Language of document : ECLI:EU:T:2006:69

BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)

8 maart 2006 (*)

„Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Beroep kennelijk niet-ontvankelijk”

In zaak T‑238/99,

Service station V/H J. P. Veger, gevestigd te Maria Hoop (Nederland), vertegenwoordigd door P. Brouwers, advocaat,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Rozet en H. Speyart, vervolgens door G. Rozet en H. van Vliet, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/705/EG van de Commissie van 20 juli 1999 betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87),

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij, N. J. Forwood, I. Pelikánová en S. Papasavvas, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

 Voorgeschiedenis van het geding

1       Het Koninkrijk der Nederlanden heeft op 21 juli 1997 vastgesteld de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland (Stcrt. 1997, 138), gewijzigd bij ministerieel besluit van 15 december 1997 (Stcrt. 1997, 241; hierna: „Tijdelijke regeling”). Deze regeling, die met terugwerkende kracht op 1 juli 1997 in werking is getreden, voorzag in een subsidie per liter afgeleverde benzine voor houders van een tot 20 kilometer van de grens tussen Nederland en Duitsland gelegen tankstation.

2       Op 20 juli 1999 heeft de Commissie beschikking 1999/705/EG vastgesteld, betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87; hierna: „bestreden beschikking”).

3       In artikel 2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de aan bepaalde tankstations toegekende steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard. Het tankstation van verzoekster, vermeld onder nummer 602, wordt genoemd in artikel 2, sub a, van de bestreden beschikking, onder het opschrift „onvoldoende informatie”. In artikel 3 van de bestreden beschikking heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden gelast de in artikel 2 bedoelde steun terug te vorderen.

4       Tussen 20 september 1999 en 19 januari 2000 zijn bij het Gerecht 74 beroepen ingesteld tegen de bestreden beschikking.

 Procesverloop

5       Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 oktober 1999, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

6       Op 9 oktober 1999 heeft het Koninkrijk der Nederlanden tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld bij het Hof. Dit beroep is ingeschreven onder zaaknummer C‑382/99.

7       Bij op 16 december 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft op 10 februari 2000 haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.

8       Bij beschikking van 9 maart 2000 heeft de president van de Eerste kamer (uitgebreid) van het Gerecht, partijen gehoord en niettegenstaande verzoeksters weigering, overeenkomstig artikel 77, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, dat verwijst naar artikel 54 van het Statuut van het Hof van Justitie, de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de beslissing van het Hof in zaak C‑382/99.

9       Op 13 juni 2002 heeft het Hof het arrest Nederland/Commissie (C‑382/99, Jurispr. blz. I‑5163) gewezen en het beroep verworpen. Daarop is de behandeling van de onderhavige zaak hervat.

10     Bij brief van 21 juni 2002 heeft het Gerecht verzoekster verzocht, haar opmerkingen kenbaar te maken over de uit voormeld arrest Nederland/Commissie te trekken consequenties voor de onderhavige zaak, en met name te preciseren welke middelen van haar beroep thans nog relevant zijn en wat haar belang is bij voortzetting van de procedure. Zij werd tevens verzocht haar standpunt te bepalen aangaande de keuze van een of meer proefprocessen. Verzoekster heeft dit verzoek niet beantwoord.

11     Aan het begin van het nieuwe gerechtelijk jaar is de samenstelling van de kamers van het Gerecht gewijzigd en is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Tweede kamer (uitgebreid), naar welke kamer de zaak dan ook is verwezen.

12     Bij brief van 20 februari 2003 heeft de Commissie het Gerecht op de hoogte gesteld van de situatie met betrekking tot de terugvordering van de betrokken steun. Wat de tankstations betreft ten aanzien waarvan in de bestreden beschikking was vastgesteld dat informatie ontbrak of onvoldoende was, heeft de Commissie gepreciseerd dat de Nederlandse autoriteiten de betrokken personen hadden gemaand deze informatie te verstrekken. Verzoekster heeft niet binnen de gestelde termijn opmerkingen over die brief ingediend.

13     Bij beschikking van 25 september 2003 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht, zonder dat partijen gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord, het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoekster.

14     Vanwege het aanhoudend uitblijven van een antwoord van de zijde van verzoekster, heeft het Gerecht partijen in de onderhavige zaak bij brief van 13 november 2003 gevraagd of er termen aanwezig waren om deze zaak bij wege van beschikking zonder beslissing af te doen. Bij brief van 26 november 2003 heeft de Commissie verklaard dat de zaak zonder voorwerp was geraakt en heeft zij bovendien het Gerecht meegedeeld dat de Nederlandse autoriteiten met haar instemming, gelet op de door verzoekster verstrekte aanvullende informatie, hadden besloten om de subsidies die laatstgenoemde op grond van de voorlopige regeling had ontvangen niet terug te vorderen. Bij brief van 8 december 2003 heeft verzoekster zich tegen het geven van een dergelijke beschikking verzet. Het Gerecht heeft erin toegestemd deze brief aan het dossier toe te voegen, ondanks dat deze te laat was ingediend.

15     Bij brief van 16 december 2003 heeft het Gerecht partijen hun standpunt gevraagd over de wenselijkheid, de behandeling van de onderhavige zaak te schorsen in afwachting van de eindbeslissingen in de als proefprocessen aangewezen verknochte zaken. Bij uitblijven van een antwoord van partijen en aangezien een bevel tot schorsing krachtens artikel 77, sub c, van het Reglement voor de procesvoering – dat instemming van partijen veronderstelt – niet mogelijk was, heeft het Gerecht een termijn gesteld waarbinnen interveniënt zijn opmerkingen aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid kon indienen.

16     Bij brief van 27 februari 2004 heeft het Gerecht zowel verzoekster als interveniënt verzocht, hun opmerkingen in te dienen over de brief van de Commissie van 26 november 2003 en, meer in het bijzonder, over de daarin aangevoerde reden voor afdoening zonder beslissing. Dit verzoek is onbeantwoord gebleven.

17     Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheid te worden gehoord, waarop de president van de Tweede kamer (uitgebreid) bij beschikking van 1 juni 2005 het Koninkrijk der Nederlanden desgevraagd heeft geschrapt als interveniënt in de onderhavige zaak en partijen heeft verwezen in hun eigen kosten van deze interventie.

18     De schriftelijke behandeling van de onderhavige zaak is op 6 juni 2005 gesloten.

 Conclusies van partijen

19     De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

–       het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–       verzoekster in de kosten te verwijzen.

20     Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

–       de exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen;

–       de bestreden beschikking nietig te verklaren;

–       de Commissie in de kosten te verwijzen.

 De ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

21     De Commissie betoogt dat het verzoekschrift enkel uiteenzet, waarom informatie omtrent verzoekster ontbreekt, en aanvullende informatie verstrekt teneinde verzoeksters specifieke situatie duidelijk te maken. De Commissie geeft integraal het onderdeel van het verzoekschrift weer dat verzoeksters juridisch betoog zou moeten bevatten en slechts één bladzijde beslaat. Zij stelt vast dat op basis van dit verzoekschrift de door verzoekster ingeroepen middelen niet concreet kunnen worden geïdentificeerd. Zij meent door de formulering van het verzoekschrift niet in staat te zijn haar eigen belangen effectief te verdedigen.

22     Verzoekster voert om te beginnen, onder het opschrift „Uiteenzetting relevante feiten”, aan dat de Commissie de Nederlandse regering heeft gelast de aan verzoekster betaalde subsidies terug te vorderen, omdat de Commissie van het Koninkrijk der Nederlanden onvoldoende informatie had ontvangen omtrent verzoekster. Zij leidt hieruit af dat de ontoereikendheid van de bedoelde informatie betrekking had op de kopie van de exclusieve-afnameovereenkomst die bepaalde tankstations aan een oliemaatschappij binden.

23     Verzoekster betoogt dat de houder van een „witte pomp”, dat wil zeggen een pomphouder die zijn brandstofproducten aankoopt op de vrije markt, geen exclusieve-afnameovereenkomst afsluit met brandstofleveranciers. Deze pomphouder is dus niet in staat een dergelijke overeenkomst over te leggen. De bestreden beschikking is gebaseerd op het feit dat geen afschrift is overgelegd van een niet-bestaande overeenkomst. Op grond hiervan is de bestreden beschikking onverenigbaar met het gemeenschapsrecht en de algemene rechtsbeginselen.

24     Verzoekster betoogt dat zij haar bezwaren tegen de bestreden beschikking concreet en gemotiveerd in haar memories heeft uiteengezet. Het onbegrip van de Commissie bevestigt in de ogen van verzoekster dat de Commissie kennelijk niet op de hoogte is van de bijzondere situatie van de witte pompen. Verzoekster preciseert dat een witte‑pomphouder een onafhankelijke en op zichzelf staande onderneming is, die niet kan worden aangemerkt als een „company-owned/company-operated” tankstation. Ten aanzien van een pomphouder als verzoekster is de bestreden beschikking in ieder geval in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat zij deze pomphouder zonder objectieve rechtvaardiging achterstelt bij de pomphouder die een exclusieve‑afnameovereenkomst heeft afgesloten, terwijl de witte‑pomphouders zwaarder worden getroffen dan de anderen.

 Beoordeling door het Gerecht

25     Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

26     Luidens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering neemt een partij, indien zij verzoekt dat het Gerecht uitspraak zal doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, daartoe een afzonderlijke akte. Tenzij het Gerecht anders beslist, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling.

27     In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende geïnformeerd en besluit het, overeenkomstig deze artikelen, zonder verdere behandeling uitspraak te doen.

28     Ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze elementen moeten voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn, zodat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder nadere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële elementen feitelijk en rechtens waarop het beroep steunt – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikkingen Gerecht van 28 april 1993, De Hoe/Commissie, T‑85/92, Jurispr. blz. II‑523, punt 20, en 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑154/98, Jurispr. blz. II‑1703, punt 49; arrest Gerecht van 15 juni 1999, Ismeri Europa/Rekenkamer, T‑277/97, Jurispr. blz. II‑1825, punt 29).

29     In casu heeft verzoekster, buiten de feitelijke uiteenzettingen in verband met het feit dat zij een onafhankelijk pomphouder is die niet door een exclusieve‑afnameovereenkomst aan een oliemaatschappij is gebonden, rechtens enkel betoogd dat „met de bestreden beschikking wezenlijke vormvoorschriften [zijn] geschonden, het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap resp. enige uitvoeringsregeling daarvan [is] geschonden, resp. [...] dat met bedoelde beslissing sprake is van schending van algemene rechtsbeginselen, resp. van misbruik van bevoegdheid, resp. van strijd met het evenredigheidsbeginsel”.

30     Vastgesteld moet worden dat het in abstracte zin aanvoeren van gevallen waarin overeenkomstig artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, van algemene rechtsbeginselen zonder deze nader aan te duiden, alsmede van het evenredigheidsbeginsel, geen summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen vormt in de zin van de hiervóór in punt 28 aangehaalde bepalingen en rechtspraak.

31     Meer bepaald heeft verzoekster geen begrijpelijk verband aangetoond tussen de door haar aangevoerde feiten en haar argumenten rechtens. Zo wordt de enige identificeerbare grief – volgens welke de Commissie verzoekster heeft ingedeeld in de categorie van tankstations ten aanzien waarvan zij over onvoldoende informatie beschikte, daar verzoekster zou hebben nagelaten een exclusieve‑afnameovereenkomst, die niet bestond, over te leggen – feitelijk noch rechtens onderbouwd.

32     Derhalve moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens niet-inachtneming van de vereisten van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering.

 Kosten

33     Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid)

beschikt:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Verzoekster wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 8 maart 2006.

De griffier

 

      De president van de Tweede kamer

E. Coulon

 

      J. Pirrung


* Procestaal: Nederlands.