Language of document : ECLI:EU:C:2001:548

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

16 oktober 2001 (1)

„Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Werkloosheidsuitkering - Voorwaarde van samenwonen voor gezinsleden ten laste”

In zaak C-212/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Arbeidsrechtbank te Bergen (België), in het aldaar aanhangige geding tussen

Salvatore Stallone

en

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA),

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1, sub f-i, en 68, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), waarnemend voor de president van de Derde kamer, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,


griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    S. Stallone, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde,

-    Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), vertegenwoordigd door A. Bridoux-Culem, advocaat,

-    de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,

-    de Spaanse regering, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta als gemachtigde,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en D. Martin als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Stallone, de Belgische regering en de Commissie ter terechtzitting van 29 maart 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juni 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij vonnis van 24 mei 2000, ingekomen bij het Hof op 30 mei daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen het Hof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 1, sub f-i, en 68, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening”).

2.
    Deze vraag is gerezen in een geding tussen S. Stallone en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: „RVA”) over de weigering van deze laatste om Stallone werkloosheidsuitkeringen uit te betalen tegen het verhoogde tarief voor een „gezinshoofd”.

Rechtskader

De gemeenschapsbepalingen

3.
    Artikel 1 van de verordening, „Definities”, luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze verordening:

[...]

f)    i)    wordt onder .gezinslid’ verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend [...] als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid; indien deze wetgevingen echter uitsluitend als gezinslid of huisgenoot beschouwen degene die bij de werknemer of de zelfstandige inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van deze werknemer of zelfstandige wordt onderhouden. [...]”

4.
    Artikel 68, lid 2, van de verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 6, „Werkloosheid”, van titel III, bepaalt:

„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat het bedrag van de uitkering wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt eveneens rekening met de gezinsleden van de betrokkene die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde staat woonden. Deze bepaling is niet van toepassing indien in het land waarin de gezinsleden wonen, een andere persoon recht heeft op werkloosheidsuitkering, voorzover de gezinsleden bij de berekening van deze uitkering mede in aanmerking worden genomen.”

De nationale regeling

5.
    Ingevolge artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (Belgisch Staatsblad van 31 december 1991, blz. 29888; hierna: „koninklijk besluit”) moet de werkloze om de uitkeringen van het koninklijk besluit te genieten, zijn gewone verblijfplaats in België hebben; hij moet bovendien effectief in België verblijven.

6.
    Artikel 110, § 1, van het koninklijk besluit luidt als volgt:

„Onder werknemer met gezinslast wordt verstaan de werknemer die:

1°    samenwoont met een echtgeno(o)t(e), die noch over beroepsinkomens, noch over vervangingsinkomens beschikt; in dat geval wordt geen rekening gehouden met het al dan niet bestaan van inkomens in hoofde van andere personen met wie de werknemer samenwoont;

2°    niet samenwoont met een echtgeno(o)t(e) doch uitsluitend samenwoont met:

a)    één of meerdere kinderen, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één ervan of dat geen onder hen over beroeps- of vervangingsinkomens beschikt;

b)    één of meerdere kinderen en andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één van die kinderen en dat de andere bloed- of aanverwanten noch over beroeps- noch over vervangingsinkomens beschikken;

c)    één of meerdere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, die noch over beroeps-, noch over vervangingsinkomens beschikken.

[...]”

7.
    Artikel 114, § 3, van het koninklijk besluit bepaalt dat het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de werknemer met gezinslast gedurende de gehele duur van de werkloosheid wordt verhoogd met een toeslag voor het verlies van een enig inkomen, vastgesteld op 5 % van het gemiddelde dagloon.

8.
    Met betrekking tot het begrip „samenwonen” wordt in artikel 59 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering (Belgisch Staatsblad van 25 januari 1992, blz. 1593) bepaald:

„Onder samenwonen wordt verstaan het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.

Worden eveneens geacht samen te wonen de leden van het huishouden die:

1°    onder de wapens geroepen zijn of die een dienst als gewetensbezwaarde vervullen;

2°    in de gevangenis zitten, geïnterneerd zijn of in een instelling voor geesteszieken geplaatst zijn, gedurende de eerste twaalf maanden;

3°    tijdelijk om professionele redenen een andere verblijfplaats hebben.”

De feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

9.
    Blijkens het dossier verblijft Stallone, een Italiaans onderdaan, in België. Nadat hij van 16 mei 1977 tot en met 19 februari 1978 in deze lidstaat had gewerkt, ontving hij op 20 februari 1978 voor het eerst een werkloosheidsuitkering in België. In zijn uitkeringsaanvraag vermeldde hij dat hij samenwoonde met zijn echtgenote en één van zijn kinderen.

10.
    Blijkens de schriftelijke opmerkingen van de RVA hebben de echtgenote en de kinderen van Stallone bij hem in België verbleven tot 1 mei 1991, datum waarop zij terug in Italië zijn gaan wonen.

11.
    Op 20 september 1993 verzocht Stallone de RVA door middel van een formulier, „Aanvraag tot erkenning van overmacht”, om een werkloosheidsuitkering tegen het tarief voor een „gezinshoofd”, te weten een met een toeslag verhoogde werkloosheidsuitkering die kan worden toegekend aan werknemers met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, van het koninklijk besluit. Daartoe voerde hij aan dat zijn echtgenote en kinderen weliswaar naar Italië waren teruggekeerd, doch nog steeds te zijnen laste waren.

12.
    De RVA wees de aanvraag van Stallone af, maar stelde hem blijkbaar niet officieel in kennis van deze afwijzende beslissing. Op 1 december 1993 vernam Stallone toevallig bij een bezoek aan de instelling die bevoegd is voor de uitbetaling van zijn werkloosheidsuitkering, dat zijn aanvraag was afgewezen.

13.
    Tegen deze afwijzende beslissing van de RVA stelde Stallone een beroep in bij de verwijzende rechter. Omdat de Belgische regeling blijkbaar in tegenspraak is met de gemeenschapsbepalingen, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Verzetten de Europese verdragen, de Europese regelgeving en met name de artikelen 1, sub f, en 68, lid 2, van verordening (EG) 118/97 van de Raad van 2 december 1996, in hun huidige versie of in hun van 1 december 1990 tot heden geldende versie, zich tegen artikel 110, § 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, voorzover deze nationale bepaling voor de toekenning van een voordelige werkloosheidsuitkering als voorwaarde stelt, dat de werkloze met bepaalde gezinsleden samenwoont, en niet alleen dat hij hen hoofdzakelijk of effectief ten laste heeft?”

14.
    Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 68, lid 2, van de verordening in samenhang met artikel 1, sub f-i, daarvan zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de toekenning van de werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werkloze met zijn gezinsleden samenwoont op het grondgebied van de bevoegde lidstaat.

15.
    Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in de eerste zin van artikel 68, lid 2, van de verordening wordt bepaald, dat „het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat het bedrag van de uitkering wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, eveneens rekening houdt met de gezinsleden van de betrokkene die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde staat woonden”.

16.
    De Commissie merkt terecht op dat in deze bepaling wordt uitgegaan van het beginsel dat een werkloze wiens gezin net als hijzelf in de lidstaat van ontvangst verblijft, niet anders mag worden behandeld dan een werkloze wiens gezinsleden op het grondgebied van een andere lidstaat verblijven. Het doel van artikel 68, lid 2, van de verordening is te voorkomen dat migrerende werknemers indirect worden gediscrimineerd, omdat vooral zij hinder zullen ondervinden van een voorwaarde van verblijf van hun gezinsleden op het nationale grondgebied. Deze bepaling is dus een concrete uitdrukking van de regel van gelijke behandeling van artikel 3, lid 1, van de verordening.

17.
    Vervolgens moet worden vastgesteld dat artikel 68, lid 2, van de verordening van toepassing is op een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarover de nationale rechter in zijn verwijzingsbeslissing terecht opmerkt, dat zij impliciet maar noodzakelijk het verblijf van de gezinsleden op het nationale grondgebied impliceert, aangezien werkloosheidsuitkeringen slechts kunnen worden toegekend aan werklozen die er effectief verblijven.

18.
    Ten slotte voert de RVA ten onrechte aan dat artikel 68, lid 2, van de verordening niet op het hoofdgeding van toepassing is omdat het voor de toekenning van de werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief volstaat dat de werkloze samenwoont met één enkele van de in artikel 110, § 1, van het koninklijk besluit bedoelde personen, en dat het bedrag van de uitkering bovendien „niet wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden”. Een zodanig restrictieve uitlegging van deze bepaling is immers niet verenigbaar met het doel ervan zoals dit in punt 16 van het onderhavige arrest is omschreven (zie in deze zin arrest van 2 augustus 1993, Acciardi, C-66/92, Jurispr. blz. I-4567, punten 22-26).

19.
    Afgewezen moet ook worden het argument van de RVA en de Belgische regering dat artikel 68, lid 2, van de verordening niet van toepassing is op de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, omdat in deze regeling geen sprake is van een voorwaarde van verblijf in de lidstaat van ontvangst, maar de toekenning van de werkloosheidsuitkering tegen een verhoogd tarief afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat de werkloze en zijn gezinsleden samenwonen, een voorwaarde die met name gerechtvaardigd is omdat moet kunnen worden gecontroleerd dat deze laatsten effectief ten laste van de werkloze zijn.

20.
    In dit verband zij eraan herinnerd, zoals de Commissie terecht doet, dat de term „gezinslid” in artikel 1, sub f-i, van de verordening wordt gedefinieerd met het oog op de toepassing van de verordening, en dat volgens deze definitie, indien een wettelijke regeling alleen als gezinslid beschouwt degene die bij de werknemer inwoont, aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van deze werknemer wordt onderhouden.

21.
    Gelet op deze definitie moet artikel 68, lid 2, van de verordening aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een nationale regeling die de toekenning van een werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de werkloze samenwoont met zijn gezinsleden die door hem worden onderhouden.

22.
    Hieruit volgt tevens dat zonder aan dit aspect van de definitie van de term „gezinslid” ieder nuttig effect te ontnemen de noodzaak van controle waarop de RVA en de Belgische regering zich beroepen, geen rechtvaardiging kan vormen voor een voorwaarde van samenwoning die tot gevolg heeft dat aan een persoon die gezinsleden ten laste heeft die in een andere lidstaat verblijven, geen werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief kan worden toegekend.

23.
    Gelet op een en ander moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 68, lid 2, van de verordening in samenhang met artikel 1, sub f-i, daarvan zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de toekenning van een werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werkloze met zijn gezinsleden samenwoont op het grondgebied van de bevoegde lidstaat.

24.
    Hieraan moet worden toegevoegd dat deze uit de artikelen 68, lid 2, en 1, sub f-i, van de verordening voortvloeiende uitlegging geldt voor de gehele periode waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, aangezien deze bepalingen tijdens deze periode in wezen onveranderd zijn gebleven.

Kosten

25.
    De kosten door de Belgische en de Spaanse regering en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Bergen bij vonnis van 24 mei 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 68, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, in samenhang met artikel 1, sub f-i, daarvan, verzet zich tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de toekenning van een werkloosheidsuitkering tegen het verhoogde tarief afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werkloze met zijn gezinsleden samenwoont op het grondgebied van de bevoegde lidstaat.

Gulmann
Puissochet
Cunha Rodrigues

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 oktober 2001.

De griffier

De president van de Derde kamer

R. Grass

F. Macken


1: Procestaal: Frans.