Language of document : ECLI:EU:C:2021:811

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

6 oktober 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Rechtsbescherming van computerprogramma’s – Richtlijn 91/250/EEG – Artikel 5 – Uitzonderingen op handelingen waarvoor toestemming nodig is – Handelingen die voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om fouten te verbeteren – Begrip – Artikel 6 – Decompilatie – Voorwaarden”

In zaak C‑13/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) bij beslissing van 20 december 2019, ingekomen bij het Hof op 14 januari 2020, in de procedure

Top System SA

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), E. Juhász, C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Top System SA, vertegenwoordigd door É. Wery en M. Cock, avocats,

–        de Belgische Staat, vertegenwoordigd door M. Le Borne, avocat,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 1991, L 122, blz. 42).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Top System SA en de Belgische Staat over de decompilatie door Selor, het selectiebureau van de federale overheid (België), van een door Top System ontwikkeld computerprogramma dat deel uitmaakt van een applicatie waarvoor dit selectiebureau een gebruikslicentie heeft.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de zeventiende tot en met de drieëntwintigste overweging van richtlijn 91/250 staat te lezen:

„Overwegende dat op de exclusieve rechten van de auteur om de ongeoorloofde reproductie van zijn werk te verhinderen een beperkte uitzondering moet worden gemaakt in het geval van een computerprogramma, teneinde de reproductie toe te laten die technisch noodzakelijk is voor het gebruik van dat programma door de rechtmatige verkrijger; dat dit betekent dat het laden of in beeld brengen, dat noodzakelijk is voor het gebruik van een rechtmatig verkregen kopie van een programma, alsmede het corrigeren van fouten, niet bij overeenkomst mag worden verboden; dat, bij gebreke van uitdrukkelijke contractuele bepalingen, ook wanneer een kopie van het programma verkocht is, elke andere handeling die nodig is voor het gebruik van de kopie van een programma, door een rechtmatig verkrijgen van die kopie kan worden verricht overeenkomstig het ermee beoogde doel;

Overwegende dat een persoon die het recht heeft een computerprogramma te gebruiken niet mag worden belet om de handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de werking van het programma waar te nemen, te bestuderen of te testen, voor zover die handelingen het auteursrecht in dat programma niet schenden;

Overwegende dat de ongeoorloofde reproductie, vertaling, bewerking en omzetting van de codevorm waarin een kopie van een computerprogramma ter beschikking wordt gesteld, een inbreuk vormt op de exclusieve rechten van de auteur;

Overwegende dat er zich echter omstandigheden kunnen voordoen waarin een dergelijke reproductie van de code en vertaling van de vorm van die code in de zin van artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn, onmisbaar is om de noodzakelijke gegevens te verkrijgen voor het tot stand brengen van de compatibiliteit van een onafhankelijk gemaakt programma met andere programma’s;

Overwegende dat alleen in deze zeldzame gevallen de uitvoering van de handelingen van reproductie en vertaling door of voor een persoon die het recht heeft een kopie van het programma te gebruiken als rechtmatig moet worden beschouwd en in overeenstemming met normale praktijken, en daarom moet worden geacht geen toestemming van de rechthebbende te vereisen;

Overwegende dat deze uitzondering onder meer ten doel heeft het mogelijk te maken alle componenten van een computersysteem, ook die van verschillende fabrikanten, aan elkaar te koppelen, zodat die systemen samen kunnen functioneren;

Overwegende dat van die uitzondering op de exclusieve rechten van de auteur geen gebruik mag worden gemaakt op een wijze die de gerechtvaardigde belangen van de rechthebbende in gevaar brengt of die tegen een normaal gebruik van het programma indruist”.

4        Artikel 1 van deze richtlijn luidt:

„1.      Overeenkomstig deze richtlijn worden computerprogramma’s door de lidstaten auteursrechtelijk beschermd als werken van letterkunde in de zin van de [...] Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst[, getekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de gewijzigde versie van 28 september 1979]. De term ‚computerprogramma’ in de zin van deze richtlijn omvat ook het voorbereidend materiaal.

2.      De bescherming overeenkomstig deze richtlijn wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet krachtens deze richtlijn auteursrechtelijk beschermd.

3.      Een computerprogramma wordt beschermd wanneer het in die zin oorspronkelijk is, dat het een eigen schepping van de maker is. Om te bepalen of het programma voor bescherming in aanmerking komt mogen geen andere criteria worden aangelegd.”

5        Artikel 4 („Handelingen waarvoor toestemming vereist is”) van die richtlijn bepaalt:

„Onverminderd de artikelen 5 en 6 omvatten de exclusieve rechten van de rechthebbende in de zin van artikel 2 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan:

a)      de permanente of tijdelijke reproductie voor een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

b)      het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;

c)      elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek. De eerste verkoop in de [Europese Unie] van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de [Unie], met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren van het programma of een kopie daarvan.”

6        Artikel 5 („Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is”) van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 4, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.

2.      Het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker van het programma kan niet bij overeenkomst worden verhinderd indien die kopie voor bovenbedoeld gebruik nodig is.

3.      De rechtmatige gebruiker van een kopie van een programma is gemachtigd om zonder toestemming van de rechthebbende de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het programma.”

7        Artikel 6 („Decompilatie”) van richtlijn 91/250 luidt:

„1.      Er is geen toestemming van de rechthebbende vereist indien de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 4, onder a) en b), onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, op voorwaarde dat:

a)      deze handelingen worden verricht door de licentiehouder of door een ander die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor hun rekening door een daartoe gemachtigde persoon;

b)      de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar zijn gesteld voor de onder a) bedoelde personen; en

c)      deze handelingen beperkt blijven tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van compatibiliteit noodzakelijk zijn.

2.      Het bepaalde in lid 1 biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie:

a)      voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt;

b)      aan derden wordt meegedeeld, tenzij dat noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma; of

c)      wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in grote lijnen gelijk programma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt.

3. In overeenstemming met de bepalingen van de [...] Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, mag dit artikel niet zodanig uitgelegd worden dat de toepassing ervan ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende oplevert of het normale gebruik van het computerprogramma belemmert.”

8        Artikel 9, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„[...] Elk contractueel beding dat strijdig is met artikel 6 of met de in artikel 5, leden [2 en 3], bedoelde uitzonderingen, is nietig.”

9        Richtlijn 91/250 is ingetrokken en gecodificeerd bij richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 111, blz. 16). Het is echter richtlijn 91/250 die ratione temporis van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding.

 Belgisch recht

10      De wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, blz. 19315), zoals gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestrijding van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (Belgisch Staatsblad van 18 juli 2007, blz. 38734) (hierna: „WCP”), bepaalde in artikel 5:

„Onverminderd de artikelen 6 en 7, omvatten de vermogensrechten:

a)      de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

b)      het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;

[...]”

11      Artikel 6 WCP bepaalde:

„§ 1.      Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 5, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige gebruiker noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, met inbegrip van het verbeteren van fouten.

[...]

§ 3.      De rechtmatige gebruiker van een kopie van een computerprogramma is gemachtigd om zonder toestemming van de rechthebbende de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, teneinde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het computerprogramma.”

12      Artikel 7 WCP luidde als volgt:

„§ 1.      Er is geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 5, onder a) en b), onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      de reproductie en de vertaling worden verricht door een persoon die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor zijn rekening door een daartoe gemachtigd persoon;

b)      de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen zijn nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar gesteld voor hem;

c)      de reproductie en de vertaling blijven beperkt tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van deze compatibiliteit noodzakelijk zijn.

§ 2.      Het bepaalde in de vorige paragraaf biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie:

a)      voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt;

b)      aan derden wordt meegedeeld, tenzij die mededeling noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma;

c)      of wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in wezen gelijk computerprogramma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd.

§ 3.      Dit artikel mag niet zodanig worden toegepast dat ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende ontstaat of het normale gebruik van het computerprogramma belemmerd wordt.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Top System is een vennootschap naar Belgisch recht die computerprogramma’s ontwikkelt en informaticadiensten verricht.

14      Selor is de openbare instelling die in België verantwoordelijk is voor de selectie en oriëntering van de toekomstige medewerkers van de verschillende overheidsdiensten. Na de integratie van Selor in de federale overheidsdienst „Beleid en Ondersteuning” is de Belgische Staat in de plaats getreden van Selor als verweerder in het hoofdgeding.

15      Sinds 1990 werkt Top System samen met Selor, voor wiens rekening zij diensten verricht inzake IT-ontwikkeling en -onderhoud.

16      Om haar taken te vervullen heeft Selor geleidelijk IT-instrumenten ingevoerd die het mogelijk maken om onlinesollicitaties in te dienen en te verwerken.

17      Op verzoek van Selor heeft Top System verscheidene toepassingen ontwikkeld die functionaliteiten omvatten die enerzijds ontleend zijn aan haar frameworksoftware genaamd „Top System Framework” (hierna: „TSF”), en anderzijds bedoeld zijn om aan de specifieke behoeften van Selor te voldoen.

18      Selor heeft een licentie voor het gebruik van de door Top System ontwikkelde toepassingen.

19      Op 6 februari 2008 hebben Selor en Top System een overeenkomst gesloten met betrekking tot de installatie en configuratie van een nieuwe ontwikkelingsomgeving, alsook de integratie in en de migratie naar deze nieuwe omgeving van de broncodes van de toepassingen van Selor.

20      Tussen juni en oktober 2008 hebben Selor en Top System e-mails uitgewisseld over operationele problemen betreffende bepaalde toepassingen die gebruikmaken van het TSF.

21      Aangezien Top System geen akkoord kon bereiken met Selor over de oplossing van deze problemen, heeft zij op 6 juli 2009 bij de tribunal de commerce de Bruxelles (rechtbank van koophandel Brussel, België) een vordering ingesteld tegen Selor en de Belgische Staat om in wezen te doen vaststellen dat Selor het TSF had gedecompileerd in strijd met de exclusieve rechten van Top System op deze software. Top System heeft tevens verzocht dat Selor en de Belgische Staat zouden worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens de decompilatie en de kopie van de broncodes van deze software, vermeerderd met compensatoire rente vanaf de waarschijnlijke datum van deze decompilatie, te weten uiterlijk vanaf 18 december 2008.

22      Op 26 november 2009 is de zaak verwezen naar de tribunal de première instance de Bruxelles (rechtbank van eerste aanleg Brussel, België), die bij uitspraak van 19 maart 2013 de vordering van Top System grotendeels heeft afgewezen.

23      Tegen deze uitspraak heeft Top System hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België).

24      Bij deze rechter voert Top System aan dat Selor het TSF op onrechtmatige wijze heeft gedecompileerd. Volgens haar kan overeenkomstig de artikelen 6 en 7 WCP een decompilatie slechts worden verricht met toestemming van de auteur of zijn rechtverkrijgende, of voor compatibiliteitsdoeleinden. Een decompilatie is daarentegen niet toegestaan om fouten die de werking van het betrokken programma beïnvloeden, te verbeteren.

25      Selor erkent dat het een deel van het TSF heeft gedecompileerd om een functie die tekortkomingen vertoonde te deactiveren. Het betoogt evenwel onder meer dat het overeenkomstig artikel 6, § 1, WCP gerechtigd was een dergelijke decompilatie uit te voeren om bepaalde ontwerpfouten in het TSF te verbeteren die het onmogelijk maakten het TSF voor het beoogde doel te gebruiken. Selor beroept zich bovendien op zijn recht krachtens artikel 6, § 3, WCP om de werking van het betrokken programma te observeren, te bestuderen of uit te testen teneinde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan de betrokken functionaliteiten van het TSF ten grondslag liggen, teneinde de door deze fouten veroorzaakte blokkeringen te kunnen voorkomen.

26      De verwijzende rechter is van oordeel dat hij, om uit te maken of Selor die decompilatie mocht verrichten op grond van artikel 6, § 1, WCP, dient na te gaan of de decompilatie van een computerprogramma of een deel daarvan onder de in artikel 5, onder a) en b), WCP bedoelde handelingen valt.

27      In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 5, lid 1, van [richtlijn 91/250] aldus worden uitgelegd dat het de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma geheel of gedeeltelijk te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te kunnen verbeteren die de werking van het computerprogramma beïnvloeden, ook wanneer de verbetering bestaat in de deactivering van een functie die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan dat programma deel uitmaakt?

2)      Zo ja, moet dan ook aan de voorwaarden van artikel 6 van de richtlijn of aan andere voorwaarden worden voldaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

28      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma het recht heeft om dit programma geheel of gedeeltelijk te decompileren teneinde fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, ook wanneer de verbetering erin bestaat een functie te deactiveren die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan het programma deel uitmaakt.

29      Krachtens artikel 4, onder a), van richtlijn 91/250, dat met name de exclusieve rechten van de makers van computerprogramma’s vaststelt, heeft de auteursrechthebbende van een computerprogramma het exclusieve recht om een deel of het geheel van dat programma permanent of tijdelijk te reproduceren, ongeacht op welke wijze en in welke vorm, of om daarvoor toestemming te geven, onverminderd de in de artikelen 5 en 6 van die richtlijn neergelegde uitzonderingen.

30      Onder voorbehoud van diezelfde uitzonderingen geeft artikel 4, onder b), van richtlijn 91/250 de rechthebbende het exclusieve recht om een computerprogramma te vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen en het resultaat daarvan te reproduceren, of om daarvoor toestemming te geven.

31      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 bepaalt evenwel dat wanneer de in artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn genoemde handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren, daarvoor geen toestemming van de auteursrechthebbende vereist is, tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald.

32      Overeenkomstig artikel 6 („Decompilatie”) van richtlijn 91/250 is evenmin toestemming van de rechthebbende vereist indien de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

33      Decompilatie wordt als zodanig niet vermeld onder de in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 genoemde handelingen, waarnaar artikel 5, lid 1, van die richtlijn verwijst.

34      Niettemin moet worden nagegaan of, niettegenstaande deze omstandigheid, de voor decompilatie van een computerprogramma noodzakelijke handelingen binnen de werkingssfeer van artikel 4, onder a) en/of b), van deze richtlijn kunnen vallen.

35      Daartoe zij allereerst opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft gedaan, dat een computerprogramma aanvankelijk is opgesteld in de vorm van een „broncode” in een begrijpelijke programmeertaal, en vervolgens wordt omgezet in een vorm die door een computer kan worden uitgevoerd, namelijk een „doelcode”, door middel van een speciaal programma, de „compiler”. De omzetting van broncode in doelcode wordt „compilatie” genoemd.

36      In dit verband zij eraan herinnerd dat de bron- en de doelcode van een computerprogramma als twee uitdrukkingswijzen van dit programma de auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma’s genieten overeenkomstig artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/250 (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Bezpečnostní softwarová asociace, C‑393/09, EU:C:2010:816, punt 34).

37      Omgekeerd is „decompilatie” erop gericht de broncode van een programma te reconstrueren op basis van de doelcode. Decompilatie wordt verricht door middel van een programma genaamd „decompiler”. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft beklemtoond, kan met decompilatie in het algemeen niet de originele broncode worden verkregen, maar wel een derde versie van het betrokken programma, genaamd „quasibroncode”, die op haar beurt kan worden gecompileerd tot een doelcode waarmee dit programma kan functioneren.

38      Decompilatie is dus een handeling bestaande in de omzetting van de vorm van de code van een programma waarbij deze code minstens gedeeltelijk en tijdelijk wordt gereproduceerd en de codevorm wordt vertaald.

39      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat decompilatie van een computerprogramma handelingen impliceert, namelijk de reproductie van de code van dat programma en de vertaling van de codevorm, die daadwerkelijk vallen onder de exclusieve rechten van de rechthebbende, zoals gedefinieerd in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250.

40      Deze uitlegging vindt steun in de tekst van artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/250, dat weliswaar volgens het opschrift ervan betrekking heeft op decompilatie, maar uitdrukkelijk verwijst naar „de reproductie van de code” en „de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 4, onder a) en b),” van deze richtlijn. Hieruit volgt dat het begrip „decompilatie” in de zin van die richtlijn daadwerkelijk valt onder de exclusieve rechten van de maker van een computerprogramma die in laatstgenoemde bepaling zijn vastgesteld.

41      Krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 kan de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma alle in artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn genoemde handelingen verrichten, met inbegrip van handelingen bestaande in de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm, zonder vooraf toestemming van de rechthebbende te hebben verkregen, voor zover dit noodzakelijk is om dat programma te kunnen gebruiken, onder meer om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden.

42      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een programma het recht heeft om dit programma te decompileren teneinde fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden.

43      Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door artikel 6 van richtlijn 91/250, dat, anders dan Top System stelt, niet aldus kan worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een computerprogramma te decompileren slechts is toegestaan voor compatibiliteitsdoeleinden.

44      Zoals blijkt uit de tekst ervan, voert artikel 6 van richtlijn 91/250 een uitzondering in op de exclusieve rechten van de auteursrechthebbende van een computerprogramma, doordat het de reproductie van de code of de vertaling van de codevorm toelaat zonder voorafgaande toestemming van de auteursrechthebbende wanneer deze handelingen onmisbaar zijn om de compatibiliteit van dat programma met een onafhankelijk gecreëerd programma te verzekeren.

45      In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat in de overwegingen 20 en 21 van deze richtlijn staat te lezen dat onder bepaalde omstandigheden een reproductie van de code van een computerprogramma of een vertaling van de codevorm onmisbaar kan zijn om de gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen van de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd programma met andere programma’s, en dat „alleen in deze zeldzame gevallen” het verrichten van die handelingen rechtmatig en in overeenstemming met de goede praktijken is, zodat daarvoor geen toestemming van de auteursrechthebbende vereist is.

46      Uit artikel 6, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 91/250, gelezen in het licht van de overwegingen 19 en 20 van deze richtlijn, blijkt duidelijk dat de Uniewetgever aldus de draagwijdte van de in deze bepaling vastgestelde uitzondering voor compatibiliteitsdoeleinden heeft willen beperken tot omstandigheden waarin de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd programma met andere programma’s op geen andere wijze kan worden bereikt dan door decompilatie van het betrokken programma.

47      Een dergelijke uitlegging vindt steun in artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 91/250, dat in het bijzonder verbiedt dat de op grond van een dergelijke decompilatie verkregen informatie wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het tot stand brengen van een dergelijke compatibiliteit of wordt gebruikt om soortgelijke programma’s te ontwikkelen, en dat in het algemeen uitsluit dat een dergelijke decompilatie op zodanige wijze wordt uitgevoerd dat zij een ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende oplevert of het normale gebruik van het betrokken computerprogramma belemmert.

48      Daarentegen kan noch uit de tekst van artikel 6 van richtlijn 91/250, gelezen in samenhang met de overwegingen 19 en 20 ervan, noch uit de opzet van dat artikel worden afgeleid dat de Uniewetgever elke mogelijkheid tot reproductie van de code van een computerprogramma en tot vertaling van de codevorm heeft willen beperken tot het geval waarin deze handelingen worden verricht om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen.

49      In dit verband moet worden opgemerkt dat, terwijl artikel 6 van richtlijn 91/250 betrekking heeft op de handelingen die noodzakelijk zijn om de compatibiliteit van onafhankelijk gecreëerde programma’s te verzekeren, artikel 5, lid 1, van die richtlijn tot doel heeft de rechtmatige verkrijger van een programma in staat te stellen het programma te gebruiken voor het beoogde doel. Deze twee bepalingen hebben dus verschillende doelstellingen.

50      In de tweede plaats vindt deze analyse, zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, steun in de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 91/250, waaruit blijkt dat de opneming in het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie van het huidige artikel 6 van deze richtlijn specifiek de kwestie van de compatibiliteit van de door onafhankelijke makers gecreëerde programma’s beoogde te regelen, onverminderd de bepalingen die de rechtmatige verkrijger van het programma in staat moesten stellen om dit programma normaal te gebruiken.

51      In de derde plaats zou de door Top System voorgestelde uitlegging van artikel 6 van richtlijn 91/250 afbreuk doen aan het nuttig effect van de door de Uniewetgever in artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 uitdrukkelijk aan de rechtmatige verkrijger van een programma toegekende bevoegdheid om fouten te verbeteren die beletten dat het programma voor het beoogde doel wordt gebruikt.

52      Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft benadrukt, vereist het verbeteren van fouten die de werking van een computerprogramma beïnvloeden immers in de meeste gevallen, en met name wanneer de toe te passen verbetering bestaat in het deactiveren van een functie die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan dit programma deel uitmaakt, dat toegang wordt verkregen tot de broncode of, bij gebreke daarvan, de quasibroncode van dat programma.

53      Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma het recht heeft om dit programma geheel of gedeeltelijk te decompileren teneinde fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, ook wanneer de verbetering erin bestaat een functie te deactiveren die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan dit programma deel uitmaakt.

 Tweede vraag

54      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma die dit programma wil decompileren om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, moet voldoen aan de vereisten van artikel 6 van die richtlijn of aan andere vereisten.

55      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 49 van het onderhavige arrest is vastgesteld, de werkingssfeer en de doelstellingen van de uitzondering van artikel 6 van richtlijn 91/250 verschillen van die van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn. Bijgevolg zijn de vereisten van dat artikel 6 als zodanig niet van toepassing op de uitzondering van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

56      Evenwel moet worden vastgesteld dat, gelet op de bewoordingen, de opzet en het doel van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250, voor het verrichten van de handelingen die samen de decompilatie van een computerprogramma vormen, bepaalde vereisten gelden wanneer dit overeenkomstig deze bepaling geschiedt.

57      In de eerste plaats moeten deze handelingen volgens de bewoordingen van deze bepaling voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het betrokken programma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om „fouten” te verbeteren.

58      Bij gebreke van een verwijzing naar het recht van de lidstaten en van een relevante definitie in richtlijn 91/250 moet het begrip „fout” in de zin van die bepaling worden uitgelegd in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59      In dit verband moet worden opgemerkt dat op informaticagebied met een fout doorgaans een gebrek in een computerprogramma wordt bedoeld waardoor het programma niet naar behoren functioneert.

60      Overeenkomstig het in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doel van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 moet een dergelijk gebrek, dat een fout in de zin van deze bepaling vormt, bovendien afbreuk doen aan de mogelijkheid om het betrokken programma te gebruiken voor het beoogde doel.

61      In de tweede plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 dat de decompilatie van een computerprogramma voor de rechtmatige verkrijger „noodzakelijk” moet zijn om het betrokken programma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel.

62      In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest is vastgesteld, de verbetering van fouten die afbreuk doen aan het gebruik van een programma voor het beoogde doel, in de meeste gevallen een wijziging van de code van dit programma impliceert en de implementatie van deze verbetering vereist dat toegang wordt verkregen tot de broncode of minstens tot de quasibroncode van dat programma.

63      Wanneer de broncode wettelijk of contractueel toegankelijk is voor de verkrijger van het betrokken programma, kan er echter niet van worden uitgegaan dat het voor hem „noodzakelijk” is om dit programma te decompileren.

64      In de derde plaats kunnen volgens de formulering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 fouten worden verbeterd tenzij „bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is”.

65      In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens overweging 17 van richtlijn 91/250 zowel het laden of in beeld brengen dat noodzakelijk is voor het gebruik van een rechtmatig verkregen kopie van een programma als het verbeteren van fouten die de werking ervan beïnvloeden, niet bij overeenkomst mag worden verboden.

66      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250, gelezen in samenhang met overweging 17 ervan, moet derhalve aldus worden begrepen dat partijen niet elke mogelijkheid om dergelijke fouten te verbeteren bij overeenkomst mogen uitsluiten.

67      Daarentegen blijven de rechthebbende en de verkrijger overeenkomstig deze bepaling vrij om de wijze van uitoefening van deze mogelijkheid bij overeenkomst te regelen. Concreet kunnen zij in het bijzonder overeenkomen dat de rechthebbende moet zorgen voor het correctieve onderhoud van het betrokken programma.

68      Hieruit volgt ook dat, bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen in die zin, de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma het recht heeft om zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende de in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 genoemde handelingen te verrichten, met inbegrip van het decompileren van dat programma, voor zover dit noodzakelijk blijkt om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden.

69      In de vierde plaats kan de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma die dat programma heeft gedecompileerd om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, het resultaat van die decompilatie niet gebruiken voor andere doeleinden dan de verbetering van die fouten.

70      Overeenkomstig artikel 4, onder b), van richtlijn 91/250 omvatten de exclusieve rechten van de auteursrechthebbende om bepaalde handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan immers niet alleen „het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma”, maar eveneens „de reproductie van het resultaat daarvan”, te weten, in het geval van decompilatie, de reproductie van de broncode of quasibroncode die het resultaat is van deze decompilatie.

71      Elke reproductie van die code blijft dus krachtens artikel 4, onder b), van richtlijn 91/250 onderworpen aan de toestemming van de auteursrechthebbende van dit programma.

72      Artikel 4, onder c), van deze richtlijn verbiedt bovendien de distributie van een kopie van een computerprogramma onder het publiek zonder toestemming van de auteursrechthebbende van dit programma, hetgeen, zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/250, ook van toepassing is op kopieën van de broncode of quasibroncode verkregen door middel van decompilatie.

73      Weliswaar staat vast dat artikel 5 van deze richtlijn de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dergelijke handelingen te verrichten zonder toestemming van de auteursrechthebbende, maar dit geldt slechts voor zover deze handelingen voor hem noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel.

74      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma die dit programma wil decompileren om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, niet hoeft te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van die richtlijn. Deze verkrijger mag echter een dergelijke decompilatie slechts verrichten voor zover dit noodzakelijk is voor die verbetering en, in voorkomend geval, met inachtneming van de voorwaarden die bij overeenkomst met de auteursrechthebbende van dit programma zijn vastgelegd.

 Kosten

75      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s moet aldus worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma het recht heeft om dit programma geheel of gedeeltelijk te decompileren teneinde fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, ook wanneer de verbetering erin bestaat een functie te deactiveren die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan dit programma deel uitmaakt.

2)      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 moet aldus worden uitgelegd dat de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma die dit programma wil decompileren om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden, niet hoeft te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van die richtlijn. Deze verkrijger mag echter een dergelijke decompilatie slechts verrichten voor zover dit noodzakelijk is voor die verbetering en, in voorkomend geval, met inachtneming van de voorwaarden die bij overeenkomst met de auteursrechthebbende van dit programma zijn vastgelegd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.