Language of document : ECLI:EU:T:2022:454

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)

13 juli 2022 (*)

„Arbitragebeding – Internationale arbeidscontractant van EUCAP Somalia – Missie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Niet-verlenging van de arbeidsovereenkomst wegens de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie – Recht om te worden gehoord – Gelijke behandeling – Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit – Overgangsperiode waarin is voorzien in het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie – Beroep tot nietigverklaring – Beroep tot schadevergoeding – Handelingen die onlosmakelijk zijn verbonden met de overeenkomst – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑194/20,

JF, vertegenwoordigd door A. Kunst, advocaat,

verzoeker,

tegen

EUCAP Somalia, vertegenwoordigd door E. Raoult, advocaat,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos (rapporteur), president, V. Valančius, I. Reine, L. Truchot en M. Sampol Pucurull, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 9 december 2021,

het navolgende

Arrest

1        Met zijn beroep vordert verzoeker, JF, primair, ten eerste, op grond van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van de nota van EUCAP Somalia van 18 januari 2020 (hierna: „nota van 18 januari 2020”) en van de brief van 29 januari 2020 (hierna: „brief van 29 januari 2020”), waarbij EUCAP Somalia heeft besloten zijn arbeidsovereenkomst niet te verlengen (hierna tezamen: „litigieuze handelingen”) en, ten tweede, op grond van artikel 268 VWEU, vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van deze handelingen, en subsidiair, op grond van artikel 272 VWEU, vaststelling dat de litigieuze handelingen onwettig zijn, alsmede vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van deze handelingen.

I.      Voorgeschiedenis van het geding

2        EUCAP Somalia, voorheen EUCAP NESTOR, is een missie van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), die is ingesteld bij besluit 2012/389/GBVB van de Raad van 16 juli 2012 betreffende de missie van de Europese Unie voor de opbouw van capaciteit in Somalië (EUCAP Somalia) (PB 2012, L 187, blz. 40), dat is genomen op grond van hoofdstuk 2 van titel V van het VEU, dat betrekking heeft op het GBVB. Overeenkomstig artikel 2 van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2018/1942 van de Raad van 10 december 2018 (PB 2018, L 314, blz. 56), heeft EUCAP Somalia tot doel Somalië bij te staan bij het versterken van zijn capaciteit voor maritieme veiligheid, zodat het de maritieme wetgeving doeltreffender kan handhaven.

3        Krachtens artikel 7, lid 3, van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942, kan EUCAP Somalia „internationaal en lokaal personeel op contractbasis aanwerven, indien de vereiste functies niet worden vervuld door personeel dat door de lidstaten gedetacheerd is”. Voorts kunnen volgens deze bepaling „[b]ij wijze van uitzondering en in naar behoren gemotiveerde gevallen, [...] in voorkomend geval onderdanen van deelnemende derde landen op contractbasis worden aangeworven wanneer er geen geschikte kandidaten uit de lidstaten beschikbaar zijn”. Artikel 7, lid 4, van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942, bepaalt dat „[d]e arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale en het plaatselijke personeel worden neergelegd in contracten die moeten worden gesloten tussen EUCAP Somalia en het betrokken personeelslid”.

4        Overeenkomstig artikel 12 bis van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942, heeft EUCAP Somalia „de bevoegdheid diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden en haar schulden te vereffenen, en in rechte op te treden, zoals vereist om uitvoering te geven aan dit besluit”.

5        Tussen [vertrouwelijk] en 31 januari 2020, de periode waarin verzoeker verschillende zonder onderbreking op elkaar volgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft ondertekend, was hij internationaal arbeidscontractant van EUCAP Somalia, waar hij de functie van [vertrouwelijk] bekleedde.

6        Artikel 17 van verzoekers laatste arbeidsovereenkomst (hierna: „betrokken overeenkomst”), met als opschrift „Duur”, bepaalde in lid 1:

„De werknemer treedt in dienst op 1 [november] 2019 en deze overeenkomst eindigt op 31 [januari] 2020.”

7        De betrokken overeenkomst bevatte in artikel 22, lid 1, een arbitragebeding dat luidde als volgt:

„Het Hof van Justitie van de Europese Unie is overeenkomstig artikel 272 [VWEU] bevoegd kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met deze overeenkomst.”

8        Nadat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op 29 maart 2017 aan de Europese Raad kennis had gegeven van zijn voornemen om zich krachtens artikel 50, lid 2, VEU terug te trekken uit de Europese Unie, heeft de Unie overeenkomstig diezelfde bepaling met die staat onderhandeld over een akkoord waarin de voorwaarden voor een dergelijke terugtrekking worden vastgesteld.

9        In dat verband werd in de laatste vier arbeidsovereenkomsten van verzoeker, die gezamenlijk de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2020 bestrijken, telkens een einddatum vastgesteld die overeenkwam met de uiterste datums die achtereenvolgens waren vastgesteld voor de onderhandelingen over een terugtrekkingsakkoord, welke datums, indien een dergelijk akkoord niet werd gesloten of de onderhandelingsperiode niet werd verlengd, overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU, datums van terugtrekking zonder akkoord werden.

10      Voorts bevatten de laatste twee door verzoeker gesloten arbeidsovereenkomsten, te weten de overeenkomst van 13 april tot en met 31 oktober 2019 en de betrokken overeenkomst, artikel 18, met als opschrift „Beëindiging”, waarin is bepaald:

„18.1.      Deze arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd door de werkgever of door de werknemer, met inachtneming van een schriftelijke opzegtermijn van [één] maand, met vermelding van de reden van de beëindiging. De werknemer moet door het plaatsvervangend hoofd van de missie worden gehoord voordat een dergelijk besluit wordt genomen, waarbij het hoofd van de missie te allen tijde op de hoogte moet worden gehouden.

[...]

18.3      Deze overeenkomst kan in het bijzonder worden beëindigd vóór de einddatum ervan, indien het Verenigd Koninkrijk niet langer lid is van de Europese Unie. De verplichting van de werkgever om een opzegtermijn van een maand in acht te nemen, vervalt. De werkgever moet ernaar streven om deze beëindiging van tevoren aan te kondigen.”

11      Bij de nota van 18 januari 2020 heeft het hoofd van de missie van EUCAP Somalia (hierna: „hoofd van de missie”) de internationale arbeidscontractanten van deze missie die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk ervan in kennis gesteld dat, wegens de waarschijnlijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie op 31 januari 2020, hun arbeidsovereenkomsten – waarin die einddatum reeds was bepaald – op die datum zouden eindigen, en dat voor hun functies reeds kandidaten waren geselecteerd.

12      Op 24 januari 2020 hebben de vertegenwoordigers van de Unie en het Verenigd Koninkrijk het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ondertekend (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: „akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk”).

13      Op diezelfde dag heeft verzoeker bij zijn hiërarchieke meerdere een niet-disciplinair intern bezwaar ingediend tegen de nota van 18 januari 2020 op grond van artikel 21 van de betrokken overeenkomst, met als opschrift „Niet-disciplinaire bezwaarprocedure” waarin het navolgende is bepaald:

„1.      Een werknemer kan tegen een voor hem bezwarende handeling binnen een maand na de datum van die handeling bezwaar indienen bij de werkgever. Het bezwaar moet via de directe meerdere van het personeelslid bij de werkgever worden ingesteld, behalve wanneer het die meerdere betreft, in welk geval het bezwaar rechtstreeks bij de werkgever kan worden ingesteld. De werknemer moet door het plaatsvervangend hoofd van de missie worden gehoord voordat een besluit wordt genomen, waarbij het hoofd van de missie te allen tijde op de hoogte moet worden gehouden.

2.      De oorspronkelijke bezwaarprocedure heeft geen schorsende werking. Binnen een maand na de datum waarop het bezwaar is ingediend, stelt de werkgever het personeelslid in kennis van zijn met redenen omkleed besluit.”

14      Bij brief van 29 januari 2020, die op 31 januari 2020 ter kennis van verzoeker is gebracht, heeft het hoofd van de missie dit interne bezwaar afgewezen en aan verzoeker bevestigd dat de betrokken overeenkomst op 31 januari 2020 zou eindigen als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

15      Het Europees Parlement heeft, eveneens op 29 januari, zijn goedkeuring gehecht aan de sluiting van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk.

16      Op 30 januari 2020 heeft de Raad van de Europese Unie besluit (EU) 2020/135 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (PB 2020, L 29, blz. 1) vastgesteld. Krachtens artikel 1 van dit besluit is het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk goedgekeurd namens de Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

17      In artikel 126 van dit akkoord is een overgangsperiode vastgesteld die inging op de datum van inwerkingtreding van dat akkoord en eindigde op 31 december 2020 (hierna: „overgangsperiode”).

18      Op 31 januari 2020 om middernacht heeft het Verenigd Koninkrijk zich uit de Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie teruggetrokken en op 1 februari 2020 is het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk in werking getreden, overeenkomstig artikel 185 ervan.

II.    Conclusies van partijen

19      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        primair, de litigieuze handelingen nietig te verklaren en, subsidiair, deze handelingen onwettig te verklaren;

–        primair, EUCAP Somalia op grond van haar niet-contractuele aansprakelijkheid te veroordelen tot vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade, en, subsidiair, EUCAP Somalia op grond van haar contractuele aansprakelijkheid te veroordelen tot vergoeding van diezelfde schade;

–        EUCAP Somalia te verwijzen in de kosten, vermeerderd met 8 % rente.

20      EUCAP Somalia verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk, althans kennelijk rechtens ongegrond te verklaren;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

21      Het onderhavige beroep bestaat, primair, uit een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU en een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU en, subsidiair, uit vorderingen op grond van artikel 272 VWEU.

A.      Primaire vorderingen op grond van de artikelen 263 en 268 VWEU

22      Zonder formeel een exceptie in de zin van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te werpen, betwist EUCAP Somalia de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep voor zover het primair is gebaseerd op de artikelen 263 en 268 VWEU, ofschoon het beroep van contractuele aard is, aangezien de litigieuze handelingen niet van de betrokken overeenkomst kunnen worden gescheiden.

23      Verzoeker betwist het betoog van EUCAP Somalia.

24      Om te beginnen betoogt verzoeker dat de Unierechter zich reeds op grond van de artikelen 263 en 268 VWEU bevoegd heeft verklaard in het kader van beroepen die bij GBVB-missies gedetacheerde personeelsleden hebben ingesteld tegen handelingen van personeelsbeleid. De beroepen van arbeidscontractanten van die missies moeten volgens verzoeker dus eveneens onder dezelfde bepalingen vallen.

25      Vervolgens betoogt verzoeker dat zijn arbeidsverhouding met EUCAP Somalia door publiekrechtelijke documenten werd geregeld en dat hij niet vrij heeft onderhandeld over zijn arbeidsovereenkomsten met EUCAP Somalia.

26      Ten slotte zijn de litigieuze handelingen volgens verzoeker administratieve besluiten die niet onlosmakelijk verbonden zijn met de betrokken overeenkomst aangezien zij zijn vastgesteld ter uitvoering van verschillende instructies die de civiele operationele commandant aan het hoofd van de missie heeft gegeven.

1.      Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU

27      Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat uit vaste rechtspraak volgt dat het beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU kan worden ingesteld tegen alle handelingen van de instellingen van de Unie, ongeacht hun aard of vorm, die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arrest van 25 juni 2020, SC/Eulex Kosovo, C‑730/18 P, EU:C:2020:505, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Voorts vormt artikel 272 VWEU een specifieke bepaling op grond waarvan de Unierechter krachtens een door de partijen voor publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomsten gesloten arbitragebeding kan worden geadieerd, zonder beperkingen in verband met de aard van de bij de Unierechter ingestelde vordering (zie arrest van 25 juni 2020, SC/Eulex Kosovo, C‑730/18 P, EU:C:2020:505, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Wanneer er sprake is van een overeenkomst tussen de verzoeker en een van de instellingen, kan dus slechts een beroep op grond van artikel 263 VWEU bij de Unierechter aanhangig worden gemaakt indien de bestreden handeling beoogt bindende rechtsgevolgen teweeg te brengen die de contractuele verhouding tussen de partijen te buiten gaan en de uitoefening impliceren van bevoegdheden van openbaar gezag die aan de contracterende instelling handelend als bestuursorgaan zijn toegekend (zie arrest van 25 juni 2020, SC/Eulex Kosovo, C‑730/18 P, EU:C:2020:505, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Wanneer, zoals in casu, de verzoeker en de verweerder middels een overeenkomst zijn gebonden, is de rechter die bevoegd is met betrekking tot de overeenkomst, derhalve in beginsel bevoegd. Het in punt 29 hierboven bedoelde geval vormt dus een uitzondering op dit beginsel, zodat de voorwaarden die daaraan verbonden zijn, strikt moeten worden uitgelegd.

31      In casu moet worden benadrukt dat het onderhavige beroep betrekking heeft op de weigering om de betrokken overeenkomst te verlengen na de einddatum, zoals vastgelegd in de nota van 18 januari 2020, die is bevestigd bij de brief van 29 januari 2020.

32      Ten eerste zijn de arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale personeel van EUCAP Somalia contractueel vastgelegd, overeenkomstig artikel 7, lid 4, van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942. De arbeidsverhouding tussen verzoeker en EUCAP Somalia, die op 31 januari 2020 is beëindigd, was dus van contractuele aard.

33      Ten tweede volgde de brief van 29 januari 2020 op het door verzoeker ingediende niet-disciplinaire interne bezwaar op basis van contractuele bepalingen, te weten artikel 21, lid 1, van de betrokken overeenkomst (zie punt 13 hierboven).

34      Ten derde hebben de litigieuze handelingen betrekking op de weigering om de betrokken overeenkomst te verlengen als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

35      In dat verband staat tussen partijen vast dat de duur van de laatste vier arbeidsovereenkomsten van verzoeker, die gezamenlijk de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2020 bestrijken, is vastgesteld aan de hand van de uiterste datums die achtereenvolgens waren vastgesteld voor de onderhandelingen over een terugtrekkingsakkoord, welke datums, bij gebreke van de sluiting van een dergelijk akkoord of van een verlenging van de onderhandelingsperiode, overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU, datums van terugtrekking zonder akkoord werden (zie punt 9 hierboven). Partijen waren derhalve overeengekomen dat de periode van aanstelling van verzoeker bij EUCAP Somalia in beginsel niet zou kunnen voortduren na de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

36      Voorts bevatten verzoekers laatste twee arbeidsovereenkomsten elk een clausule, in artikel 18, lid 3, op grond waarvan deze overeenkomsten voortijdig konden worden beëindigd ingeval het Verenigd Koninkrijk een derde staat zou worden (zie punt 10 hierboven). Hoewel deze clausule, zoals verzoeker beklemtoont, niet ten uitvoer is gelegd, toont het bestaan ervan niettemin aan dat de hoedanigheid van het Verenigd Koninkrijk als lidstaat een contractuele voorwaarde was voor het behoud van verzoekers dienstverband bij EUCAP Somalia.

37      Ten vierde blijkt uit het dossier dat verzoekers opeenvolgende arbeidsovereenkomsten, als bijlage, een document bevatten met als opschrift „Functieomschrijving”, volgens welke omschrijving de door verzoeker uitgeoefende functie van [vertrouwelijk] niet openstond voor onderdanen van derde staten.

38      Ten vijfde is het juist dat, zoals verzoeker benadrukt, het hoofd van de missie in de brief van 29 januari 2020 heeft verwezen naar een instructie van de civiele operationele commandant van 30 oktober 2019, waarin deze aan de hoofden van de GBVB-missies heeft meegedeeld dat de overeenkomsten waarvan zij eventueel verlenging aanboden aan hun internationale arbeidscontractanten die onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, niet tot na 31 januari 2020 verlengd konden worden. Deze omstandigheid volstaat echter niet om aan te nemen dat de litigieuze handelingen de contractuele verhouding tussen de partijen te buiten gaan op grond dat het hoofd van de missie die instructie eenvoudigweg heeft uitgevoerd.

39      Ten eerste is de instructie van de civiele operationele commandant van 30 oktober 2019 immers gegeven na de verlenging tot en met 31 januari 2020 van de uiterste datum voor de onderhandelingen over een terugtrekkingsakkoord, overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU. In deze context heeft de civiele operationele commandant aan de hoofden van de GBVB-missies meegedeeld dat de duur van de arbeidsovereenkomsten die zijn aangeboden aan hun personeelsleden die onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, de datum van 31 januari 2020 niet mocht overschrijden, zonder zich evenwel uit te spreken over de mogelijkheid van eventuele verlengingen van overeenkomsten na die datum. Ten tweede heeft de civiele operationele commandant in diezelfde instructie gepreciseerd dat de verlenging van de arbeidsovereenkomsten van de internationale arbeidscontractanten die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, afhankelijk was van de beoordeling van het belang van de dienst door de missie. Het hoofd van de missie beschikte dientengevolge over een beoordelingsmarge met betrekking tot de vraag of een dergelijke verlenging wenselijk is, in voorkomend geval door middel van individuele besluiten die passen in het kader van de contractuele betrekkingen met het betrokken personeel.

40      Uit het voorgaande volgt dat, zoals EUCAP Somalia terecht aanvoert, de litigieuze handelingen contractueel van aard zijn. Dergelijke handelingen beogen dus geen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de contractuele verhouding tussen verzoeker en EUCAP Somalia te buiten gaan en de uitoefening impliceren van bevoegdheden van openbaar gezag door laatstgenoemde. Deze handelingen kunnen derhalve niet worden geacht handelingen te zijn waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld krachtens artikel 263 VWEU.

41      De op grond van artikel 263 VWEU ingestelde vordering tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.      Ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU

42      Volgens de rechtspraak moeten de rechterlijke instanties van de Unie, om te bepalen of een vordering tot schadevergoeding betrekking heeft op de contractuele dan wel niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, nagaan of deze vordering betrekking heeft op een schadevordering die objectief en algemeen op rechten en verplichtingen van contractuele dan wel van niet-contractuele oorsprong berust. Daartoe moeten deze rechterlijke instanties aan de hand van een analyse van de verschillende bestanddelen van het dossier, zoals onder meer de beweerdelijk geschonden rechtsregel, de aard van de aangevoerde schade, de verweten handelwijze en de tussen de betrokken partijen bestaande rechtsverhoudingen, nagaan of er tussen hen sprake is van een werkelijke contractuele context, verband houdend met het voorwerp van het geding, waarvan diepgaand onderzoek noodzakelijk blijkt om dat geding te kunnen beslechten (zie in die zin arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg, C‑103/11 P, EU:C:2013:245, punt 66).

43      In het bijzonder kunnen de rechterlijke instanties van de Unie zich niet enkel baseren op de door partijen aangevoerde normen. Het louter inroepen van rechtsregels die niet voortvloeien uit een in casu relevante overeenkomst, maar verbindend zouden zijn voor de partijen, kan niet tot gevolg hebben dat de contractuele aard van het geschil wordt gewijzigd. Anders zou de aard van het geschil en dus de bevoegde rechter naargelang van de door de partijen ingeroepen regels aan wijziging onderhevig zijn (zie in die zin arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg, C‑103/11 P, EU:C:2013:245, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      In casu beoogt verzoeker met zijn vordering tot schadevergoeding vergoeding te verkrijgen van de materiële en immateriële schade die de litigieuze handelingen hem zouden hebben berokkend.

45      Zoals in punt 40 hierboven is vastgesteld, zijn deze handelingen van contractuele aard.

46      Bovendien blijkt uit de bewoordingen van het verzoekschrift dat de immateriële schade waarvan verzoeker vergoeding vordert, onder meer voortvloeit uit de motivering zelf voor die handelingen en dat zij ook bestaat in een aantasting van zijn beroepsperspectieven in verband met de voortzetting van zijn arbeidsverhouding met EUCAP Somalia, die van contractuele aard was (zie punt 32 hierboven). De materiële schade waarvan verzoeker vergoeding vordert, bestaat met name uit salarissen, emolumenten en geldelijke rechten die hij zou hebben ontvangen indien de betrokken overeenkomst tijdens de overgangsperiode zou zijn verlengd.

47      Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot schadevergoeding van verzoeker in een werkelijke contractuele context plaatsvindt in de zin van de in punt 42 hierboven aangehaalde rechtspraak, zodat deze vordering onder de contractuele aansprakelijkheid van de Unie valt. Bijgevolg moet verzoekers vordering tot schadevergoeding, voor zover die primair op artikel 268 VWEU is gebaseerd en betrekking heeft op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor de handelingen van EUCAP Somalia, niet-ontvankelijk worden verklaard.

B.      Subsidiaire vorderingen op grond van artikel 272 VWEU

48      Subsidiair stelt verzoeker op grond van artikel 272 VWEU een vordering in waarmee hij, ten eerste, de litigieuze handelingen, die als onwettig worden beschouwd, betwist en, ten tweede, verzoekt om vaststelling dat EUCAP Somalia contractueel aansprakelijk is.

1.      Bevoegdheid van het Gerecht

49      Het Gerecht is op grond van artikel 272 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 256 VWEU, bevoegd om in eerste aanleg uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

50      In casu is het Gerecht, gelet op de bewoordingen van het in punt 7 hierboven vermelde arbitragebeding, bevoegd om kennis te nemen van verzoekers subsidiaire vorderingen, hetgeen EUCAP Somalia overigens niet betwist.

2.      Toepasselijk recht

51      Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 340, eerste alinea, VWEU de contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.

52      Geschillen die tijdens de uitvoering van een overeenkomst ontstaan, moeten in beginsel worden beslecht op basis van de contractuele bepalingen (zie arrest van 18 november 2015, Synergy Hellas/Commissie, T‑106/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:860, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De uitlegging van de overeenkomst op basis van de voor deze overeenkomst geldende nationale bepalingen is enkel gerechtvaardigd indien er twijfel bestaat over de inhoud van de overeenkomst of over de betekenis van sommige bepalingen ervan, dan wel wanneer niet alle aspecten van het geschil op basis van die overeenkomst alleen kunnen worden opgelost. Bijgevolg moet de gegrondheid van het verzoek uitsluitend worden beoordeeld in het licht van de contractuele bepalingen en moet enkel worden teruggegrepen op het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht indien het geschil niet kan worden beslecht aan de hand van deze bepalingen (zie in die zin arrest van 13 juli 2017, Talanton/Commissie, T‑65/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:491, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Dit beginsel kan er echter niet toe leiden dat partijen door de toepassing van de bepalingen van een overeenkomst de mogelijkheid krijgen dwingende bepalingen van het toepasselijke nationale recht, waarvan niet kan worden afgeweken en in overeenstemming waarmee de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten worden nagekomen of zijn nagekomen, terzijde te schuiven.

54      Wanneer de instellingen, organen of instanties van de Unie een overeenkomst uitvoeren, blijven zij bovendien onderworpen aan de krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna „Handvest”) en de algemene beginselen van het Unierecht op hen rustende verplichtingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86). Indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, is die rechter dus bevoegd om, ongeacht het in de overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, eventuele inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).

55      Ingeval de overeenkomst ter zake geen uitsluitsel geeft, dient de Unierechter aan de hand van de in verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6) vervatte voorschriften te bepalen wat het toepasselijke recht is (zie in die zin arrest van 18 februari 2016, Calberson GE/Commissie, T‑164/14, EU:T:2016:85, punt 25).

56      In casu wordt in de betrokken overeenkomst niet nader aangeduid welk recht erop van toepassing is, met uitzondering van vraagstukken van sociale zekerheid, fiscaliteit en pensioenen, die niet aan de orde waren in het onderhavige geding.

57      Ter ondersteuning van zijn subsidiaire vorderingen op grond van artikel 272 VWEU voert verzoeker evenwel uitsluitend middelen aan die zijn ontleend aan schending van het Unierecht, met name de algemene beginselen van dat recht en het Handvest. Voorts blijkt niet dat het voor de beslechting van het onderhavige geschil noodzakelijk is dwingende bepalingen van nationaal recht toe te passen.

58      In antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag hebben partijen bevestigd dat het voor het onderzoek van de eventuele contractuele aansprakelijkheid van EUCAP Somalia volstond om de betrokken overeenkomst te analyseren, die volgens artikel 1, lid 1, ervan onder andere de operationele standaardprocedures van EUCAP Somalia omvat.

59      In deze omstandigheden behoeft niet te worden bepaald welk nationaal recht van toepassing is op het onderhavige geschil, dat kan worden beslecht op basis van de betrokken overeenkomst, de operationele standaardprocedures van EUCAP Somalia waarnaar in die overeenkomst wordt verwezen, alsmede het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht.

3.      Ontvankelijkheid

60      Zonder formeel een exceptie in de zin van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op te werpen, betwist EUCAP Somalia eveneens de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep voor zover het subsidiair is gebaseerd op artikel 272 VWEU.

61      Ten eerste betwist EUCAP Somalia dat verzoeker het onderhavige beroep op een subsidiaire rechtsgrondslag kan instellen. Dienaangaande betoogt zij dat het instellen van een en hetzelfde beroep op twee rechtsgrondslagen, de ene primair en de andere subsidiair, neerkomt op een verzoek aan het Gerecht om de juiste rechtsgrondslag vast te stellen. Voorts wijst zij erop dat de onzekerheid over de rechtsgrondslag van het beroep het voor haar heeft bemoeilijkt om haar verweer in antwoord op de subsidiaire vorderingen van verzoeker op basis van artikel 272 VWEU, op juiste wijze te structureren.

62      Ten tweede stelt EUCAP Somalia dat het beroep niet kan worden geherkwalificeerd, aangezien geen van de vijf door verzoeker aangevoerde middelen voldoende nauwkeurig betrekking heeft op schendingen van de regels die op de contractuele verhouding tussen hem en EUCAP Somalia van toepassing zijn.

63      Verzoeker betwist het betoog van EUCAP Somalia.

64      In de eerste plaats is het juist dat, zoals EUCAP Somalia benadrukt, de keuze van de rechtsgrondslag voor zijn beroep door de verzoeker moet worden gemaakt en het niet aan de Unierechter is om zelf de meest geschikte rechtsgrondslag te kiezen (zie arrest van 15 maart 2005, Spanje/Eurojust, C‑160/03, EU:C:2005:168, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      In casu heeft verzoeker echter wel degelijk een dergelijke keuze gemaakt, aangezien uit het verzoekschrift, en met name het deel ervan dat betrekking heeft op de vorderingen die ter ondersteuning van het onderhavige beroep zijn geformuleerd, duidelijk blijkt dat hij ervoor heeft gekozen zijn beroep primair te baseren op de artikelen 263 en 268 VWEU en subsidiair op artikel 272 VWEU.

66      Anders dan EUCAP Somalia stelt, staat het in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte beginsel op zich niet eraan in de weg dat verzoeker zijn beroep instelt op basis van een rechtsgrondslag, waarbij hij subsidiair – in geval van niet-ontvankelijkheid van dat beroep – hetzelfde beroep instelt op basis van een andere rechtsgrondslag (zie in die zin arrest van 8 mei 2007, Citymo/Commissie, T‑271/04, EU:T:2007:128, punten 66 en 67).

67      Voorts moet het argument van EUCAP Somalia dat zij haar verweer niet heeft kunnen structureren doordat subsidiaire vorderingen op basis van artikel 272 VWEU zijn ingediend, worden afgewezen. Ten eerste zijn de litigieuze handelingen waartegen het onderhavige beroep is gericht, voor zover het subsidiair op artikel 272 VWEU is gebaseerd, immers identiek aan de handelingen waartegen dat beroep is gericht, voor zover het primair is gebaseerd op de artikelen 263 en 268 VWEU. Ten tweede heeft verzoeker benadrukt dat zijn middelen inzake schending van het Unierecht, die hij ter ondersteuning van zijn primaire vorderingen had aangevoerd op grond van de artikelen 263 en 268 VWEU, moeten worden beschouwd als middelen inzake contractuele schendingen ingeval zijn beroep wordt onderzocht op basis van artikel 272 VWEU, de rechtsgrondslag waarvoor hij subsidiair had gekozen.

68      Overigens moet worden vastgesteld dat EUCAP Somalia de gegrondheid van de verschillende middelen die verzoeker ter ondersteuning van zijn beroep heeft aangevoerd, inderdaad heeft betwist.

69      Wat het hierboven in punt 62 weergegeven argument van EUCAP Somalia betreft aangaande de aard van de door verzoeker aangevoerde middelen, zij er in de tweede plaats op gewezen dat verzoeker – tot staving van zijn vorderingen op grond van artikel 272 VWEU – middelen aanvoert die met name zijn ontleend aan schending van het door artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest gewaarborgde recht om te worden gehoord, alsmede van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie, die door respectievelijk de artikelen 20 en 21 van het Handvest worden gewaarborgd. Voorts voert verzoeker een middel aan dat is ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat een algemeen beginsel van Unierecht vormt (zie arrest van 26 februari 2016, Šumelj e.a./Commissie, T‑546/13, T‑108/14 en T‑109/14, EU:T:2016:107, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70      Zoals blijkt uit de in punt 54 hierboven aangehaalde rechtspraak, voert verzoeker, door ter ondersteuning van zijn vorderingen op grond van artikel 272 VWEU te stellen dat de in het Handvest gewaarborgde beginselen en de algemene beginselen van het Unierecht zijn geschonden, wel degelijk regels aan die de diensten van de Unie in een contractueel kader in acht moeten nemen. Daar anders het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming zou worden geschonden, kan verzoeker derhalve niet worden belet om zich, ter ondersteuning van zijn vorderingen op grond van artikel 272 VWEU, te beroepen op schending van die beginselen, omdat hij zich rechtsgeldig enkel op de niet-uitvoering van de bepalingen van zijn overeenkomst of op schending van het op die overeenkomst toepasselijke recht kan beroepen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punten 85‑89).

71      Derhalve is het onderhavige beroep ontvankelijk voor zover het is gebaseerd op artikel 272 VWEU.

4.      Ten gronde

72      Zoals in punt 48 hierboven in herinnering is gebracht, stelt verzoeker subsidiaire vorderingen in waarmee hij, ten eerste, de litigieuze handelingen, die als onwettig worden beschouwd, betwist en, ten tweede, verzoekt om vaststelling dat de Unie wegens deze handelingen contractueel aansprakelijk is.

73      Ter ondersteuning van deze vorderingen voert verzoeker in wezen vier middelen aan die zijn ontleend aan: ten eerste, schending van het recht om te worden gehoord; ten tweede, schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het discriminatieverbod; ten derde, schending van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, en, ten vierde, schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

a)      Eerste middel: schending van het recht om te worden gehoord

74      Met zijn eerste middel betoogt verzoeker, dat hij had moeten worden gehoord voordat de nota van 18 januari 2020 werd opgesteld. In die zin wijst hij erop dat deze nota voor hem nadelig was, aangezien deze tot gevolg had dat zijn– jarenlange – dienstverband bij EUCAP Somalia plotseling werd beëindigd. In dit verband betwist hij dat hij tijdens een bijeenkomst van 13 januari 2020 in aanwezigheid van alle personeelsleden en daarna tijdens een werklunch op 24 januari is gehoord, en betoogt hij dat de verklaringen van het hoofd van de missie met betrekking tot die bijeenkomst en die lunch niet-ontvankelijk zijn omdat deze te laat bij het Gerecht zijn ingediend. Voorts stelt hij dat hij volgens artikel 21 van de betrokken overeenkomst door het hoofd van de missie moest worden gehoord voordat deze de nota van 18 januari 2020 vaststelde.

75      EUCAP Somalia betwist dit betoog.

76      Teneinde het eerste middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, te onderzoeken, moet eerst worden verwezen naar de contractuele bepalingen en moet worden nagegaan of en in hoeverre deze bepalingen verzoeker een dergelijk recht garandeerden voordat de nota van 18 januari 2020 werd opgesteld. In ieder geval moet worden onderzocht of EUCAP Somalia op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest verplicht was verzoeker te horen voordat die nota werd opgesteld.

77      In casu zij erop gewezen dat er tussen verzoeker en EUCAP Somalia een contractuele arbeidsverhouding bestond en de arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van verzoeker waren vastgelegd in de betrokken overeenkomst, overeenkomstig artikel 7, lid 4, van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942 (zie punt 32 hierboven).

78      In dit verband bepaalde artikel 17 van de betrokken overeenkomst om te beginnen dat de duur ervan de periode bestreek van 1 november 2019 tot en met 31 januari 2020. Geen enkele andere bepaling van deze overeenkomst had betrekking op de einddatum ervan of op de mogelijkheid om die overeenkomst te verlengen.

79      Vervolgens zij erop gewezen dat operationele standaardprocedure nrs. 4.4 van EUCAP Somalia, die deel uitmaakte van de betrokken overeenkomst, inderdaad tot doel had „de procedure voor [...] verlenging van de arbeidsovereenkomst van arbeidscontractanten te standaardiseren”, teneinde „ervoor te zorgen dat de procedure voor [...] verlenging van de overeenkomst op transparante en verantwoorde wijze zou worden uitgevoerd volgens de beste praktijken.” Daarin was met name bepaald dat de procedure voor verlenging van de overeenkomst in gang werd gezet door de dienst personeelszaken, die in gesprek moest gaan met de personeelsleden wier arbeidsovereenkomst bijna afliep door hen uit te nodigen om aan te vangen met hun „prestatiebeoordelingsverslag”.

80      Partijen zijn het er evenwel over eens dat deze procedure alleen bedoeld was om te worden toegepast wanneer het besluit tot verlenging van de overeenkomst afhing van de beoordeling van de prestaties van het personeelslid. Dat is niet het geval voor de litigieuze handelingen, die zijn vastgesteld als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en betrekking hadden op alle arbeidscontractanten van EUCAP Somalia die onderdanen van die staat waren. Hieruit volgt dat verzoeker in het kader van die procedure geen recht had om te worden gehoord.

81      Anders dan verzoeker betoogt, verplichtte artikel 21, lid 1, van de betrokken overeenkomst het hoofd van de missie voorts niet om hem te horen voordat de nota van 18 januari 2020 werd opgesteld. Die bepaling had namelijk betrekking op niet-disciplinaire interne bezwaren tegen bezwarende handelingen en schreef voor dat verzoeker enkel na de indiening van een dergelijk bezwaar zou worden gehoord door het plaatsvervangend hoofd van de missie.

82      Ten slotte volgt evenmin uit artikel 18, lid 1, van de betrokken overeenkomst, waarvan de bewoordingen zijn weergegeven in punt 10 hierboven, dat het hoofd van de missie verplicht was om verzoeker te horen alvorens de nota van 18 januari 2020 op te stellen. Deze bepaling verplichtte EUCAP Somalia immers om verzoeker te horen en een opzegtermijn van één maand in acht te nemen indien de betrokken overeenkomst zou worden beëindigd vóór de einddatum ervan, hetgeen in casu niet het geval was.

83      Noch uit de bepalingen van de betrokken overeenkomst, noch uit de operationele standaardprocedure van EUCAP Somalia, waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, blijkt dientengevolge dat het hoofd van de missie verplicht was om verzoeker te horen alvorens de nota van 18 januari 2020 op te stellen.

84      Wat het door het Handvest gewaarborgde recht om te worden gehoord betreft, erkent artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, dat van algemene toepassing is, „het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen”. Zo vereist de eerbiediging van het recht om te worden gehoord – dat ook bij gebreke van een toepasselijke regeling moet worden gewaarborgd – dat de betrokkene vooraf in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over elementen die bij het te nemen besluit tegen hem zouden kunnen worden gebruikt (zie in die zin arresten van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 51, en 19 december 2019, Probelte/Commissie, T‑67/18, EU:T:2019:873, punt 86).

85      In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat EUCAP Somalia door middel van de litigieuze handelingen verzoeker niet een recht – waarover hij niet beschikte – op verlenging van de betrokken overeenkomst heeft ontnomen, zoals blijkt uit punt 78 hierboven. Evenzo was er, zoals uit de punten 79 en 80 hierboven blijkt, weliswaar een specifieke interne procedure bij EUCAP Somalia voor de verlenging van de arbeidsovereenkomsten van internationale arbeidscontractanten, maar deze procedure was niet relevant voor de vaststelling van de litigieuze handelingen.

86      Wat meer in het bijzonder de nota van 18 januari 2020 betreft, waarvan verzoeker stelt dat hij vóór het opstellen ervan had moeten worden gehoord, heeft het hoofd van de missie de internationale arbeidscontractanten van EUCAP Somalia die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, onder wie verzoeker, aan de hand van die nota meegedeeld dat hun arbeidsovereenkomsten zouden eindigen volgens de daarin overeengekomen einddatum, waarvan verzoeker sinds zijn ondertekening van de betrokken overeenkomst op de hoogte was. Het hoofd van de missie heeft tevens verduidelijkt dat er reeds kandidaten voor hun functies waren geselecteerd.

87      Voorts moet worden opgemerkt dat de voorwaarden om verzoeker in dienst te houden nauw verband hielden met de regeling inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Zoals verzoeker zelf erkent in het kader van het onderhavige beroep, was de duur van zijn laatste vier arbeidsovereenkomsten immers afgestemd op het tijdschema voor de onderhandelingen over die terugtrekking (zie punt 9 hierboven). In dat kader kon verzoeker verwachten dat het verloop en het resultaat van de onderhandelingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk – waarvan de uiterste datum was vastgesteld op 31 januari 2020, dat wil zeggen de einddatum van de betrokken overeenkomst – van invloed zouden zijn op de keuze van EUCAP Somalia om hem al dan niet een verlenging van die overeenkomst aan te bieden.

88      Bovendien heeft verzoeker zich ten tijde van de opstelling van de nota van 18 januari 2020, dat wil zeggen minder dan twee weken vóór het verstrijken van de einddatum van de betrokken overeenkomst, niet geuit over de verlenging van die overeenkomst, zoals hij ter terechtzitting heeft erkend in antwoord op een vraag van het Gerecht. Uit het dossier blijkt evenmin dat verzoeker tussen de aanvang van de betrokken overeenkomst, op 1 november 2019, en de nota van 18 januari 2020 bij het hoofd van de missie informatie heeft ingewonnen over een eventuele verlenging van de betrokken overeenkomst na de einddatum ervan.

89      Hieruit volgt dat het hoofd van de missie in de nota van 18 januari 2020 enkel nogmaals heeft gewezen op de bepalingen van de betrokken overeenkomst betreffende de einddatum en dat deze nota geen enkel nieuw element bevat ten opzichte van die bepalingen. De keuze van EUCAP Somalia om geen gebruik te maken van de haar geboden mogelijkheid om de betrokken overeenkomst te verlengen, zoals vastgelegd in de nota van 18 januari 2020 en bevestigd in de brief van 29 januari 2020, was derhalve geen nadelige maatregel jegens verzoeker in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest.

90      Bijgevolg verplichtte artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest EUCAP Somalia niet om verzoeker te horen voordat de nota van 18 januari 2020 werd opgesteld. EUCAP Somalia kon de betrokken overeenkomst derhalve laten eindigen op de daarin overeengekomen datum.

91      Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat schending van het recht om te worden gehoord enkel afbreuk kan doen aan de geldigheid van een handeling wanneer is aangetoond dat de procedure zonder een dergelijke schending een andere uitkomst had kunnen hebben (zie in die zin arrest van 9 december 2020, Adraces/Commissie, T‑714/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:591, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92      In casu is het juist dat verzoeker, indien hij vóór de opstelling van de nota van 18 januari 2020 was gehoord, argumenten had kunnen aanvoeren die verband hielden met de mogelijkheid om personeelsleden die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, gedurende de overgangsperiode in dienst te houden, overeenkomstig het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk.

93      Deze enkele omstandigheid volstaat evenwel niet om aan te tonen dat de procedure een andere uitkomst had kunnen hebben.

94      Ten eerste had verzoeker immers, zoals in de punten 78 en 85 hierboven is vastgesteld, geen verworven recht op verlenging van de betrokken overeenkomst. Ten tweede was het voordat de nota van 18 januari 2020 werd opgesteld nog niet zeker dat het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk in werking zou treden, aangezien het besluit betreffende de sluiting van het akkoord pas op 30 januari door de Raad is vastgesteld (zie punt 16 hierboven). Pas aan de vooravond van de einddatum van de betrokken overeenkomst was het dus juridisch mogelijk om hem een verlenging van die overeenkomst aan te bieden. Ten derde blijkt uit het dossier dat EUCAP Somalia reeds vóór de opstelling van de nota van 18 januari 2020 een onderdaan van de Unie had aangeworven om verzoeker in zijn functie op te volgen in het geval het Verenigd Koninkrijk zich zou terugtrekken uit de Unie.

95      Derhalve is het Gerecht van oordeel dat, zelfs indien verzoeker vóór de opstelling van de nota van 18 januari 2020 het recht had gehad om te worden gehoord, de procedure geen andere uitkomst had gehad indien hij dat recht had kunnen uitoefenen.

96      Gelet op een en ander moet het eerste middel worden afgewezen. Aangezien dit oordeel niet is gebaseerd op de verklaringen van het hoofd van de missie met betrekking tot een bijeenkomst van 13 januari 2020 en een werklunch van 24 januari daarna, hoeft geen uitspraak te worden gedaan over de door verzoeker betwiste ontvankelijkheid van die documenten.

b)      Tweede middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie

97      In het kader van zijn tweede middel betoogt verzoeker in de eerste plaats dat de litigieuze handelingen discriminerend zijn voor zover zij tot doel hebben de betrokken overeenkomst niet te verlengen vanwege het feit dat hij de Britse nationaliteit heeft, terwijl zijn collega’s die andere nationaliteiten hebben, in dienst zijn gebleven. Hij voegt hieraan toe dat de litigieuze handelingen niet geldig kunnen worden ondersteund door het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, aangezien het Verenigd Koninkrijk volgens laatstgenoemd akkoord tot aan het einde van de overgangsperiode als lidstaat moest worden behandeld, zodat de situatie van personeelsleden die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, gedurende die periode vergelijkbaar was met die van personeelsleden die onderdaan zijn van andere lidstaten.

98      In de tweede plaats betoogt verzoeker dat de litigieuze handelingen in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de arbeidsovereenkomsten van twintig internationale arbeidscontractanten van andere GBVB-missies dan EUCAP Somalia, die eveneens onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, tijdens de overgangsperiode wel zijn verlengd.

99      In de derde plaats betwist verzoeker dat EUCAP Somalia zich voor het eerst in de contentieuze fase kan beroepen op het specifieke karakter van zijn functie van [vertrouwelijk] en op de uitzondering van artikel 127, lid 7, onder b), van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, zonder dat zij in de litigieuze handelingen naar dergelijke redenen heeft verwezen.

100    EUCAP Somalia betwist verzoekers betoog en wijst er met name op dat verzoeker zich in een bijzondere situatie bevond wegens de gevoelige aard van zijn functie van [vertrouwelijk], waardoor zijn overeenkomst niet kon worden verlengd op grond van artikel 127, lid 7, onder b), van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk. In dit verband betoogt EUCAP Somalia dat de verwijzing naar dit artikel enkel een aanvulling vormt op de motivering die reeds in de litigieuze handelingen is vervat ter rechtvaardiging van de niet-verlenging van de betrokken overeenkomst.

101    Wat de aanvullende motivering betreft die EUCAP Somalia in de loop van het geding heeft verstrekt, zij er vooraf op gewezen dat artikel 21, lid 2, van de betrokken overeenkomst, waarvan de bewoordingen zijn weergegeven in punt 13 hierboven, EUCAP Somalia verplichtte om haar antwoord op het door verzoeker op grond van lid 1 van dit artikel ingestelde interne bezwaar met redenen te omkleden.

102    Voorts zij eraan herinnerd dat de op de diensten van de Unie rustende verplichting om hun beslissingen met redenen te omkleden, met name is vastgelegd in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest en dus voor die diensten ook geldt wanneer zij handelen in een contractueel kader, zoals in punt 54 hierboven is opgemerkt (zie in die zin arrest van 24 februari 2021, Universität Koblenz-Landau/EACEA, T‑606/18, niet gepubliceerd, EU:T:2021:105, punten 27‑32).

103    In dit verband heeft de motiveringsplicht ten doel de Unierechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van een besluit en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te kunnen stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens vaste rechtspraak in het kader van beroepen tot nietigverklaring, die kan worden toegepast op de contractuele context van de onderhavige zaak, verzet de motiveringsplicht zich er dus tegen dat een verwerende instelling in de contentieuze fase de oorspronkelijke motivering van het bestreden besluit vervangt door een geheel nieuwe motivering (zie in die zin arresten van 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, EU:C:1990:49, punt 15; 21 maart 1996, Farrugia/Commissie, T‑230/94, EU:T:1996:40, punt 36, en 22 april 2015, Tomana e.a./Raad en Commissie, T‑190/12, EU:T:2015:222, punt 151 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104    In casu acht het Gerecht het wenselijk om het tweede middel, dat is ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, te onderzoeken in het licht van de motivering van de litigieuze handelingen, alvorens in voorkomend geval te onderzoeken of rekening moet worden gehouden met de aanvullende motivering die EUCAP Somalia in de loop van het geding heeft aangevoerd, en dus om te bepalen of die aanvullende motivering in aanmerking kan worden genomen dan wel terzijde moet worden geschoven omdat zij volledig nieuw is.

105    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat bij de nota van 18 januari 2020 alle internationale arbeidscontractanten van EUCAP Somalia die onderdaan waren van het Verenigd Koninkrijk, ongeacht welke functies zij bekleedden, ervan op de hoogte zijn gesteld dat hun arbeidsovereenkomsten niet zouden worden verlengd en dat deze zouden eindigen op de daarin overeengekomen einddatum, te weten 31 januari 2020. In die nota heeft het hoofd van de missie om te beginnen verklaard dat het Verenigd Koninkrijk naar verwachting met ingang van 1 februari 2020 een derde staat zou worden en dat, overeenkomstig besluit 2012/389, de aanwerving van onderdanen van derde staten als internationale arbeidscontractanten enkel bij wijze van uitzondering was toegestaan wanneer geen enkele kandidaat die onderdaan is van een lidstaat, kon worden geselecteerd. Vervolgens heeft het hoofd van de missie erop gewezen dat het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voorzag in een overgangsperiode waarin tussen de Unie en die staat – waarschijnlijk na een onderhandelingsperiode – een kaderovereenkomst zou kunnen worden gesloten inzake deelname van zijn onderdanen aan de GBVB-missies. Ten slotte heeft het hoofd van de missie de betrokken personeelsleden meegedeeld dat er kandidaten voor hun functies waren geselecteerd.

106    In de brief van 29 januari 2020 heeft het hoofd van de missie, na de in de nota van 18 januari 2020 opgenomen motivering te hebben herhaald, aan verzoeker verduidelijkt dat de weigering om de betrokken overeenkomst te verlengen was gebaseerd op een operationele beoordeling van de missie in het belang van de dienst met betrekking tot toekomstige contractverlengingen, overeenkomstig een instructie van de civiele operationele commandant van 30 oktober 2019 en naar aanleiding van de aanbevelingen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO). Het hoofd van de missie heeft daarin geconcludeerd dat de nota van 18 januari 2020 was opgesteld „gelet op de resterende risico’s en onzekerheden met betrekking tot de onderhandelingen tussen het [Verenigd Koninkrijk] en de [Unie], het tijdschema ervan en de mogelijkheid van een harde Brexit, gelet op de problemen in verband met opeenvolgende kortlopende overeenkomsten als gevolg van de onzekerheden en het tijdschema met betrekking tot de ontwikkelingen van de Brexit, gelet op [verzoekers] dienstjaren en rekening houdend met de noodzaak voor de dienst om de continuïteit van de werkzaamheden te verzekeren”.

107    Volgens vaste rechtspraak zijn het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie twee benamingen van eenzelfde algemeen rechtsbeginsel, dat enerzijds verbiedt om vergelijkbare situaties verschillend te behandelen en anderzijds verbiedt om verschillende situaties op gelijke wijze te behandelen, tenzij objectieve redenen een dergelijke behandeling rechtvaardigen [zie in die zin arresten van 27 januari 2005, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, C‑422/02 P, EU:C:2005:56, punt 33, en 20 november 2017, Voigt/Parlement, T‑618/15, EU:T:2017:821, punt 98].

108    Meer bepaald verbiedt artikel 21, lid 2, van het Handvest iedere discriminatie op grond van nationaliteit. Deze bepaling, die ziet op binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallende situaties waarin een onderdaan van een lidstaat enkel op grond van zijn nationaliteit discriminerend wordt behandeld ten opzichte van onderdanen van een andere lidstaat, vindt geen toepassing in het geval van een eventueel verschil in behandeling tussen onderdanen van de lidstaten en onderdanen van derde staten (zie in die zin arrest van 20 november 2017, Petrov e.a./Parlement, T‑452/15, EU:T:2017:822, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109    In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de litigieuze handelingen, gelet op de in de punten 105 en 106 hierboven uiteengezette redenen, ten eerste, discriminatie op grond van de nationaliteit van verzoeker opleveren en, ten tweede, leiden tot een ongelijke behandeling van de personeelsleden die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk binnen de verschillende GBVB-missies.

1)      Vermeende discriminatie op grond van nationaliteit

110    Meteen moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk zich pas op 1 februari 2020 uit de Unie heeft teruggetrokken en aldus een derde staat is geworden (arrest van 15 juli 2021, The Department for Communities in Northern Ireland, C‑709/20, EU:C:2021:602, punt 47).

111    Ten tijde van de vaststelling van de litigieuze handelingen, te weten 18 en 29 januari 2020, was verzoeker dus nog steeds een onderdaan van een lidstaat van de Unie, zodat hij zich ter ondersteuning van zijn betwisting van de gegrondheid van die handelingen kan beroepen op het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.

112    Bovendien zijn de litigieuze handelingen, zoals blijkt uit de punten 105 en 106 hierboven, vastgesteld op grond van verzoekers hoedanigheid van onderdaan van het Verenigd Koninkrijk.

113    Het feit dat het hoofd van de missie deze handelingen heeft vastgesteld met het oog op verzoekers nationaliteit, betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat die handelingen discriminatie op grond van nationaliteit opleveren.

114    Aangezien verzoeker van mening is dat hij anders is behandeld dan personeelsleden binnen EUCAP Somalia die onderdaan zijn van andere lidstaten, moet immers nog worden nagegaan of verzoeker kon worden geacht zich in een situatie te bevinden die vergelijkbaar was met de situatie van die andere personeelsleden.

115    Verzoeker was een onderdaan van een lidstaat die een procedure tot terugtrekking uit de Unie op grond van artikel 50 VEU had ingeleid, waardoor hij objectief in een andere situatie kwam te verkeren dan de onderdanen van andere lidstaten.

116    Het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk is immers op 24 januari 2020 door de Unie en deze staat ondertekend (zie punt 12 hierboven), alvorens op 30 januari 2020 door de Raad het besluit betreffende de sluiting van dat akkoord werd vastgesteld (zie punt 16 hierboven). Op deze manier kon tot vlak voor de einddatum van de betrokken overeenkomst, te weten 31 januari 2020, niet worden uitgesloten dat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Unie zou terugtrekken zonder dat er een akkoord zou zijn gesloten, waardoor – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – niet langer de mogelijkheid zou hebben bestaan om verzoeker een verlenging van de betrokken overeenkomst aan te bieden overeenkomstig artikel 7, lid 3, van besluit 2012/389 (zie punt 3 hierboven).

117    Verzoeker, die deel uitmaakte van het contractuele personeel van EUCAP Somalia dat onderdaan was van het Verenigd Koninkrijk, bevond zich dus objectief gezien niet in een situatie die vergelijkbaar was met de situatie van internationale arbeidscontractanten die onderdaan waren van een andere lidstaat binnen die missie, zodat het hoofd van de missie kon besluiten verzoekers arbeidsovereenkomst niet te verlengen na 31 januari 2020, zonder dat dit discriminatie op grond van nationaliteit opleverde.

118    Tussen partijen staat overigens vast dat de overeenkomsten van alle personeelsleden van EUCAP Somalia die onderdaan waren van het Verenigd Koninkrijk, van wie de situatie op dit punt vergelijkbaar was met die van verzoeker, op 31 januari 2020 zijn beëindigd.

119    Gelet op het voorgaande heeft het hoofd van de missie met de vaststelling van de litigieuze handelingen het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit niet geschonden.

2)      Vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van personeelsleden die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk in andere GBVB-missies

120    Met betrekking tot verzoekers argument dat internationale arbeidscontractanten die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk gedurende de overgangsperiode wel in dienst zijn gebleven bij andere GBVB-missies, moet worden nagegaan of verzoeker zich – wat dit behoud van die dienstverbanden betreft – in een situatie bevond die vergelijkbaar was met de situatie van deze andere personeelsleden.

121    In dit verband zij er, ten eerste, op gewezen dat er geen enkele rechtshandeling van de Unie in de zin van artikel 288 VWEU is vastgesteld met het oog op de instelling van één enkel statuut voor contractueel personeel van GBVB-missies, zoals EUCAP Somalia.

122    Ten tweede wordt elke GBVB-missie, zoals EUCAP Somalia in wezen terecht heeft opgemerkt, vastgelegd in een besluit van de Raad krachtens artikel 43, lid 2, VEU, waarin volgens die bepaling „het doel en de reikwijdte [...] alsmede de algemene voorschriften voor de uitvoering ervan” worden omschreven.

123    In het geval van EUCAP Somalia verlenen de artikelen 7 en 12 bis van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit 2018/1942, haar de rechtsbevoegdheid om contracten te sluiten om personeel in dienst te nemen (zie de punten 3 en 4 hierboven). Bovendien blijkt uit artikel 6 van datzelfde besluit dat het hoofd van de missie beschikt over een algemene bevoegdheid op het gebied van personeelsbeleid.

124    Gelet op het bestaan van specifieke bepalingen voor elke missie van de Unie en de autonomie van die missies bij de aanwerving en het beleid van hun contractueel personeel, heeft verzoeker geenszins aangetoond waarom de interne situatie en de personeelsbehoeften van die missies vergelijkbaar waren met die van EUCAP Somalia. Het beleid voor het in dienst houden tijdens de overgangsperiode van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, kon dus per GBVB-missie verschillen.

125    In die omstandigheden kan verzoeker zich ter ondersteuning van een vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling niet beroepen op maatregelen die binnen andere missies van de Unie dan EUCAP Somalia zijn vastgesteld ten aanzien van hun internationale arbeidscontractanten die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk.

126    Gelet op een en ander moet het tweede middel worden afgewezen in het licht van de motivering van de litigieuze handelingen. Derhalve behoeft niet te worden nagegaan of de door EUCAP Somalia in de loop van het geding aangevoerde aanvullende motivering, die is gebaseerd op de gevoelige aard van verzoekers functie en op de toepassing van artikel 127, lid 7, onder b), van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, in aanmerking kan worden genomen.

c)      Derde middel: schending van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk

127    Volgens verzoeker heeft EUCAP Somalia in de litigieuze handelingen het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk geschonden door voorbij te gaan aan de in dit akkoord geboden mogelijkheid om onderdanen van het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode in dienst te houden. Ten eerste stelt hij dat, volgens een gecombineerde lezing van de leden 2 en 6 van artikel 127 van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, onderdanen van deze staat tijdens de overgangsperiode moesten worden beschouwd als onderdanen van lidstaten, met name wat de Unierechtelijke bepalingen inzake het GBVB betreft. Ten tweede wijst verzoeker erop dat artikel 129, lid 7, van dat akkoord enkel uitsluit dat het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode onderdanen levert voor bepaalde commandofuncties bij GBVB-missies, maar dat dit artikel niet uitsluit dat deze missies hun internationale arbeidscontractanten die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, gedurende die periode in andere functies in dienst houden.

128    EUCAP Somalia betwist verzoekers betoog.

129    In dit verband zij eraan herinnerd dat de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten krachtens artikel 216, lid 2, VWEU verbindend zijn voor de instellingen van de Unie.

130    In casu heeft de Raad het besluit betreffende de sluiting van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk echter pas op 30 januari 2020 vastgesteld (zie punt 16 hierboven). Op de datum van vaststelling van de litigieuze handelingen, op 18 en 29 januari 2020, was dit akkoord dus nog niet verbindend voor EUCAP Somalia, zodat haar niet kan worden verweten dat zij dat akkoord heeft geschonden.

131    Wat de temporele werkingssfeer van nieuwe regels betreft, wordt in elk geval een onderscheid gemaakt naargelang het procedureregels dan wel materiële regels betreft. Eerstgenoemde regels worden in het algemeen geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot laatstgenoemde regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude wettelijke regeling zijn ontstaan alsmede op nieuwe rechtssituaties, maar niet op situaties die vóór de inwerkingtreding van deze regels zijn verworven, behoudens voor zover uit de bewoordingen, het doel of de opzet van die regels duidelijk blijkt dat aan die regels een dergelijk gevolg moet worden toegekend (zie arrest van 21 oktober 2021, Beeren-, Wild-, Feinfrucht, C‑825/19, EU:C:2021:869, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 12 mei 2005, Commissie/Huhtamaki Dourdan, C‑315/03, niet gepubliceerd, EU:C:2005:284, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

132    Wat in casu de door verzoeker aangevoerde bepalingen van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk betreft, zij, ten eerste, opgemerkt dat artikel 127 van dit akkoord, met als opschrift „Omvang van de overgang” bepaalt:

„1.      Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, is tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk.

[...]

2.      Ingeval de Unie en het Verenigd Koninkrijk een akkoord over hun toekomstige betrekkingen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en dat van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bereiken dat tijdens de overgangsperiode van toepassing wordt, zijn hoofdstuk 2 van titel V van het [VEU] en de op basis van die bepalingen vastgestelde handelingen niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk vanaf de datum waarop dat akkoord van toepassing wordt.

[...]

6.      Tenzij anders is bepaald in dit akkoord, worden verwijzingen naar de lidstaten in het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie, met inbegrip van de wijze waarop het door de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd en toegepast, tijdens de overgangsperiode zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten.”

133    Ten tweede bepaalt artikel 129 van dat akkoord, met als opschrift „Specifieke regelingen met betrekking tot het externe optreden van de Unie”, in lid 7:

„Tijdens de overgangsperiode levert het Verenigd Koninkrijk geen commandanten van civiele operaties, missiehoofden, operationele commandanten of troepencommandanten voor missies of operaties die worden uitgevoerd krachtens de artikelen 42, 43 en 44 VEU, voorziet het niet in het operationele hoofdkwartier voor dergelijke missies of operaties en fungeert het evenmin als kadernatie voor gevechtsgroepen van de Unie. Tijdens de overgangsperiode mag het Verenigd Koninkrijk geen hoofd leveren voor operationele acties krachtens artikel 28 VEU.”

134    Artikel 127, leden 2 en 6, en artikel 129, lid 7, van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk regelen de voorwaarden waaronder het Unierecht gedurende de overgangsperiode van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk, en vormen derhalve materiële regels. Voorts blijkt noch uit de bewoordingen, noch uit het doel en de opzet van deze bepalingen dat zij moeten worden toegepast op rechtsposities die vóór de inwerkingtreding van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk zijn verworven. Deze bepalingen hebben daarentegen betrekking op de overgangsperiode die overeenkomstig artikel 126 van dit akkoord begint op de datum van inwerkingtreding ervan (zie punt 17 hierboven).

135    Hieruit volgt dat artikel 127, leden 2 en 6, en artikel 129, lid 7, van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, krachtens het in punt 131 hierboven in herinnering gebrachte beginsel, van toepassing zijn geworden op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit akkoord, te weten 1 februari 2020 (zie punt 18 hierboven). Overeenkomstig hetzelfde beginsel kan schending van deze bepalingen derhalve niet worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep dat betrekking heeft op een handeling die dateert van vóór die datum.

136    In casu dateren de litigieuze handelingen, die op 18 januari 2020 en 29 januari 2020 zijn vastgesteld en betrekking hebben op de weigering tot verlenging van de betrokken overeenkomst – die krachtens artikel 17 ervan op 31 januari 2020 is geëindigd –, van vóór de inwerkingtreding, op 1 februari 2020, van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk. Het argument dat dit akkoord is geschonden door de litigieuze handelingen kan dus niet worden aanvaard.

137    Bijgevolg moet het derde middel hoe dan ook worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of schending van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk kan worden aangevoerd in het kader van een vordering op grond van artikel 272 VWEU.

d)      Vierde middel: schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

138    Verzoeker betoogt dat EUCAP Somalia, door zijn overeenkomst niet te verlengen, zoals voortvloeit uit de litigieuze handelingen, het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Ten eerste heeft hij tussen september 2016 en september 2019 nauwkeurige toezeggingen gekregen dat internationale arbeidscontractanten die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, tijdens de overgangsperiode in dienst zouden blijven indien een akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk zou worden gesloten. Ten tweede mocht verzoeker, gelet op de verschillende verlengingen van zijn arbeidsovereenkomst – gebaseerd op de uiterste datums die achtereenvolgens waren vastgesteld voor de onderhandelingen over een dergelijk akkoord – en zijn anciënniteit bij EUCAP Somalia, erop vertrouwen dat die overeenkomst tijdens de overgangsperiode zou worden verlengd.

139    EUCAP Somalia betwist verzoekers betoog.

140    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het recht om zich op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen volgens vaste rechtspraak veronderstelt dat de betrokkene van de bevoegde instanties van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gekregen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. Daarentegen kan niemand met succes aanvoeren dat dit beginsel is geschonden wanneer die toezeggingen ontbreken (zie arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

141    In casu kan noch de anciënniteit van verzoeker bij EUCAP Somalia, noch de omstandigheid dat zijn arbeidsovereenkomst is verlengd gedurende de opeenvolgende perioden waarin is onderhandeld over een terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie, worden gelijkgesteld met nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen in de zin van de in punt 140 hierboven aangehaalde rechtspraak. Voorts stelt verzoeker weliswaar dat het voormalige hoofd van de missie van EUCAP Somalia aan de internationale arbeidscontractanten van die missie die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk, de toezegging heeft gedaan dat hun arbeidsovereenkomsten tijdens de overgangsperiode zouden worden verlengd, maar staaft hij zijn beweringen niet met bewijzen.

142    Het enige concrete element waarop verzoeker zich beroept, is een e-mail van het afdelingshoofd van EDEO voor personeel van de GBVB-missies. Ten eerste viel het besluit om verzoeker een verlenging van de betrokken overeenkomst tijdens de overgangsperiode aan te bieden, echter onder de bevoegdheid van het hoofd van de missie en niet onder de bevoegdheid van een afdelingshoofd van EDEO. Ten tweede kan op basis van die e-mail niet worden aangenomen dat verzoeker nauwkeurige toezeggingen heeft gekregen dat de betrokken overeenkomst tijdens de overgangsperiode zou worden verlengd. In genoemde e-mail heeft het afdelingshoofd van EDEO voor personeel van de GBVB-missies juist duidelijk aangegeven dat de vraag of gedetacheerd of contractueel personeel dat onderdaan is van het Verenigd Koninkrijk, in dienst blijft binnen dergelijke missies, afhankelijk is van een beoordeling van het belang van de dienst door de hoofden van de missie. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat verzoeker nauwkeurige toezeggingen, in de zin van de in punt 140 hierboven aangehaalde rechtspraak, heeft gekregen dat de betrokken overeenkomst tijdens de overgangsperiode zou worden verlengd.

143    Dientengevolge moet het vierde middel worden afgewezen.

5.      Conclusie

144    Aangezien alle middelen die verzoeker ter ondersteuning van zijn krachtens artikel 272 VWEU geformuleerde vorderingen heeft aangevoerd, zijn afgewezen, moet het beroep worden verworpen.

 IV.      Kosten

145    Op grond van artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vorderingen van EUCAP Somalia te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      JF wordt verwezen in de kosten.

da Silva Passos

Valančius

Reine

Truchot

 

      Sampol Pucurull

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 2022.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

II. Conclusies van partijen

III. In rechte

A. Primaire vorderingen op grond van de artikelen 263 en 268 VWEU

1. Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU

2. Ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU

B. Subsidiaire vorderingen op grond van artikel 272 VWEU

1. Bevoegdheid van het Gerecht

2. Toepasselijk recht

3. Ontvankelijkheid

4. Ten gronde

a) Eerste middel: schending van het recht om te worden gehoord

b) Tweede middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie

1) Vermeende discriminatie op grond van nationaliteit

2) Vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van personeelsleden die onderdaan zijn van het Verenigd Koninkrijk in andere GBVB-missies

c) Derde middel: schending van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk

d) Vierde middel: schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

5. Conclusie

IV. Kosten


*      Procestaal: Engels.