Language of document : ECLI:EU:C:2010:414

Zaak C‑334/08

Europese Commissie

tegen

Italiaanse Republiek

„Niet-nakoming – Eigen middelen van Unie – Weigering om eigen middelen in verband met bepaalde onrechtmatige douanevergunningen ter beschikking van Unie te stellen – Overmacht – Frauduleuze handeling van douaneautoriteiten – Aansprakelijkheid van lidstaten – Rechtmatigheid van opneming van vastgestelde rechten in specifieke boekhouding”

Samenvatting van het arrest

1.        Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten

(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad, art. 17, leden 1 et 2; besluit 2000/597 van de Raad, art. 2, lid 1, sub a en b, et 8, lid 1)

2.        Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten

(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad, art. 17, lid 2)

3.        Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten

(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad, art. 17, lid 2; besluit 2000/597 van de Raad, art. 2 en 8)

4.        Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten

(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad, art. 6, lid 3, sub a en b, en 17, lid 2)

1.        De in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 2000/597 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen bedoelde eigen middelen van de Unie worden volgens artikel 8, lid 1, van dit besluit geïnd door de lidstaten, die deze middelen ter beschikking van de Commissie moeten stellen. Ingevolge artikel 17, leden 1 en 2, van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen zijn de lidstaten gehouden, de nodige maatregelen te treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 van deze verordening vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld. De lidstaten zijn van deze verplichting slechts ontheven indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden of wanneer blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is.

In dit verband kan de gedraging van elk orgaan van de staat in beginsel worden toegerekend aan deze laatste. Een orgaan omvat elke persoon of entiteit die deze hoedanigheid heeft volgens het interne recht van de betrokken staat. De omstandigheid dat een dergelijke persoon of entiteit, die bevoegdheden van openbaar gezag mag uitoefenen en in deze hoedanigheid handelt, door zijn gedraging de wet schendt, zijn bevoegdheden misbruikt of in strijd met de instructies van zijn hiërarchieke meerderen handelt, doet niet af aan deze conclusie.

(cf. punten 34‑35, 39)

2.        Onder „overmacht” als bedoeld in artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1150/200 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen moeten worden verstaan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die zich buiten toedoen van degene die zich erop beroept, hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden. Een van de bestanddelen van overmacht is het zich voordoen van een gebeurtenis buiten toedoen van de persoon die zich erop wil beroepen, dat wil zeggen het plaatsvinden van een feit buiten de interventiesfeer van die persoon.

De gedraging van de douaneambtenaren, die in de uitoefening van hun functies onrechtmatige vergunningen afgeven, kan niet worden geacht te hebben plaatsgevonden buiten toedoen van de administratie waarvan zij deel uitmaken. Verder is niet aangetoond dat de gevolgen van deze gedraging, die toerekenbaar is aan de lidstaat, niet konden worden vermeden ondanks alle mogelijke voorzorgsmaatregelen van deze lidstaat. Bijgevolg kan deze lidstaat niet met succes overmacht aanvoeren teneinde te worden ontheven van de verplichting om de eigen middelen van de Unie ter beschikking van de Commissie te stellen.

(cf. punten 42, 46‑47, 49)

3.        Ook al heeft een door de douaneautoriteiten van een lidstaat begane vergissing tot gevolg dat de eigen middelen van de Unie niet werden geïnd, een dergelijke vergissing doet niet af aan de verplichting van de betrokken lidstaat, de vastgestelde rechten en vertragingsrente te betalen.

In die omstandigheden komt een lidstaat die verzuimt het recht van de Unie op eigen middelen vast te stellen en het overeenkomstige bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen, zonder dat is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens het recht van de Unie, inzonderheid de artikelen 2 en 8 van besluit 2000/597 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

(cf. punten 50‑51)

4.        Voor de mogelijkheid voor een lidstaat om te worden ontheven van zijn verplichting om de bedragen van de vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie te stellen, is niet alleen vereist dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van gewijzigde verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, maar ook dat deze rechten volgens de regels werden opgenomen in boekhouding B.

Artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalt immers dat de lidstaten bij de schatkist of bij het door hen aangewezen orgaan, een boekhouding van de eigen middelen moeten voeren. Krachtens lid 3, sub a en b, van dit artikel zijn de lidstaten verplicht, de overeenkomstig artikel 2 van deze verordening vastgestelde rechten uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in boekhouding A op te nemen, onverminderd de mogelijkheid om vastgestelde rechten die „nog niet zijn geïnd” en waarvoor „geen zekerheid is gesteld”, en de vastgestelde rechten „waarvoor een zekerheid is gesteld” en die worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is, op te nemen in boekhouding B.

De opneming van de eigen middelen in boekhouding B vormt aldus een uitzonderlijke situatie waarin de lidstaten hetzij deze rechten niet ter beschikking van de Commissie hoeven te stellen vanaf de vaststelling ervan omdat zij nog niet zijn geïnd, overeenkomstig artikel 6, lid 3, sub b, van verordening nr. 1150/2000, hetzij dit niet hoeven te doen als deze rechten niet kunnen worden geïnd door overmacht of om andere redenen die niet aan hen te wijten zijn, op grond van artikel 17, lid 2, van deze verordening.

In deze omstandigheden kan slechts aanspraak worden gemaakt op een dergelijke uitzonderlijke situatie wanneer de opneming van de vastgestelde rechten in boekhouding B door de lidstaten is verricht in overeenstemming met het recht van de Unie.

(cf. punten 65‑66, 68‑69)