Language of document : ECLI:EU:C:2015:715

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

22 oktober 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Verordening (EG) nr. 1896/2006 – Europese betalingsbevelprocedure – Te laat verweer – Artikel 20, lid 2 – Verzoek tot heroverweging van het Europees betalingsbevel – Exceptie van onbevoegdheid van het gerecht van oorsprong – Ten onrechte uitvaardigen van een Europees betalingsbevel, gelet op de voorschriften van de verordening – Ontbreken van de ,kennelijke’ aard – Ontbreken van ,uitzonderlijke’ omstandigheden”

In zaak C‑245/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Handelsgericht Wien (handelsrechtbank te Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 8 april 2014, ingekomen bij het Hof op 21 mei 2014, in de procedure

Thomas Cook Belgium NV

tegen

Thurner Hotel GmbH

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 april 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Thurner Hotel GmbH, vertegenwoordigd door C. Linser en P. Linser, advocaten,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Eberhard als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en E. Pedrosa als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juli 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006, tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012 (PB L 283, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1896/2006”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Thomas Cook Belgium NV (hierna: „Thomas Cook”), een vennootschap gevestigd in België, en Thurner Hotel GmbH (hierna: „Thurner Hotel”), een vennootschap gevestigd in Oostenrijk, betreffende een Europese betalingsbevelprocedure.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1896/2006

3        Overweging 9 van verordening nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„Doel van deze verordening is de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren [...]”

4        Overweging 16 van die verordening bepaalt:

„Het gerecht toetst het verzoek, met inbegrip van de bevoegdheid en de beschrijving van het bewijs, op basis van de informatie in het aanvraagformulier. Aldus zou het gerecht de gronden van de vordering prima facie kunnen onderzoeken en onder meer kennelijk ongegronde of niet-ontvankelijke vorderingen kunnen uitsluiten. Deze toetsing behoeft niet door een rechter te worden uitgevoerd.”

5        Overweging 25 van de verordening luidt als volgt:

„Na het verstrijken van de termijn voor indiening van een verweerschrift heeft de verweerder in bepaalde uitzonderlijke gevallen het recht om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken. Heroverweging in uitzonderingsgevallen houdt niet in dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering. Tijdens de heroverwegingsprocedure mag de gegrondheid van de vordering niet verder worden getoetst dan de gronden die voortvloeien uit de door de verweerder aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden. De overige uitzonderlijke omstandigheden zouden onder meer kunnen omvatten de situatie dat het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier.”

6        Luidens overweging 29 van die verordening heeft zij als doelstelling „de instelling van een uniforme, snelle en efficiënte procedure voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen in de ganse Europese Unie”.

7        Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 bepaalt:

„Deze verordening heeft ten doel:

a)      de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren;

[...]”

8        Artikel 5 van die verordening omschrijft „het gerecht van oorsprong” als „het gerecht dat een Europees betalingsbevel uitvaardigt”.

9        Artikel 6, lid 1, van de verordening, met als opschrift „Rechterlijke bevoegdheid”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1)].”

10      Artikel 7, lid 2, van die verordening luidt als volgt:

„Het verzoek [om een Europees betalingsbevel] vermeldt:

a)      naam en adres van de partijen en, in voorkomend geval, van hun vertegenwoordigers, alsmede de gegevens van het gerecht waarbij het verzoek wordt ingediend;

[...]

e)      een beschrijving van het bewijs tot staving van de schuldvordering;

f)      de gronden voor de rechterlijke bevoegdheid;

[...]”

11      Artikel 8 van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift „Behandeling van het verzoek”, luidt als volgt:

„Het gerecht waarbij een verzoek om een Europees betalingsbevel is ingediend, onderzoekt zo spoedig mogelijk op basis van het aanvraagformulier of de in de artikelen [6 en 7] gestelde eisen vervuld zijn en of de vordering gegrond lijkt. Dit onderzoek kan via een geautomatiseerde procedure worden uitgevoerd.”

12      Artikel 12, leden 1 en 3 tot en met 5, van verordening nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„1. Indien de in artikel 8 genoemde voorwaarden vervuld zijn, vaardigt het gerecht door middel van het standaardformulier E van bijlage V zo spoedig mogelijk en normaliter binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek een Europees betalingsbevel uit.

[...]

3. In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:

a)      het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;

of

b)      verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht wordt verzonden.

4. In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder ervan in kennis gesteld dat:

a)      het bevel uitsluitend op basis van de door de eiser verstrekte informatie is uitgevaardigd en niet door het gerecht is geverifieerd;

b)      het bevel uitvoerbaar wordt, tenzij overeenkomstig artikel 16 bij het gerecht een verweerschrift is ingediend;

[...]

5. Het gerecht draagt er zorg voor dat het betalingsbevel overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht wordt volgens een methode die voldoet aan de minimumnormen van de artikelen 13, 14 en 15.”

13      Artikel 16, leden 1 tot en met 3, van die verordening luidt als volgt:

„1. De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen [...].

2. Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3. In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.”

14      Artikel 20, lid 2, van de bedoelde verordening, met als opschrift „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, bepaalt:

„Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2 gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.”

 Verordening nr. 44/2001

15      Artikel 5 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

[...]

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

[...]”

16      Artikel 23 van die verordening luidt als volgt:

„1. Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. [...]

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      De reisorganisator Thomas Cook heeft op 3 september 2009 een overeenkomst gesloten met Thurner Hotel voor het verrichten van hoteldiensten.

18      Thurner Hotel heeft bij het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (districtsrechtbank voor handelszaken te Wenen) om een Europees betalingsbevel verzocht tegen Thomas Cook voor een bedrag van 15 232,28 EUR, voor de betaling van de facturen voor de diensten die Thurner Hotel heeft verricht in het kader van die overeenkomst. Volgens Thurner Hotel is de aangezochte rechter bevoegd op basis van de plaats van uitvoering van de bedoelde diensten.

19      Op 26 juni 2013 is het Europees betalingsbevel aan Thomas Cook betekend, overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1896/2006.

20      Thomas Cook heeft op 25 september 2013, na het verstrijken van de termijn voor verweer van 30 dagen waarin artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 voorziet, een verweerschrift ingediend, eveneens met het verzoek aan het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (districtsrechtbank voor handelszaken te Wenen) om het Europees betalingsbevel in heroverweging te nemen, overeenkomstig artikel 20, lid 2, van die verordening.

21      Thomas Cook heeft in dat verband aangevoerd dat Thurner Hotel haar de betrokken facturen niet, of alleszins niet op tijd, had overgemaakt en dat de betwiste schuldvordering gebaseerd was op onjuiste beweringen. Bovendien heeft Thomas Cook een exceptie van onbevoegdheid van de Oostenrijkse rechterlijke instanties opgeworpen, gebaseerd op een bevoegdheidsbeding ten gunste van de Belgische rechterlijke instanties. Thomas Cook heeft naar artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 verwezen en aangevoerd dat de onbevoegdheid van het gerecht van oorsprong een heroverwegingsgrond is in de zin van die bepaling.

22      Bij beschikking van 28 oktober 2013 heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (districtsrechtbank voor handelszaken te Wenen) dit verzoek verworpen omdat de mogelijkheid tot heroverweging als bedoeld in artikel 20, lid 2, van die verordening, strikt moet worden uitgelegd. Volgens deze rechterlijke instantie is de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel door een onbevoegde rechterlijke instantie geen omstandigheid op grond waarvan de schuldenaar om heroverweging van dit betalingsbevel kan verzoeken met een beroep op die bepaling.

23      Thomas Cook heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, en voerde daarbij aan dat in het geding voor de rechter in eerste aanleg het recht onjuist was toegepast en dat hij op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 om heroverweging van het Europese betalingsbevel moest kunnen verzoeken.

24      De verwijzende rechter stelt dat de Oostenrijkse rechtsleer een strikte uitlegging geeft van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1869/2006, maar verdeeld is over de vraag of de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel door een onbevoegde rechter een geldige heroverwegingsgrond is, zoals bedoeld in die verordening. De verwijzende rechter voert ook aan dat de „uitzonderlijke omstandigheden” als voorzien in die bepaling, en die zich noodzakelijkerwijs moeten voordoen voor de heroverweging van een Europees betalingsbevel, door die verordening niet worden omschreven.

25      Daarop heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)       Moet verordening nr. 1896/2006 aldus worden uitgelegd dat de verweerder overeenkomstig artikel 20, lid 2, [van die verordening] ook om rechterlijke heroverweging van het Europees betalingsbevel mag verzoeken wanneer dit betalingsbevel hem weliswaar rechtsgeldig is betekend, maar op basis van de op het aanvraagformulier verstrekte informatie betreffende de bevoegdheid door een onbevoegde rechter is uitgevaardigd?

2)       Voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is overeenkomstig overweging 25 van (het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend, [COM(2006) 57 definitief]) sprake van een uitzonderlijke omstandigheid zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, wanneer het Europese betalingsbevel is uitgevaardigd op basis van op het aanvraagformulier verstrekte elementen die achteraf onjuist kunnen blijken, in het bijzonder wanneer de bevoegdheid van het gerecht daarvan afhangt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

26      Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, aldus moet worden uitgelegd dat het, in omstandigheden zoals in het hoofdgeding, eraan in de weg staat dat een verweerder, aan wie overeenkomstig die verordening een Europees betalingsbevel is betekend, om een heroverweging van dat bevel verzoekt en daarbij aanvoert dat het gerecht van oorsprong zich onterecht bevoegd heeft verklaard op grond van beweerde onjuiste informatie die door de verzoeker is verstrekt in zijn aanvraagformulier voor dat betalingsbevel.

27      Vooraf zij opgemerkt dat, blijkens artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006, bij het overmaken van het Europees betalingsbevel aan de verweerder, overeenkomstig die verordening, de bedoelde verweerder op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij de mogelijkheid heeft om ofwel het in dit bevel vermelde bedrag te betalen, ofwel om zich overeenkomstig artikel 16 van de verordening hiertegen te verzetten, bij het gerecht van oorsprong, binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel is betekend of ter kennis is gebracht.

28      Het Hof heeft in punt 30 van zijn arrest Goldbet Sportwetten (C‑144/12, EU:C:2013:393) reeds geoordeeld, dat deze mogelijkheid voor de verweerder om verzet aan te tekenen dient op te wegen tegen het feit dat hij volgens het door verordening nr. 1896/2006 ingevoerde stelsel niet betrokken is bij de Europese betalingsbevelprocedure, door hem de mogelijkheid te bieden de vordering te betwisten nadat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd.

29      Wat de mogelijkheid betreft om het Europees betalingsbevel te heroverwegen, blijkt uit het opschrift van artikel 20 van de bedoelde verordening dat na het verstrijken van de termijn om een verweerschrift in te dienen deze mogelijkheid enkel bestaat in „uitzonderlijke gevallen”.

30      Blijkens de tekst van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, kan na het verstrijken van de gestelde termijn voor het indienen van een verweerschrift, het Europese betalingsbevel heroverwogen worden indien het betalingsbevel kennelijk ten onrechte is uitgevaardigd, gelet op de voorschriften van verordening nr. 1896/2006, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

31      Aangezien het de bedoeling van de Uniewetgever was de heroverwegingsprocedure te beperken tot uitzonderlijke situaties, moet de betrokken bepaling noodzakelijkerwijs strikt worden uitgelegd (zie, naar analogie, arrest Commissie/Raad, C‑111/10, EU:C:2013:785, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      In de eerste plaats moet worden nagegaan of in een situatie zoals in het hoofdgeding, het betalingsbevel „kennelijk” ten onrechte is uitgevaardigd, gelet op de voorschriften van verordening nr. 1896/2006.

33      Artikel 7, lid 2, van die verordening bepaalt dat het verzoek om een Europees betalingsbevel onder andere de gegevens vermeldt van het gerecht waarbij het verzoek om een betalingsbevel wordt ingediend, alsook de gronden voor de rechterlijke bevoegdheid van dat gerecht.

34      Krachtens artikel 8 van de verordening, onderzoekt bedoeld gerecht zo spoedig mogelijk, en op basis van het aanvraagformulier voor het Europees betalingsbevel (hierna: „aanvraagformulier”) of de eisen van artikel 6 van die verordening, luidens hetwelk de rechterlijke bevoegdheid wordt bepaald volgens de terzake geldende regels van het Unierecht, en met name verordening nr. 44/2001, zijn vervuld en of de vordering gegrond lijkt. Indien de in artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 genoemde voorwaarden zijn vervuld, vaardigt het gerecht door middel van het standaardformulier E van bijlage V van die verordening, zo spoedig mogelijk en normaliter binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek, een Europees betalingsbevel uit overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de bedoelde verordening.

35      In de onderhavige zaak blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Thomas Cook de onbevoegdheid van het gerecht van oorsprong heeft opgeworpen met een beroep op een bevoegdheidsbeding ten voordele van de Belgische rechtbanken, zoals het vermeld is in de algemene voorwaarden van de overeenkomst in kwestie met Thurner Hotel.

36      In dit verband dient te worden opgemerkt dat artikel 23 van verordening nr. 44/2001 bepaalt dat wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die lidstaat bevoegd zijn. Die bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen.

37      Gesteld dat dit artikel van toepassing zou zijn in een situatie zoals die in het hoofdgeding, moet evenwel worden benadrukt dat, blijkens overweging 16 van verordening nr. 1896/2006, het aangezochte gerecht het verzoek dient te toetsen, met inbegrip van de bevoegdheid en de beschrijving van het bewijs, op basis van de informatie in het aanvraagformulier. Dit gerecht onderzoekt immers, overeenkomstig artikel 8 van die verordening, zo spoedig mogelijk op basis van het aanvraagformulier of de met name in de artikelen 6 en 7 van die verordening gestelde eisen zijn vervuld en of de vordering gegrond lijkt.

38      Artikel 12, lid 4, onder a), van verordening nr. 1896/2006 preciseert bovendien dat de verweerder in het Europees betalingsbevel er van in kennis wordt gesteld dat het bevel uitsluitend op basis van de door de eiser verstrekte informatie is uitgevaardigd en niet door het gerecht is geverifieerd, en artikel 12, lid 4, onder b), van deze verordening specifieert dat het bevel uitvoerbaar wordt, tenzij overeenkomstig artikel 16 bij het gerecht een verweerschrift is ingediend. Dat blijkt ook duidelijk uit de kennisgeving van het Europees betalingsbevel aan de verweerder, door middel van het standaardformulier E van bijlage V van verordening nr. 1896/2006.

39      Daaruit volgt dat, in de omstandigheden zoals in het hoofdgeding, de verweerder die een exceptie van onbevoegdheid wil opwerpen wegens de beweerde onjuistheid van de informatie die de verzoeker in het aanvraagformulier heeft verstrekt, moet handelen binnen de verweertermijn die is voorzien in artikel 16 van verordening nr. 1896/2006.

40      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat die proceduremogelijkheid vergemakkelijkt wordt door het feit dat de verweerder niet is gehouden te verklaren op welke gronden zijn betwisting berust en dat hij zich, overeenkomstig artikel 16, lid 3, van de bedoelde verordening, kan beperken tot het betwisten van de schuldvordering.

41      Aangezien het nut van de procedure zoals ingesteld door verordening nr. 1896/2006 erin bestaat de snelheid en de doeltreffendheid van een gerechtelijke procedure te verzoenen met de eerbieding van de rechten van verdediging, moet de verweerder aldus zijn rechten uitoefenen binnen de termijnen waarover hij beschikt, en kan hij daarna enkel nog beschikken over beperkte middelen om zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel.

42      Er zij bovendien aan herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal stelt in punt 33 van zijn conclusie, bij de beoordeling van de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong in het kader van een Europese betalingsbevelprocedure, complexe rechtsvragen aan de orde kunnen zijn, zoals de geldigheid van een bevoegdheidsbeding, die een grondiger onderzoek vergen dan op grond van artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 nodig is.

43      Daaruit volgt dat het, in de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding, niet zo is dat het Europees betalingsbevel, vanuit het oogpunt van de voorwaarden van verordening nr. 1896/2006, kennelijk ten onrechte is uitgevaardigd.

44      In de tweede plaats moet worden nagegaan of in een situatie zoals in het hoofdgeding, dat bevel „kennelijk” ten onrechte is uitgevaardigd wegens andere „uitzonderlijke omstandigheden” als bedoeld in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006.

45      Dienaangaande zij opgemerkt dat uit overweging 25 van die verordening, die overeenkomt met overweging 25 van gewijzigd voorstel voor een verordening COM(2006) 57 definitief, waar de verwijzende rechter naar verwijst, volgt dat die „andere uitzonderlijke omstandigheden” met name kunnen zien op het geval waarin het Europees betalingsbevel gebaseerd was op onjuiste informatie die door de verzoeker in het aanvraagformulier was verstrekt.

46      In casu, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft de verweerder in het hoofdgeding, ter ondersteuning van zijn verzoek tot heroverweging, evenwel de onbevoegdheid van het gerecht van oorsprong aangevoerd, met het argument dat de twee partijen bij de betrokken overeenkomst in het hoofdgeding, wat de rechterlijke bevoegdheid betreft hadden afgesproken dat de Belgische rechtbanken bevoegd zouden zijn.

47      Nadat het Europees betalingsbevel aan de verweerder was betekend, overeenkomstig verordening nr. 1896/2006, kon hij in die omstandigheden, aangezien hij op de hoogte was van het bestaan van een dergelijk bevoegdheidsbeding, de gestelde onjuistheid van de door de verzoeker in het aanvraagformulier verstrekte informatie, in casu op het vlak van de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong, beoordelen. Hij kon die onjuistheid dan ook opwerpen in het kader van het verweer bedoeld in artikel 16 van verordening nr. 1896/2006.

48      Zoals het heet in overweging 25 van die verordening, mag de mogelijkheid tot heroverweging, voorzien in artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, niet inhouden dat de verweerder opnieuw de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering.

49      Dit betekent dat in een situatie zoals in het hoofdgeding niet kan worden vastgesteld dat het Europees betalingsbevel ten onrechte is toegekend wegens „uitzonderlijke omstandigheden” als bedoeld in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006.

50      Een dergelijke uitlegging van die bepaling vindt steun in de doelstelling die de verordening nastreeft. Uit overweging 9 en artikel 1, lid 1, onder a), van die verordening, blijkt dat ze als doel heeft de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren. Overweging 29 van verordening nr. 1896/2006 voegt daaraan toe dat de doelstelling van deze verordening, de instelling is van een uniforme, snelle en efficiënte procedure voor de inning van die niet-betwiste geldvorderingen.

51      Die doelstelling zou echter in het gedrang komen als artikel 20, lid 2, van verordening 1896/2006 zo zou worden uitgelegd dat het de verweerder toestaat om, in de omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, om de heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken.

52      Gelet op het voorgaande dienen de gestelde vragen aldus te worden beantwoord dat artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, aldus moet worden uitgelegd dat het in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, eraan in de weg staat dat een verweerder, aan wie overeenkomstig die verordening een Europees betalingsbevel is betekend, om heroverweging van dat bevel verzoekt met het argument dat het gerecht van oorsprong zich onterecht bevoegd heeft verklaard op grond van gestelde onjuiste informatie die door de verzoeker is verstrekt in zijn aanvraagformulier voor dat betalingsbevel.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006, tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012, moet aldus worden uitgelegd dat het in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, eraan in de weg staat dat een verweerder, aan wie overeenkomstig die verordening een Europees betalingsbevel is betekend, om heroverweging van dat bevel verzoekt met het argument dat het gerecht van oorsprong zich onterecht bevoegd heeft verklaard op grond van gestelde onjuiste informatie die door de verzoeker is verstrekt in zijn aanvraagformulier voor dat betalingsbevel.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.