Language of document : ECLI:EU:C:2019:839

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

7 oktober 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Artikel 119 EG‑Verdrag (vervolgens, na wijziging, artikel 141 EG) – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Bedrijfspensioenregeling – Normale pensioenleeftijd die verschilt naar geslacht – Datum waarop maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen – Retroactieve gelijkschakeling van die leeftijd met die van de voorheen benadeelde personen”

In zaak C‑171/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg in burgerlijke zaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 16 februari 2018, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2018, in de procedure

Safeway Ltd

tegen

Andrew Richard Newton,

Safeway Pension Trustees Ltd,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, M. Vilaras, P. G. Xuereb en L. S. Rossi, kamerpresidenten, A. Rosas, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, T. von Danwitz (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 februari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Safeway Ltd, vertegenwoordigd door B. Green, S. Allen, D. Pannick, QC, R. Mehta, barrister, en T. Green en J. Heap, solicitors,

–        Andrew Richard Newton, vertegenwoordigd door A. Short, QC, C. Bell en M. Uberoi, barristers, en C. Rowland‑Frank en J. H. C. Briggs, solicitors,

–        Safeway Pension Trustees Ltd, vertegenwoordigd door D. Murphy en E. King, solicitors, en D. Grant, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Szmytkowska en L. Flynn als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 119 EG‑Verdrag (vervolgens, na wijziging, artikel 141 EG).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Safeway Ltd enerzijds en Andrew Richard Newton en Safeway Pension Trustees Ltd anderzijds over de gelijkschakeling van de pensioenuitkeringen voor vrouwen en mannen die aangesloten zijn bij de door Safeway Pension Trustees uitgevoerde pensioenregeling.

 Toepasselijke bepalingen

3        Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, dat thans is neergelegd in artikel 157 VWEU, was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding vervat in artikel 119 EG‑Verdrag.

4        Die bepaling luidde als volgt:

„Iedere lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.

Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis‑ of minimumloon of ‑salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a)      dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf,

b)      dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor eenzelfde functie.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

5        De in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling is in 1978 door Safeway opgezet in de vorm van een trust. Artikel 19 van de trustakte waarbij deze pensioenregeling wordt geregeld (hierna: „wijzigingsartikel”) biedt in wezen de mogelijkheid om met terugwerkende kracht vanaf de datum van schriftelijke kennisgeving aan de aangesloten personen de pensioenregeling, waaronder ook de waarde van de uitkeringen, te wijzigen door middel van een akte. Dit artikel luidt als volgt:

„De hoofdvennootschap kan met toestemming van de trustees bij aanvullende door de hoofdvennootschap en de trustees verleden akte op ieder willekeurig moment wijzigingen of toevoegingen aanbrengen in de trustbevoegdheden en in de bepalingen van de pensioenregeling met inbegrip van de onderhavige trustakte en de bepalingen alsmede alle aktes en andere schriftelijke aanvullingen op deze trustakte en de in de tweede bijlage hierbij opgesomde aktes en zij kan die bevoegdheden zodanig uitoefenen dat de wijzigingen van kracht worden met ingang van een in de aanvullende akte bepaalde datum, welke de datum van die akte kan zijn of de datum van een eerdere schriftelijke kennisgeving van de wijziging of aanvulling aan de aangesloten personen dan wel een datum die een redelijke termijn voor of na de datum van die akte ligt om de wijziging of aanvulling, afhankelijk van de situatie, terugwerkende kracht te verlenen of in de toekomst in te laten gaan.”

6        De in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling had aanvankelijk een normale pensioenleeftijd (hierna: „NPL”) vastgesteld die verschilt voor mannen en vrouwen, namelijk 65 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen, maar het Hof heeft in het arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, EU:C:1990:209), in wezen geoordeeld dat het vaststellen van een naar geslacht verschillende NPL discriminatie oplevert die bij artikel 119 EG‑Verdrag verboden is. Naar aanleiding van dat arrest hebben Safeway en Safeway Pension Trustees middels kennisgevingen op 1 september 1991 en 1 december 1991 (hierna: „in 1991 gedane kennisgevingen”) de bij de pensioenregeling aangesloten personen schriftelijk ervan op de hoogte gebracht dat die regeling met ingang van 1 december 1991 zou worden gewijzigd door de invoering van een uniforme NPL van 65 jaar voor alle aangesloten personen. Op 2 mei 1996 is een aanvullende trustakte opgesteld waarin de pensioenregeling gewijzigd wordt en een uniforme NPL van 65 jaar wordt vastgesteld met ingang van 1 december 1991.

7        Nadat in 2009 de vraag aan de orde was gekomen of de retroactieve wijziging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling zich verdraagt met het Unierecht, heeft Safeway het hoofdgeding aangespannen en gevorderd dat werd vastgesteld dat een uniforme NPL van 65 jaar rechtsgeldig ingevoerd was met ingang van 1 december 1991. In dat geding is Newton aangesteld om op te treden als vertegenwoordiger van de bij de pensioenregeling aangesloten personen.

8        Bij uitspraak van 29 februari 2016 was de High Court of Justice of England and Wales, Chancery division (rechter in eerste aanleg in onder meer trustzaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk), van oordeel dat de retroactieve wijziging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling in strijd was met artikel 119 EG‑Verdrag en dat de pensioenrechten van de aangesloten personen derhalve op grondslag van een uniforme NPL van 60 jaar moesten worden berekend voor de periode van 1 december 1991 tot 2 mei 1996.

9        De verwijzende rechter, bij wie Safeway tegen die uitspraak in hoger beroep is gegaan, oordeelt dat de in 1991 gedane kennisgevingen naar nationaal recht niet op zichzelf de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling rechtsgeldig konden wijzigen en dat de enige rechtsgeldige wijziging die was welke voortvloeide uit de trustakte van 2 mei 1996.

10      Die rechter geeft aan dat overeenkomstig dat nationale recht het wijzigingsartikel en de in 1991 gedane kennisgevingen er evenwel toe hebben geleid dat de door de aangesloten personen opgebouwde rechten voor de periode van 1 december 1991 tot 2 mei 1996 „herroepelijk” (defeasible) werden, zodat die rechten later, te allen tijde, met terugwerkende kracht konden worden verlaagd. De verwijzende rechter overweegt dus dat het naar nationaal recht mogelijk was om voor die periode middels de trustakte van 2 mei 1996 de NPL voor vrouwen rechtsgeldig te verhogen naar 65 jaar en die voor mannen te handhaven op die leeftijd, maar vraagt zich af of de gehanteerde aanpak zich verdraagt met artikel 119 EG‑Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof.

11      Tegen deze achtergrond heeft de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg in burgerlijke zaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer de bepalingen van een pensioenregeling naar nationaal recht bevoegdheid verlenen om door middel van wijziging van de trustakte met terugwerkende kracht de waarde van de opgebouwde pensioenrechten van zowel mannen als vrouwen te verlagen over een periode vanaf de datum van schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen wijzigingen in de regeling tot aan de datum waarop de trustakte daadwerkelijk wordt gewijzigd, schrijft artikel 157 [VWEU] (voorheen en in de relevante periode artikel 119 [EG‑Verdrag]) dan voor dat de opgebouwde pensioenrechten van zowel mannen als vrouwen in die periode als onherroepelijk moeten worden beschouwd in die zin dat hun pensioenrechten niet kunnen worden verlaagd met terugwerkende kracht door uitoefening van de naar nationaal recht geldende bevoegdheid?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

12      Om te beginnen moet er, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, op worden gewezen dat het hoofdgeding uitsluitend ziet op pensioenrechten die bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling aangesloten personen hebben opgebouwd tussen 1 december 1991 en 2 mei 1996. De voorgelegde vraag moet dan ook worden onderzocht in het licht van het destijds geldende artikel 119 EG‑Verdrag.

13      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 119 EG‑Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het er zich tegen verzet dat een pensioenregeling een einde maakt aan een met deze bepaling strijdig geval van discriminatie dat voortvloeit uit het vaststellen van een NPL die verschilt naar geslacht, middels een maatregel op grond waarvan de NPL van de bij die regeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk wordt geschakeld met die van de voorheen benadeelde groep over de periode vanaf het moment dat kennis wordt gegeven van die maatregel tot aan het moment dat deze wordt genomen, wanneer de maatregel is toegestaan volgens het nationale recht en de akte waarbij de pensioenregeling is opgezet.

14      Ter beantwoording van deze vraag moet in herinnering worden geroepen dat het Hof in het arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, EU:C:1990:209), in wezen heeft geoordeeld dat het vaststellen van een naar geslacht verschillende NPL voor pensioenen die krachtens een pensioenregeling worden betaald, bij artikel 119 EG‑Verdrag verboden discriminatie oplevert.

15      Het Hof heeft zich ook uitgelaten over de consequenties die moeten worden verbonden aan de vaststelling van dergelijke discriminatie, met name in de arresten van 28 september 1994, Coloroll Pension Trustees (C‑200/91, EU:C:1994:348), 28 september 1994, Avdel Systems (C‑408/92, EU:C:1994:349), en 28 september 1994, Van den Akker (C‑28/93, EU:C:1994:351). Uit die rechtspraak volgt dat die consequenties verschillen afhankelijk van de tijdvakken van arbeid in kwestie.

16      Voor wat ten eerste de tijdvakken van arbeid betreft die zijn gelegen vóór de datum van het arrest Barber (C‑262/88, EU:C:1990:209), namelijk 17 mei 1990, geldt dat pensioenregelingen geen uniforme NPL hoeven te hanteren, aangezien het Hof de werking van dat arrest in de tijd heeft beperkt door uit te sluiten dat artikel 119 EG‑Verdrag van toepassing is op pensioenuitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van die tijdvakken (zie in die zin arresten van 28 september 1994, Coloroll Pension Trustees, C‑200/91, EU:C:1994:348, punt 34; 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punt 19, en 28 september 1994, Van den Akker, C‑28/93, EU:C:1994:351, punt 12).

17      Voor wat ten tweede de tijdvakken van arbeid betreft die zijn gelegen tussen 17 mei 1990 en het moment waarop in de aan de orde zijnde pensioenregeling maatregelen werden genomen om de gelijke behandeling te herstellen, moeten de tot de benadeelde groep behorende personen dezelfde voordelen krijgen als de tot de bevoordeelde groep behorende personen, waarbij die voordelen, zolang artikel 119 EG‑Verdrag niet naar behoren in nationaal recht is omgezet, het enige bruikbare referentiekader blijven (zie in die zin arresten van 28 september 1994, Coloroll Pension Trustees, C‑200/91, EU:C:1994:348, punten 31 en 32; 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punten 16 en 17, en 28 september 1994, Van den Akker, C‑28/93, EU:C:1994:351, punten 16 en 17).

18      Voor wat ten derde de tijdvakken van arbeid betreft die zijn vervuld na het moment waarop in de aan de orde zijnde pensioenregeling maatregelen worden genomen om de gelijke behandeling te herstellen, is het zo dat artikel 119 EG‑Verdrag er niet aan in de weg staat dat de voordelen van de voorheen bevoordeelde personen worden verlaagd tot op het niveau van de voordelen van de voorheen benadeelde personen, aangezien deze bepaling enkel vereist dat mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid een gelijke beloning ontvangen, maar niet een bepaald niveau voorschrijft (zie in die zin arresten van 28 september 1994, Coloroll Pension Trustees, C‑200/91, EU:C:1994:348, punt 33; 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punt 21, en 28 september 1994, Van den Akker, C‑28/93, EU:C:1994:351, punt 19).

19      In casu heeft het hoofdgeding uitsluitend betrekking op de vraag of de pensioenrechten van personen die zijn aangesloten bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling, over de periode van 1 december 1991 tot 2 mei 1996 moeten worden berekend op grondslag van een uniforme NPL van 60 dan wel 65 jaar. Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of in de trustakte van 2 mei 1996, gelet op de in punt 17 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, voor die periode de NPL van die aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk mocht worden geschakeld met die van de voorheen benadeelde groep, namelijk mannelijke werknemers.

20      Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de prejudiciële vraag en de motivering van de verwijzingsbeslissing zien op de gelijkschakeling, middels die trustakte en met terugwerkende kracht tot 1 december 1991, van de NPL van personen die zijn aangesloten bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling, met de NPL van de voorheen benadeelde groep en dat deze vraag dan ook aldus moet worden begrepen dat uitgegaan wordt van de premisse dat pas op 2 mei 1996, de datum van de trustakte, maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen.

21      Voor het Hof hebben Safeway en de Commissie deze premisse ter discussie gesteld en in wezen betoogd dat de in 1991 gedane kennisgevingen en de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling wordt uitgevoerd op grondslag van een uniforme NPL van 65 jaar die is ingegaan op 1 december 1991, moeten worden beschouwd als maatregelen waarmee de gelijke behandeling is hersteld vanaf die datum.

22      Het staat in beginsel weliswaar aan de verwijzende rechter, die rechtstreeks bekend is met het hoofdgeding en die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om te bepalen op welke datum de maatregelen tot herstel van de gelijke behandeling zijn genomen, maar aangezien dergelijke maatregelen moeten voldoen aan de eisen van het Unierecht, kan het Hof de nationale rechter relevante gegevens met betrekking tot de uitlegging van dat recht verschaffen (zie in die zin arresten van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punt 36, en 30 juni 2016, Ciup, C‑288/14, niet gepubliceerd, EU:C:2016:495, punt 33).

23      Het is vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 119 EG‑Verdrag rechtstreekse werking heeft, in die zin dat het voor particulieren rechten in het leven roept die de nationale rechterlijke instanties dienen te handhaven (zie in die zin arresten van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, EU:C:1976:56, punt 24, en 28 september 1994, Van den Akker, C‑28/93, EU:C:1994:351, punt 21).

24      De rechtstreekse werking van artikel 119 EG‑Verdrag brengt met zich dat, wanneer discriminatie is vastgesteld, de werkgever deze bepaling onmiddellijk en volledig moet toepassen, zodat aan de maatregelen die worden genomen om de gelijke behandeling te herstellen, in beginsel geen zodanige voorwaarden kunnen worden verbonden dat de discriminatie, zij het ook tijdelijk, gehandhaafd blijft (zie in die zin arrest van 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punten 25 en 26).

25      Bovendien moet ook het rechtszekerheidsbeginsel in acht worden genomen. Dit beginsel, dat in het bijzonder een dwingend vereiste is in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben, vereist dat de door het Unierecht aan particulieren verleende rechten kunnen worden geëffectueerd op een wijze die voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorzienbaar is, zodat de betrokkenen hun rechten en verplichtingen nauwkeurig kunnen kennen, dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen en deze rechten zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen inroepen. Louter een praktijk invoeren die voor de betrokkenen geen bindende rechtsgevolgen heeft, voldoet niet aan die eisen (zie in die zin arresten van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punt 47, en 8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punten 36‑38, 40 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Derhalve kunnen de maatregelen die worden genomen om een einde te maken aan een met artikel 119 EG‑Verdrag strijdig geval van discriminatie, slechts worden aangemerkt als maatregelen waarmee de in die bepaling voorgeschreven gelijke behandeling wordt hersteld, indien zij voldoen aan de in de punten 24 en 25 van dit arrest genoemde eisen.

27      In casu voldoen de maatregelen die uit hoofde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling zijn genomen voordat de trustakte van 2 mei 1996 is opgesteld, niet aan die eisen.

28      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling naar nationaal recht pas rechtsgeldig is gewijzigd met die trustakte. De verwijzende rechter heeft in een op 5 oktober 2017 in het hoofdgeding gewezen uitspraak geoordeeld dat volgens de bewoordingen van het wijzigingsartikel alleen wijzigingen die middels een trustakte worden aangebracht, mogelijk zijn en dat het nationale recht uitsluit dat dit artikel wordt uitgelegd op een manier die niet aansluit bij die bewoordingen, aangezien de begunstigden van die pensioenregeling moeten worden beschermd en hun rechten moeten kunnen kennen.

29      Uit de verwijzingsbeslissing lijkt ook te volgen dat het wijzigingsartikel en de in 1991 gedane kennisgevingen geen andere rechtsgevolgen hebben dan de uitvoerders van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling in staat te stellen om, middels een later op te stellen trustakte, de NPL van de bij die regeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk te schakelen met de NPL van de aangesloten mannen.

30      Dat wordt voorzien in een dergelijke mogelijkheid, waarvan gebruik kan worden gemaakt wanneer de uitvoerders van de regeling dit wenselijk achten, brengt echter niet met zich dat een einde is gemaakt aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde discriminatie of dat de aangesloten personen hun rechten nauwkeurig konden kennen.

31      Wat de uitvoering van de regeling vanaf 1 december 1991 betreft, volgt uit punt 25 van dit arrest dat het invoeren van louter een praktijk die voor de betrokkenen geen bindende rechtsgevolgen heeft, niet voldoet aan de eisen van het rechtszekerheidsbeginsel en dus niet kan worden aangemerkt als een maatregel waarmee de in artikel 119 EG‑Verdrag voorgeschreven gelijke behandeling is hersteld.

32      Hieruit volgt dat er voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling pas op 2 mei 1996, middels de trustakte van die datum, maatregelen zijn genomen die voldoen aan de in de punten 24 en 25 van dit arrest genoemde eisen van Unierecht.

33      Wat in de tweede plaats de vraag betreft of artikel 119 EG‑Verdrag zich niet verzet tegen een maatregel als die van de trustakte, waarbij de NPL van de bij een pensioenregeling aangesloten personen met terugwerkende kracht vanaf 1 december 1991 gelijk wordt geschakeld met de NPL van de voorheen benadeelde groep, is het vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer een met het Unierecht strijdig geval van discriminatie is vastgesteld, de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel, zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, alleen kan worden verzekerd door de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten (arresten van 28 januari 2015, Starjakob, C‑417/13, EU:C:2015:38, punt 46, en 22 januari 2019, Cresco Investigation, C‑193/17, EU:C:2019:43, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat dit beginsel eraan in de weg staat dat in een pensioenregeling discriminatie die strijdig is met artikel 119 EG‑Verdrag wordt opgeheven door voor het verleden de voordelen van de bevoordeelde groep af te schaffen (zie in die zin arrest van 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punten 5, 13, 14, 17 en 18).

35      De verwijzende rechter wenst evenwel te vernemen of die rechtspraak ook geldt voor situaties als in het hoofdgeding, waarin de pensioenrechten in kwestie volgens het nationale recht en de akte waarbij de aan de orde zijnde pensioenregeling is opgezet, herroepelijk zijn.

36      Deze vraag is weliswaar nog niet expliciet behandeld door het Hof, maar de mogelijkheid om in dergelijke situaties de voorwaarden omtrent de rechten van de bij een pensioenregeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk te schakelen met de voorwaarden omtrent de rechten van de voorheen benadeelde groep, vindt geen steun in de genoemde rechtspraak. Integendeel, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft aangegeven, zou erkenning van die mogelijkheid tot gevolg hebben dat de reikwijdte van die rechtspraak sterk wordt beperkt, aangezien zij dan nog slechts zou gelden in gevallen waarin een dergelijke gelijkschakeling met terugwerkende kracht in elk geval reeds verboden is volgens het nationale recht of de akte waarbij de pensioenregeling is opgezet.

37      Bovendien en bovenal moet erop worden gewezen dat maatregelen die erop gericht zijn met het Unierecht strijdige discriminatie op te heffen, het Unierecht ten uitvoer brengen en dat bij de uitvoering van dat recht moet worden voldaan aan de daarin vervatte eisen. In het bijzonder kan geen beroep worden gedaan op het nationale recht of de bepalingen van de akte waarbij de aan de orde zijnde pensioenregeling is opgezet, om die eisen te omzeilen.

38      Met betrekking tot die eisen volgt uit vaste rechtspraak dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er in het algemeen tegen verzet dat een rechtshandeling die uitvoering geeft aan het Unierecht terugwerkende kracht krijgt. Slechts bij wijze van uitzondering kan hiervan worden afgeweken indien dit voor een dwingende reden van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (zie in die zin arrest van 26 april 2005, „Goed Wonen”, C‑376/02, EU:C:2005:251, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Daarbij komen nog de meer specifiek uit artikel 119 EG‑Verdrag voortvloeiende eisen, waar de uitvoerders van een pensioenregeling rekening mee dienen te houden zodra een met deze bepaling strijdig geval van discriminatie wordt vastgesteld.

40      Wat de verplichting betreft om de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, heeft het Hof reeds overwogen dat deze verplichting met name wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat artikel 119 EG‑Verdrag in verband wordt gebracht met het doel, de arbeidsvoorwaarden onderling aan te passen op de weg van de vooruitgang, dat naar voren komt uit de preambule en artikel 117 van dat Verdrag (zie in die zin arresten van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, EU:C:1976:56, punten 10, 11 en 15, en 28 september 1994, Avdel Systems, C‑408/92, EU:C:1994:349, punten 15 en 17).

41      Het zou zich niet verdragen met dat doel, het rechtszekerheidsbeginsel en de in de punten 17, 24 en 34 van dit arrest genoemde eisen indien de uitvoerders van de aan de orde zijnde pensioenregeling discriminatie die strijdig is met artikel 119 EG‑Verdrag zouden kunnen opheffen door een maatregel te nemen waarbij de NPL van de bij die regeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk wordt geschakeld met de NPL van de voorheen benadeelde groep. Wordt een dergelijke aanpak gehanteerd, dan zouden die uitvoerders namelijk niet meer verplicht zijn om, nadat discriminatie is geconstateerd, daar onmiddellijk en volledig een einde aan te maken. Verder zou voorbij worden gegaan aan de verplichting om voor de voorheen benadeelde groep dezelfde NPL te hanteren als voor de voorheen bevoordeelde groep waar het gaat om de pensioenrechten voor de tijdvakken van arbeid die zijn gelegen tussen de datum van uitspraak van het arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, EU:C:1990:209), en de datum waarop de maatregelen tot herstel van de gelijke behandeling zijn genomen, alsmede aan het verbod om voor het verleden de voordelen van de bevoordeelde groep af te schaffen. Ten slotte zou, zolang geen maatregelen tot herstel van de gelijke behandeling zijn genomen, onzekerheid bestaan over de reikwijdte van de rechten van de aangesloten personen, wat zou indruisen tegen het rechtszekerheidsbeginsel.

42      Dit is ook het geval wanneer de bij de aan de orde zijnde pensioenregeling aangesloten personen middels een kennisgeving die geen wijzigende werking heeft, ervan op de hoogte zijn gebracht dat hun NPL gelijk zal worden geschakeld met de NPL van de voorheen benadeelde groep om de gelijke behandeling te herstellen.

43      Zoals volgt uit punt 38 van dit arrest, kan evenwel niet worden uitgesloten dat maatregelen die erop gericht zijn een einde te maken aan met het Unierecht strijdige discriminatie, bij wijze van uitzondering terugwerkende kracht kunnen hebben, mits het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen in acht wordt genomen en die maatregelen daadwerkelijk zijn ingegeven door een dwingende reden van algemeen belang. Blijkens vaste rechtspraak kan met name het risico op ernstige aantasting van het financiële evenwicht van de aan de orde zijnde pensioenregeling een dergelijke dwingende reden van algemeen belang vormen (zie in die zin arresten van 11 januari 2007, ITC, C‑208/05, EU:C:2007:16, punt 43, en 7 maart 2018, DW, C‑651/16, EU:C:2018:162, punt 33).

44      In casu geeft de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing weliswaar aan dat met het hoofdgeding financiële gevolgen van circa 100 miljoen pond sterling (GBP) gemoeid zijn, maar overweegt hij niet dat de retroactieve gelijkschakeling van de NPL van de bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pensioenregeling aangesloten personen met de NPL van de voorheen benadeelde groep nodig was om te voorkomen dat het financiële evenwicht van die pensioenregeling ernstig zou worden aangetast. Aangezien de aan het Hof overgelegde stukken geen nadere gegevens bevatten waaruit blijkt dat die maatregel daadwerkelijk was ingegeven door een dwingende reden van algemeen belang, lijkt er geen sprake te zijn van een objectieve rechtvaardiging, hetgeen evenwel ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

45      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 119 EG‑Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het er zich, tenzij er sprake is van objectieve rechtvaardiging, tegen verzet dat een pensioenregeling een einde maakt aan een met deze bepaling strijdig geval van discriminatie dat voortvloeit uit het vaststellen van een NPL die verschilt naar geslacht, middels een maatregel op grond waarvan de NPL van de bij die regeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk wordt geschakeld met die van de voorheen benadeelde groep over de periode vanaf het moment dat kennis wordt gegeven van die maatregel tot aan het moment dat deze wordt genomen, ook al is de maatregel toegestaan volgens het nationale recht en de akte waarbij de pensioenregeling is opgezet.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 119 EGVerdrag (vervolgens, na wijziging, artikel 141 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het er zich, tenzij er sprake is van objectieve rechtvaardiging, tegen verzet dat een pensioenregeling een einde maakt aan een met deze bepaling strijdig geval van discriminatie dat voortvloeit uit het vaststellen van een normale pensioenleeftijd die verschilt naar geslacht, middels een maatregel op grond waarvan de normale pensioenleeftijd van de bij die regeling aangesloten personen met terugwerkende kracht gelijk wordt geschakeld met die van de voorheen benadeelde groep over de periode vanaf het moment dat kennis wordt gegeven van die maatregel tot aan het moment dat deze wordt genomen, ook al is de maatregel toegestaan volgens het nationale recht en de akte waarbij de pensioenregeling is opgezet.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.