Language of document : ECLI:EU:C:2019:587

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

10 juli 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Douanewetboek – Douaneaangifte – Onjuiste postonderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur – Navorderingsaanslag – Artikel 78 van dat wetboek – Herziening van de aangifte – Wijziging van de transactiewaarde – Artikel 221 van dat wetboek – Verjaringstermijn van het recht op invordering van de douaneschuld – Stuiting”

In zaak C‑249/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 april 2018, ingekomen bij het Hof op 11 april 2018, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën

tegen

CEVA Freight Holland BV,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, J. Malenovský en L. S. Rossi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 februari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        CEVA Freight Holland BV, vertegenwoordigd door B. J. B. Boersma, advocaat,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels, F. Clotuche-Duvieusart en M. Kocjan als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 78 en 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB 2000, L 311, blz. 17) (hierna: „douanewetboek”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en CEVA Freight Holland BV (hierna: „CEVA Freight”) over de rechtmatigheid van bepaalde uitnodigingen tot betaling van douanerechten die aan haar waren gericht.

 Toepasselijke bepalingen

3        Verordening nr. 2913/92 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 2008, L 145, blz. 1). Niettemin is deze laatste verordening uit hoofde van artikel 188 ervan wat betreft de hiernavolgende bepalingen niet van toepassing op het hoofdgeding. Dit geding wordt namelijk nog beheerst door de bepalingen van het douanewetboek.

4        Artikel 29, lid 1, van het douanewetboek bepaalde:

„De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht [...]”.

5        Artikel 65 van dat wetboek bepaalde:

„Aan de aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer van de vermeldingen in de aangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

Er wordt evenwel geen wijziging meer toegestaan wanneer het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten:

a)      hetzij de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b)      hetzij hebben geconstateerd dat de betrokken vermeldingen onjuist zijn;

c)      hetzij de goederen hebben vrijgegeven.”

6        Artikel 76, lid 1, van dat wetboek bepaalde:

„Teneinde, met inachtneming van de regelmatigheid van de verrichtingen, het vervullen van de formaliteiten en de procedures zoveel mogelijk te versoepelen, staan de douaneautoriteiten onder de volgens de procedure van het Comité vastgestelde voorwaarden toe dat:

[...]

c)      de aangifte van de goederen voor de betrokken regeling door inschrijving van de goederen in de administratie geschiedt; in dat geval kunnen de douaneautoriteiten de aangever ontheffen van de verplichting de goederen bij de douane aan te brengen.

[...]”

7        Artikel 78 van dat wetboek bepaalde:

„1.      De douaneautoriteiten kunnen na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan.

[...]

3.      Indien uit de herziening van de aangifte of uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.”

8        Artikel 201, lid 2, van het douanewetboek luidde:

„De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.”

9        Artikel 221, leden 1 tot en met 3, van dat wetboek bepaalde:

„1.      Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2.      Indien het verschuldigde bedrag aan rechten ter informatie in de douaneaangifte is vermeld, kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat de in lid 1 bedoelde mededeling slechts wordt gedaan indien het vermelde bedrag aan rechten van het door hen vastgestelde bedrag afwijkt.

Indien van de in de eerste alinea van dit lid geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, geldt, onverminderd de toepassing van artikel 218, lid 1, tweede alinea, de vrijgave van de goederen door de douaneautoriteiten als mededeling van het geboekte bedrag van de rechten aan de schuldenaar.

3.      De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.”

10      Artikel 147 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1762/95 van de Commissie van 19 juli 1995 (PB 1995, L 171, blz. 8) (hierna: „uitvoeringsverordening”), bepaalde in lid 1:

„Voor de toepassing van artikel 29 van het [douanewetboek] is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap aan te merken. In het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, is een dergelijke aanduiding van toepassing op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht of op een verkoop binnen het douanegebied van de Gemeenschap voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht.

Wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, dient ten genoegen van de douaneautoriteiten te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.

De artikelen 178 tot en met 181 bis zijn van toepassing.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Als douane-expediteur doet CEVA Freight in opdracht van importeurs vereenvoudigde aangiften voor het vrije verkeer volgens de procedure die is neergelegd in artikel 76, lid 1, onder c), van het douanewetboek.

12      In de periode van 1 maart tot en met 31 oktober 2010 heeft CEVA Freight op die manier aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van diverse modellen mediaspelers. Daartoe heeft zij de mediaspelers ingedeeld onder postonderverdelingen 8471 70 50 en 8517 62 00 van de gecombineerde nomenclatuur, waarvoor een douanetarief van 0 % gold. De douane heeft de mediaspelers vrijgegeven zonder heffing van rechten bij invoer.

13      In 2011, na een controle van die aangiften, heeft de douane-inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de mediaspelers onder postonderverdeling 8521 90 00 van de gecombineerde nomenclatuur hadden moeten worden ingedeeld, waarvoor een douanetarief van 13,9 % gold.

14      Bij brief van 22 februari 2013 heeft deze inspecteur CEVA Freight in kennis gesteld van zijn voornemen tot navordering van douanerechten. Voor die navordering heeft hij de douanewaarde van de mediaspelers gebaseerd op de door CEVA Freight eerder opgegeven prijs, namelijk de prijs waartegen de importeurs de mediaspelers in de Europese Unie hadden verkocht.

15      In haar antwoord aan de douane-inspecteur van 27 februari 2013 heeft CEVA Freight onder verwijzing naar artikel 78 van het douanewetboek verzocht de douanewaarde te herzien en bij de berekening ervan uit te gaan van de lagere prijs die de in Azië gevestigde producent van de mediaspelers aan de importeurs in rekening had gebracht, omdat ook deze prijs voor de berekening van de douanewaarde in aanmerking kon worden genomen.

16      Op 28 februari 2013 heeft de inspecteur een enkel aanslagbiljet vastgesteld, waarin de uitnodigingen tot betaling voor de betrokken invoeraangiften waren verenigd. Dat aanslagbiljet is door CEVA Freight op 4 maart 2013 ontvangen.

17      CEVA Freight heeft bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling en daarbij opnieuw verzocht om herziening.

18      Om kort te gaan heeft de douane-inspecteur dit verzoek afgewezen, waarna CEVA Freight in beroep is gegaan bij het gerechtshof Amsterdam (Nederland). Bij arrest van 10 februari 2016 heeft het gerechtshof de inspecteur opgedragen opnieuw te beslissen op het verzoek om herziening. Daarop heeft de Staatssecretaris beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

19      De verwijzende rechter zet uiteen dat in casu niet in geschil is dat bij CEVA Freight op de datum van de douaneaangiften geen onzekerheid heeft bestaan over de juiste uitlegging of de toepasbaarheid van artikel 147, lid 1, van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 29 van het douanewetboek. Hij geeft aan dat CEVA Freight echter meende dat de aangegeven prijs van de mediaspelers niet van belang was omdat de mediaspelers vrij van douanerechten konden worden ingevoerd. Volgens de verwijzende rechter heeft de Staatssecretaris betoogd dat het voor de herziening van een aangifte overeenkomstig artikel 78 van het douanewetboek niet relevant is of de aangever een vergissing heeft begaan. Enkel als de gegevens in de aangifte „onjuist” of „onvolledig” zijn, kunnen zij worden herzien.

20      Volgens deze rechter kan zeker worden betoogd dat de aangever, bij ontstentenis van onjuistheden van de gegevens in de aangifte, gebonden is aan de gegevens die hij heeft aangegeven en er rekening mee moet houden dat de douaneautoriteiten die gegevens zonder meer moeten kunnen gebruiken, ook bij de controle van het bedrag van de douaneschuld. Noch de materiële bepalingen van het douanewetboek of van de uitvoeringsverordening inzake de douanewaarde, noch het doel of de strekking van die bepalingen verzetten zich er echter tegen dat de aangever na aanvaarding van een douaneaangifte in aanvulling op daarin vermelde gegevens andere gegevens ter bepaling van de douanewaarde van de betrokken goederen verstrekt. In dat laatste geval zet de verwijzende rechter uiteen dat de belastingdienst in de omstandigheden van een geding als bij hem aanhangig, gehouden zou zijn de douanewaarde van de goederen te verlagen, ongeacht of de aangever zich heeft vergist.

21      Bovendien voert CEVA Freight, die incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld, onder meer aan dat het gerechtshof Amsterdam artikel 221, lid 3, van het douanewetboek heeft geschonden, toen het overwoog dat de aanslag niet te laat was op grond dat voor de berekening van de verjaringstermijn in die bepaling de datum van verzending van het aanslagbiljet in aanmerking moest worden genomen, zoals is neergelegd in de bepalingen van nationaal recht die in het hoofdgeding van toepassing zijn, en niet de datum van ontvangst ervan door de schuldenaar. De vraag rijst daarom of is voldaan aan de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek gestelde voorwaarde dat de mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan, indien deze mededeling niet vóór het verstrijken van die termijn door de schuldenaar is ontvangen.

22      De verwijzende rechter herinnert er in dat verband aan dat de wijze waarop de in artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bedoelde mededeling wordt gedaan, een aangelegenheid is die behoort tot de interne rechtsorde van elk van de lidstaten. Hij vraagt zich dus af of het aan de lidstaten is om de datum vast te stellen waarop de mededeling aan de schuldenaar geacht wordt te zijn gedaan of dat de wijze waarop deze datum wordt vastgesteld, in het Unierecht besloten ligt. In dat geval vraagt de verwijzende rechter zich ook af of daarvoor moet worden uitgegaan van de verzenddatum of van de ontvangstdatum van die mededeling.

23      Gelet op een en ander heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 78 van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat een aangever in het kader van een boeking achteraf alsnog onder verwijzing naar artikel 147, lid 1, tweede alinea, van [de uitvoeringsverordening] kan kiezen voor een andere, lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van de douaneschuld?

2      a)      Vormt voor de toepassing van artikel 221, lid 3, van [het douanewetboek] het bepalen van het tijdstip waarop de mededeling aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden, een vraag van Unierecht?

b)      Indien vraag 2a bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 221, lid 3, van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde mededeling door de schuldenaar moet zijn ontvangen binnen de termijn van drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan, of volstaat dat die mededeling binnen die termijn aan de schuldenaar is verzonden?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

24      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 78 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de aangever, indien hij de mogelijkheid heeft om te kiezen welke prijs van de verkochte waren voor de uitvoer naar het grondgebied van de Unie in aanmerking kan worden genomen als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde, op grond van artikel 78 kan verzoeken om herziening van zijn douaneaangifte om de aanvankelijk aangegeven prijs, met het oog op het verlagen van de douaneschuld, te vervangen door een lagere transactieprijs.

25      Voor het antwoord op deze vraag moet eraan worden herinnerd dat uit artikel 29 van het douanewetboek en uit artikel 147 van de uitvoeringsverordening volgt dat de importeur bij opeenvolgende verkopen voor invoer in het douanegebied van de Unie een van de voor die verkopen overeengekomen prijzen als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde van de betrokken goederen mag nemen, voor zover hij de douaneautoriteiten alle voor die prijs noodzakelijke gegevens en documenten kan overleggen (zie in die zin arrest van 28 februari 2008, Carboni e derivati, C‑263/06, EU:C:2008:128, punten 27‑31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Bovendien mag de aangever op zijn verzoek overeenkomstig artikel 65 van het douanewetboek één of meer gegevens in de aangifte wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. Daaruit volgt, meer in het bijzonder, dat de aangever kan terugkomen op de prijs die hij heeft gekozen als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde van de betrokken goederen.

27      Zoals de Commissie memoreert, heeft het Hof in verband met artikel 8, lid 1, onder a), van richtlijn 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (PB 1979, L 205, blz. 19), een bepaling die in wezen identiek is aan artikel 65, tweede alinea, onder c), van het douanewetboek, gepreciseerd dat de importeur, indien hij in de aangifte inzake de douanewaarde een van de prijzen heeft opgegeven die als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde konden worden genomen, die aangifte niet meer kan corrigeren nadat de goederen voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven (arrest van 6 juni 1990, Unifert, C‑11/89, EU:C:1990:237, punt 21).

28      Hoewel het vóór inwerkingtreding van het douanewetboek op 1 januari 1994 verboden was voor aangevers om hun aangifte na vrijgave van de goederen te corrigeren, is echter bij artikel 78 van dat wetboek met ingang van dat tijdstip uitdrukkelijk de mogelijkheid ingevoerd dat de douaneautoriteiten een douaneaangifte op een na de vrijgave van de goederen ingediend verzoek van de aangever herzien (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punten 61 en 62).

29      De artikelen 65 en 78 van het douanewetboek voorzien nu dus in twee verschillende regelingen die respectievelijk voor en na de vrijgave van de goederen van toepassing zijn op de wijzigingen die kunnen worden aangebracht in de gegevens die voor de bepaling van de douanewaarde en bijgevolg van de invoerrechten in aanmerking zijn genomen (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 64).

30      Op grond van artikel 65 van het douanewetboek kan de aangever zelf zijn douaneaangifte eenzijdig wijzigen zolang de goederen niet zijn vrijgegeven. Dit recht is te verklaren door het feit dat de juistheid van de wijzigingen zo nodig tot de vrijgave door de douaneautoriteiten aan de hand van een fysieke controle van de goederen gemakkelijk kan worden geverifieerd. Bovendien kan de wijziging in voorkomend geval plaatsvinden op een tijdstip dat het bedrag van de invoerrechten door de douaneautoriteiten nog niet is vastgesteld (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 65).

31      Daarnaast is bij artikel 78 van het douanewetboek een restrictievere regeling ingevoerd. Dat artikel is van toepassing na de vrijgave van de goederen, op een tijdstip waarop de goederen niet meer kunnen worden aangebracht en de invoerrechten reeds zijn vastgesteld. Daarom belast dat artikel de douaneautoriteiten met de uitvoering van een door de aangever gevraagde herziening, en laat het zowel het principe van die herziening als het resultaat daarvan aan hun beoordeling over (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 66).

32      Artikel 78, lid 3, van dat wetboek maakt echter geen onderscheid tussen fouten of vergissingen die wel en andere die niet kunnen worden rechtgezet. De bewoordingen „onjuiste of onvolledige gegevens” in die bepaling moeten aldus worden uitgelegd dat daaronder zowel materiële fouten of vergissingen als een onjuiste uitlegging van het toepasselijke recht vallen (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 63).

33      Er moet dus worden nagegaan of de aangiften van CEVA Freight een onjuist of onvolledig gegeven bevatten met betrekking tot de prijs van de goederen die als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde ervan moet worden genomen.

34      Uit het dossier dat aan het Hof is overgelegd, komt naar voren dat de door CEVA Freight aangegeven prijs overeenkwam met de prijs waarvoor de goederen waren verkocht door de vennootschappen voor rekening waarvan CEVA Freight aangifte deed, en dat deze prijs derhalve correct was en CEVA Freight met haar verzoek niet de bedoeling had deze te corrigeren.

35      Niettemin volgt daaruit tevens dat CEVA Freight, door in haar aangiften de betrokken goederen onder een onjuiste tariefonderverdeling in te delen, het toepasselijke recht onjuist had uitgelegd.

36      Een dergelijke vergissing heeft kennelijk consequenties gehad voor de keuze van de transactiewaarde van deze goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, die in aanmerking kan worden genomen als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde ervan, overeenkomstig artikel 29 van het douanewetboek en artikel 147 van de uitvoeringsverordening.

37      Op de datum van die aangiften had CEVA Freight namelijk ten onrechte gemeend dat de betrokken goederen moesten worden ingedeeld onder een tariefonderverdeling waarvoor een douanerecht van 0 % gold en dat de transactiewaarde van deze goederen dus niet van belang was voor de hoogte van haar douaneschuld. Op basis van deze onjuiste uitlegging van het douanewetboek en inzonderheid van de relevante tariefonderverdeling heeft CEVA Freight vervolgens de prijs aangegeven die als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde moest worden genomen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt duidelijk dat CEVA Freight, indien zij op de datum van de litigieuze aangiften de juiste tariefonderverdeling had gekozen – waarvoor een douanerecht van 13,9 % gold – een lagere douanewaarde zou hebben aangegeven om haar douaneschuld te verlagen.

38      Voor zover een dergelijke onjuiste uitlegging van het toepasselijke recht door de aangever hem ertoe heeft gebracht voor de goederen die achtereenvolgens zijn gekocht de hoogste transactiewaarde aan te geven als grondslag voor de bepaling van hun douanewaarde, kan deze vergissing niet worden beschouwd als het maken van een keuze, wat per definitie een bewuste handeling is (zie in die zin arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 69).

39      Gelet op de in punt 32 van dit arrest genoemde rechtspraak vormt de transactiewaarde die is opgegeven in een douaneaangifte door een aangever als in het hoofdgeding een onjuist gegeven in de zin van artikel 78 van het douanewetboek, waardoor voor de douaneautoriteiten recht ontstaat op herziening van deze aangifte.

40      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 78 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de aangever, indien hij de mogelijkheid heeft voor de voor uitvoer naar het grondgebied van de Europese Unie verkochte waren de prijs te kiezen die in aanmerking kan worden genomen als grondslag voor het bepalen van hun douanewaarde en uit een controle achteraf blijkt dat de betrokken goederen in zijn douaneaangifte onder een onjuiste post zijn ingedeeld, waardoor een hoger douanerecht van toepassing wordt, op grond van artikel 78 kan verzoeken om herziening van deze aangifte om de aanvankelijk aangegeven prijs, met het oog op het verlagen van de douaneschuld, te vervangen door een lagere transactieprijs.

 Tweede vraag

41      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan de datum kan worden bepaald waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaringstermijn van drie jaar van de douaneschuld moet worden geacht te hebben plaatsgevonden en, zo ja, of de datum van verzending van de mededeling door de douaneautoriteiten of de datum van ontvangst ervan door de debiteur maatgevend is.

42      Voor het antwoord op deze vraag moet worden opgemerkt dat het bedrag aan rechten volgens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar moet worden medegedeeld.

43      De Uniewetgever heeft in lid 3 van artikel 221 de termijn waarbinnen de douaneautoriteiten deze mededeling moeten doen en de aanvang ervan willen harmoniseren. Niettemin heeft hij noch aangegeven hoe deze mededeling moet worden gedaan noch op welke datum, om de verjaring te stuiten. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan dat worden verklaard doordat de regel van artikel 221, lid 3, van het douanewetboek alleen van toepassing is op de mededeling van het bedrag van de douaneschuld aan de schuldenaar, en staat het in zoverre uitsluitend aan de nationale douaneautoriteiten die bevoegd zijn om een dergelijke mededeling te doen, die regel uit te voeren (zie in die zin arresten van 13 maart 2003, Nederland/Commissie, C‑156/00, EU:C:2003:149, punten 63 en 64, en 15 maart 2018, Deichmann, C‑256/16, EU:C:2018:187, punt 81).

44      Aangezien de douaneregeling van de Unie geen bepaling bevat die de inhoud van het begrip „geëigende wijze” verklaart of die aan andere lichamen dan de lidstaten en hun autoriteiten de bevoegdheid verleent om deze wijze vast te stellen, moet worden aangenomen dat deze kwestie tot de interne rechtsorde van de lidstaten behoort en dat de nationale autoriteiten bij de uitvoering van die regelingen te werk gaan volgens de formele en materiële bepalingen van hun nationaal recht (zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punten 52 en 53).

45      Dientengevolge is het aan de lidstaten om de datum vast te stellen waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de verschuldigde rechten moet worden geacht te hebben plaatsgevonden. Zoals het Hof al eerder heeft gepreciseerd, staat het hoe dan ook aan de bevoegde nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat de mededeling aldus geschiedt dat de schuldenaar van de douaneschuld in staat wordt gesteld om zijn rechten precies te kennen (arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punt 53).

46      Tot slot moet worden onderstreept dat de bepaling van de wijze waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaring in de zin van artikel 221, lid 3, van het douanewetboek plaatsvindt, een procedurevoorschrift vormt dat ertoe strekt een recht te behoeden dat een justitiabele als CEVA Freight aan het Unierecht ontleent, namelijk om na het verstrijken van die termijn geen douanerecht meer verschuldigd te zijn voor de invoer van de betrokken goederen in het grondgebied van de Unie.

47      Daaruit volgt dat de lidstaten bij de bepaling van de datum waarop de mededeling aan de schuldenaar – die volgens artikel 221, lid 3, van het douanewetboek de stuiting van de verjaring meebrengt – wordt geacht te hebben plaatsgevonden, zich ervan dienen te verzekeren dat de toepasselijke nationale bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die voor soortgelijke nationale procedures gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 15 april 2010, Barth, C‑542/08, EU:C:2010:193, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het aan de lidstaten is om, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, de datum te bepalen waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaringstermijn van drie jaar van de douaneschuld, na verstrijken waarvan de douaneschuld teniet is gegaan, moet hebben plaatsgevonden.

 Kosten

49      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 78 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, moet aldus worden uitgelegd dat de aangever, indien hij de mogelijkheid heeft voor de voor uitvoer naar het grondgebied van de Europese Unie verkochte waren de prijs te kiezen die in aanmerking kan worden genomen als grondslag voor het bepalen van hun douanewaarde en uit een controle achteraf blijkt dat de betrokken goederen in zijn douaneaangifte onder een onjuiste post zijn ingedeeld, waardoor een hoger douanerecht van toepassing wordt, op grond van dat artikel 78 kan verzoeken om herziening van deze aangifte om de aanvankelijk aangegeven prijs, met het oog op het verlagen van de douaneschuld, te vervangen door een lagere transactieprijs.

2)      Artikel 221, leden 1 en 3, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten is om, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, de datum te bepalen waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaringstermijn van drie jaar van de douaneschuld, na verstrijken waarvan de douaneschuld teniet is gegaan, moet hebben plaatsgevonden.

Biltgen

Malenovský

Rossi

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juli 2019.

De griffier

 

De president van de Achtste kamer

A. Calot Escobar

 

F. Biltgen


*      Procestaal: Nederlands.