Language of document : ECLI:EU:C:2018:222

Zaak C191/16

Romano Pisciotti

tegen

Bundesrepublik Deutschland

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Landgericht Berlin)

„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 18 en 21 VWEU – Uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van een staatsburger van een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer – Uitleveringsovereenkomst tussen de Europese Unie en die derde staat – Werkingssfeer van het Unierecht – Verbod van uitlevering dat alleen wordt toegepast wanneer het eigen staatsburgers betreft – Beperking van het vrije verkeer – Rechtvaardiging op grond van de voorkoming van straffeloosheid – Evenredigheid – Op de hoogte brengen van de lidstaat van herkomst van de burger van de Unie”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 april 2018

1.        Burgerschap van de Unie – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Verzoek van een derde staat aan een lidstaat tot uitlevering van een Unieburger die staatsburger van een andere lidstaat is en in de eerste lidstaat gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer – Verzoek tot uitlevering gedaan in het kader de EU-VS-overeenkomst betreffende uitlevering – Burger wiens situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt

(Art. 18 VWEU en 21 VWEU)

2.        Burgerschap van de Unie – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Verzoek van een derde staat aan een lidstaat tot uitlevering van een Unieburger die staatsburger van een andere lidstaat is en in de eerste lidstaat gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer – Verzoek tot uitlevering gedaan in het kader de EU-VS-overeenkomst betreffende uitlevering – Verbod van uitlevering waarin het nationale recht van de aangezochte lidstaat voorziet, dat alleen op de eigen staatsburgers wordt toegepast – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Art. 18 VWEU en 21 VWEU)

1.      Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat in een geval als dat in het hoofdgeding, waarin een burger van de Unie die het voorwerp is geweest van een verzoek tot uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika, in een andere lidstaat dan die waarvan hij staatsburger is, is aangehouden met het oog op de eventuele uitvoering van dat verzoek, de situatie van die burger binnen de werkingssfeer van dat recht valt, aangezien die burger heeft gebruikgemaakt van zijn recht om vrij in de Europese Unie te reizen en dit uitleveringsverzoek is ingediend in het kader van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 25 juni 2003.

(zie punt 35, dictum 1)

2.      In een geval als dat in het hoofdgeding, waarin een burger van de Unie die het voorwerp is geweest van een verzoek tot uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 25 juni 2003, in een andere lidstaat dan die waarvan hij staatsburger is, is aangehouden met het oog op de eventuele uitvoering van dat verzoek, moeten de artikelen 18 en 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat de aangezochte lidstaat op basis van een grondwettelijke norm onderscheid maakt tussen zijn eigen staatsburgers en de staatsburgers van andere lidstaten en dat hij die uitlevering toestaat, terwijl hij de uitlevering van zijn eigen staatsburgers niet toestaat, voor zover hij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan die burger staatsburger is, vooraf in de gelegenheid heeft gesteld om op grond van een Europees aanhoudingsbevel om de overlevering van die burger te verzoeken en deze laatste lidstaat geen maatregelen in die zin heeft genomen.

In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de voorkeur dient te worden gegeven aan de uitwisseling van informatie met de lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft, teneinde de autoriteiten van deze lidstaat in voorkomend geval de mogelijkheid te geven om een Europees aanhoudingsbevel met het oog op vervolging uit te vaardigen. Indien een derde staat om uitlevering verzoekt aan een lidstaat waarnaar een burger van de Unie die staatsburgers is van een andere lidstaat zich heeft begeven, en er tussen de derde staat en de aangezochte lidstaat een uitleveringsverdrag bestaat, dient de aangezochte lidstaat de lidstaat waarvan die burger staatsburger is, derhalve op de hoogte te brengen en die burger in voorkomend geval op verzoek van deze laatste lidstaat aan hem over te leveren overeenkomstig kaderbesluit 2002/584, op voorwaarde dat deze laatste lidstaat ingevolge zijn nationale recht bevoegd is om deze persoon te vervolgen voor buiten zijn nationale grondgebied gepleegde feiten (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 48 en 50). Hoewel deze oplossing, zoals blijkt uit punt 46 van het arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C‑182/15, EU:C:2016:630), is gevonden in een context die werd gekenmerkt door het ontbreken van een internationale overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Unie en de betrokken derde staat, kan zij ook worden toegepast in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de aangezochte lidstaat de uitlevering van zijn eigen staatsburgers op grond van de EU-VS-overeenkomst kan weigeren. Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het argument van bepaalde regeringen die opmerkingen hebben ingediend, dat in wezen inhoudt dat door het feit dat een verzoek tot overlevering krachtens het Europees aanhoudingsbevel voorrang krijgt boven een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika, de werking wordt ontnomen aan de in artikel 10, leden 2 en 3, van de EU-VS-overeenkomst neergelegde regel volgens welke de uitvoerende autoriteit van de aangezochte lidstaat in geval van een dergelijke samenloop op basis van alle relevante factoren beslist aan welke staat de betrokkene wordt overgeleverd. Dat het in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte samenwerkingsmechanisme in de weg staat aan een verzoek tot uitlevering aan een derde staat doordat voorrang wordt verleend aan een Europees aanhoudingsbevel, en dit om op een wijze te handelen die de uitoefening van het recht op vrij verkeer minder aantast (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 49), is immers geen automatisme, maar een mogelijkheid. Teneinde de verwezenlijking van het doel van voorkoming van straffeloosheid van de betrokken persoon voor de hem in het uitleveringsverzoek verweten feiten te waarborgen, moet het Europees aanhoudingsbevel dat eventueel is uitgevaardigd door een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, derhalve minstens op diezelfde feiten betrekking hebben en moet de uitvaardigende lidstaat, zoals blijkt uit punt 50 van het arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C‑182/15, EU:C:2016:630), ingevolge zijn recht bevoegd zijn om deze persoon te vervolgen voor dergelijke feiten, ook al zijn deze buiten zijn grondgebied gepleegd.

(zie punten 51‑54, 56, dictum 2)