Language of document : ECLI:EU:T:2018:840

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

27 november 2018 (*)

„Institutioneel recht – Europees Parlement – Besluit waarbij wordt verklaard dat bepaalde uitgaven van een politieke partij niet voor financiering in aanmerking komen voor het financiële jaar 2015 – Recht op behoorlijk bestuur – Rechtszekerheid – Verordening (EG) nr. 2004/2003 – Verbod van zijdelingse financiering van een nationale politieke partij”

In zaak T‑829/16,

Mouvement pour une Europe des nations et des libertés, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Varaut, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Burgos en S. Alves als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 12 september 2016 waarbij wordt verklaard dat bepaalde uitgaven niet voor financiering in aanmerking komen voor het financieel jaar 2015,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins (rapporteur), president, R. Barents en J. Passer, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 juni 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 10 juni 2015 heeft verzoekster, Mouvement pour une Europe des nations et des libertés, een campagne gelanceerd die betrekking had op immigratie in het kader van het Schengenakkoord (hierna: „campagne”). Op de Franse versie van een affiche van deze campagne waren het logo van verzoekster en het logo van een vlam, vergezeld van de naam „Front national”, aangebracht. Voorts waren op de Nederlandse versie van deze affiche het logo van verzoekster en het logo van het Vlaams Belang aangebracht.

2        In zijn jaarverslag over de controle van de rekeningen van de Europese politieke partijen betreffende 2015, dat op 25 april 2016 werd vastgesteld, heeft een onafhankelijk auditkantoor aangegeven dat het geen toereikende en objectieve bewijselementen had kunnen verkrijgen om te besluiten dat de uitgaven voor de campagne voor financiering in aanmerking kwamen, hetgeen tot een vermindering van het bedrag van de door het Europees Parlement toegekende financiering kon leiden.

3        Naar aanleiding van een op 10 juni 2016 door het Parlement gedaan verzoek, heeft verzoekster aan het Parlement een kopie van de litigieuze affiches bezorgd.

4        Bij brief van 22 juli 2016 heeft het Parlement verzoekster ervan op de hoogte gebracht dat de betreffende uitgaven mogelijk niet voor financiering in aanmerking kwamen omdat ze neerkwamen op indirecte financiering van twee nationale politieke partijen die niet hadden bijgedragen aan de financiering van de campagne. Volgens het Parlement kon een dergelijke financiering in strijd zijn met artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB 2003, L 297, blz. 1). Het heeft verzoekster dan ook uitgenodigd om vóór 22 augustus 2016 opmerkingen in te dienen over deze vermeende onregelmatigheid.

5        Op 27 juli 2016 heeft verzoekster bepaalde aanvullende inlichtingen gevraagd aan het Parlement, waaronder precedenten van dit type onregelmatigheid.

6        Op 10 augustus 2016 heeft het Parlement verzoekster geantwoord en haar tevens erover ingelicht dat de termijn voor opmerkingen was verlengd tot 2 september 2016.

7        Verzoekster heeft haar opmerkingen op 2 september 2016 ingediend.

8        Op 5 september 2016 heeft de secretaris-generaal een nota gericht aan het Bureau van het Parlement, waarin dit werd uitgenodigd om voor het financiële jaar 2015 een definitieve beslissing te nemen over de afsluiting van de rekeningen van een aantal politieke partijen op Europees niveau, waaronder verzoekster. In deze nota was vermeld dat de definitieve verslagen en alle overige stukken betreffende de afsluiting van de rekeningen voor dat financiële jaar op verzoek ter beschikking waren van de leden van het Bureau van het Parlement.

9        Op 7 september 2016 hebben de diensten van het Parlement de opmerkingen van verzoekster toegezonden aan de voorzitter van het Parlement met de mededeling dat deze geen gevolgen hadden voor de positie van het Parlement.

10      Tijdens zijn vergadering van 12 september 2016 heeft het Bureau van het Parlement zich gebogen over het definitieve verslag dat verzoekster na de afsluiting van haar rekeningen voor het financiële jaar 2015 had ingediend. Het Bureau verklaarde dat het bedrag van 63 853 EUR in verband met de campagne niet voor financiering in aanmerking kwam en legde het definitieve financieringsbedrag voor verzoekster vast op 400 777,83 EUR (hierna: „bestreden besluit”).

11      Op 26 september 2016 heeft het Parlement van het bestreden besluit kennisgegeven aan verzoekster.

 Procedure en conclusies van partijen

12      Bij op 25 november 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

13      Bij op 7 februari 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft het Parlement overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

14      Verzoekster heeft op 17 en 27 maart 2017 haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.

15      Bij beschikking van 2 mei 2017 is de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde gevoegd.

16      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep te verwerpen;

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        het Parlement te verwijzen in de kosten.

17      Het Parlement verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

18      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) beslist om de mondelinge behandeling te openen en partijen in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om bepaalde stukken over te leggen en enkele schriftelijke vragen te beantwoorden vóór de terechtzitting, aan welke verzoeken zij binnen de gestelde termijn hebben voldaan.

19      Partijen hebben ter terechtzitting van 26 juni 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

20      Het Parlement werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens schending van artikel 263 VWEU en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering op.

21      Ten eerste verwijt het Parlement verzoekster dat zij beroep heeft ingesteld tegen het Bureau van het Parlement, dat noch een instelling, noch een orgaan, noch een instantie van de Unie in de zin van artikel 263 VWEU is. Om die reden is het Gerecht onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

22      Ten tweede betoogt het Parlement dat het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, zoals in de rechtspraak uitgelegd, aangezien de aangevoerde middelen niet worden geïdentificeerd en er geen summiere samenvatting van de genoemde middelen is die hem toelaat om zijn verweer voor te bereiden. In het bijzonder voert het Parlement aan dat het verzoekschrift weliswaar een onderdeel met als opschrift „Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur” bevat dat aan vermeende schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) is gewijd, maar ook een onderdeel met als opschrift „Ten gronde”, dat het langste onderdeel is van het verzoekschrift en waarin geen enkel middel wordt geïdentificeerd.

23      Verzoekster bestrijdt de grieven van het Parlement.

24      Wat de eerste grief van het Parlement betreft, dient eraan te worden herinnerd dat het Gerecht slechts bevoegd is om kennis te nemen van beroepen die krachtens artikel 263 VWEU zijn ingesteld tegen handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie.

25      Ten eerste wordt in dat verband opgemerkt dat het onderhavige beroep is gericht tegen het bestreden besluit, dat op 12 september 2016 is vastgesteld door het volgens de interne regels van het Parlement bevoegde orgaan, namelijk het Bureau, en waarvan op 26 september 2016 aan verzoekster is kennisgegeven. Hieruit volgt dat een verzoek tot nietigverklaring van dit besluit noodzakelijkerwijs is gericht tegen het Parlement, als auteur van deze handeling (zie in die zin beschikking van 5 september 2012, Farage/Parlement en Buzek, T‑564/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:403, punt 18).

26      Ten tweede heeft het Parlement bij de kennisgeving van het bestreden besluit aan verzoekster uitdrukkelijk aangegeven dat zij bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van „het besluit van het Bureau van het Parlement” kon instellen.

27      Ten derde moet overeenkomstig de rechtspraak worden opgemerkt dat verzoekster in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd dat haar beroep was gericht tegen het Parlement, zonder verder het Bureau van het Parlement aan te duiden als verwerende partij (zie in die zin beschikking van 16 oktober 2006, Aisne en Nature/Commissie, T‑173/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:320, punten 17 en 20).

28      Ten vierde laat de identificatie in het verzoekschrift van het op 12 september 2016 vastgestelde bestreden besluit waarvan op 26 september 2016 was kennisgegeven, geen twijfel bestaan over de bedoeling van verzoekster om het beroep tegen het Parlement te richten. De in punt 27 hierboven gegeven precisering moet in dit verband immers worden beschouwd als een verduidelijking, en niet als een wijziging of een herstel van het verzoekschrift met betrekking tot een van de in artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering genoemde gegevens (zie in die zin arrest van 9 september 2004, Spanje en Finland/Parlement en Raad, C‑184/02 en C‑223/02, EU:C:2004:497, punt 17).

29      Ten vijfde heeft verzoekster tijdens de terechtzitting bevestigd dat haar beroep was gericht tegen het bestreden besluit, dat op 12 september 2016 was vastgesteld, met andere woorden tegen een handeling van het Parlement.

30      Op basis van deze gegevens kan op ondubbelzinnige wijze worden vastgesteld dat het beroep in de zin van artikel 263 VWEU is gericht tegen het Parlement.

31      Ten slotte onderscheidt de onderhavige zaak zich van de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de door het Parlement aangehaalde beschikkingen van 18 september 2015, Petrov e.a./Parlement en voorzitter van het Parlement (T‑452/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:709), en 4 februari 2016, Voigt/Parlement (T‑618/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:72), waarin de beroepen waren gericht tegen de voorzitter van het Parlement en het Parlement. In laatstgenoemde zaken had het Gerecht de beroepen slechts gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover ze waren gericht tegen de voorzitter van het Parlement en het onderzoek ten gronde voortgezet voor zover zij eveneens waren gericht tegen het Parlement, zonder – in tegenstelling tot in deze zaak – na te gaan tegen wie het beroep daadwerkelijk was gericht.

32      Gelet op het voorgaande dient de eerste niet-ontvankelijkheidsgrief van het Parlement te worden verworpen.

33      Wat de tweede grief van het Parlement betreft, zij eraan herinnerd dat het verzoekschrift volgens artikel 76, onder d), van het Reglement van procesvoering de aangevoerde middelen en argumenten bevat, alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen.

34      Verder moet deze uiteenzetting volgens vaste rechtspraak, ongeacht de gebruikte terminologie, zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, zonder dat het in voorkomend geval andere inlichtingen behoeft in te winnen. Opdat een beroep ontvankelijk is, moeten namelijk de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken, zulks teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen (zie arrest 6 oktober 2015, Corporación Empresarial de Materiales de Construcción/Commissie, T‑250/12, EU:T:2015:749, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Zoals het Parlement zelf erkent, bevat het verzoekschrift in casu een onderdeel met als opschrift „Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur”. Bovendien verwijst de tekst van dit onderdeel in het bijzonder naar artikel 41 van het Handvest. Voorts blijkt uit de punten 22 tot en met 42 van het verzoekschrift dat verzoekster het Parlement onder meer verwijt dat het de opmerkingen van verzoekster niet aan zijn besluitvormingsorgaan, namelijk het Bureau, heeft toegezonden voordat het bestreden besluit werd vastgesteld. Dit is het eerste middel dat door verzoekster is aangevoerd.

36      Wat het onderdeel met als opschrift „Ten gronde” betreft, is dit onderverdeeld in drie subonderdelen. Het eerste subonderdeel heeft als opschrift „Financiering van een nationale politieke partij: een onnauwkeurig begrip dat tot rechtsonzekerheid leidt”. Zoals ook blijkt uit de punten 44 tot en met 57 van het verzoekschrift, die hierop betrekking hebben, meent verzoekster dat het verbod op indirecte financiering van een nationale politieke partij dat volgt uit artikel 7 van verordening nr. 2004/2003, in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid. Dit is dus het tweede middel dat door verzoekster is aangevoerd.

37      Tijdens de terechtzitting heeft het Parlement in het bijzonder betoogd dat in het verzoekschrift niet uitdrukkelijk schending van het beginsel van rechtszekerheid is aangevoerd, en dat derhalve een middel ontleend aan schending van dit beginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In dat verband moet erop gewezen worden dat in het opschrift van het eerste subonderdeel alsook in de punten 43 en 52 van het verzoekschrift uitdrukkelijk schending van dit beginsel wordt aangevoerd, zoals in punt 36 hierboven is uiteengezet. Het Parlement heeft bovendien in de punten 32 tot en met 39 van zijn verweerschrift op de argumenten van verzoekster geantwoord. De tijdens de terechtzitting aangevoerde argumenten dienen dan ook te worden afgewezen.

38      Ten slotte dragen het tweede en het derde subonderdeel van het onderdeel met als opschrift „Ten gronde” respectievelijk het opschrift „Vertaling in de lidstaten van een Europese campagne” en „Logo met een geoorloofd formaat”. Uit de punten 58 tot en met 81 van het verzoekschrift, die hierop betrekking hebben, volgt tevens dat verzoekster in wezen betoogt dat het Parlement de betrokken uitgave in het bestreden besluit onjuist heeft beoordeeld door te verklaren dat deze niet voor financiering in aanmerking kwam omdat de uitgave in kwestie indirecte financiering van een nationale politieke partij in de zin van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 vormde. Dit is dus het derde middel dat door verzoekster is aangevoerd.

39      Het verzoekschrift voldoet derhalve aan de minimumvereisten die in het licht van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering in de rechtspraak zijn ontwikkeld. Er zij overigens opgemerkt dat het Parlement de middelen en argumenten van verzoekster heeft kunnen identificeren teneinde deze in zijn eigen stukken te bestrijden. De tweede niet-ontvankelijkheidsgrief dient derhalve te worden afgewezen.

40      Gelet op het voorgaande dient de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen.

 Ten gronde

41      Ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit voert verzoekster in wezen drie middelen aan, waarvan het eerste is gebaseerd op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, het tweede op schending van het beginsel van de rechtszekerheid en het derde op schending van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003.

 Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

42      Met haar eerste middel voert verzoekster schending van het beginsel van behoorlijk bestuur aan, met name het recht op een onpartijdige en billijke behandeling van haar zaken en het recht om te worden gehoord, zoals gewaarborgd door artikel 41 van het Handvest. In dit verband voert zij aan dat het besluitvormingsorgaan, namelijk het Bureau van het Parlement, de litigieuze affiche niet heeft onderzocht en geen rekening heeft gehouden met haar opmerkingen, die hem niet ter kennis zijn gebracht, en zich louter heeft gebaseerd op een nota van de secretaris-generaal, waaruit partijdigheid blijkt. Zij betoogt dat zij tenminste schriftelijk in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zich voor dit Bureau te verdedigen. Zij betwist bovendien dat het werk van de diensten van het Parlement als louter voorbereidend kan worden beschouwd, aangezien die diensten de relevante stukken onderzoeken en voorstellen doen aan het Bureau dat, zonder kennis te hebben van de stukken en de argumenten van verzoekster, niet anders kon dan het hem gedane voorstel aan te nemen.

43      Verzoekster voegt hieraan toe dat een en ander ook schending van artikel 16 van de Europese code van goed administratief gedrag vormt, die bij resolutie van het Parlement van 6 september 2001 is goedgekeurd (PB 2002, C 72 E, blz. 331; hierna: „de Europese code van goed administratief gedrag”), die het recht om te worden gehoord en om opmerkingen in te dienen waarborgt.

44      Ten slotte meent verzoekster dat het Parlement inbreuk heeft gemaakt op artikel 8 van het besluit van het Bureau van het Parlement van 29 maart 2004 houdende de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2004/2003, zoals gewijzigd (PB 2014, C 63, blz. 1; hierna: „besluit van het Bureau van het Parlement van 29 maart 2004”), volgens hetwelk dit Bureau de begunstigde in de gelegenheid stelt een standpunt omtrent de vastgestelde onregelmatigheden kenbaar te maken alvorens een besluit te nemen. In de repliek heeft zij erop gewezen dat de brief van het Parlement van 22 juli 2016 uitdrukkelijk naar deze bepaling verwijst.

45      Het Parlement bestrijdt verzoeksters argumenten.

46      Volgens artikel 41, lid 1, van het Handvest, met als opschrift „Recht op behoorlijk bestuur”, heeft eenieder er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.

47      Bovendien behelst het recht op behoorlijk bestuur volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest met name het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

48      Volgens de rechtspraak vloeit uit het beginsel van behoorlijk bestuur onder meer voort dat de bevoegde instelling verplicht is om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie in die zin arrest van 8 juni 2017, Schniga/OCVV, C‑625/15 P, EU:C:2017:435, punt 47).

49      Het vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, namelijk het feit dat geen lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en, anderzijds, de objectieve onpartijdigheid, namelijk het feit dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel daarover uit te sluiten (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 155). Uit de rechtspraak volgt dat de subjectieve onpartijdigheid wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel (zie naar analogie arresten van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 54, en 19 februari 2009, Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement, C‑308/07 P, EU:C:2009:103, punt 46).

50      Uit de rechtspraak volgt tevens dat de eerbiediging van de rechten van verdediging een algemeen beginsel van Unierecht is dat van toepassing is zodra de administratie voornemens is jegens een persoon een handeling te verrichten die voor hem bezwarend kan zijn. Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (arrest van 18 december 2008, Sopropé, C‑349/07, EU:C:2008:746, punten 36 en 37).

51      In het licht van deze beginselen moet het onderhavige middel worden onderzocht.

52      Met betrekking tot de grief ontleend aan schending van de verplichting om op onpartijdige en billijke wijze alle relevante elementen van het geval te onderzoeken, dient eraan te worden herinnerd dat het Parlement op 10 juni 2016 een kopie van de campagneaffiches heeft ontvangen. Bovendien heeft het verzoekster uitgenodigd om vóór 22 augustus 2016 opmerkingen in te dienen over de omstandigheid dat de litigieuze uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen, een termijn die vervolgens is verlengd tot 2 september 2016. Op 5 september 2016 heeft de secretaris-generaal van het Parlement een nota gericht aan het Bureau van het Parlement met verzoek om te verklaren dat de litigieuze uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen, waaraan werd toegevoegd dat het definitieve verslag en elk ander stuk met betrekking tot de afsluiting van de rekeningen voor het financiële jaar 2015 op verzoek beschikbaar waren. Voorts werd rekening gehouden met de opmerkingen van verzoekster van 2 september 2016, hetgeen blijkt uit de e‑mail van de diensten van het Parlement aan de voorzitter van 7 september 2016 en verzoekster zelf heeft erkend ter terechtzitting, ook al meent zij dat die opmerkingen niet door het juiste orgaan zijn onderzocht.

53      Verduidelijkt moet worden dat de diensten van het Parlement de opmerkingen van verzoekster bij dezelfde e‑mail van 7 september 2016 hebben toegezonden aan de voorzitter van het Parlement, die krachtens artikel 24 van het destijds toepasselijke Reglement van orde van het Parlement lid was van het Bureau, waaraan werd toegevoegd dat zij geen gevolgen hadden voor het voorstel om eventueel te verklaren dat de litigieuze uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen. In deze context heeft het Bureau van het Parlement het bestreden besluit op 12 september 2016 vastgesteld.

54      Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat het Parlement de noodzakelijk elementen heeft verzameld om zijn besluit op billijke en onpartijdige wijze vast te stellen.

55      Voorts kan het bevoegde orgaan, in dit geval het Bureau van het Parlement, niet worden verweten dat het zich voor de vaststelling van het bestreden besluit heeft gebaseerd op het voorbereidende werk van de diensten van de instelling. In dit verband heeft verzoekster tijdens de terechtzitting toegegeven dat het het Parlement inderdaad vrijstond om zich op het voorbereidende werk van zijn diensten te baseren. Evenmin kan het Parlement worden verweten dat het op voorstel van zijn secretaris-generaal handelt, waar artikel 224 van het destijds toepasselijke Reglement van orde van het Parlement overigens in voorzag. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de leden van het Bureau bij de nota van de genoemde secretaris-generaal van 5 september 2016 op de hoogte zijn gebracht van alle relevante stukken, dus met inbegrip van de opmerkingen van verzoekster, die op verzoek beschikbaar waren.

56      Ook het door verzoekster ter terechtzitting aangevoerde argument dat de e‑mail van 7 september 2016 aantoont dat het bestreden besluit de facto werd vastgesteld door de diensten van het Parlement en niet door het bevoegde orgaan, namelijk het Bureau van het Parlement, moet worden verworpen. Deze e‑mail, die door deze diensten werd toegezonden aan de voorzitter van het Parlement, bevestigt immers uitdrukkelijk dat de opmerkingen van verzoekster door deze diensten zijn onderzocht, dat zij geen gevolgen hadden voor het door de secretaris-generaal aan het Bureau toegezonden voorstel en dat zij daadwerkelijk ter kennis zijn gebracht van de voorzitter, die lid is van het Bureau.

57      Hieraan kan worden toegevoegd dat verzoekster geen argument aanvoert dat de objectieve of subjectieve onpartijdigheid van het Parlement in twijfel kan trekken in de zin van de hierboven in punt 49 aangehaalde rechtspraak.

58      Derhalve dient de grief inzake schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest te worden afgewezen.

59      Wat de grief ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord betreft, dient te worden vastgesteld dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om opmerkingen in te dienen over de omstandigheid dat de litigieuze uitgaven mogelijk niet voor financiering in aanmerking kwamen, zoals uit punt 52 hierboven blijkt. Zoals voorts uit punt 55 hierboven blijkt, en anders dan verzoekster stelt, verzet niets zich ertegen dat het Bureau van het Parlement zich baseert op het voorbereidende werk van de diensten van die instelling, of dat dit op voorstel van zijn secretaris-generaal handelt. Ten slotte moet er nogmaals aan worden herinnerd dat de opmerkingen van verzoekster door de genoemde diensten aan de voorzitter van het Parlement zijn toegezonden en dat zij op verzoek beschikbaar waren voor de leden van het Bureau.

60      De grief ontleend aan schending van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest dient derhalve te worden afgewezen.

61      Wat de schending van artikel 16 van de Europese code voor goed administratief gedrag betreft, dient erop te worden gewezen dat deze bepaling het recht om te worden gehoord en om opmerkingen in te dienen waarborgt. Nog afgezien van het bindende karakter van deze tekst voor het Parlement, die deze heeft aangenomen bij resolutie op 6 september 2001, dient deze grief bijgevolg te worden afgewezen om de redenen die hierboven in punt 59 zijn vermeld.

62      Ten slotte hoeft aangaande de schending van het besluit van het Bureau van het Parlement van 29 maart 2004, nog afgezien van de vraag of artikel 7 of artikel 8 ervan van toepassing is, slechts te worden vastgesteld dat verzoekster zich in wezen beroept op schending van het in deze bepalingen vervatte recht om te worden gehoord. Derhalve dient ook deze grief om de hierboven in punt 59 genoemde redenen te worden afgewezen.

63      Gelet op het voorgaande moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

 Schending van het beginsel van de rechtszekerheid

64      Met het tweede middel voert verzoekster in wezen aan dat het verbod op indirecte financiering van nationale politieke partijen als neergelegd in artikel 7 van verordening nr. 2004/2003, in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid. Zij is meer bepaald van mening dat elke campagne die wordt gevoerd met fondsen van een politieke partij op Europees niveau, mogelijk indirecte steun voor het optreden van een nationale politieke partij vormt. Zij uit dan ook de kritiek dat dit onnauwkeurige begrip aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd om te verklaren dat de litigieuze uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen.

65      Het Parlement bestrijdt verzoeksters argumenten.

66      Vooreerst dient te worden opgemerkt dat verzoekster, ofschoon zij formeel geen exceptie van onwettigheid op grond van artikel 277 VWEU opwerpt, in wezen betoogt dat artikel 7 van verordening nr. 2004/2003, dat als rechtsgrondslag voor de vaststelling van het bestreden besluit heeft gediend, in strijd is met het algemene beginsel van de rechtszekerheid. In dit verband dient te worden verduidelijkt dat er in het Unierecht geen vereiste is om een exceptie van onwettigheid formeel op te werpen (zie in die zin arresten van 15 september 2016, Yanukovych/Raad, T‑346/14, EU:T:2016:497, punt 56, en Yanukovych/Raad, T‑348/14, EU:T:2016:508, punt 57). Op grond van de rechtspraak kan immers worden geoordeeld dat een exceptie van onwettigheid impliciet is opgeworpen voor zover betrekkelijk duidelijk uit het verzoekschrift naar voren komt dat de verzoeker in feite een dergelijke grief aanvoert (arrest van 6 juni 1996, Baiwir/Commissie, T‑262/94, EU:T:1996:75, punt 37). In casu blijkt uit de analyse van de punten 44 en volgende van het verzoekschrift dat verzoekster op impliciete wijze een exceptie van onwettigheid opwerpt. Bovendien blijkt uit punt 33 van het verweerschrift dat het Parlement de strekking van de door verzoekster aangevoerde grief volmaakt heeft kunnen begrijpen. Bijgevolg moet het tweede middel ten gronde worden onderzocht.

67      Volgens artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 mogen financieringen van politieke partijen op Europees niveau uit de algemene begroting van de Europese Unie of uit enige andere bron, niet worden gebruikt voor de rechtstreekse of zijdelingse financiering van andere politieke partijen, met name niet voor nationale politieke partijen of kandidaten.

68      Volgens de rechtspraak vereist het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het recht van de Unie, dat de rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en voorzienbare gevolgen hebben, opdat de belanghebbenden daaraan houvast hebben in door het Unierecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen (zie in die zin arresten van 15 februari 1996, Duff e.a., C‑63/93, EU:C:1996:51, punt 20; 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, EU:C:2007:326, punt 79, en 18 november 2008, Förster, C‑158/07, EU:C:2008:630, punt 67).

69      In dit verband dient te worden opgemerkt dat de strekking van het begrip voorzienbaarheid grotendeels afhangt van de inhoud van de betrokken tekst, de door die tekst bestreken materie en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten. De voorzienbaarheid van de wet belet niet dat de betrokken persoon deskundig advies moet inwinnen om in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen beoordelen (arrest van 21 september 2017, Eurofast/Commissie, T‑87/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:641, punt 98).

70      Zoals het Parlement betoogt, belet het beginsel van de rechtszekerheid evenmin dat in het Unierecht een beoordelingsbevoegdheid aan de bevoegde administratie wordt gegeven of dat onbepaalde juridische begrippen worden gehanteerd die in het betreffende geval door de genoemde administratie moeten worden uitgelegd en toegepast, onder voorbehoud van het toezicht door de Unierechter (zie in die zin en naar analogie arresten van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie, C‑266/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2008:295, punt 45, en 8 juli 2008, AC‑Treuhand/Commissie, T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 163).

71      Die vereisten kunnen bovendien niet aldus worden begrepen dat in een norm waarin een abstract juridisch begrip wordt gebruikt, de verschillende concrete gevallen moeten worden genoemd waarin die norm kan worden toegepast, voor zover niet al deze gevallen van tevoren door de wetgever kunnen worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, Marco Tronchetti Provera e.a., C‑206/16, EU:C:2017:572, punt 42).

72      In het onderhavige geval dient te worden vastgesteld dat het verbod op directe of indirecte financiering van nationale politieke partijen als neergelegd in artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 duidelijk is. Bovendien is het verbod op indirecte financiering inderdaad het logische uitvloeisel van het verbod op directe financiering, aangezien dit verbod anders gemakkelijk zou kunnen worden omzeild. Waar het gaat om de inhoud van het verbod op indirecte financiering, dient te worden vastgesteld dat dit een onbepaald juridisch begrip is en dat de betrokken bepaling geen uitputtende definitie van het begrip bevat, noch een lijst van gedragingen die onder het verbod kunnen vallen. Zoals het Parlement betoogt, moet een voorzichtige partij in staat zijn om te voorzien dat van indirecte financiering sprake is wanneer een nationale politieke partij een financieel voordeel verkrijgt, onder meer doordat zij een uitgave vermijdt die zij normaal had moeten doen, ook indien geen rechtstreekse overdracht van middelen plaatsvindt. Met andere woorden kan niet worden aanvaard dat een voorzichtige politieke partij op Europees niveau niet in staat zou zijn om te voorzien dat het verstrekken van een voordeel van welke aard ook aan een nationale partij, zonder dat deze laatste er de kosten van moet dragen, neerkomt op indirecte financiering van laatstgenoemde.

73      Gelet op het voorgaande dient het tweede middel ongegrond te worden verklaard.

 Schending van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003

74      Met haar derde middel betoogt verzoekster de uitgaven voor de litigieuze affiche om hoofzakelijk twee redenen ten onrechte als indirecte financiering van nationale politieke partijen in de zin van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 zijn beschouwd in het bestreden besluit.

75      Ten eerste werd volgens verzoekster met de litigieuze affiche uiting gegeven aan een campagne met een Europese draagwijdte, die op 10 juni 2015 op de zetel van het Parlement in Straatsburg (Frankrijk) werd gelanceerd om de burgers van de Unie bewust te maken van de negatieve gevolgen van het Schengenakkoord voor de migratiestromen. Zij stelt dat zij in het kader van de campagne, die zich richtte op alle lidstaten van de Unie, had beslist om een aantal affiches met de vlag van de Unie online te zetten op haar internetsite en op de sociale media, terwijl Frankrijk en België, die aanzienlijke migratiestromen kennen, het voorwerp waren van specifieke affichecampagnes. Zij benadrukt dat het Front National niet betrokken was bij de campagne in Frankrijk en geen persconferenties over dit onderwerp heeft gegeven. Bovendien waren de regionale verkiezingen in Frankrijk op dat moment nog ver weg en hadden die betrekking op uitdagingen die niet rechtstreeks in verband met de migratiestromen stonden.

76      Verzoekster stelt dat zij, indien de stelling van het Parlement werd aanvaard, verplicht zou worden om enkel affichecampagnes te voeren over thema’s die geen verband houden met de politieke bezorgdheden van het Front national, hetgeen onmogelijk is, aangezien een nationale politieke partij ingaat op alle thema’s die de burgers kunnen interesseren. Zij voegt hieraan toe dat het thema van de migratiestromen en het Schengenakkoord een Europees thema is.

77      Ten tweede voert zij aan dat de logo’s die beweerdelijk van de betrokken nationale partijen in kwestie waren, namelijk van het Front National en van het Vlaams Belang, vijf keer kleiner waren dan het logo van verzoekster. Daarom onderscheidt deze situatie zich van het precedent dat het Parlement vermeldt in zijn brieven van 22 juli en 10 augustus 2016, waarin de logo’s van vergelijkbare omvang waren. Bovendien voert zij aan uit punt 6, lid 7, van de gids inzake de exploitatiesubsidies die door het Parlement worden toegekend aan politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, betreffende de campagnefinanciering met het oog op de verkiezingen van het Parlement, volgt dat de namen en de logo’s van de Europese politieke partijen niet minder zichtbaar hoeven te zijn dan die van de nationale partijen of de kandidaten in de publicaties, om uit te sluiten dat de steun als indirecte financiële steun wordt beschouwd.

78      Verzoekster voert aan dat de aanwezigheid van het vermeende logo van het Front National op de affiches niet bedoeld was om deze nationale partij op indirecte wijze te begunstigen maar om de campagne begrijpelijk te maken voor Franse burgers. Hetzelfde geldt voor het vermeende logo van het Vlaams Belang wat de voor België bestemde affiches betreft.

79      In haar schriftelijke stukken voert verzoekster tevens aan dat het logo op de affiches voor Frankrijk niet dat van het Front National is, aangezien het logo van die partij een driekleurige vlam is (blauw, wit, rood), terwijl het litigieuze logo maar twee kleuren had. Het gaat dan ook om het logo van de delegatie van het Front national bij verzoekster en niet om het logo van het Front National als zodanig. Voorts voegt verzoekster hieraan toe dat het Parlement niet het bewijs heeft geleverd dat het Franse publiek de affiche zou beschouwen als afkomstig van het Front National. In werkelijkheid vermeldt de affiche uitdrukkelijk dat verzoekster „als enige de verantwoordelijkheid voor deze inhoud draagt”.

80      Tijdens de terechtzitting heeft verzoekster evenwel erkend dat het publiek de affiche waarschijnlijk in verband zou brengen met het Front National wegens het litigieuze logo, omdat het waarschijnlijk niet in staat is om het verschil te zien. Zij stelt echter dat het in werkelijkheid noodzakelijk is dat het publiek het logo met een nationale politieke partij in verband brengt, in casu het Front National, opdat dit de herkomst van de boodschap zou kunnen identificeren. Politieke partijen op Europees niveau zijn immers niet zo bekend.

81      Het Parlement bestrijdt verzoeksters argumenten.

82      Er zij aan herinnerd dat financieringen van politieke partijen op Europees niveau uit de algemene begroting van de Europese Unie of uit enige andere bron volgens artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 niet mogen worden gebruikt voor rechtstreekse of zijdelingse financiering van andere politieke partijen, met name niet voor nationale politieke partijen of kandidaten. Bovendien kan er, zoals hierboven in punt 72 vermeld, van worden uitgegaan dat er sprake is van indirecte financiering wanneer een nationale politieke partij een financieel voordeel verkrijgt, onder meer doordat zij uitgaven vermijdt die zij normaal had moeten doen, ook indien geen rechtstreekse overdracht van middelen plaatsvindt.

83      In het kader van de beoordeling van het derde middel moet derhalve worden uitgemaakt of in het bestreden besluit ten onrechte die conclusie is getrokken dat twee nationale politieke partijen, het Front National en het Vlaams Belang, een indirect financieel voordeel hebben ontvangen dat voortvloeit uit de gevoerde campagne. Met het oog op dit onderzoek is het passend om af te gaan op een bundel van aanwijzingen inzake de inhoud van de campagne, de beeldvorming bij het publiek alsmede geografische en tijdselementen.

84      Ten eerste moet over de inhoud van de campagne worden opgemerkt dat niet het thema van deze campagne – namelijk de beweerde gevolgen van het Schengenakkoord voor de migratiestromen – voor het Parlement problematisch was. In werkelijkheid blijkt uit de brief van het Parlement van 22 juli 2016, de nota van de secretaris-generaal aan het Bureau van deze instelling van 5 september 2016 en de brief van het Parlement van 26 september 2016 waarbij van het bestreden besluit is kennisgegeven, dat de beslissende grond voor dit besluit de overweging was dat deze campagne door het publiek kon worden gezien als, op zijn minst gedeeltelijk, afkomstig van het Front National en het Vlaams Belang. Anders dan verzoekster suggereert, houdt de uitlegging die het Parlement verdedigt dus niet in dat zij, om artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 na te leven, verplicht zou zijn om campagne te voeren over thema’s zonder enig verband met de bezorgdheden van elke nationale politieke partij.

85      Ten tweede is het centrale element van het bestreden besluit, zoals hierboven in punt 84 vermeld, de perceptie van het publiek dat de campagne, op zijn minst gedeeltelijk, afkomstig is van het Front National en het Vlaams Belang, zonder dat er sprake is van passende cofinanciering. In dit verband moet worden vastgesteld dat het voeren van een campagne die door het publiek wordt gezien als op zijn minst gezamenlijk georganiseerd met een nationale politieke partij, terwijl deze niet op passende wijze bijdraagt aan de financiering ervan, een indirect financieel voordeel kan verstrekken aan die nationale politieke partij. In een dergelijke hypothese profiteert de nationale politieke partij immers van toegenomen zichtbaarheid bij het publiek en van de verspreiding van zijn boodschap, zonder echter de kosten te dragen die met het voeren van deze campagne samenhingen.

86      Ook al heeft verzoekster in haar geschriften een poging gedaan om te beargumenteren dat het logo op de voor Frankrijk bestemde affiches niet echt dat van het Front National was, en dat het Parlement niet had aangetoond dat het Franse publiek de affiche beschouwde als afkomstig van het Front National, dient te worden vastgesteld dat verzoekster tijdens de terechtzitting afstand heeft genomen van deze argumentatie door te erkennen dat het publiek de affiche waarschijnlijk wegens het logo in verband zou brengen met het Front National.

87      Bovendien dient te worden vastgesteld dat verzoekster in haar geschriften geen argument heeft aangevoerd dat moet afdoen aan de vaststelling dat het logo op de Nederlandse versie van de affiche dat van het Vlaams Belang was. In antwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting heeft zij trouwens erkend dat het inderdaad ging om het logo van het Vlaams Belang.

88      Met de conclusie in het bestreden besluit dat het publiek de campagne in casu, op zijn minst gedeeltelijk, zou zien als afkomstig van het Front national en het Vlaams Belang, is derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting.

89      Voorts moet het in punt 68 van het verzoekschrift door verzoekster aangevoerde argument, dat zij ook ter terechtzitting heeft benadrukt, volgens hetwelk de aanwezigheid van de logo’s van respectievelijk het Front National en het Vlaams Belang noodzakelijk waren om de auteur van de campagne voor de burgers te identificeren, worden verworpen. Ofschoon het een politieke partij op Europees niveau vrijstaat om samen met een nationale politieke partij een campagne te organiseren, moet er desalniettemin op worden gewezen dat het dan aan de nationale politieke partij is om op passende wijze bij te dragen aan de financiering van de betreffende campagne, teneinde schending van het verbod op indirecte financiering zoals neergelegd in artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 te vermijden. In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangevoerd dat de betrokken nationale politieke partijen, namelijk het Front National en het Vlaams Belang, op welke wijze dan ook de campagne hebben gecofinancierd.

90      Ook het argument van verzoekster inzake de grootte van de logo’s moet worden verworpen. Het feit dat het logo van verzoekster op de affiches groter is dan dat van het Front National en het Vlaams Belang – hetgeen niet kan worden ontkend – volstaat immers niet om uit te sluiten dat de campagne, op zijn minst gedeeltelijk, in verband wordt gebracht met de betrokken nationale politieke partijen. Anders dan verzoekster betoogt, is het niet enkel wanneer het logo van de politieke partij op Europees niveau en dat van de nationale politieke partij vergelijkbaar groot zijn dat er sprake kan zijn van een indirect voordeel voor de nationale politieke partij. Wanneer het logo van de nationale politieke partij kleiner is dan dat van de politieke partij op Europees niveau, zoals in casu het geval is, is het niet onredelijk voor het Parlement om te besluiten dat het publiek de campagne in kwestie zal zien als op zijn minst gedeeltelijk afkomstig van de nationale politieke partij voor zover het logo van de nationale partij herkenbaar blijft.

91      Het argument van verzoekster dat is gebaseerd op punt 6, lid 7, van de gids omtrent de exploitatiesubsidies die door het Parlement worden toegekend aan politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, moet eveneens worden verworpen. Zoals terecht door het Parlement is opgemerkt, betreft deze bepaling campagnes voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, waarbij noodzakelijkerwijs nationale politieke partijen aanwezig zijn, aangezien die partijen zelf en niet de politieke partijen op Europees niveau deelnemen aan de verkiezingen voor het Parlement. De campagne had echter geen betrekking op de verkiezingen voor het Parlement. Dit argument kan bijgevolg niet worden aanvaard.

92      Ten slotte moet ten aanzien van de vermelding onderaan de affiche dat verzoekster „als enige de verantwoordelijkheid voor deze inhoud draagt” worden opgemerkt dat deze weinig zichtbaar is wegens de kleine omvang van de letters. Bovendien is deze vermelding op zijn minst in de versie van de affiche die op de sociale media op internet is verspreid, onleesbaar.

93      Gelet op het voorgaande moet worden opgemerkt dat de aanwijzing met betrekking tot de beeldvorming bij het publiek, gezien de aanwezigheid van de logo’s van de nationale politieke partijen, bevestigt dat deze laatste een indirect voordeel uit de campagne hebben kunnen halen dat volledig door verzoekster is gefinancierd.

94      Ten derde heeft het Parlement wat het geografisch element betreft, terecht als relevante aanwijzing beschouwd dat de campagne zich in het bijzonder op twee landen van de Unie richtte, namelijk Frankrijk en België, hetgeen onder meer blijkt uit het gebruik van de Franse vlag en de vlag van het Vlaamse Gewest, en de logo’s van het Front National en het Vlaams Belang. Hieraan dient te worden toegevoegd dat verzoekster weliswaar aanvoert dat deze campagne op Europese schaal is gevoerd, maar daar geen enkel bewijs voor aandraagt. Voorts is de enkele publicatie van een versie van de affiche met de vlag van de Unie op de internetsite van verzoekster en op haar pagina’s op de sociale media, al aangenomen dat die plaatsvond, in omvang niet vergelijkbaar met de affichecampagne die in Frankrijk en in België is gevoerd.

95      Wat het argument van verzoekster betreft dat de campagne werd gelanceerd op de zetel van het Parlement in Straatsburg, hoeft alleen te worden opgemerkt dat dit element niet volstaat om de afwezigheid van indirecte financiering van nationale politieke partijen aan te tonen, niet alleen gelet op de andere aanwijzingen, maar ook gelet op de in punt 94 hierboven vervatte overwegingen inzake het geografische element.

96      Wat ten vierde het tijdselement betreft, moet verzoeksters argument dat de regionale verkiezingen in Frankrijk nog veraf waren, worden verworpen. In de eerste plaats, en nog los van de vraag of de Franse versie van de affiche daadwerkelijk door het Front National, door haar leden of sympathisanten is gebruikt tijdens die verkiezingen, lijkt een periode van vijf maanden tussen de lancering van de campagne en die verkiezingen, anders dan verzoekster betoogt, niet voldoende om het gebruik van deze campagne voor deze verkiezingen onwaarschijnlijk te maken. In de tweede plaats moet in ieder geval worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 83 hierboven, het tijdselement een van de aanwijzingen is die in aanmerking kunnen worden genomen. Het is echter geen onmisbare voorwaarde en het is nog minder de aanwijzing waaraan het meeste gewicht toekomt. In dit geval moet, gelet op de brief van het Parlement van 22 juli 2016, de nota van de secretaris-generaal aan het Bureau van deze instelling van 5 september 2016 en de brief van het Parlement van 26 september 2016 waarbij van het bestreden besluit is kennisgegeven, worden vastgesteld dat de eventuele nabijheid in de tijd van de betreffende verkiezingen geen deel uitmaakte van de door het Parlement in aanmerking genomen elementen om te besluiten dat er sprake was van indirecte financiering van nationale politieke partijen. Dit kan niet worden bekritiseerd, aangezien een voordeel voor het imago en de zichtbaarheid voor een nationale politieke partij niet noodzakelijk beperkt hoeft te blijven tot een specifieke verkiezingsperiode.

97      Uit een en ander volgt dat het derde middel ongegrond moet worden verklaard.

98      Derhalve moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

99      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van het Parlement.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

1)      Mouvement pour une Europe des nations et des libertés wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Europees Parlement.

Collins

Barents

Passer

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 27 november 2018.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.