Language of document : ECLI:EU:C:2018:872

Zaak C619/16

Sebastian W. Kreuziger

tegen

Land Berlin

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 7 – Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon – Nationale regeling op grond waarvan de werknemer niet-opgenomen jaarlijkse vakantie en de financiële vergoeding hiervoor verliest indien hij geen aanvraag voor vakantie heeft ingediend vóór de beëindiging van het dienstverband”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 november 2018

Sociale politiek – Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers – Organisatie van de arbeidstijd – Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon – Nationale regeling op grond waarvan de werknemer niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon en de financiële vergoeding hiervoor automatisch verliest indien hij geen aanvraag voor vakantie heeft ingediend vóór de beëindiging van het dienstverband – Geen voorafgaandelijke controle met betrekking tot de mogelijkheid voor de werknemer om dat recht daadwerkelijk uit te oefenen – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 2003/88 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7)

Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze regeling impliceert dat de werknemer die vóór het tijdstip van de beëindiging van het dienstverband niet heeft verzocht om zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te mogen uitoefenen, de dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarop hij krachtens het Unierecht bij deze beëindiging recht had, alsmede zijn daarmee verbonden recht op een financiële vergoeding voor de niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon, automatisch verliest en wel zonder dat voorafgaandelijk wordt nagegaan of de werkgever die werknemer – met name door het verstrekken van adequate informatie – daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om zijn recht op vakantie vóór die beëindiging uit te oefenen.

In dit verband moet worden gepreciseerd dat de nakoming van de uit artikel 7 van richtlijn 2003/88 voor de werkgever voortvloeiende verplichting niet zover kan gaan dat deze zijn werknemers moet dwingen om hun recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon daadwerkelijk uit te oefenen (zie in die zin arrest van 7 september 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑484/04, EU:C:2006:526, punt 43). Dit neemt echter niet weg dat die werkgever de werknemer wel in de gelegenheid moet stellen dat recht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 29 november 2017, King, C‑214/16, EU:C:2017:914, punt 63).

Met het oog daarop – en zoals ook de advocaat-generaal in de punten 43 tot en met 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt – is de werkgever met name gehouden om, gelet op het dwingende karakter van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon en teneinde het nuttige effect van artikel 7 van richtlijn 2003/88 te waarborgen, concreet en in alle transparantie ervoor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk in staat is zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en wel door hem – indien nodig formeel – ertoe aan te zetten vakantie te nemen en hem daarbij kennis te geven van het feit dat de vakantie verloren zal gaan aan het einde van de referentieperiode of toegestane overdrachtsperiode dan wel bij de beëindiging van het dienstverband wanneer deze gebeurtenis zich in de loop van een dergelijke periode voordoet. Deze kennisgeving moet op nauwkeurige wijze en tijdig geschieden, opdat die vakantie de betrokkene nog de rust en ontspanning kan waarborgen waartoe zij geacht wordt bij te dragen.

Bovendien rust de bewijslast ter zake op de werkgever (zie naar analogie arrest van 16 maart 2006, Robinson-Steele e.a., C‑131/04 en C‑257/04, EU:C:2006:177, punt 68). Indien de werkgever niet kan aantonen dat hij met alle vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld opdat de werknemer daadwerkelijk in staat is gesteld de jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarop hij recht had, op te nemen, dient te worden geoordeeld dat artikel 7, lid 1, en artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 worden geschonden wanneer het recht op die vakantie vervalt respectievelijk wanneer – in geval van beëindiging van het dienstverband – als uitvloeisel van dat verval geen financiële vergoeding voor de niet-opgenomen jaarlijkse vakantie wordt betaald.

(zie punten 51‑53, 56 en dictum)