Language of document : ECLI:EU:C:2021:745

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. HOGAN

van 16 september 2021 (1)

Zaak C251/20

Gtflix Tv

tegen

DR

[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening nr. 1215/2012 – Publicatie op internet van smadelijke uitlatingen over een rechtspersoon – Vorderingen tot rectificatie van gegevens, verwijdering van content en vergoeding van geleden schade – Rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van geleden schade – Strategische rechtszaken tegen publieke participatie (SLAPP)”






I.      Inleiding

1.        Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2) en de latere vervanging ervan door de verschillende versies van de Brussel-verordening(3) heeft dit hele stelsel van „op Europees niveau” vastgesteld internationaal privaatrecht getracht te zorgen voor meer voorzienbaarheid en zekerheid bij de toekenning van bevoegdheid in burgerlijke zaken aan de gerechten van de afzonderlijke lidstaten. Met het stelsel van Brussel is er ook naar gestreefd om, waar mogelijk, ervoor te zorgen dat voor een bepaalde zaak de eventuele rechtsgangen in zo weinig mogelijk rechtsstelsels zijn geconcentreerd, te weten die waarmee de vordering de nauwste band heeft.

2.        Bij deze doelstellingen zijn echter vraagtekens geplaatst in een reeks zaken die minstens teruggaat tot het arrest van het Hof in de zaak Shevill(4) in 1995. Het probleem wordt bijzonder prangend wanneer een verzoeker schadevergoeding wegens niet-contractuele aansprakelijkheid in verband met smadelijke en andere soortgelijke vormen van publicatie vordert, waarbij wordt gesteld dat de onrechtmatige handeling op een groot aantal verschillende rechtsgebieden schade heeft veroorzaakt. In dergelijke omstandigheden lijkt het niet mogelijk een regel aan te wijzen die op bevredigende wijze tegemoetkomt aan deze potentieel tegenstrijdige doelstellingen om enerzijds voor zekerheid, voorzienbaarheid en nabijheid te zorgen en anderzijds een veelvoud aan mogelijke bevoegde gerechten te vermijden. Deze moeilijkheden worden groter door de technologische vooruitgang in de wereld van vandaag, wanneer de beweerdelijk smadelijke of anderszins onrechtmatige uitlatingen op internet zijn gepubliceerd.

3.        Dit is de algemene juridische achtergrond van de complexe bevoegdheidskwesties die aan de orde zijn gesteld in dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.

4.        Het verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Gtflix Tv, een in Tsjechië gevestigde onderneming die content voor volwassenen produceert, en DR, een in Hongarije gevestigde regisseur, producent en distributeur van pornografische films, met betrekking tot een schadevergoeding voor beweerdelijk smadelijke uitlatingen die door DR op verschillende websites en fora zijn gepost. Alvorens ik op de feiten of de juridische kwesties ten gronde inga, moeten evenwel eerst de relevante toepasselijke bepalingen worden belicht.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Internationaal recht

5.        Het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, dat op 20 maart 1883 is ondertekend, op 14 juli 1967 te Stockholm is herzien en op 28 september 1979 is gewijzigd (United Nations Treaty Series, deel 828, nr. 11851, blz. 305), heeft betrekking op industriële eigendom in de ruimste zin van het begrip en bestrijkt octrooien van uitvinding, fabrieks- of handelsmerken, tekeningen of modellen van nijverheid, gebruiksmodellen, dienstmerken, handelsnamen, geografische aanduidingen en de bestrijding van de oneerlijke mededinging.

6.        Artikel 10 bis van dit verdrag bepaalt:

„1)      De landen der Unie zijn gehouden aan hen, die tot de Unie behoren, een daadwerkelijke bescherming te verlenen tegen de oneerlijke mededinging.

2)      Elke daad van mededinging, strijdig met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel, levert een daad van oneerlijke mededinging op.

3)      Met name zullen moeten worden verboden:

1.      alle daden, welke ook, die verwarring zouden kunnen verwekken door onverschillig welk middel ten opzichte van de inrichting, de waren of de werkzaamheid op het gebied van nijverheid of handel van een concurrent;

2.      valse beweringen bij het handel drijven, die de inrichting, de waren of de werkzaamheid op het gebied van nijverheid of handel van een concurrent in diskrediet zouden kunnen brengen;

3.      aanduidingen of beweringen, waarvan het gebruik zich bij het handel drijven leent tot het verwekken van verwarring bij het publiek omtrent de aard, de wijze van vervaardiging, de kenmerken, de bruikbaarheid of de hoeveelheid van de waren.”

B.      Unierecht

1.      Verordening nr. 1215/2012

7.        De overwegingen 13 tot en met 16 en 21 van verordening nr. 1215/2012 luiden:

„(13)      Er moet een band bestaan tussen de procedures waarop deze verordening van toepassing is en het grondgebied van de lidstaten. De gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid moeten derhalve in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft.

(14)      Ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, gelden als regel de nationale bevoegdheidsregels die worden toegepast op het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak is aangebracht.

Met het oog op de bescherming van consumenten en werknemers, en teneinde de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in gevallen waarin deze exclusieve bevoegdheid hebben, zeker te stellen en de autonomie van de partijen te eerbiedigen, dienen bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder.

(15)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.

[...]

(21)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”

8.        De bevoegdheidsregels staan in hoofdstuk II van deze verordening, dat de artikelen 4 tot en met 35 omvat.

9.        Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, dat deel uitmaakt van afdeling 1 („Algemene bepalingen”) van hoofdstuk II, luidt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

10.      Artikel 5, lid 1, van deze verordening, dat onderdeel is van deze afdeling 1, bepaalt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

11.      De formulering van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 is identiek aan de formulering van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die is ingetrokken bij verordening nr. 1215/2012, en komt overeen met de formulering van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag. Deze bepaling, die is opgenomen in hoofdstuk II, afdeling 2, „Bijzondere bevoegdheid”, van verordening nr. 1215/2012, luidt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

2.      ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;”

12.      Artikel 30 van verordening nr. 1215/2012 luidt als volgt:

„1.      Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2.      Indien de vordering bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in eerste aanleg aanhangig is, kan elk ander gerecht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.

3.      Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

2.      Verordening nr. 864/2007

13.      Overweging 7 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”)(5) luidt:

„(7)      Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening moeten stroken met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‚Brussel I’)[(6)] en met de instrumenten betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.”

14.      Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Algemene bepalingen”, luidt als volgt:

„1.      Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.

2.      Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing.

3.      Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.”

15.      Artikel 6 van dezelfde verordening, met als opschrift „Oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken”, bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie, wordt beheerst door het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen van de consumenten worden geschaad of dreigen te worden geschaad.

2.      In het geval dat een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, is artikel 4 van toepassing.”

C.      Frans recht

16.      In het Franse recht wordt onder oneerlijke concurrentie verstaan elke handeling waarbij buitensporig gebruik wordt gemaakt van de vrijheid van ondernemerschap, door procedures toe te passen die in strijd zijn met de regels en gebruiken en die schade veroorzaken. Een van de erkende vormen van oneerlijke concurrentie is dénigrement (smaad gericht tegen de producten of diensten van een derde), die volgens de rechtspraak van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bestaat in het openbaar maken van informatie waarmee een concurrent in diskrediet kan worden gebracht.(7) Deze onrechtmatige daad – die moet worden onderscheiden van diffamation (smaad gericht tegen natuurlijke of rechtspersonen) – valt onder de Franse regels inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid.

III. Feiten van het hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing

17.      Gtflix Tv is een in Tsjechië gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de productie en distributie van wat soms eufemistisch wordt omschreven als televisieprogramma’s voor volwassenen. DR is een in Hongarije gevestigde regisseur, producent en distributeur van pornografische films. Zijn films worden verkocht via websites die in Hongarije worden gehost en waarvan hij de eigenaar is.

18.      DR zou zich op verschillende websites en fora regelmatig schuldig hebben gemaakt aan smadelijke uitlatingen over Gtflix Tv. Gtflix Tv heeft DR formeel aangemaand deze uitlatingen te verwijderen. Aangezien hij daaraan geen gevolg gaf, heeft Gtflix Tv bij de president van de tribunal de grande instance de Lyon (rechter in eerste aanleg Lyon, Frankrijk) een kort geding tegen DR aangespannen. Gtflix Tv vorderde daarbij:

–        dat DR zou worden gelast, op straffe van een dwangsom, zich te onthouden van elke smadelijke uitlating over Gtflix Tv en haar website en om op elk van de betrokken fora een rectificatie in het Frans en het Engels te publiceren;

–        dat het Gtflix Tv zou worden toegestaan om een reactie op de door DR beheerde fora te posten;

–        dat DR zou worden veroordeeld om aan Gtflix Tv één symbolische euro te betalen ter vergoeding van haar economische schade en eenzelfde bedrag ter vergoeding van haar immateriële schade.

19.      Verweerder heeft daarop een exceptie van onbevoegdheid van de Franse rechter opgeworpen. De tribunal de grande instance de Lyon was het op dit punt eens met het door verweerder aangevoerde middel.

20.      Gtflix Tv is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan bij de cour d’appel de Lyon (rechter in tweede aanleg Lyon, Frankrijk) en heeft daarbij haar schadevordering tot vergoeding van de door haar in Frankrijk geleden commerciële en immateriële schade verhoogd tot het voorlopige bedrag van 10 000 EUR. Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft ook die rechter de Franse rechter onbevoegd verklaard.

21.      Verzoekster heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Cour de cassation. Bij deze rechter komt Gtflix Tv op tegen de uitspraak van de cour d’appel de Lyon van 24 juli 2018, voor zover daarin de Franse rechter onbevoegd is verklaard ten gunste van de Tsjechische rechter, aangezien volgens haar de gerechten van een lidstaat wel degelijk bevoegd zijn om kennis te nemen van zaken betreffende schade die op het grondgebied van die lidstaat is veroorzaakt door onlinecontent, indien die content daar toegankelijk was. Door de Franse rechter onbevoegd te verklaren op grond dat het niet volstaat dat de op internet geplaatste, smadelijk geachte uitlatingen toegankelijk zijn binnen het rechtsgebied van het aangezochte gerecht, maar dat die content ook van enig belang moet zijn voor de ingezetene van die lidstaat, heeft de cour d’appel de Lyon artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 geschonden.

22.      De verwijzende rechter lijkt van oordeel te zijn dat de cour d’appel de Lyon bij zijn beslissing inderdaad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar dat de onbevoegdheid van de Franse rechter om kennis te nemen van het verzoek tot rectificatie of verwijdering van de uitlatingen niettemin gerechtvaardigd is. Uit het arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), volgt immers dat een verzoek tot rectificatie of verwijdering van gegevens niet bij de gerechten van een staat kan worden ingediend louter omdat die gegevens vanuit die lidstaat toegankelijk zijn. Deze redenering is weliswaar vervat in een arrest dat is gewezen in het kader van een geding wegens (gewone) smaad (diffamation), maar voor zover de redenering in die zaak gebaseerd was op de alomtegenwoordigheid van de betrokken gegevens, lijkt deze redenering naar analogie te kunnen worden toegepast op verzoeken tot verwijdering of rectificatie van beweringen die (beweerdelijk) smaad in het kader van concurrentie (dénigrement) vormen.

23.      De verwijzende rechter vraagt zich echter af of verzoekster een vordering tot schadevergoeding in verband met het bestaan van dergelijke handelingen van oneerlijke concurrentie kan instellen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan online geplaatste content toegankelijk is of was, wanneer zij gelijktijdig de rectificatie van gegevens, de verwijdering van content en de vergoeding van immateriële en economische schade vordert, dan wel of zij deze vordering tot schadevergoeding moet instellen bij de rechter die bevoegd is om de rectificatie van gegevens en de verwijdering van de smadelijke uitlatingen te gelasten.

24.      In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 7, punt 2, van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat een persoon die zijn rechten geschonden acht door de verspreiding van smadelijke uitlatingen op internet en die zowel rectificatie van de gegevens en verwijdering van de content vordert als vergoeding van de daaruit voortvloeiende immateriële en economische schade, overeenkomstig het arrest [van 25 oktober 2011, eDate Advertising (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punten 51 en 52),] bij de rechterlijke instanties van elke lidstaat op het grondgebied waarvan online geplaatste content toegankelijk is of is geweest, een vordering tot vergoeding van de op het grondgebied van die lidstaat geleden schade kan instellen dan wel aldus dat hij deze schadevordering krachtens het arrest [van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 48),] moet instellen bij de rechter die bevoegd is om rectificatie van de gegevens en verwijdering van de smadelijke reacties te gelasten?”

IV.    Beoordeling

25.      Allereerst moet worden beklemtoond dat het enkele feit dat in het kader van één verzoek meerdere soorten vorderingen tezamen worden ingesteld, geen gevolgen heeft voor de bevoegdheidsregels die op elk van die vorderingen van toepassing zijn, aangezien het verzoek zo nodig kan worden opgesplitst.(8) Bovendien moet er in het hoofdgeding op worden gewezen dat, hoewel verzoekster verschillende soorten vorderingen heeft ingesteld, de door de verwijzende rechter voorgelegde vraag enkel betrekking heeft op de bepaling van de gerechten die bevoegd moeten worden geacht om kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding wegens smaad in het kader van concurrentie.

26.      In dit verband zij eraan herinnerd dat in afwijking van artikel 4 van verordening nr. 1215/2012 – op grond waarvan de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, de bevoegdheid wordt toegekend om het geschil ten gronde te beoordelen – in artikel 7, punt 2, van die verordening is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.(9)

27.      Voor zover de bewoordingen en doelstellingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 overeenkomen met die van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 en met de nog eerdere van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag, moet de uitlegging die het Hof met betrekking tot deze twee laatstgenoemde bepalingen heeft gegeven, worden geacht ook te gelden voor artikel 7, punt 2.(10)

28.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof berust de in artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag en artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde regel inzake bijzondere bevoegdheid op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zodat de bevoegdheid van deze rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting.(11) Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, normaliter inderdaad het best in staat om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is.(12)

29.      Voor zover deze bepaling echter een uitzondering vormt op het fundamentele beginsel dat thans is vervat in artikel 4 van verordening nr. 1215/2012, op grond waarvan de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, moet artikel 7, punt 2, restrictief worden uitgelegd en mag die bepaling niet aldus worden uitgelegd dat zij verder gaat dan de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.(13)

30.      Volgens een even vaste lijn in de rechtspraak van het Hof moet het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”(14) echter aldus worden opgevat dat het op twee verschillende plaatsen doelt, namelijk de plaats waar de schade zich concreet heeft voorgedaan en de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (ook de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis genoemd) die elk naargelang van de omstandigheden een bijzonder nuttige aanwijzing kunnen vormen voor de bewijsvoering en de inrichting van de procedure.(15) Wanneer de plaats waar deze aanknopingspunten zich bevinden verschillend is, kan de verweerder dus naar keuze van de verzoeker worden opgeroepen voor de gerechten van een van deze beide plaatsen.(16)

31.      In casu heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden.

32.      In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat dit aanknopingspunt de plaats is waar de gevolgen van het schadeveroorzakende feit intreden, dat wil zeggen de plaats waar de door het gebrekkige product teweeggebrachte schade zich concreet voordoet.(17) Deze plaats kan echter verschillen naargelang van de exacte aard van het recht dat zou zijn geschonden.(18)

33.      Zo heeft het Hof geoordeeld dat in het geval van fraude met gevolgen voor de waarde van financiële certificaten die, als gedematerialiseerde effecten, noodzakelijkerwijs op een specifieke bankrekening (een zogenoemde effectenrekening) worden gedeponeerd, de gerechten van de woonplaats van de verzoeker – uit hoofde van het intreden van de schade – bevoegd zijn wanneer die bankrekening wordt aangehouden bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.(19) Het Hof heeft echter geoordeeld dat deze oplossing niet van toepassing is wanneer de verzoeker vergoeding vordert voor financiële schade die het gevolg is van beleggingsbeslissingen die zijn genomen onder invloed van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie die wereldwijd gemakkelijk toegankelijk is, indien de onderneming die de betrokken financiële instrumenten heeft uitgegeven, niet onderworpen was aan wettelijke openbaarmakingsverplichtingen in de lidstaat waarin de bank of beleggingsonderneming is gevestigd waarbij de rekening in het register is ingeschreven.(20)

34.      Met betrekking tot het geval van vermeende immateriële schade als gevolg van een in verschillende lidstaten verspreid artikel in de pers, heeft het Hof in het arrest Shevill geoordeeld dat de gelaedeerde tegen de uitgever een rechtsvordering tot schadevergoeding kan instellen ofwel voor de gerechten van de staat van de plaats van vestiging van de uitgever van de beledigende publicatie, die bevoegd zijn de vordering betreffende de volledige schade als gevolg van de belediging toe te wijzen, ofwel voor de gerechten van elke staat waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast, welke gerechten enkel bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen betreffende de in de staat van het geadieerde gerecht toegebrachte schade.(21) Deze laatste bevoegdheidsregel is soms – met name door critici ervan – omschreven als een beginsel van bevoegdheidsspreiding, dat gemakshalve kan worden aangeduid als de „mozaïekbenadering” voor bevoegdheden.(22)

35.      Nadien werd het Hof in de zaak eDate verzocht zich te buigen over de kwestie van transnationale smadelijke onlinecontent. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat die situaties verschillen van situaties met betrekking tot offlinecontent doordat ten eerste onlinecontent overal tegelijk beschikbaar kan zijn en het ten tweede moeilijk is om die verspreiding met zekerheid en betrouwbaar voor een bepaalde lidstaat in cijfers uit te drukken, en dus om de uitsluitend in die lidstaat berokkende schade te evalueren.(23) Het Hof heeft bijgevolg geoordeeld dat wanneer de beheerder van de website waarop de betrokken content wordt gehost, geen beperkende maatregelen heeft genomen, het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft, bevoegd moet zijn om ten gronde te oordelen over een vordering tot schadevergoeding van de volledige geleden schade, op grond dat dit de plaats is waar de gevolgen van onlinecontent voor de persoonlijkheidsrechten van een persoon het best kunnen worden beoordeeld.(24) Volgens het Hof is deze plaats meestal, maar niet noodzakelijk, zijn gewone verblijfplaats. Een persoon kan het centrum van zijn belangen echter in een andere lidstaat hebben waar hij niet gewoonlijk verblijft, voor zover uit andere aanwijzingen, zoals de uitoefening van een beroepsactiviteit, kan blijken dat hij een bijzonder nauwe band met die staat heeft.(25)

36.      Naast dit aanknopingspunt heeft het Hof in punt 51 van het arrest eDate geoordeeld dat de klager ook een vordering kon instellen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest. Deze gerechten kunnen enkel kennisnemen van vorderingen betreffende schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht.(26)

37.      Als gevolg van dat arrest kan een persoon die meent slachtoffer te zijn van schending van persoonlijkheidsrechten wegens een op internet gepleegde smadelijke handeling, dus een vordering instellen bij drie fora waarvoor de betrokken nationale gerechten bevoegd zullen zijn om kennis te nemen van de volledige schade, namelijk de woonplaats van de verweerder, de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis – dat wil zeggen de plaats waar het besluit tot verspreiding van het betrokken bericht is genomen, ongeacht of dit uitdrukkelijk of stilzwijgend was(27) – en de plaats van het centrum van de belangen van de verzoeker. Deze persoon heeft ook de mogelijkheid om een vordering in te stellen bij verschillende andere fora, namelijk in de verschillende lidstaten waar de betrokken publicatie toegankelijk is of is geweest, maar waarvoor de desbetreffende nationale gerechten enkel bevoegd zullen zijn indien de schade is ingetreden op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

38.      In een latere reeks van drie zaken werd de mogelijkheid om een vordering in te stellen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan online geplaatste content toegankelijk is of is geweest, bevestigd en toegepast op schendingen van auteursrechten op internet, op grond dat die gerechten het best zijn geplaatst, ten eerste, om na te gaan of die rechten daadwerkelijk zijn geschonden en, ten tweede, om de aard van de schade te bepalen: de zaken Pinckney(28), Hejduk(29) en  Hi Hotel HCF(30). Met name in de zaak Hejduk heeft het Hof deze beoordeling bevestigd, ook al heeft het zich daarin niet aangesloten bij de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón, die van mening was dat een dergelijk beginsel zou leiden tot rechtsonzekerheid voor de partijen(31). In elk van deze zaken heeft het Hof zijn standpunt gemotiveerd met het argument dat de bescherming van het auteursrecht gewoonlijk territoriaal gebonden is, dat wil zeggen dat het recht van de staten in feite alleen voorziet in straffen voor inbreuken op het auteursrecht die op hun grondgebied zijn gepleegd.(32)

39.      Tot slot werd het Hof in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan verzocht om in het kader van de eerste vraag te bepalen of de analyse in het arrest  eDate van toepassing was op de vorderingen van een rechtspersoon tot rectificatie van op een website gepubliceerde beweerdelijk onjuiste content, verwijdering van reacties daarop in een discussieforum op die website en vergoeding van de beweerdelijk geleden schade.

40.      In dit verband heeft het Hof met betrekking tot de vorderingen tot rectificatie en verwijdering geoordeeld dat de in het arrest eDate geformuleerde regel dat de gerechten van de lidstaat waar zich het centrum van de belangen van het slachtoffer bevindt, bevoegd zijn om de volledige geleden schade ten gronde te beoordelen, eveneens geldt voor rechtspersonen, ongeacht of de betrokken content van dien aard is dat deze materiële of immateriële schade veroorzaakt.(33) Volgens het Hof moet het centrum van de belangen van een onderneming in die situatie weergeven waar haar zakelijke reputatie het sterkst is en moet dit centrum dus worden bepaald op basis van de plaats waar zij het wezenlijke deel van haar economische activiteiten verricht. Hoewel het centrum van de belangen van een rechtspersoon kan samenvallen met de plaats waar hij zijn statutaire zetel heeft wanneer hij in de lidstaat waar die zetel zich bevindt alle of het merendeel van zijn activiteiten verricht en de goede naam die hij daar heeft dus belangrijker is dan in een andere lidstaat, is de plaats van die zetel in deze context op zichzelf echter geen doorslaggevend criterium bij een dergelijke analyse.(34)

41.      In antwoord op de tweede vraag in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan, betreffende de kwestie welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot rectificatie of verwijdering van op internet geplaatste reacties, heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijke vordering niet kan worden ingesteld bij de gerechten van elke lidstaat, aangezien „[g]elet op de alomtegenwoordigheid van gegevens en content die online zijn geplaatst op een website en op het feit dat de reikwijdte van de verspreiding van die gegevens en content in beginsel wereldwijd is [...] een vordering tot rectificatie van de gegevens en verwijdering van de content evenwel niet te splitsen [is]”.(35) Volgens het Hof kan een dergelijke vordering alleen worden ingesteld bij dezelfde rechter als die waaraan bevoegdheid is verleend om ten gronde kennis te nemen van de gehele vordering tot vergoeding van de schade.

42.      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of het, gelet op de redenen die het Hof aanvoert ter rechtvaardiging van de exclusieve bevoegdheid van bepaalde gerechten met betrekking tot de verwijdering of rectificatie van betwiste content, niet passend zou zijn om ook de exclusieve bevoegdheid van diezelfde gerechten met betrekking tot schadevergoeding te erkennen. Hiermee wordt impliciet de vraag opgeworpen of het Hof in het arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), niet zozeer eenvoudigweg de eerdere rechtspraak op deze manier heeft gedifferentieerd, maar voorts beoogde een volledige ommekeer in zijn rechtspraak te bewerkstelligen en dus ook de mozaïekbenadering met betrekking tot schadevorderingen los te laten.(36)

43.      Om te beginnen wil ik duidelijk maken dat de formulering van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 volgens mij niet belet dat de mozaïekbenadering wordt losgelaten en evenmin vereist dat deze benadering wordt gehandhaafd. Zoals hierboven is uiteengezet, beperkt deze bepaling zich immers – zonder nadere preciseringen – tot de vaststelling van het beginsel dat de gerechten van de plaats waar de schade zich concreet voordoet, bevoegd zijn.

44.      Verder vind ik het moeilijk om uit het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan een conclusie over de mozaïekbenadering te trekken. Hoewel advocaat-generaal Bobek het Hof uitdrukkelijk had uitgenodigd om zijn rechtspraak te herzien, heeft het Hof met betrekking tot de eerste vraag – die waarbij had kunnen worden ingegaan op de problemen in verband met het vasthouden aan de mozaïekbenadering voor bevoegdheden met betrekking tot schadevorderingen – ervoor gekozen om een betrekkelijk beknopt antwoord te formuleren, dat alleen betrekking had op de gerechten die bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen tot rectificatie of verwijdering van reacties.(37) Voor zover het Hof zich ter rechtvaardiging van de exclusieve bevoegdheid van bepaalde gerechten om te oordelen over vorderingen tot rectificatie of verwijdering van onlinecontent heeft beroepen op het ondeelbare karakter van dergelijke vorderingen, impliceert dit antwoord niet noodzakelijkerwijs dat de mozaïekbenadering voor vorderingen tot schadevergoeding wordt losgelaten.

45.      Het feit, bijvoorbeeld, dat een nationaal gerecht op grond van het in de lidstaat van dat gerecht toepasselijke recht en met name gelet op de aard en de toegankelijkheid van de betrokken content en de reputatie van de desbetreffende persoon in die lidstaat, beslist dat de verzoeker niet hoeft te worden vergoed voor de schade die hij op het grondgebied van diezelfde lidstaat heeft geleden, sluit niet uit dat een gerecht in een andere lidstaat op grond van een ander rechtsstelsel en andere overwegingen beslist om die verzoeker te vergoeden. Er zijn zeker omstandigheden denkbaar waarin een verzoeker in lidstaat A niet in het gelijk wordt gesteld, omdat de publicatie in die staat zeer waarschijnlijk slechts door een zeer gering aantal mensen is gelezen of omdat de verzoeker in die staat niet echt een reputatie te beschermen had, terwijl hij wel in het gelijk wordt gesteld in lidstaat B, waar meer mensen de publicatie in kwestie zouden kunnen hebben gelezen of waar de verzoeker een sterkere reputatie had die daadwerkelijk door de publicatie was geschaad of aangetast.

46.      Aangezien de regeling inzake smaad een typisch nationaalrechtelijke aangelegenheid blijft en de wetgevingen daaromtrent niet zijn geharmoniseerd, zijn er ook omstandigheden denkbaar waarin bepaalde woorden in lidstaat C als smadelijk kunnen worden beschouwd, maar in lidstaat D niet. Indien verschillende nationale gerechten tegengestelde uitspraken zouden wijzen met betrekking tot vorderingen tot rectificatie of verwijdering van dezelfde onlinecontent, zouden de personen die de website beheren waarop de betrokken content beschikbaar is en beschikbaar is gesteld, evenwel niet in staat zijn om gelijktijdig aan deze beslissingen gevolg te geven.

47.      Het is juist dat het Hof in punt 31 van het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan naar de mozaïekbenadering verwijst en enkel het arrest Shevill als precedent vermeldt. Dit lijkt mij echter niet van belang, aangezien het Hof niet steeds al zijn eerdere rechtspraak aanhaalt.(38)

48.      In dit verband is het zeer waarschijnlijk dat het Hof in het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan opzettelijk heeft vermeden een standpunt in te nemen over de vraag of met betrekking tot schadevergoedingszaken al dan niet moet worden vastgehouden aan de mozaïekbenadering.(39) Dit betekent echter niet dat niet moet worden nagegaan of dit wel een geschikte oplossing is.

49.      In zijn conclusie in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan  was advocaat-generaal Bobek van mening dat deze benadering noch de belangen van de partijen, noch het algemeen belang diende. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij verschillende argumenten voor het loslaten ervan aangevoerd, waarvan er drie waarschijnlijk relevant zullen zijn voor schadevorderingen.

50.      In de eerste plaats heeft het Hof, toen het de oplossing van het arrest Shevill uitbreidde tot onlinecontent, geen rekening gehouden met het specifieke karakter van het internet, namelijk dat alle daarop gepubliceerde content een alomtegenwoordig karakter heeft.(40) In een dergelijke context zou de toepassing van de mozaïekbenadering leiden tot een veelheid van bevoegde fora, waardoor het voor de auteur van de content moeilijk zou worden om te voorspellen welk gerecht bevoegd zou zijn in geval van een geschil.(41)

51.      In de tweede plaats zou het beginsel van mozaïekbevoegdheid een risico inhouden van versnippering van de vorderingen over de gerechten van de lidstaten die uitsluitend bevoegd zijn voor schade die op hun nationale grondgebied is veroorzaakt. In de praktijk zou het moeilijk zijn om dergelijke vorderingen op elkaar af te stemmen.(42)

52.      In de derde plaats zou de „proliferatie” van het aantal bijzondere bevoegdheidsgronden niet dienen ter bescherming van degenen het slachtoffer zijn van smaad, aangezien zij hoe dan ook het recht hebben om de auteurs van de smadelijke inhoud aan te klagen in de rechtsgebieden waar zij het centrum van hun belangen hebben, wat voor hen het gemakkelijkst zal zijn. In die context zou een dergelijke proliferatie alleen maar kunnen dienen om strategieën van gerechtelijke intimidatie aan te moedigen.(43)

53.      Ik erken dat deze argumenten een aanzienlijk gewicht in de schaal leggen, met name in het licht van de doelstellingen die met verordening nr. 1215/2012 worden nagestreefd. Ten eerste wordt in overweging 21 van die verordening gepreciseerd dat zij tot doel heeft parallel lopende processen zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Ten tweede volgt uit overweging 15 van die verordening dat de bevoegdheidsregels moeten zorgen voor rechtszekerheid. Ten derde staat in overweging 16 dat eventuele alternatieve bevoegdheidsgronden voor de fora van de woonplaats van de verweerder gebaseerd zijn op een nauwere band van die fora met de vordering of op de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

54.      In dit verband zou men geneigd kunnen zijn om ter rechtvaardiging van het loslaten van de mozaïekbenadering een argument te ontlenen aan het feit dat de in de arresten Shevill en eDate bereikte oplossingen betrekking hadden op de uitlegging van verordening nr. 44/2001 en niet op die van verordening nr. 1215/2012. Overweging 16 van laatstgenoemde verordening, die anders is verwoord dan overweging 12 van eerstgenoemde verordening, benadrukt thans immers het belang van het rechtszekerheidsbeginsel bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad; een toevoeging die erop zou kunnen wijzen dat de Uniewetgever ook heeft beoogd aspecten van de eerdere rechtspraak van het Hof terug te draaien.

55.      Een dergelijke uitlegging lijkt me echter wat te ver gaan. Zelf ben ik van mening dat deze toevoeging het best kan worden opgevat als een eenvoudige verduidelijking van het doel dat met artikel 7 van verordening nr. 1215/2012 wordt nagestreefd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de vaststelling van deze verordening specifiek zou kunnen worden geacht te suggereren dat de mozaïekbenadering niet langer strookt met de stand van het recht. Het loslaten van deze benadering zou dus neerkomen op een ommekeer in de bestaande rechtspraak.

56.      Hoewel het Hof geen strikt stelsel van precedentwerking toepast, moet elke aanzienlijke afwijking van een onderdeel van vaste rechtspraak toch uitzonderlijk zijn en is het dat ook. Het is evenwel juist dat het Hof in het verleden een deel van zijn rechtspraak heeft herzien. Zoals opgemerkt door professor F. Picod(44), was dit bijvoorbeeld het geval wanneer bleek dat de uitlegging die aan een bepaling was gegeven, in de praktijk leidde tot een regel die niet erg doeltreffend was(45), of dat deze uitlegging op hevig verzet stuitte van de nationale rechterlijke instanties die met de toepassing ervan waren belast(46), of dat deze uitlegging inmiddels achterhaald was als gevolg van bepaalde sociale, politieke of technologische ontwikkelingen(47).

57.      Aangezien de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid ook voor het Hof gelden, mag een dergelijke herziening van eerdere rechtspraak echter niet plaatsvinden zonder dat daarvoor een ernstige reden bestaat en moet zij beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is. Bovendien moet een dergelijke herziening, zelfs wanneer een dergelijke reden bestaat, er met name naar streven eventuele terugwerkende gevolgen te beperken, terwijl ook het beginsel van het gezag van gewijsde wordt geëerbiedigd.

58.      In casu is de vraag derhalve of de (weliswaar) problematische kenmerken van de mozaïekbenadering dermate ernstig zijn dat zij het loslaten ervan rechtvaardigen en, zelfs indien dit het geval zou zijn, of er voor het Hof een andere benadering openstaat dan deze potentieel vergaande benadering. Hoewel ik de kracht van de argumenten van advocaat-generaal Bobek in zijn conclusie in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan volledig erken, ben ik er niet van overtuigd dat de sinds het arrest Shevill tot stand gekomen rechtspraak op deze manier moet worden teruggedraaid. Ik zeg dat om de volgende redenen.

59.      In de eerste plaats is de alomtegenwoordigheid van op internet geplaatste content niet nieuw.(48) Het is waar dat sociale netwerken aanzienlijk zijn gegroeid sinds het arrest eDate in 2011, maar zelfs toen had Facebook al meer dan 500 miljoen gebruikers, van wie de helft dagelijks inlogde.(49)

60.      In de tweede plaats moeten de problemen die voortvloeien uit de mogelijkheid om gedingen bij verschillende gerechten aanhangig te maken, worden gerelativeerd. Vanuit strikt juridisch oogpunt levert het mozaïekbeginsel namelijk geen enkel coördineringsprobleem op in geval van gelijktijdige procedures. Aangezien elke nationale rechter slechts bevoegd is om uitspraak te doen over de schade die intreedt op het grondgebied van de lidstaat waartoe hij behoort, zal elke nationale rechter – bij gebreke van harmonisatie van de regels inzake smaad – logischerwijs een verschillend recht toepassen, namelijk het recht dat in elk van deze grondgebieden van toepassing is, en zullen deze procedures niet hetzelfde voorwerp, dat overeenkomt met de vorderingen van de betrokkene, en dezelfde grondslag, die krachtens het Unierecht verwijst naar de juridische en de feitelijke basis van die vorderingen, hebben.(50)

61.      Vanuit praktisch oogpunt leidt de toepassing van de mozaïekbenadering ertoe dat niet alle gerechten van de lidstaten bevoegdheid wordt toegekend, maar alleen die van de lidstaten waar de betwiste inhoud toegankelijk is.(51) Afhankelijk van hoe het begrip „toegankelijkheid” moet worden opgevat, hetgeen in de rechtspraak van het Hof onduidelijk is tot nog toe, zullen niet alle gerechten van alle lidstaten bevoegd zijn. Zelfs wanneer verscheidene gerechten bevoegd zijn, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat wordt geoordeeld dat de schade op het grondgebied van elk van de betrokken lidstaten is ingetreden. Zoals ik reeds heb opgemerkt, zijn de mate van bekendheid van de natuurlijke of rechtspersoon die het slachtoffer zou zijn geweest van een smadelijke uitlating(52), de taal waarin de betrokken publicatie is opgesteld, de presentatie(53), de context, de verwijzingen die zijn gebruikt om het bericht te formuleren, en het aantal bezoekers uit de betrokken lidstaten dat toegang heeft gehad tot deze publicatie(54), allemaal elementen op grond waarvan de gerechten kunnen oordelen dat de betrokkene geen schade heeft geleden op het grondgebied waarvoor zij geografisch bevoegd zijn.

62.      In deze context lijkt het probleem van het mozaïekbeginsel in werkelijkheid vooral verband te houden met het bestaan van een risico van gerechtelijke intimidatie. De veelheid van bevoegde gerechten creëert een vruchtbare bodem voor strategieën van gerechtelijke intimidatie en, in het bijzonder, voor strategische rechtszaken tegen publieke participatie (SLAPP, „recours bâillon” in het Frans).(55) Aangezien een verweerder genoopt wordt energie en middelen te steken in elke rechtszaak, ongeacht de gegrondheid van de vordering, kan een persoon een andere persoon schade toebrengen (of, voor een onderneming, een concurrentienadeel, door verspilling van managementtijd en -middelen) door meerdere rechtszaken aanhangig te maken of alleen al door daarmee te dreigen.

63.      Dat dergelijke strategieën door sommige minder gewetensvolle verzoekers in hun voordeel kunnen worden toegepast, komt echter deels doordat de bestaande regels in de lidstaten betreffende de terugbetaling van proceskosten vaak niet streng genoeg zijn met betrekking tot de verplichting van de in het ongelijk gestelde partij om de in het gelijk gestelde partij te vergoeden voor de schade die, naargelang van het geval, is veroorzaakt door de vordering of door het feit dat die partij zich op een wijze die misbruik vormt, tegen de vorderingen van de verzoeker heeft verzet. Deze regels houden immers niet altijd voldoende rekening met de indirecte kosten die de regeling van een procedure meebrengt (met name de kosten van de door het geschil veroorzaakte ongemakken), terwijl deze kosten in de praktijk aanzienlijk kunnen zijn, zowel in economisch als in immaterieel opzicht.(56) Indien deze kosten systematisch en beter zouden worden vergoed, met name in geval van misbruik van procedure, zouden verzoekers worden ontmoedigd om misbruik te maken van het mozaïekbeginsel, aangezien zij dan het risico zouden lopen dat zij, indien zij in het ongelijk worden gesteld, een aanzienlijke schadevergoeding moeten betalen aan de verweerder.

64.      Daarnaast nemen verweerders mogelijk bepaalde maatregelen om zich tegen dit soort risico’s te beschermen. Zo kunnen zij, afhankelijk van de context, een negatieve declaratoire vordering instellen bij een volledig bevoegd gerecht.(57) Aangezien dat gerecht bevoegd zal zijn om uitspraak te doen over de schade op het gehele grondgebied van de Unie, zal de toepassing van de regels inzake wederzijdse erkenning van beslissingen, waarin is voorzien bij verordening nr. 1215/2012, tot gevolg hebben dat alle andere gerechten niet meer bevoegd zijn om uitspraak te doen over de schade die op het grondgebied van slechts één lidstaat intreedt. Meer in het algemeen hebben de partijen op grond van artikel 30 van verordening nr. 1215/2012 ook de mogelijkheid om te verzoeken om schorsing van de behandeling of zelfs om afwijzing van de vordering in geval van samenhangende vorderingen, dit wil zeggen vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling verlangt dat zij gelijktijdig worden behandeld en berecht, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.(58) Dit heeft met name tot gevolg dat de auteur van de vermeende smadelijke content niet de last hoeft te dragen van het feit dat hij in verschillende procedures tegelijk moet optreden.

65.      Het belangrijkste is dat, aangezien de middelen van potentiële verzoekers niet onbeperkt zijn, de toepassing van een procesvoeringsstrategie die is gebaseerd op het aanhangig maken van meerdere rechtszaken, zelden in hun voordeel zal zijn. Dergelijke strategieën zullen dan ook meestal worden toegepast door marktdeelnemers met aanzienlijke middelen. Voor hen zal het verdwijnen van het mozaïekbeginsel echter geen beletsel vormen om dit soort strategie toe te passen. Zo moet volgens de rechtspraak van het Hof het criterium van het centrum van de belangen worden beoordeeld op het niveau van elk rechtssubject.(59) In het geval van een vennootschap die is georganiseerd in de vorm van een groep van ondernemingen met soortgelijke namen, zal de toepassing van het criterium van het centrum van de belangen dus in feite betekenen dat elke juridische entiteit binnen die groep (die mogelijk niet voor 100 % wordt gecontroleerd door een moedermaatschappij) het recht zal hebben om tegen de auteur van het bericht een vordering wegens de geleden schade in te stellen bij de gerechten van de staat waar elk van hen het centrum van haar belangen heeft.(60)

66.      In de derde plaats is het niet echt duidelijk of de mozaïekbenadering daadwerkelijk in strijd zou zijn met de doelstellingen die met verordening nr. 1215/2012 worden nagestreefd. Zoals in het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan is onderstreept, was de in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 vastgelegde regel inzake bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad immers niet bedoeld om de zwakste partij een betere bescherming te bieden.(61) Bijgevolg is het in beginsel irrelevant dat de toepassing van de mozaïekbenadering een van de partijen potentieel zou kunnen benadelen.

67.      Wat meer bepaald de drie doelstellingen betreft die worden nagestreefd met de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 die betrekking hebben op rechterlijke bevoegdheid, kan in verband met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 uiteengezette doelstelling van rechtszekerheid worden opgemerkt dat het Hof van oordeel is dat daaraan is voldaan wanneer de verweerder op grond van het gehanteerde criterium kan bepalen voor welke gerechten hij kan worden opgeroepen. Zoals de Australische High Court (hoogste rechterlijke instantie) in het baanbrekende arrest Dow Jones and Company Inc v Gutnick heeft benadrukt, kan er vanuit dit oogpunt op worden gewezen dat wanneer een persoon besluit om content op het internet te plaatsen die vanuit alle lidstaten „toegankelijk” is, die persoon kan verwachten in elk van die lidstaten te worden opgeroepen.(62) Het is evenwel juist dat het Hof in het arrest van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters (C‑709/19, EU:C:2021:377, punten 34 e.v.), aan de doelstelling van rechtszekerheid een zekere voorrang lijkt te hebben gegeven boven elke andere overweging, waaronder die betreffende de bewoordingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. In dat arrest, dat betrekking had op vorderingen tot vergoeding van schade die aandeelhouders hadden geleden wegens een gebrek aan informatieverstrekking, verwierp het Hof het argument dat een vennootschap kan verwachten te worden opgeroepen op de plaats waar de effectenrekeningen van de aandeelhouders zich bevinden, op de enkele grond dat de criteria die verband houden met de woonplaats en met de plaats van de rekeningen van de aandeelhouders, de emitterende vennootschap niet in staat stellen om te anticiperen op de vaststelling van de internationale bevoegdheid van de gerechten waarvoor zij zou kunnen worden opgeroepen, aangezien dat in strijd zou zijn met de in overweging 16 van verordening nr. 1215/2012 genoemde doelstelling die erin bestaat – teneinde het rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen – te vermijden dat de verweerder kan worden opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat voor hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.

68.      Volgens het Hof vereist de doelstelling van voorzienbaarheid dat in het geval van een beursgenoteerde vennootschap als die welke in die zaak aan de orde was, enkel de gerechten van de lidstaten waar deze vennootschap met het oog op haar beursnotering heeft voldaan aan de wettelijke openbaarmakingsverplichtingen, bevoegd kunnen worden geacht uit hoofde van het intreden van de schade. Bijgevolg is het voor een dergelijke vennootschap enkel in die lidstaten redelijkerwijs voorzienbaar dat er een beleggingsmarkt bestaat en dat zij aansprakelijk kan worden gesteld.

69.      Deze oplossing lijkt mij echter niet indirect de mozaïekbenadering op losse schroeven te zetten. Indien het enerzijds mogelijk is ervan uit te gaan, al is het maar bij benadering(63), dat de beleggingsmarkt van een beursgenoteerde vennootschap zich bevindt op de plaats waar zij aan de beurs genoteerd is, zal de geografische „markt” voor een advies worden bepaald door de toegankelijkheid van dat advies. Anderzijds kan worden opgemerkt dat de in het arrest Vereniging van Effectenbezitters gekozen oplossing, in combinatie met de bevoegdheid van de gerechten van de plaats van uitgifte van de aandelen – die voortvloeit uit de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder, waarin artikel 4 van verordening nr. 1215/2012 voorziet –, leidt tot het toekennen van bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaten waarvan het recht in principe ook het op het geschil toepasselijke recht is. In die zin is deze oplossing in overeenstemming met de in overweging 16 van verordening nr. 1215/2012 beoogde doelstelling van een goede rechtsbedeling. Op het gebied van smaad daarentegen zal het toepasselijke recht waarschijnlijk het recht zijn van de verschillende lidstaten waar het bericht toegankelijk zal zijn. Naar mijn mening is dit een cruciaal verschil, aangezien, indien de mozaïekbenadering zou worden losgelaten voor zaken betreffende smaad, de verzoeker de mogelijkheid kan worden ontnomen om een vordering in te stellen bij de gerechten van de lidstaten waar het betrokken bericht toegankelijk was, en dus bij de gerechten die beter in staat zijn om de verschillende relevante rechtsstelsels toe te passen en alle noodzakelijke feitelijke beoordelingen te maken.

70.      In elk geval lijkt de mozaïekbenadering niet kunnen te leiden tot een resultaat dat minder voorspelbaar is dan het resultaat van bijvoorbeeld de toepassing van het criterium van het centrum van de belangen van het slachtoffer.(64) Toegegeven, op niet-marktdeelnemers lijkt een dergelijk criterium eenvoudig te kunnen worden toegepast, aangezien het min of meer overeenkomt met de plaats waar het slachtoffer het centrum van zijn leven en sociale activiteit heeft. Dit criterium blijkt echter veel moeilijker toe te passen in het geval van marktdeelnemers, aangezien er verschillende opvattingen bestaan over wat de „belangen” van een onderneming zijn(65), zoals wordt geïllustreerd door het verschil in benadering tussen de theorie van het primaat van de aandeelhouder (shareholder primacy theory) en de theorie van de belanghebbende (stakeholder theory).(66)

71.      Om dit probleem op te lossen, zou de logica voorschrijven dat het begrip „centrum van de belangen” voor een rechtspersoon overeenkomt met zijn plaats van oprichting, aangezien smaad met name een aanval is op de eer, de waardigheid en de goede naam van een persoon (en niet van zijn producten) en voorts de gevolgen van een aantasting van zijn reputatie zich concreet zullen voordoen in zijn financiële rekeningen.(67) Een dergelijke regel zou de auteur van een publicatie betreffende deze rechtspersoon dus overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel in staat hebben gesteld om het resultaat van de toepassing van dit aanknopingspunt te voorspellen, aangezien de plaats van de zetel van een marktdeelnemer gemakkelijk te achterhalen is doordat de vermelding ervan in verschillende instrumenten van Unierecht verplicht is gesteld.

72.      Het Hof heeft echter geoordeeld dat „[h]oewel het centrum van de belangen van een rechtspersoon kan samenvallen met de plaats waar hij zijn statutaire zetel heeft wanneer hij in de lidstaat waar die zetel zich bevindt alle of het merendeel van zijn activiteiten verricht en de goede naam die hij daar heeft dus belangrijker is dan in een andere lidstaat, [...] de plaatsbepaling van die zetel op zichzelf echter geen doorslaggevend criterium [is] bij een dergelijke analyse”.(68) Wat relevant is, is de plaats waar „het merendeel van de economische activiteiten van de betrokken rechtspersoon [...] wordt verricht”.(69)

73.      Het begrip „economische activiteit” is bij een vennootschap uiteraard enigszins dubbelzinnig. Het kan op minstens twee manieren worden opgevat, namelijk, vanuit commercieel oogpunt, als aanduiding van de plaats waar een marktdeelnemer het grootste deel van zijn omzet behaalt (zonder zelfs maar in discussie te treden over de vraag of winst dan wel omzet in dit verband de relevante indicator zou zijn, aangezien dit met name voor een onderneming die wereldwijd grote projecten uitvoert, regelmatig kan veranderen)(70) of, vanuit een meer industrieel oogpunt, als verwijzing naar de plaats waar de financiële, menselijke en technische middelen die de rechtspersoon nodig heeft om zijn activiteit uit te oefenen, worden samengebracht en gebruikt om de verkochte goederen of diensten te produceren.(71) De reputatie kan namelijk van invloed zijn op de betrekkingen die een marktdeelnemer kan hebben, niet alleen met zijn klanten maar met al zijn belanghebbenden (aandeelhouders, schuldeisers, leveranciers, werknemers enz.). Zo kan de reputatie rechtstreeks van invloed zijn op het vermogen van een onderneming om middelen aan te trekken op de financiële markten(72) of om goederen en diensten te betrekken.

74.      Bovendien stuit de toepassing van een dergelijk criterium noodzakelijkerwijs op andere praktische moeilijkheden. Ongeacht hoe dat begrip moet worden opgevat, is het immers zeer waarschijnlijk dat de informatie die de verweerder nodig heeft om te bepalen welk gerecht op deze grond bevoegd zal zijn, met betrekking tot particulieren onder verordening (EU) 2016/679(73) valt en met betrekking tot ondernemingen tot op zekere hoogte onder het zakengeheim valt(74). In de praktijk kan men zich dus afvragen of het voor de verweerder minstens even moeilijk zal zijn om de bevoegde gerechten te voorspellen op basis van het criterium van het centrum van de belangen als op basis van het mozaïekbeginsel.

75.      Wat de doelstelling betreft om parallel lopende processen zoveel mogelijk te beperken (om te verzekeren dat er een nauwe band bestaat tussen deze gerechten en het geschil, of om een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken), lijkt het standpunt van het Hof tot nu toe te zijn geweest dat de toepassing van een criterium dat ertoe kan leiden dat verschillende gerechten in verschillende lidstaten bevoegd zijn in dit soort zaken, geen probleem is zolang het gehanteerde criterium de gerechten bevoegd maakt die waarschijnlijk beter in staat zijn om de ingetreden schade te beoordelen. Met een dergelijk standpunt wordt immers de in overweging 16 van verordening nr. 1215/2012 vermelde doelstelling van een goede rechtsbedeling bereikt, die afwijking van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder rechtvaardigt.(75)

76.      Zo kan worden opgemerkt dat het Hof in punt 43 van het arrest van 3 oktober 2013, Pinckney (C‑170/12, EU:C:2013:635), onder verwijzing naar de doelstelling van een goede rechtsbedeling heeft geoordeeld dat de gerechten van de verschillende lidstaten waar de beweerde schade mogelijk is ingetreden of zal intreden, bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van een vermeende schending van een aan het auteursrecht verbonden vermogensrecht, mits de lidstaat op het grondgebied waarvan die rechter zich bevindt het door de verzoeker ingeroepen auteursrechtelijk beschermde materiaal beschermt.(76)

77.      Evenzo is het Hof in de punten 33 en 34 van het arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans (C‑451/18, EU:C:2019:635), tot de slotsom gekomen dat de gerechten van de verschillende lidstaten op het grondgebied waarvan de door de inbreuk beïnvloede markt zich bevindt en waar de benadeelde stelt schade te hebben geleden, bevoegd moeten worden geacht om te oordelen over vorderingen tot schadevergoeding als gevolg van een inbreuk op artikel 101 VWEU. Daaraan voegde het Hof toe dat „[d]eze oplossing [...] namelijk aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels [beantwoordt], aangezien, ten eerste, de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt, het best geplaatst zijn om dergelijke vorderingen tot schadevergoeding te onderzoeken en, ten tweede, een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan concurrentiebeperkende gedragingen, redelijkerwijs mag verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord”.

78.      Ten slotte heeft het Hof in de punten 56 en 57 van het arrest van 5 september 2019, AMS Neve e.a. (C‑172/18, EU:C:2019:674), eerst geoordeeld dat de gerechten van de verschillende lidstaten op het grondgebied waarvan zich de consumenten of beroepsbeoefenaren bevinden tot wie de advertenties of verkoopaanbiedingen gericht waren, bevoegd moeten worden geacht om kennis te nemen van vorderingen wegens inbreuk, en vervolgens gepreciseerd dat deze oplossing wordt „bevestigd” door het feit dat die gerechten bijzonder goed in staat zijn om uitspraak te doen omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker.

79.      In deze context ben ik er niet alleen niet van overtuigd dat de mozaïekbenadering in strijd is met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012, maar ben ik er evenmin van overtuigd dat het gebruik van een van de andere aanknopingspunten die een „regel van één bevoegd gerecht” rechtvaardigen (zoals de woonplaats van de verweerder, de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan of het centrum van de belangen), er altijd toe zal leiden dat gerechten zullen worden aangewezen die beter geplaatst zijn om de al dan niet smadelijke aard van content en de omvang van de daaruit voortvloeiende schade te beoordelen.

80.      Natuurlijk zullen er gevallen zijn waarin er nauwelijks twijfel bestaat over de smadelijke aard van content. Dit mag echter niet verhullen dat de smadelijke aard van content verschillend kan worden opgevat naargelang van de lidstaat. Indien bijvoorbeeld in een artikel ten onrechte bepaalde oneerlijke handels- of belastingpraktijken aan een bepaalde onderneming worden toegeschreven, kan de door die publicatie overgebrachte boodschap in de ene lidstaat anders worden opgevat en een andere uitwerking hebben dan in de andere.(77)

81.      Naast dit klassieke probleem van het interculturele discours (dat bijvoorbeeld verklaart waarom ondernemingen voor verschillende lidstaten verschillende marketingstrategieën ontwikkelen), lijkt het gebrek aan harmonisatie van de wetgeving inzake smaad de handhaving van het mozaïekbeginsel te rechtvaardigen. Weliswaar hebben alle lidstaten wetten ter bestrijding van smaad vastgesteld, maar de inhoud van deze wetten, de wijze waarop zij worden toegepast en niet in de laatste plaats de wijze waarop de schadevergoeding wordt becijferd, kunnen van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen, waarbij vaak diepgaande verschillen in de toepasselijke rechtscultuur tot uiting komen.(78)

82.      Zoals de Commissie opmerkt, kan een verzoeker er dus een rechtmatig belang bij hebben om een zaak bij een ander gerecht aanhangig te maken dan bij dat van het centrum van zijn belangen, zelfs indien hij daardoor een lagere schadevergoeding kan verkrijgen. Aangezien inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten zijn uitgesloten van de werkingssfeer van verordening nr. 864/2007, zal het toepasselijke recht immers worden bepaald volgens de regels van het internationaal privaatrecht die van toepassing zijn in de lidstaat van elk bevoegd gerecht, welke regels aanzienlijk kunnen verschillen.(79) Daarnaast is het mogelijk dat een marktdeelnemer zich wil wenden tot de gerechten van de lidstaten waar hij zijn economische activiteiten tracht te ontplooien in plaats van tot de gerechten van de lidstaat waar hij reeds een solide reputatie geniet, juist omdat zijn reputatie hem reeds bescherming biedt tegen de grofste smaad of omdat hij kan hopen voordeel te halen uit een uitspraak op die markt omdat de beslissing van een plaatselijke rechter over het geheel genomen meer aandacht in de media krijgt in die lidstaat dan een beslissing die wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt.(80)

83.      Wie, zoals kennelijk de tegenstanders van de mozaïekbenadering, meent dat het de voorkeur verdient alle schadevorderingen bij één gerecht te concentreren, gaat voorbij aan de realiteit dat momenteel noch de wetgeving van de lidstaten inzake smaad, noch de regels voor het bepalen van het toepasselijke recht zijn geharmoniseerd.

84.      Bij gebreke van harmonisatie op deze gebieden zullen de gerechten die exclusief bevoegd zijn om over de volledige schade te oordelen, immers het recht van elk van de lidstaten waar de gestelde schade vermoedelijk is ingetreden, moeten toepassen om over een eventuele vordering tot schadevergoeding te beslissen. Dit houdt in dat zij in beginsel voor elk van deze lidstaten rekening moeten houden met het toepasselijke recht, de reputatie die het slachtoffer op datzelfde grondgebied geniet, alsmede de perceptie van de boodschap door het publiek van die staten.(81)

85.      Kan er in deze context werkelijk van uit worden gegaan dat één enkel gerecht in één bepaalde (of aanwijsbare) lidstaat met volledige bevoegdheid beter in staat zou zijn een dergelijke beoordeling te maken?(82) Moet niet veeleer worden aangenomen dat het bestaan van een veelvoud van bevoegde gerechten het onvermijdelijke gevolg is van het recht van verzoekers om overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel hun geschil te laten beslechten door de gerechten die, vanwege hun nabijheid tot het grondgebied van elk van de lidstaten, het best in staat zijn om alle feitelijke beoordelingen te maken, en dat hierbij ook het feit speelt dat de wetgevingen inzake smaad van de lidstaten verschillen en cultureel gevoelig zijn voor de afzonderlijke rechtstradities van elk van deze staten?(83)

86.      Uiteraard moet ook rekening worden gehouden met de doelstelling van voorspelbaarheid, maar mijns inziens is het juist na een afweging van deze doelstelling tegen de doelstelling van een goede rechtsbedeling dat het Hof heeft beslist de mozaïekbenadering te volgen.(84)

87.      Alvorens de mozaïekbenadering los te laten, zou tot slot in elk geval moeten worden nagegaan of er geen andere oplossingen zijn die minder vergaand zijn dan een dergelijke volledige ommekeer in de rechtspraak. In dat opzicht kan het inderdaad minder radicaal lijken om de mozaïekbenadering eenvoudigweg te combineren met wat een „focalisatiecriterium” zou kunnen worden genoemd, zoals de Uniewetgeving op bepaalde gebieden voorschrijft.(85)

88.      Volgens dit criterium zijn de gerechten van een lidstaat slechts bevoegd indien de betrokken content niet eenvoudigweg toegankelijk is via internet, maar de publicatie ook specifiek op het grondgebied van de betrokken lidstaat is gericht. Indien dit criterium zou worden toegepast, zou dat ertoe bijdragen dat alleen de gerechten van de lidstaten waarop de publicatie in het bijzonder is gericht, bevoegd zijn op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. Dit zou het, in overeenstemming met de doelen die met deze bepaling worden nagestreefd, mogelijk maken om het aantal bevoegde gerechten te verminderen en te zorgen voor rechtszekerheid, en daarbij tegelijkertijd te verzekeren dat er een nauwe band bestaat tussen de gerechten en het geschil, zodat de goede rechtsbedeling wordt gewaarborgd.

89.      Het Hof heeft de toepassing van het focalisatiecriterium met betrekking tot de toepassing van artikel 7, punt 2, weliswaar in het algemeen afgewezen op grond dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 (thans artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012), anders dan artikel 15, lid 1, onder c), van verordening nr. 44/2001 [thans artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 1215/2012] niet vereist dat de betrokken activiteit „gericht is op” de lidstaat van de aangezochte rechter.(86)

90.      In de eerste plaats kan echter worden opgemerkt dat het feit dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 niet in de toepassing van een dergelijke voorwaarde voorziet, niet betekent dat deze omstandigheid in bepaalde bijzondere omstandigheden niet relevant kan zijn om de plaats van het intreden van de schade te bepalen. Zo kan worden opgemerkt dat het Hof in punt 42 van het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan verwijst naar het feit dat de betrokken website was bedoeld om te worden begrepen door personen die in een bepaalde lidstaat wonen, hetgeen erop wijst dat volgens het Hof – althans in smaadzaken – bij de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid rekening moet worden gehouden met de „gerichtheid” op de markten van specifieke lidstaten.

91.      In de tweede plaats, en met betrekking tot inbreuken op het merkenrecht, bevat artikel 97, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009(87) – dat een afwijkende bevoegdheidsregel voor inbreuken op het merkenrecht bevat – geen verwijzing naar een voorwaarde op grond waarvan de gerechten van een lidstaat slechts bevoegd zouden zijn indien de betrokken website bedoeld was om de activiteiten ervan op die lidstaat te richten. Niettemin heeft het Hof voor de vaststelling van de bevoegdheid in dergelijke zaken onlangs uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat de betrokken onlinecontent – advertenties en verkoopaanbiedingen – niet alleen toegankelijk was voor, maar ook bedoeld was voor, consumenten in bepaalde lidstaten.(88)

92.      In de derde plaats – met betrekking tot de uitzending van televisieprogramma’s – heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens na onderzoek van de inhoud van verordening nr. 44/2001 geoordeeld dat Zweden artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens had geschonden, in wezen omdat deze staat in het geval van een televisieprogramma dat voor het Zweedse publiek was geproduceerd maar buiten Zweden toegankelijk was, effectieve toegang tot zijn gerechten had moeten verlenen aan een persoon die stelde dat tegen hem smadelijke uitlatingen waren geformuleerd in dat programma.(89) Het ziet er derhalve naar uit dat het EHRM van oordeel is dat staten voor personen tegen wie smadelijke uitlatingen zijn geformuleerd, moeten voorzien in de mogelijkheid om bij hun gerechten een vordering in te stellen op de enkele voorwaarde dat de betrokken boodschap tot hun ingezetenen is gericht.

93.      In het licht van het voorgaande kan er dus van uit worden gegaan dat het gebruik van het focalisatiecriterium wellicht een minder radicale wijziging van de rechtspraak van het Hof zou inhouden dan het eenvoudigweg laten varen of anderszins verlaten van de mozaïekbenadering. Dit zou ook het voordeel hebben dat wordt vermeden dat de gerechten van een andere lidstaat zich bevoegd verklaren wanneer er slechts een vaag verband bestaat tussen de betrokken internetpublicatie en de schade die de verzoeker daardoor zou hebben geleden, of wanneer de verzoeker opportunistisch gebruik tracht te maken van het technische feit dat een bericht op internet is gepubliceerd teneinde een gunstigere plaats voor zijn vordering te vinden. De toepassing van een dergelijk criterium, dat niet uitdrukkelijk wordt uitgesloten door de bewoordingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, zou bovendien kunnen leiden tot een beter evenwicht tussen het doel van nabijheid en het doel van vermindering van het aantal bevoegde gerechten.(90)

94.      Al met al moet dus worden erkend dat een perfecte oplossing vinden in het geval van transnationale smaad ijdele hoop is. Dat heeft de ervaring ons intussen geleerd. Zowel de mozaïekbenadering als de benadering van „één bevoegd gerecht” brengt moeilijkheden met zich mee. Sinds de beslissing van het Hof in de zaak Shevill in 1991 heeft het Hof echter in het algemeen gekozen voor de mozaïekbenadering. Mijns inziens kan niet worden gesteld dat deze benadering zo duidelijk verkeerd of onbevredigend is, dat de rechtspraak die op deze benadering is gebaseerd, thans moet worden herzien of dat daarvan anderszins moet worden afgeweken.

95.      Hoe dan ook ben ik van mening dat de onderhavige zaak voor het Hof niet de uitgelezen kans biedt om een standpunt in te nemen over de vraag of de mozaïekbenadering al dan niet gehandhaafd, verfijnd of zelfs losgelaten moet worden. In het hoofdgeding voert verzoeker immers niet aan dat de betrokken content een smadelijke handeling vormt, maar dat deze content in strijd is met de Franse wet inzake dénigrement, een vorm van leugens met kwaad opzet.(91) Bovendien lijkt de verwijzende rechter deze kwalificatie niet in twijfel te trekken.(92)

96.      Volgens het Franse recht behoort dénigrement niet tot inbreuken op de persoonlijkheidsrechten, maar tot inbreuken op de regels inzake oneerlijke concurrentie.(93) Met name verschilt dénigrement volgens het Franse recht van diffamation in die zin dat bij laatstgenoemde vorm van smaad de kritiek van dien aard moet zijn dat de eer, de waardigheid of de goede naam van een natuurlijke of rechtspersoon wordt aangetast, terwijl het bij eerstgenoemde vorm gaat om het publiekelijk in diskrediet brengen van de producten van een al dan niet concurrerende marktdeelnemer, met het oogmerk het koopgedrag van klanten te beïnvloeden.(94)

97.      Deze specifieke kenmerken van het Franse recht hebben op zich weliswaar geen invloed op de wijze waarop artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 moet worden uitgelegd. De keuze van verzoekster om zich op deze kwalificatie te beroepen in plaats van op die van een daad van diffamation houdt echter impliciet doch noodzakelijkerwijs in dat de aangevoerde schade strikt economisch van aard is.(95)

98.      Volgens de rechtspraak van het Hof zijn in geval van schending van vermogensrechten die zijn toegekend door de rechtstelsels van verschillende lidstaten, de gerechten van die lidstaten bevoegd om van de op het grondgebied van hun lidstaten veroorzaakte schade kennis te nemen, aangezien die gerechten beter geplaatst zijn om te beoordelen of die rechten daadwerkelijk zijn geschonden en om de aard van de schade vast te stellen.(96)

99.      In het bijzonder kan volgens de rechtspraak van het Hof een geding met betrekking tot een schending van een wet inzake oneerlijke mededinging worden gebracht voor de gerechten van elke lidstaat waarin het gepleegde feit schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in het rechtsgebied van de aangezochte rechter.(97) Nauwkeuriger gesteld, wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, moet de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 worden geacht zich in die lidstaat te bevinden.(98)

100. Voor zover de markten die kunnen worden beïnvloed in het geval van een smadelijke handeling, de markten zijn waar ten eerste de diensten worden verkocht waarover smadelijke uitlatingen zijn geformuleerd, en ten tweede het smadelijke bericht toegankelijk was, ben ik van mening dat in het hoofdgeding de Franse gerechten bevoegd moeten worden geacht indien  Gtflix Tv daadwerkelijk een aanmerkelijk aantal in Frankrijk wonende klanten heeft en de betrokken berichten in het Frans of het Engels zijn geplaatst, voor zover het aantal personen in dat land dat deze talen begrijpt niet als onbeduidend kan worden beschouwd.(99)

101. Deze oplossing is in overeenstemming met de doelstellingen van nabijheid en een goede rechtsbedeling die worden nagestreefd door verordening nr. 1215/2012 en zijn aangeduid in overweging 16 van die verordening. De krachtens artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 bevoegde gerechten, namelijk – in de omstandigheden van het hoofdgeding – de gerechten van de woonplaats van elke klant die mogelijk toegang heeft gehad tot de betrokken publicaties en deze heeft begrepen, moeten immers worden geacht het best geplaatst te zijn om te beoordelen of een smadelijke handeling daadwerkelijk tot gevolg heeft gehad dat hun gedrag is veranderd.(100) Deze oplossing is ook in overeenstemming met het vereiste van voorzienbaarheid, aangezien elke onderneming moet verwachten dat zij, door naar een concurrent te verwijzen in openbare content, kan worden opgeroepen voor de gerechten van de verschillende lidstaten waar die content toegankelijk is of was en waar die concurrent klanten had.

102. Ten slotte, en dit is het belangrijkste punt, wordt deze oplossing bevestigd door het in overweging 7 van de Rome II-verordening uiteengezette vereiste dat de uitlegging van de bevoegdheidsregel en van de instrumenten betreffende het toepasselijke recht, met elkaar stroken.(101) Hoewel de collisieregels inzake smaad niet zijn geharmoniseerd, brengt de Rome II-verordening de collisieregels inzake oneerlijke concurrentie niettemin op één lijn.(102)

103. In het geval van handelingen van oneerlijke concurrentie die de belangen van een bepaalde concurrent schaden, zoals in het hoofdgeding, voorziet artikel 6, lid 2, van de Rome II-verordening in de toepassing van de algemene regel van artikel 4 van die verordening(103), op grond waarvan het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing is(104).

104. In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat de Franse gerechten bevoegd zijn indien vaststaat dat Gtflix Tv in Frankrijk een aanmerkelijk aantal klanten heeft die waarschijnlijk toegang hebben tot de betrokken publicatie(s) en deze hebben begrepen. De beoordeling van deze feiten komt toe aan de nationale rechter.

V.      Conclusie

105. Aangezien de vordering tot rectificatie van gegevens en tot verwijdering van bepaalde content alleen kan worden ingesteld bij de gerechten van de woonplaats van de verweerder of bij de gerechten van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, dan wel bij de gerechten van het centrum van de belangen van de gelaedeerde, geef ik in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

„Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een verzoeker die zich beroept op een daad van oneerlijke mededinging bestaande in de verspreiding van smadelijke uitlatingen op internet en die een vordering instelt zowel tot rectificatie van de gegevens en verwijdering van bepaalde content als tot vergoeding van de immateriële en vermogensschade die daaruit voortvloeit, zijn vordering kan instellen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan de online geplaatste content toegankelijk is of is geweest, maar alleen ter vergoeding van de schade die op het grondgebied van die lidstaat is veroorzaakt. Opdat deze gerechten de vereiste bevoegdheid hebben, moet de verzoeker evenwel kunnen aantonen dat hij daar een aanmerkelijk aantal consumenten heeft die waarschijnlijk toegang hebben tot de betrokken publicatie en deze hebben begrepen.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Verdrag van Brussel van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”).


3      Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PB 2012, L 351, blz. 1).


4      Arrest van 7 maart 1995, Shevill e.a. (C‑68/93, EU:C:1995:61).


5      PB 2007, L 199, blz. 73.


6      PB 2001, L 12, blz. 1.


7      Cass. com., 24 september 2013, nr. 12‑19.790. Zie ook cass. com., 18 oktober 2016, nr. 15‑10.384; cass. com., 15 januari 2020, nr. 17‑27.778, en cass. com., 4 maart 2020, nr. 18‑15.651.


8      Zie voor een voorbeeld met betrekking tot procedures van de Unie, beschikking van 12 juni 2012, Strack/Commissie (T‑65/12 P, EU:T:2012:285).


9      Verzoekers geven de voorkeur aan deze optie omdat zij, al dan niet terecht, mogelijk vrezen voor protectionistische vooringenomenheid bij de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft of omdat zij eventuele extra kosten in verband met de regeling op afstand van de procedure wensen te vermijden.


10      Zie in die zin arresten van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 39); 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, EU:C:2012:664, punten 31 en 32); 13 maart 2014, Brogsitter  (C‑548/12, EU:C:2014:148, punt 19), en 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C‑343/19, EU:C:2020:534, punt 22).


11      Zie in die zin arresten van 1 oktober 2002, Henkel  (C‑167/00, EU:C:2002:555, punt 46); 16 mei 2013, Melzer (C‑228/11, EU:C:2013:305, punt 26); 3 april 2014, Hi Hotel HCF (C‑387/12, EU:C:2014:215, punt 28); 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 39), en 17 juni 2021, Mittelbayerischer Verlag (C‑800/19, EU:C:2021:489, punt 27).


12      Zie in die zin bijvoorbeeld arrest van 16 mei 2013, Melzer (C‑228/11, EU:C:2013:305, punt 27).


13      Zie in die zin arresten van 27 september 1988,  Kalfelis (189/87, EU:C:1988:459, punt 19); 15 januari 2004,  Blijdenstein  (C‑433/01, EU:C:2004:21, punt 25); 16 mei 2013, Melzer  (C‑228/11, EU:C:2013:305, punt 24), en 12 september 2018, Löber (C‑304/17, EU:C:2018:701, punten 17 en 18). Volgens de rechtspraak van het Hof houdt de noodzaak van een strikte uitlegging van de regels inzake bijzondere bevoegdheid echter alleen in dat de in artikel 7 vastgestelde regels niet ruimer mogen worden uitgelegd dan het doel ervan verlangt. Zie in die zin arresten van 16 november 2016, Schmidt  (C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 28), en 25 maart 2021, Obala i lučice (C‑307/19, EU:C:2021:236, punt 76).


14      De schadeveroorzakende gebeurtenis wordt gedefinieerd als het feit dat de schade heeft veroorzaakt. Zie arrest van 16 juli 2009, Zuid-Chemie (C‑189/08, EU:C:2009:475, punt 27).


15      Zie in die zin arresten van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C‑343/19, EU:C:2020:534, punten 23 en 38), en 17 juni 2021, Mittelbayerischer Verlag (C‑800/19, EU:C:2021:489, punt 29). Zoals ik zal toelichten, heeft het Hof op die grond de bevoegdheid erkend van de gerechten van de plaats waar de gelaedeerde het centrum van zijn belangen heeft, zonder dat een dergelijk criterium in verordening nr. 1215/2012 is opgenomen.


16      Zie in die zin arresten van 16 januari 2014, Kainz (C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 23), en 29 juli 2019, Tibor-Trans (C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 25).


17      Zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Zuid-Chemie (C‑189/08, EU:C:2009:475, punt 27).


18      Zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Pinckney  (C‑170/12, EU:C:2013:635, punt 32), en 22 januari 2015, Hejduk  (C‑441/13, EU:C:2015:28, punt 29).


19      Zie arrest van 28 januari 2015,  Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 55). In dat arrest verwijst het Hof naar het begrip „bankrekening” zonder nadere verduidelijking. Opgemerkt zij evenwel dat het begrip „bankrekening” algemeen is. Aangezien het Hof in die zaak dit begrip in het enkelvoud gebruikt, kan daaruit worden afgeleid dat het Hof de bedoeling had te verwijzen naar een specifiek soort rekening. Gelet op de bijzondere aard van de betrokken financiële producten lijkt deze specifieke rekening impliciet, maar noodzakelijkerwijs, de effectenrekening te zijn waarop de certificaten zijn gedeponeerd, aangezien het op deze rekening is dat de vermindering van de waarde van de certificaten is geboekt en derhalve de door de verzoeker geleden schade zich concreet heeft voorgedaan.


20      Arrest van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters (C‑709/19, EU:C:2021:377, punt 37).


21      Arrest van 7 maart 1995, Shevill e.a. (C‑68/93, EU:C:1995:61, punt 33). Met betrekking tot de bepaling van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis in het geval van belediging door middel van een op het grondgebied van meerdere verdragsluitende staten verspreid artikel in de pers, heeft het Hof geoordeeld dat dit de plaats is waar de uitgever van de betrokken publicatie is gevestigd, voor zover dit de plaats is waar het schadebrengende feit zijn oorsprong vindt en vanwaar de belediging is geuit en in omloop is gebracht. Ibid., punt 24.


22      Laazouzi, M., „L’extension du for européen aux personnes morales victimes d’atteintes aux droits de la personnalité sur Internet”, JCP G, nr. 49, 4 december 2017, blz. 2225.


23      Arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punten 45 en 46).


24      Arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 48). Het Hof rechtvaardigt deze oplossing vervolgens door het feit dat het begrip „centrum van de belangen van de desbetreffende persoon” de plaats weergeeft waar in beginsel de schade door onlinecontent het duidelijkst intreedt. Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen e.a. (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 33). Deze oplossing is recentelijk bevestigd in het arrest van 17 juni 2021, Mittelbayerischer Verlag (C‑800/19, EU:C:2021:489, punt 31). Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet ook de plaats omvat waar de verzoeker woont of waar zich het „centrum van zijn vermogen” bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. Zie in die zin arresten van 10 juni 2004, Kronhofer (C‑168/02, EU:C:2004:364, punt 21), en 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 35). In wezen lijkt mij de grondgedachte van deze rechtspraak te zijn dat de „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet kan worden verondersteld: dienovereenkomstig is „[...] bevoegdheid van die gerechten gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de [schadeveroorzakende] gebeurtenis of het intreden van de schade.” Arresten van 12 september 2018, Löber  (C‑304/17, EU:C:2018:701, punt 25; cursivering van mij), en, in die zin, 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters (C‑709/19, EU:C:2021:377, punt 29). Evenwel moet worden benadrukt, ten eerste, dat de verzoeker in geval van smaad niet alleen financiële schade lijdt, maar ook vooral immateriële schade. Ten tweede heeft het Hof in het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan van het centrum van de belangen geen aanknopingspunt gemaakt dat in alle gevallen toepassing zou vinden. Om tot de conclusie te komen dat „het criterium ‚centrum van de belangen van de gelaedeerde’ [...] dus de plaats [weergeeft] waar in beginsel de schade door online content het duidelijkst intreedt, als bedoeld in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012”, baseerde het Hof zich immers op de premisse dat een schending van een persoonlijkheidsrecht „in het algemeen [...] het sterkst gevoeld [wordt] in het centrum van de belangen van de desbetreffende persoon”. Cursivering van mij. Daaruit kan dus worden afgeleid dat het Hof niet heeft uitgesloten dat onder bepaalde omstandigheden de plaats waar de schade is ingetreden feitelijk niet het centrum van de belangen van de betrokkene is.


25      Zie in die zin arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 49). Voor zover dit aanknopingspunt, zoals uiteengezet in punt 42 van het arrest Bolagsupplysningen en Ilsjan, wordt gerechtvaardigd door het feit dat een dergelijke schending, met name in het geval van onlinecontent, in het algemeen het sterkst wordt gevoeld in het centrum van de belangen van de desbetreffende persoon, gelet op de goede naam die hij daar heeft, moet het begrip „centrum van de belangen” aldus worden opgevat dat het meer bepaald verwijst naar de plaats waar de desbetreffende persoon de belangrijkste economische, politieke, sociale of zelfs louter relationele voordelen uit zijn goede naam haalt.


26      Arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 51). Met betrekking tot de bepaling van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis in geval van inbreuk op een recht op internet heeft het Hof geoordeeld dat dit niet de plaats is waar het bericht is verspreid, maar wel de plaats waar het besluit tot verspreiding ervan (uitdrukkelijk of stilzwijgend) is genomen, en dat die plaats wordt verondersteld de zetel te zijn van de onderneming die de website beheert dan wel de woonplaats van de eigenaar van die onderneming. Zie in verband met een schending van auteursrechten op internet, arrest van 22 januari 2015, Hejduk  (C‑441/13, EU:C:2015:28, punt 25), en in verband met reclame die inbreuk maakt op een merk, arrest van 19 april 2012, Wintersteiger  (C‑523/10, EU:C:2012:220, punt 34). In het geval van gebrekkige producten is het Hof evenwel van oordeel dat de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet de plaats is waar is besloten om het product in het verkeer te brengen, maar in beginsel de plaats is waar het betrokken product is vervaardigd. Zie arrest van 16 januari 2014, Kainz  (C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 26).


27      Dit criterium, dat in wezen berust op een objectieve opvatting van het begrip „verspreiding”, zou indien nodig moeten kunnen worden aangepast aan de meer subjectieve benadering die het Hof heeft ontwikkeld met betrekking tot het intellectuele-eigendomsbegrip „mededeling aan het publiek”, zoals ontwikkeld in de arresten van 8 september 2016, GS Media (C‑160/15, EU:C:2016:644, punten 35 en 48‑55), en 22 juni 2021, YouTube en Cyando (C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punten 68, 81‑89).


28      Arrest van 3 oktober 2013,  Pinckney (C‑170/12, EU:C:2013:635, punten 36 en 45).


29      Arrest van 22 januari 2015, Hejduk (C‑441/13, EU:C:2015:28, punten 22 en 36).


30      Arrest van 3 april 2014, Hi Hotel HCF (C‑387/12, EU:C:2014:215, punt 39).


31      Conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Hejduk  (C‑441/13, EU:C:2014:2212, punt 43).


32      Zie respectievelijk punten 36 en 39 van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Hejduk (C‑441/13, EU:C:2014:2212).


33      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punten 36 en 38). Zoals het Hof opmerkt in punt 37 van dat arrest: „Het is immers zo dat de materiële of immateriële aard van de schade, afhankelijk van het toepasselijke recht, weliswaar van invloed kan zijn op de vergoedbaarheid van de gestelde schade, maar geen gevolgen heeft voor het aanwijzen van het centrum van de belangen als plaats waar de daadwerkelijke impact van een publicatie op internet en het al dan niet schadelijke karakter ervan het beste door een rechter kunnen worden beoordeeld.”


34      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 41).


35      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 48). Cursivering van mij.


36      Hoewel het in de onderhavige zaak niet om deze kwestie gaat, rijst de vraag betreffende de toepassing van het mozaïekbeginsel ook met betrekking tot vorderingen die niet strekken tot verwijdering of rectificatie van content, maar tot afscherming van de toegang daartoe. Ter rechtvaardiging van zijn oplossing met betrekking tot vorderingen tot verwijdering of rectificatie van content heeft het Hof zich gebaseerd op het ondeelbare karakter van vorderingen tot rectificatie of verwijdering van content, hetgeen niet het geval is voor verzoeken om afscherming, aangezien deze afscherming kan worden gegeolokaliseerd. Zie arresten van 15 september 2016, Mc Fadden (C‑484/14, EU:C:2016:689, punt 95), en 24 september 2019, Google (Territoriale reikwijdte van de verwijdering van links) (C‑507/17, EU:C:2019:772, punt 73).


37      Zie Bizer, A., „International Jurisdiction for Violations of Personality Rights on the Internet: Bolagsupplysningen”, Common Market Law Review, deel 55, nr. 6, 2018, blz. 1941‑1957. Terwijl het Hof in het antwoord op de tweede en de derde vraag, betreffende de mogelijkheid om zich te wenden tot de gerechten van de lidstaat waarin het centrum van de belangen zich bevindt, heeft verwezen naar de situatie van een persoon die een vordering tot rectificatie van bepaalde gegevens en tot volledige vergoeding van de schade had ingesteld, heeft het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag alleen rekening gehouden met vorderingen tot rectificatie of verwijdering van content, zoals blijkt uit de bewoordingen van het antwoord.


38      Omgekeerd zou men kunnen aanvoeren dat punt 48 van het arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan  (C‑194/16, EU:C:2017:766), waarin de redenen worden uiteengezet die het Hof ertoe hebben gebracht het beginsel van mozaïekbevoegdheid niet toe te passen in zaken betreffende rectificatie of verwijdering, zodanig is geformuleerd dat dit een differentiëring van en niet zozeer een volledige ommekeer in de rechtspraak rechtvaardigt. De bewoordingen van dit punt lijken mij echter niet zo expliciet dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het Hof noodzakelijkerwijs heeft beoogd vast te houden aan het mozaïekbeginsel met betrekking tot schadevorderingen.


39      Zie in die zin ook Idot, L., „Compétence en matière délictuelle, commentaire”, Europe, nr. 12, december 2017, comm. 494, en Corneloup, S., Muir Watt, H., „Le for du droit à l’oubli”, Rev. Crit. DIP, 2018, blz. 297 en 300.


40      Advocaat-generaal Bobek voert in punt 84 van zijn conclusie een ander argument aan met betrekking tot de ondeelbaarheid van de maatregelen. Naar mijn mening heeft dit argument echter alleen betrekking op vorderingen tot rectificatie of verwijdering van onlinecontent.


41      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:554, punten 78 en 79).


42      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:554, punt 80).


43      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:554, punten 85‑88).


44      Picod, F., „Les revirements de jurisprudence de la Cour de justice de l’Union européenne”, Intervention au Max Planck Institute Luxembourg for Procedural Law, 14 juni 2017. Zie over dit onderwerp ook Carpano, E., Le revirement de jurisprudence en droit européen, Bruylant, Brussel, 2012.


45      Arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte (C‑308/93, EU:C:1996:169, punt 34).


46      Zie arresten van 17 oktober 1990, HAG GF (C‑10/89, EU:C:1990:359, punt 10), en 5 december 2017, M.A.S. en M.B. (C‑42/17, EU:C:2017:936, punten 13, 14, 16‑20, 59 en 61).


47      Zie arrest van 30 april 1996,  P./S. (C‑13/94, EU:C:1996:170, punt 13), en conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak P./S. (C‑13/94, EU:C:1995:444).


48      Ter vergelijking: de eerste vraagtekens bij de gevolgen van „ubiquitous computing” – een ruimer begrip – lijken door M. Weiser te zijn geplaatst in zijn artikel, getiteld „The computer for the XXIst century”, dat is gepubliceerd in Scientific American, 1991, deel 265, blz. 3.


49      http://www.digitalbuzzblog.com/facebook-statistics-stats-facts-2011/


50      Zie bijvoorbeeld arrest van 2 maart 2017, DI/EASO (T‑730/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:138, punt 86). In diezelfde zin is de mozaïekbenadering, aangezien in de bevoegdheidsregels geen aannamen worden gemaakt betreffende het toepasselijke recht, in beginsel neutraal ten aanzien van het risico van overregulering dat voortvloeit uit de verplichting van de auteur en uitgever van de content om te zorgen voor de naleving van de voorschriften van de wetgeving van de verschillende lidstaten waar de content toegankelijk zal zijn. Het feit dat bepaalde gerechten exclusief bevoegd zijn, betekent immers niet dat wordt vooruitgelopen op het toepasselijke recht. Ook al is dit in de praktijk fictie, toch zouden de gerechten die voor de volledige schade bevoegd zijn, in theorie het recht van de verschillende lidstaten waar de inhoud toegankelijk is, moeten toepassen om het bedrag van de verschuldigde schadevergoeding vast te stellen.


51      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 47).


52      Het is waar dat het internet het potentiële publiek van een bericht vergroot. Wat reputatie betreft, betekent dit echter niet dat de persoon die het slachtoffer was van smadelijke uitlatingen, noodzakelijkerwijs in heel Europa bekend is.


53      Er zij op gewezen dat internetgebruikers uit verschillende lidstaten bijvoorbeeld niet naar dezelfde elementen van een webpagina kijken, of dit doen met een verschillende aandachtsspanne. Zie bijvoorbeeld Miratech, Étude internationale: les habitudes des internautes suivant les pays, 2013.


54      Zie bijvoorbeeld het arrest van de Ierse Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie) van 15 maart 2012, Coleman v. MGN Ltd. [2012] IESC 20, waarin werd geoordeeld dat deze niet bevoegd was om kennis te nemen van een vordering wegens smaad op grond van wat thans artikel 7, punt 2, van de Brussel-verordening is, aangezien er geen bewijs was dat een in Ierland wonende persoon daadwerkelijk toegang had gehad tot de betrokken onlinepublicatie.


55      Zie over dit onderwerp Prings, G.W., „SLAPPs: Strategic Lawsuits Against Public Participation”, deel 7, Pace Envtl. L: Rev., 1989, 3; Canan, P., „The SLAPP from a sociological Perspective”, deel 7, Pace Envtl. L: Rev., 23, en Landry, N., SLAPP – Bâillonnement et répression judiciaire du discours politique, Ecosociété, 2012.


56      Zelfs met de directe kosten wordt soms niet voldoende rekening gehouden. Meestal worden kosten immers alleen tegen de wettelijke standaardtarieven terugbetaald, terwijl advocaten heel vaak meer in rekening brengen, met name wanneer iemand zich tot een internationaal advocatenkantoor wendt om te vermijden dat hij met verschillende advocatenkantoren in verschillende landen moet corresponderen. Bovendien wordt er in de regels inzake de terugbetaling van proceskosten vaak geen rekening mee gehouden dat de partij al die kosten moet voorfinancieren.


57      Zie bijvoorbeeld arrest van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, EU:C:2012:664). De mogelijkheid om een negatieve declaratoire vordering in te stellen, bestaat bijvoorbeeld in het Nederlandse recht, maar niet in het Franse recht. Zie Committee of Experts on the Human Rights Dimensions of automated data processing and different forms of artificial intelligence, Study on forms of liability and jurisdictional issues relating to the application of civil and administrative law in matters of defamation in the member states of the Council of Europe, onderzoek van de Raad van Europa, DGI(2019)04, blz. 24. Zie dienaangaande ook Bouthinon-Dumas, H., De Beaufort, V., Jenny, F., Masson, A., Stratégie d’instrumentalisation juridique et concurrence, Larcier, 2013, blz. 37.


58      Sommige rechtsstelsels voorzien in mechanismen om dit soort procesvoeringsstrategie te voorkomen, bijvoorbeeld de „forum non conveniens”-regel in common law-stelsels.


59      Zie in die zin arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 41).


60      Hetzelfde geldt bijvoorbeeld in het geval van schade als gevolg van een kartel tussen leveranciers. Indien de moedermaatschappij onderhandelt over de aankoop van grondstoffen, worden deze immers meestal betaald door de dochterondernemingen, die misschien niet voor 100 % in handen van de moedermaatschappij zijn. Het is dus in hun boekhouding, en niet in die van de moedermaatschappij, dat de door dat kartel veroorzaakte extra kosten zich concreet hebben voorgedaan. Afhankelijk van de wijze waarop een groep haar aankopen organiseert, kunnen derhalve de moedermaatschappijen of elk van de dochterondernemingen het slachtoffer zijn.


61      Zie in die zin arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 39).


62      Zie arrest Dow Jones and Company Inc v Gutnick  [2002] HCA 56; 210 CLR 575; 194 ALR 433; 77 ALJR 255 (10 december 2002), punt 39 („degenen die informatie op [internet] zetten, zijn zich ervan bewust dat de informatie die zij toegankelijk maken, voor iedereen beschikbaar is zonder enige geografische beperking”).


63      Dat wil zeggen, door geen rekening te houden met het feit dat sommige aandelen van dezelfde onderneming mogelijk niet op de beurs zijn genoteerd of worden verkocht buiten de beurs waarop zij genoteerd zijn.


64      In dit verband kan worden opgemerkt dat de doelstelling van voorzienbaarheid zowel de auteur van de vermeend smadelijke content als de persoon naar wie deze content verwijst, betreft. Zie bijvoorbeeld arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 35).


65      In het bijzonder kan de vaststelling van een precieze plaats nog onvoorspelbaarder zijn wanneer smadelijke uitlatingen bijvoorbeeld niet ten aanzien van de ondernemingsnaam worden geformuleerd, maar ten aanzien van een van de vele door de onderneming gebruikte handelsmerken. Ten eerste kan ook de vraag rijzen of een handelsmerk, in tegenstelling tot een ondernemingsnaam, tot de persoonlijkheidsrechten behoort. Ten tweede, indien dit wordt geacht het geval te zijn, hoe moet dan het criterium van het centrum van de belangen worden toegepast wanneer dezelfde producten in verschillende landen onder verschillende merknamen worden verkocht? Moet hieruit worden afgeleid dat er een afzonderlijk belangencentrum bestaat voor elk handelsmerk, hoewel het Hof voorheen een redenering volgde op basis van het centrum van de belangen van de betrokken onderneming?


66      Zie bijvoorbeeld Rönnegard, D., & Craig Smith, N., „Shareholder Primacy vs. Stakeholder Theory: The Law as Constraint and Potential Enabler of Stakeholder Concern”, in Harrison, J.S., Barney, J., Freeman, R., & Phillips, R. (red.), The Cambridge Handbook of Stakeholder Theory, CUP, Cambridge, 2019, blz. 117‑131 en, in het Frans, Tchotourian, I, „Doctrine de l’entreprise et école de Rennes: La dimension sociétale, politique et philosophique des activités économiques affirmée – Présentation d’un courant de pensée au service de l’homme”, in Champaud, C. (red.), L’entreprise dans la société du 21e siècle, Larcier, Brussel, 2013, blz. 131‑174.


67      Zie bijvoorbeeld arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C‑352/13, EU:C:2015:335, punten 52 en 53), waarin het Hof heeft geoordeeld: „Waar het gaat om schade bestaande in meerkosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs, [is de plaats van het intreden van de schade] in beginsel [...] de plaats van de zetel van [de benadeelde].”


68      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 41).


69      Arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766, punt 43). In dat verband zij erop gewezen dat het Hof aan het begrip „centrum van de belangen” een andere betekenis lijkt te geven dan die welke bijvoorbeeld de Uniewetgever eropna houdt in artikel 3, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19). In die bepaling wordt het begrip „centrum van de voornaamste belangen” immers gedefinieerd als „de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is”.


70      Hoewel het verleidelijk kan zijn om vanuit dit perspectief te denken dat de plaats waar de onderneming de meeste winst maakt het centrum van haar belangen zou moeten zijn, aangezien een onderneming haar kosten moet dekken om te overleven, zou ik er eerder van uitgaan dat het centrum van haar belangen zou moeten overeenkomen met de plaats waar de onderneming de grootste commerciële marge maakt (omzet minus de kosten van aankoop van verkochte goederen of diensten). Voorts kan de vraag rijzen op welk tijdstip het centrum van de belangen van een rechtspersoon moet worden beoordeeld: op het tijdstip van de schade of op het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld?


71      In het arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), lijkt het Hof in punt 42 te suggereren dat, in de omstandigheden van die zaak, het centrum van de belangen van het vermeende slachtoffer zich in Zweden bevond, aangezien zij daar het grootste deel van haar activiteiten verrichtte. Het Hof heeft echter niet gepreciseerd of het met „activiteiten” de klanten van verzoekster bedoelde, dan wel de productiemiddelen die worden aangewend om aan hun behoeften te voldoen.


72      Guimaraes, G., „The Corporate Ad; Wall Street’s Supersalesman”, Industry Week, 10 juni 1985, en Boistel, P., „La réputation d’entreprise: un impact majeur sur les ressources de l’entreprise”, Management & Avenir, deel 17, nr. 3, 2008, blz. 9‑25.


73      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).


74      Zelfs wanneer bepaalde economische informatie openbaar wordt gemaakt als gevolg van de openbaarmakingsverplichtingen die voor bepaalde ondernemingen voortvloeien uit richtlijn 2013/34/EU betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19), kan een gewone persoon die opmerkingen over een onderneming heeft geplaatst, moeilijkheden ondervinden om informatie over die onderneming te begrijpen teneinde het centrum van de belangen van de onderneming daaruit af te leiden.


75      Zie in die zin bijvoorbeeld arresten van 5 juni 2014, Coty Germany (C‑360/12, EU:C:2014:1318, punt 48), en 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a.  (C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 73). Het klopt dat het Hof heeft geoordeeld dat het criterium „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet zo ruim kan worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Het Hof heeft die opmerking echter gemaakt niet om de bevoegdheid uit te sluiten van de gerechten van andere lidstaten op het grondgebied waarvan de schadeveroorzakende gebeurtenis ook schadelijke gevolgen zou hebben gehad, maar wel om de bevoegdheid uit te sluiten van de gerechten van de plaats waar het slachtoffer schade zou hebben geleden nadat de aanvankelijke schade reeds in een andere lidstaat was ingetreden en door dat slachtoffer was geleden. Zie arresten van 19 september 1995, Marinari  (C‑364/93, EU:C:1995:289, punten 14 en 15); 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C‑343/19, EU:C:2020:534, punten 27 en 28), en 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑27/17, EU:C:2018:533 punt 32).


76      In dit verband wijs ik erop dat, zoals het Hof in punt 39 van dat arrest opmerkt, de vermogensrechten van een auteur eventueel territoriaal gebonden zijn, omdat deze rechten niet volledig zijn geharmoniseerd en dus aan verschillende regelingen zijn onderworpen. Vanuit dit oogpunt verschilt de situatie van het auteursrecht dus niet van die van de persoonlijkheidsrechten en in het bijzonder van het recht om tegen smaad te worden beschermd.


77      Over het bestaan van het risico van reputatieschade voor een onderneming als gevolg van bepaalde belastingpraktijken, zie bijvoorbeeld PwC, Tax Strategy and Corporate Reputation: A Business Issue, 2013.


78      In haar voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [COM(2010) 748 def.] merkte de Commissie op dat „smaadzaken, waarbij een persoon aanvoert dat de media inbreuk hebben gemaakt op zijn [of haar] persoonlijkheidsrechten of persoonlijke levenssfeer [...] bijzonder gevoelig [zijn] en er [...] tussen de lidstaten verschillen [zijn] in de wijze waarop zij de eerbiediging van de diverse betrokken grondrechten waarborgen, zoals de menselijke waardigheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie”. Evenzo wordt volgens de professoren Corneloup en Muir Watt de respectieve plaats die aan de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet worden toegekend, bepaald door sterk uiteenlopende rechtsculturen. Corneloup, S., Muir Watt, H., „Le for du droit à l’oubli”, Rev. Crit. DIP, 2018, blz. 296. Zie ook Kramberger Škerl, J., „Jurisdiction in On-line defamation and Violations of Privacy: In search of a Right Balance”, LeXonomica, deel 9, nr. 2, 2017, blz. 90.


79      Zie artikel 1, lid 2, onder g), van die verordening.


80      Reputatie is een van de sleutelfactoren bij het penetreren van een nieuwe markt, maar deze reputatie vertaalt zich niet noodzakelijk in een onmiddellijke stijging van het verkoopvolume. Over de kwestie van strategieën voor juridische communicatie, zie Bouthinon-Dumas, H., Cheynel, N., Karila-Vaillant, Ch., en Masson, A., Communication juridique et judiciaire de l’entreprise, Larcier, 2015, blz. 323 e.v.


81      Zie in dit verband Bogdan, M., „Regulation Brussels Ia and Violations of Personality Rights on the Internet”, Nordic Journal of International law, deel 87, 2018, blz. 219.


82      In dit verband ben ik het, met alle respect, oneens met het door het Hof in punt 46 van het arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685), aangevoerde argument dat het technisch niet altijd mogelijk is om in cijfers uit te drukken hoeveel mensen een bericht hebben gezien of op zijn minst lijkt dit argument mij achterhaald. Eigenaren van websites gebruiken tools, zoals Google Analytics, doorgaans om hun marketingbeleid te verfijnen. Toegegeven, de verzamelde gegevens hebben in zekere mate een benaderende waarde aangezien sommige gebruikers bijvoorbeeld een proxyserver kunnen gebruiken. Deze eigenaren staan echter positief tegenover deze tools, hetgeen erop lijkt te wijzen dat zij door de marktdeelnemers als relevant worden beschouwd. Zo wordt Google Analytics volgens Wikipedia gebruikt door meer dan 10 miljoen sites, oftewel meer dan 80 % van de wereldmarkt. Bovendien lijkt mij deze benaderende waarde, waartoe wordt gekomen door het gebruik van die tools, niet hoger uit te vallen dan die waartoe andere kwantificatiemethoden zouden kunnen komen. In elk geval heeft het Hof inmiddels aanvaard dat het mogelijk is een internetgebruiker te geolokaliseren [zie arrest van 24 september 2019, Google (Territoriale reikwijdte van de verwijdering van links) (C‑507/17, EU:C:2019:772, punt 73].


83      In overweging 21 van verordening nr. 1215/2012 staat dat deze verordening tot doel heeft parallel lopende processen zoveel mogelijk te beperken. Het gebruik van de uitdrukking „zoveel mogelijk beperken” impliceert dat een dergelijke mogelijkheid zich niettemin kan voordoen, met name wanneer zulks noodzakelijk is om de andere door deze verordening nagestreefde doelstellingen te bereiken. Bovendien blijkt uit de bewoordingen van deze overweging dat deze doelstelling moet worden verwezenlijkt door de regels die van toepassing zijn op aanhangigheid en samenhang.


84      Arrest van 7 maart 1995, Shevill e.a. (C‑68/93, EU:C:1995:61, punt 31).


85      Zie bijvoorbeeld arresten van 12 juli 2011, L’Oréal e.a. (C‑324/09, EU:C:2011:474, punt 65); 21 juni 2012, Donner  (C‑5/11, EU:C:2012:370, punt 27), en 18 oktober 2012, Football Dataco e.a., C‑173/11, EU:C:2012:642, punt 39).


86      Arresten van 3 oktober 2013, Pinckney  (C‑170/12, EU:C:2013:635, punt 42), en 22 januari 2015, Hejduk (C‑441/13, EU:C:2015:28, punt 33).


87      Verordening van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (gecodificeerde versie) (PB 2009, L 78, blz. 1). Voor deze verordening is verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) in de plaats gekomen. Artikel 125, lid 5, daarvan heeft in wezen dezelfde bewoordingen als artikel 97, lid 5, van verordening nr. 207/2009.


88      Arrest van 5 september 2019, AMS Neve e.a. (C‑172/18, EU:C:2019:674, punten 56 en 65).


89      EHRM, 1 maart 2016, Arlewin tegen Zweden, CE:ECHR:2016:0301JUD002230210.


90      Zie in die zin, in wezen, conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Pinckney  (C‑170/12, EU:C:2013:400, punt 68).


91      Volgens het Franse recht is er sprake van dénigrement wanneer informatie wordt verspreid die bedoeld is om een andere concurrent in diskrediet te brengen, tenzij de betrokken informatie betrekking heeft op een aangelegenheid van algemeen belang, voldoende feitelijk is onderbouwd en, onder dat voorbehoud, met een zekere terughoudendheid wordt geuit. Zie Griel, J.‑P., „Entreprises – Le dénigrement en droit des affaires La mesure d’une libre critique”, JCP ed. G, nr. 19‑20, 8 mei 2017, doctr. 543 en cass. com., 9 januari 2019, nr. 17‑18350.


92      Weliswaar verklaart de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing dat hij van mening is dat de oplossing die is uiteengezet in het arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C‑194/16, EU:C:2017:766), betreffende een vermeende inbreuk op persoonlijkheidsrechten, ook geldt voor handelingen van oneerlijke concurrentie die voortvloeien uit de verspreiding van beweerdelijk smadelijke uitlatingen op internetfora. Ik ben echter van mening er vanuit het oogpunt van het Unierecht een belangrijk verschil bestaat tussen de stelling dat inbreuk is gemaakt op persoonlijkheidsrechten en de stelling dat inbreuk is gemaakt op zuivere vermogensrechten.


93      Uit recente rechtspraak van het Hof volgt dat de benadering op basis van het centrum van de belangen specifiek ziet op de situatie waarin een persoon aanvoert dat inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijkheidsrechten. Zie in dat verband arrest van 17 juni 2021, Mittelbayerischer Verlag (C‑800/19, EU:C:2021:489, punt 31).


94      Bovendien kan dénigrement volgens het Franse recht onder bepaalde omstandigheden ook misbruik van een machtspositie vormen. Cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), arrest nr. 177 van 18 december 2014, Sanofi e.a. c. Autorité de la concurrence (RG nr. 2013/12370). In het arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C‑179/16, EU:C:2018:25), heeft ook het Hof geoordeeld dat een overeenkomst tussen ondernemingen die twee concurrerende producten in de handel brengen om bepaalde smadelijke uitlatingen ten aanzien van besluitvormers te formuleren, een mededingingsbeperking naar strekking is.


95      Volgens het Unierecht kan een en dezelfde handeling verschillende kwalificaties krijgen en dus onder verschillende toepasselijke regelingen vallen, op voorwaarde dat de gehanteerde kwalificatiecriteria, de doelstellingen van deze regelingen en de omvang van de bescherming uit hoofde van elke regeling verschillend zijn. Zie naar analogie arrest van 27 januari 2011,  Flos (C‑168/09, EU:C:2011:29, punt 34).


96      Zie bijvoorbeeld arrest van 3 april 2014, Hi Hotel HCF (C‑387/12, EU:C:2014:215, punt 39).


97      Zie in die zin arrest van 5 juni 2014, Coty Germany (C‑360/12, EU:C:2014:1318, punt 57).


98      Arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans (C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 33).


99      Volgens een onderzoek, getiteld „Eurobarometer – Europeans and their Languages, 2012”, dat in opdracht van het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur, het directoraat-generaal Vertaling en het directoraat-generaal Tolken van de Commissie was uitgevoerd door TNS Opinion & Social, gaf 34 % van de Franse bevolking aan zich in staat te achten een gesprek in het Engels te begrijpen. Dat percentage lijkt mij voldoende om aan te nemen dat een in het Engels gepost bericht op een door Franse consumenten bezocht forum waarschijnlijk wordt begrepen door Franse consumenten.


100      Zie in dit verband arresten van 29 juli 2019, Tibor-Trans (C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 34), en 24 november 2020, Wikingerhof (C‑59/19, EU:C:2020:950, punt 37).


101      Zie in die zin arresten van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 41); 29 juli 2019, Tibor-Trans (C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 35), en 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C‑343/19, EU:C:2020:534, punt 39).


102      Hoewel de Rome II-verordening geen definitie van het begrip „oneerlijke concurrentie” bevat, staat in overweging 21 dat „de collisieregel bescherming [dient] te bieden aan concurrenten, consumenten en het publiek in het algemeen en tevens garant [dient] te staan voor het goed functioneren van de markteconomie. Deze doelstellingen zijn in het algemeen te bereiken door aanknoping bij het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen dan wel de gezamenlijke belangen van de consumenten worden of dreigen te worden aangetast.” Aangezien Unievoorschriften moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het internationale recht, moet voorts worden beklemtoond dat het Verdrag van Parijs de staten die partij zijn bij dat verdrag – hetgeen het geval is voor alle lidstaten – verplicht te zorgen voor een doeltreffende bescherming tegen oneerlijke concurrentie, waaronder in de zin van dit verdrag onder meer „valse beweringen bij het handel drijven, die de inrichting, de waren of de werkzaamheid op het gebied van nijverheid of handel van een concurrent in diskrediet zouden kunnen brengen” vallen. Gelet op deze twee elementen, moet worden aangenomen dat het begrip „oneerlijke concurrentie” ook smaad in het kader van concurrentie (dénigrement) omvat.


103      Deze bepaling voert weliswaar een uitzondering in op de regel van artikel 6, lid 1, volgens welke „[d]e niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie, wordt beheerst door het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen van de consumenten worden geschaad of dreigen te worden geschaad”. Ik interpreteer deze uitzondering echter zo dat zij met name bedoeld is om in voorkomend geval de toepassing van de specifieke regels van artikel 4, leden 2 en 3, van de verordening mogelijk te maken. Zie Wautelet, P., „Concurrence déloyale et actes restreignant la libre concurrence”, R.D.C., 2008/6, juni 2008, blz. 512. Bijgevolg zal er in veel gevallen geen verschil zijn tussen de uitkomst van de toepassing van deze twee regels, aangezien de markt vaak de plaats zal zijn waar de schade zich voordoet. Bovendien vormt de bijzondere regel in artikel 6, lid 1, volgens overweging 21 van deze verordening, geen uitzondering op de algemene regel in artikel 4, lid 1 – die in artikel 6, lid 2, wordt vermeld –, maar veeleer een specificering daarvan.


104      De schade waarmee rekening dient te worden gehouden voor het bepalen van de plaats waar die schade zich heeft voorgedaan, is de directe schade, zoals blijkt uit overweging 16 van die verordening. Zie arrest van 10 december 2015, Lazar (C‑350/14, EU:C:2015:802, punt 23).