6: -     Arrest van 11 juli 1996 (C-228/94, Jurispr. blz. I-3633).


7: -     Cursivering van mij.


8: -     Arresten van 30 maart 1993, Thomas e.a. (C-328/91, Jurispr. blz. I-1247), en van 11 augustus 1995, Graham e.a. (C-92/94, Jurispr. blz. I-2521).


9: -     Anders dan het geval was in de zaak Equal Opportunities Commission (arrest van 7 juli 1992, C-9/91, Jurispr. blz. I-4297).


10: -     Zie punt 8.