Language of document : ECLI:EU:C:2012:547

Zaak C‑273/11

Mecsek-Gabona Kft.

tegen

Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága

(verzoek van de Baranya Megyei Bíróság om een prejudiciële beslissing)

„Btw – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 138, lid 1 – Voorwaarden voor vrijstelling van intracommunautaire handeling die wordt gekenmerkt door verplichting voor afnemer om vervoer te verzorgen van goed waarover hij vanaf moment van laden als eigenaar beschikt – Verplichting voor verkoper om aan te tonen dat goed grondgebied van lidstaat van levering fysiek heeft verlaten – Schrapping met terugwerkende kracht van btw-identificatienummer van afnemer”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 september 2012

1.        Harmonisatie van belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Vrijstelling van intracommunautaire levering – Weigering van vrijstelling aan verkoper – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 138, lid 1)

2.        Harmonisatie van belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Vrijstelling van intracommunautaire levering – Schrapping met terugwerkende kracht van identificatienummer van belasting over toegevoegde waarde van afnemer – Geen invloed op vrijstelling

(Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 138, lid 1)

1.        In omstandigheden waarin het recht om als eigenaar over een goed te beschikken op het grondgebied van een lidstaat wordt overgedragen aan een in een andere lidstaat gevestigde afnemer die op het tijdstip van de handeling in die andere lidstaat over een identificatienummer van de belasting over de toegevoegde waarde beschikt en voor het vervoer van dit goed naar deze andere lidstaat zorgt, en voorts de verkoper zich ervan vergewist dat de in het buitenland geregistreerde vrachtwagens het goed in zijn opslagplaats ophalen en over de CMR (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg)‑vrachtbrieven beschikt die de afnemer heeft teruggestuurd vanuit de lidstaat van bestemming, als bewijs dat het goed uit de lidstaat van de verkoper is vervoerd, moet artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/88, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat de verkoper de vrijstelling van een intracommunautaire levering wordt geweigerd, mits aan de hand van objectieve elementen wordt aangetoond dat deze verkoper de op hem rustende bewijsplicht niet is nagekomen of hij wist of had moeten weten dat de door hem verrichte handeling deel uitmaakte van fraude door de afnemer en niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat hij zelf bij deze fraude betrokken raakte.

(cf. punten 28, 55 en dictum 1)

2.        De verkoper kan de vrijstelling van een intracommunautaire levering in de zin van artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/88, niet worden geweigerd op de enkele grond dat de belastingdienst van een andere lidstaat na de levering van het goed het identificatienummer van de belasting over de toegevoegde waarde van de afnemer met terugwerkende kracht – tot vóór die levering – heeft geschrapt. Aangezien de bevoegde nationale autoriteit de status van de belastingplichtige dient na te gaan alvorens hem een identificatienummer van de belasting over de toegevoegde waarde toe te kennen, kan een eventuele onregelmatigheid in dit register immers niet tot gevolg hebben dat een marktdeelnemer die zich op de gegevens in dit register heeft gebaseerd, niet de vrijstelling krijgt waar hij recht op heeft.

(cf. punten 63, 65, dictum 2)