Language of document : ECLI:EU:C:2014:2268

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

9 oktober 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Ongeoorloofd niet doen terugkeren – Gewone verblijfplaats van het kind”

In zaak C‑376/14 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court (Ierland) bij beslissing van 31 juli 2014, ingekomen bij het Hof op 7 augustus 2014, in de procedure

C.

tegen

M.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas (rapporteur) en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien het verzoek van de verwijzende rechterlijke instantie van 31 juli 2014, ingekomen bij het Hof op 7 augustus 2014, om de prejudiciële verwijzing overeenkomstig artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens de spoedprocedure te behandelen,

gezien de beslissing van de Derde kamer van 14 augustus 2014 om dit verzoek in te willigen,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 september 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        C., vertegenwoordigd door C. Walsh, solicitor, R. Costello, BL, en D. Browne, SC,

–        M., vertegenwoordigd door C. Fitzgerald, SC, en K. Kelly, BL,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door F. Gloaguen en F.‑X. Bréchot als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en M. Wilderspin als gemachtigden,

de advocaat-generaal gehoord,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1; hierna: „verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C. en M. over de terugkeer naar Frankrijk van hun minderjarig kind dat zich in Ierland bij zijn moeder bevindt.

 Toepasselijke bepalingen

 Haags Verdrag van 1980

3        Artikel 1 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Recueil des Traités des Nations Unies, deel 1343, nr. 22514; hierna: „Haags Verdrag van 1980”), luidt als volgt:

„Dit verdrag heeft tot doel:

a)      de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat;

[...]”

4        Artikel 3 van genoemd verdrag bepaalt het volgende:

„Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a)      dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b)      dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Het sub a bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die staat.”

5        In artikel 12 van dit verdrag is in het volgende voorzien:

„Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.

[...]”

6        Artikel 19 van het Haags Verdrag van 1980 is als volgt verwoord:

„Een ingevolge dit verdrag genomen beslissing betreffende de terugkeer van het kind heeft geen betrekking op het gezagsrecht zelf.”

 Recht van de Unie

7        Punt 12 van de considerans van de verordening luidt:

„De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. [...]”

8        Artikel 2 van de verordening is als volgt verwoord:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

7)      ‚ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;

8)      ‚persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt’: elke persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt;

9)      ‚gezagsrecht’: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;

[...]

11)      ‚ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:

a)      wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had

en

b)      indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.”

9        Hoofdstuk II van de verordening bevat de bevoegdheidsregels. In afdeling 1 ervan, die uit de artikelen 3 tot en met 7 bestaat, zijn de regels over de bevoegdheid inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk opgenomen, in afdeling 2 ervan, die uit de artikelen 8 tot en met 15 bestaat, staan de regels inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en in afdeling 3 ervan, die uit de artikelen 16 tot en met 20 bestaat, de gemeenschappelijke bepalingen.

10      Artikel 8 van de verordening, „Algemene bevoegdheid”, luidt:

„1.      Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2.       Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”

11      Artikel 9 van de verordening, „Behoud van de bevoegdheid van de vorige gewone verblijfplaats van het kind”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Wanneer een kind legaal van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en aldaar een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, behouden de gerechten van de vorige gewone verblijfplaats van het kind, in afwijking van artikel 8, gedurende een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de verhuizing, hun bevoegdheid tot wijziging van een in die lidstaat vóór de verhuizing van het kind gegeven beslissing betreffende het omgangsrecht indien de persoon die ingevolge die beslissing het omgangsrecht heeft zijn gewone verblijfplaats behoudt in de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind.”

12      Artikel 10 van de verordening, „Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering”, regelt dat in geval van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van het kind, de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven, behalve wanneer aan bepaalde daarin opgenomen voorwaarden is voldaan.

13      Artikel 11 van de verordening, „Terugkeer van het kind”, voorziet in lid 1 daarvan in het volgende:

„Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het [Haags Verdrag van 1980] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.”

14      Artikel 12 van de verordening, „Prorogatie van rechtsmacht”, bepaalt:

„1.       De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel 3 ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a)      ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b)      de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

2.       De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:

a)      de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij

b)      ingeval op het sub a bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij

c)      de sub a en b bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.

3.       De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:

a)      het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;

en

b)      hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

[...]”

15      Artikel 19 van de verordening, „Aanhangigheid en onderling samenhangende procedures”, bepaalt het volgende:

„1.       Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.      Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

[...]”

16      Hoofdstuk III van de verordening bevat de regels over de erkenning van de in een lidstaat gegeven beslissingen in de andere lidstaten en de tenuitvoerlegging van die beslissingen. Als onderdeel van afdeling 1 van dit hoofdstuk, bepaalt artikel 24 van de verordening, „Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht”, het volgende:

„De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, sub a, en artikel 23, sub a, wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.”

17      Artikel 28 van de verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk III over het verzoek om uitvoerbaarverklaring, bepaalt in lid 1 ervan:

„Beslissingen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, en die betekend zijn, zijn in een andere lidstaat uitvoerbaar nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.”

 Iers recht

18      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de wet van 1991 betreffende kinderontvoering en de tenuitvoerlegging van beschikkingen inzake gezagsrecht (Child Abduction and Enforcement of Custody Orders Act 1991), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 1991 betreffende kinderontvoering en de tenuitvoerlegging van beschikkingen inzake gezagsrecht”), binnen het Ierse recht uitvoering geeft aan het Haags Verdrag van 1980. Deze wet is gewijzigd bij de regeling van 2005 inzake de Europese Gemeenschappen (rechterlijke uitspraken in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid) [European Communities (Judgments in Matrimonial Matters and Matters of Parental Responsibility) Regulations 2005] om met de verordening rekening te houden in onder het Haags Verdrag van 1980 vallende zaken waarbij de lidstaten betrokken zijn.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      C., die de Franse nationaliteit heeft, en M., die de Britse nationaliteit heeft, zijn op 24 mei 2008 in Frankrijk getrouwd. Uit hun huwelijk is, ook in Frankrijk, op 14 juli 2008 hun kind geboren. Omdat de relatie tussen de ouders snel was verslechterd, heeft M. op 17 november 2008 de echtscheiding aangevraagd. Daarna zijn door de vader en door de moeder vele procedures betreffende het kind in Frankrijk ingeleid, zowel voor als na de uitspraak van de echtscheiding en het verzoek om terugkeer van het kind naar Frankrijk dat de vader bij de High Court (Ierland) heeft ingediend. Alleen de uitspraak inzake de echtscheiding en de feiten en procedures daarna zijn relevant voor het antwoord op de vragen van de verwijzende rechter.

 Uitspraak inzake de echtscheiding en daaropvolgende feiten en gerechtelijke procedures

20      De echtscheiding, waaraan beide echtgenoten schuld hebben erkend, is uitgesproken door het tribunal de grande instance d’Angoulême (Frankrijk) bij uitspraak van 2 april 2012 (hierna: „uitspraak van 2 april 2012”). Daarin is bepaald dat de echtscheiding tussen de echtgenoten werking heeft vanaf 7 april 2009, dat de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind door de ouders gezamenlijk zal worden uitgeoefend en dat de gewone verblijfplaats van het kind zich vanaf 7 juli 2012 bij de moeder bevindt. Voorts is daarin het recht op omgang en tijdelijke huisvesting ten gunste van de vader geregeld voor het geval er tussen de partijen onenigheid zou zijn, waarbij verschillende modaliteiten zijn voorzien al naargelang de moeder haar woonplaats in Frankrijk zou kiezen of het Franse grondgebied zou verlaten om in Ierland te gaan wonen. In deze uitspraak is gepreciseerd dat de moeder „haar woonplaats in Ierland mag vestigen” en in het dispositief ervan is eraan herinnerd dat de uitspraak „van rechtswege bij voorraad uitvoerbaar is wat de bepalingen betreffende het kind betreft”.

21      Op 23 april 2012 is C. tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan, waarbij het hoger beroep was beperkt tot de maatregelen betreffende het kind en zijn veroordeling tot het betalen van een bepaald bedrag aan M. als voorschot op haar deel van de gemeenschap. Op 5 juli 2012 heeft de eerste president van de cour d’appel de Bordeaux (Frankrijk) zijn verzoek verworpen voor zover het strekte tot beëindiging van de uitvoerbaarheid bij voorraad van bedoelde uitspraak.

22      Op 12 juli 2012 is M. met het kind vertrokken naar Ierland, waar zij tot op heden verblijven. Volgens de verwijzingsbeslissing heeft zij zich niet gehouden aan het bepaalde in de uitspraak van 2 april 2012 ten aanzien van het recht van de vader op omgang en tijdelijke huisvesting.

23      Bij arrest van 5 maart 2013 heeft de cour d’appel de Bordeaux de uitspraak van 2 april 2012 vernietigd voor zover betrekking hebbend op de bepalingen over de verblijfplaats van het kind, het recht op omgang en tijdelijke huisvesting en de betaling van een voorschot op het deel van de gemeenschap. Daarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de vader zal zijn en is ten gunste van de moeder in een recht op omgang en tijdelijke huisvesting voorzien.

24      Op 31 maart 2013 heeft C., onder aanvoering van het feit dat M. weigerde het kind terug te geven, bij de familierechter van het tribunal de grande instance de Niort (Frankrijk) een verzoek ingediend om de ouderlijke verantwoordelijkheid uitsluitend aan hem toe te kennen, de terugkeer van het kind naar zijn woonplaats te gelasten, zulks op straffe van een dwangsom, en te bepalen dat het kind het Franse grondgebied niet zonder toestemming van de vader mocht verlaten. Op 10 juli 2013 heeft de familierechter van het tribunal de grande instance de Niort de verzoeken van C. ingewilligd.

25      Op 18 december 2013 heeft C. de High Court krachtens artikel 28 van de verordening verzocht om het arrest van 5 maart 2013 van de cour d’appel de Bordeaux uitvoerbaar te verklaren. Dit verzoek is ingewilligd. M., die op 7 januari 2014 beroep in cassatie tegen dit arrest had ingesteld, dat thans aanhangig is bij de Cour de cassation (Frankrijk), heeft de High Court evenwel op 9 mei 2014 verzocht om de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten.

 Uitspraak van de High Court en verwijzingsbeslissing

26      Op 29 mei 2013 heeft C. zich tot de High Court gewend teneinde krachtens artikel 12 van het Haags Verdrag van 1980, de artikelen 10 en 11 van de verordening en de wet van 1991 betreffende kinderontvoering en de tenuitvoerlegging van beschikkingen inzake gezagsrecht, de terugkeer van het kind naar Frankrijk te doen gelasten en te doen verklaren dat de moeder het kind ongeoorloofd vasthield in Ierland.

27      Bij arrest van de 13 augustus 2013 heeft de High Court deze verzoeken afgewezen en daarbij in wezen opgemerkt dat de overbrenging van het kind naar Ierland legaal was omdat dit was geschied op basis van een uitspraak van een Frans gerecht waarin deze overbrenging werd toegestaan, dat het verzoek om beëindiging van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak van 2 april 2012 was afgewezen, dat deze uitspraak definitief was geworden aangezien zij noch een beschikking in kort geding noch een tijdelijke of voorlopige beslissing was, en dat zij niet binnen de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 9 van de verordening in hoger beroep was gewijzigd of vernietigd. Daaraan verbond de High Court de conclusie dat de gewone verblijfplaats van het kind niet voorwaardelijk was geworden omdat C. tegen deze uitspraak hoger beroep had ingesteld en dat de oplossing van het bij hem aanhangige geschil in feite afhing van een beoordeling van feitelijke aard, omdat niets in het begrip „gewone verblijfplaats” zich ertegen verzette dat die kon worden gewijzigd en de verordening bovendien een regeling bevatte voor de situatie waarin een dergelijke wijziging vóór de overgang van de bevoegdheid plaatsvindt. In het licht van die feiten heeft de High Court geoordeeld dat het kind in de onderhavige zaak zijn gewone verblijfplaats in Ierland had sedert zijn moeder het naar die lidstaat had overgebracht met het voornemen om zich daar te vestigen.

28      C heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op 10 oktober 2013, waarbij hij met name aanvoerde dat het feit dat de overbrenging van het kind naar Ierland legaal was, niet betekende dat zijn gewone verblijfplaats was gewijzigd; dat een geoorloofde overbrenging niet uitsluit dat het niet doen terugkeren ongeoorloofd is; dat de uitspraak van 2 april 2012 uitvoerbaar bij voorraad was en dus tijdelijk was zolang het hoger beroep tegen deze uitspraak nog hangende was; dat de moeder niet voor de Franse gerechten te kennen had gegeven dat zij het voornemen had om het gezag over het kind in Ierland uit te oefenen; dat zij nooit de bevoegdheid van de Franse gerechten heeft bestreden of te kennen heeft gegeven dat de gewone verblijfplaats van het kind gewijzigd was; dat deze gerechten duidelijk het voornemen hadden om hun bevoegdheid ten aanzien van het gezagsrecht te behouden; dat de Ierse gerechten gebonden waren aan de beslissingen van de Franse gerechten die als eerste waren aangezocht en bevoegd bleven wat het gezag betreft, en tot slot dat de High Court artikel 9 van de verordening onjuist had uitgelegd.

29      In antwoord daarop heeft M. met name aangevoerd dat de gewone verblijfplaats van het kind moet worden onderzocht aan de hand van de feiten en dat deze in de onderhavige zaak gewijzigd was nadat het kind naar Ierland was overgebracht overeenkomstig de uitspraak van 2 april 2012, op basis waarvan zij alleen mocht beslissen over de verblijfplaats van het kind, zodat er geen schending van het gezagsrecht is geweest. Noch de aard van deze uitspraak noch het daartegen ingestelde hoger beroep kan volgens haar afdoen aan een dergelijke feitelijke wijziging van de verblijfplaats. Zij verwijst voor het begrip gewone verblijfplaats naar de arresten van het Hof A (C‑523/07, EU:C:2009:225) en Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829).

30      De verwijzende rechter zet uiteen dat het hoofdgeding vragen over de uitlegging van de artikelen 2, 12, 19 en 24 van de verordening opwerpt. Hij wijst erop dat de Franse gerechten als eerste zijn aangezocht in de zin van de verordening, dat hun bevoegdheid door beide ouders ondubbelzinnig is aanvaard toen zij werden aangezocht en dat zij zich op het standpunt stellen dat zij bevoegd zijn gebleven ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid, ondanks dat het kind zich in Ierland bevindt. Hoewel dit het geval is, heeft de moeder het kind volgens hen ongeoorloofd vastgehouden na de eerste schending van het recht op omgang en tijdelijke huisvesting zoals vastgesteld bij de uitspraak van 2 april 2012. De verwijzende rechter stelt zich dan ook de vraag of deze bevoegdheid al of niet nog bestaat, gezien het bepaalde in artikel 12, lid 2, sub b, of artikel 12, lid 3, sub a en b, van de verordening. Volgens hem is artikel 19, lid 2, van de verordening van toepassing.

31      Onder verwijzing naar de arresten A (EU:C:2009:225) en Mercredi (EU:C:2010:829) zet de verwijzende rechter tevens uiteen dat het begrip gewone verblijfplaats, dat in de verordening niet is gedefinieerd, altijd een feitelijke kwestie is en dat met name rekening moet worden gehouden met de omstandigheden en redenen van het verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat. Bijgevolg moet de vraag worden beantwoord of de Franse rechterlijke instanties nog steeds zijn geadieerd en of de moeder en het kind hun gewone verblijfplaats naar Unierecht in Ierland mochten vestigen.

32      In die omstandigheden heeft de Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Staat het feit dat er een Franse gerechtelijke procedure met betrekking tot het gezag over het kind aanhangig is, er in de omstandigheden van het onderhavige geval aan in de weg dat de gewone verblijfplaats van dit kind in Ierland wordt gevestigd?

2)      Behoudt de vader het gezagsrecht over het kind of blijven de Franse rechtbanken bevoegd met betrekking tot het gezagsrecht over het kind, zodat het niet doen terugkeren van het kind uit Ierland ongeoorloofd is?

3)      Zijn de Ierse rechtbanken bevoegd om te oordelen over de gewone verblijfplaats van het kind wanneer dit kind in Ierland verblijft sinds juli 2012, toen overbrenging van dit kind naar Ierland niet in strijd was met Frans recht?”

 Spoedprocedure

33      De Supreme Court heeft verzocht om de prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen, op grond dat in punt 17 van de considerans van de verordening is vermeld dat in geval van het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van het kind, de terugkeer van het kind onverwijld dient te worden verkregen.

34      In dat verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van de verordening, die in het bijzonder is vastgesteld op basis van artikel 61, sub c, EG, thans artikel 67 VWEU, dat deel uitmaakt van titel V van het derde deel van het VWEU over de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zodat deze verwijzing binnen de werkingssfeer van de prejudiciële spoedprocedure zoals gedefinieerd in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering valt.

35      In de tweede plaats volgt uit de verwijzingsbeslissing dat, hoewel bij de uitspraak van 2 april 2012 de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind aan de beide ouders is toegekend en bij diezelfde uitspraak een recht op omgang en tijdelijke huisvesting aan de vader is toegekend en in het arrest van de cour d’appel de Bordeaux van 5 maart 2013, waarbij genoemde uitspraak gedeeltelijk is vernietigd, is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de vader zal zijn, laatstgenoemde sinds de overbrenging ervan naar Ierland op 12 juli 2012 geen regelmatig contact heeft met zijn kind, dat thans zes jaar oud is. Aangezien de prejudiciële verwijzing kadert in een geding dat een verzoek van de vader om terugkeer van het kind naar Frankrijk als voorwerp heeft en aangezien de antwoorden op de gestelde vragen doorslaggevend zijn voor de oplossing van dit geschil, zou het schadelijk voor het herstel van de relatie tussen het kind en de vader en de integratie van het kind in zijn nieuwe familiale en sociale omgeving in geval van terugkeer naar Frankrijk kunnen zijn, indien de uitkomst van het geschil te lang op zich liet wachten.

36      In die omstandigheden heeft de Derde kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing aan de spoedprocedure te onderwerpen, in te willigen.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Relevante bepalingen van de verordening

37      In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat er in het hoofdgeding geen bevoegdheidsconflict of een risico van een dergelijk conflict is tussen de Franse en de Ierse gerechten, zodat de artikelen 12 en 19 van de verordening, waar de verwijzende rechter op heeft gewezen, niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil.

38      Vaststaat immers dat het kind op het tijdstip waarop het tribunal de grande instance d’Angoulême en de cour d’appel de Bordeaux zijn aangezocht, zijn gewoon verblijf in Frankrijk had, zodat deze instanties krachtens artikel 8 van de verordening bevoegd zijn om uitspraak te doen over de bepalingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

39      Daarnaast moet worden vastgesteld dat de High Court op 29 mei 2013 is aangezocht met een verzoek om terugkeer van het kind naar Frankrijk, op grond van artikel 12 van het Haags Verdrag van 1980, de artikelen 10 en 11 van de verordening en de wet van 1991 betreffende kinderontvoering en de tenuitvoerlegging van beschikkingen inzake gezagsrecht.

40      Een dergelijke actie, die als voorwerp de terugkeer naar de lidstaat van oorsprong van het ongeoorloofd naar een andere lidstaat overgebrachte of daar vastgehouden kind heeft, heeft geen betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid zelf en heeft dus niet hetzelfde voorwerp en berust ook niet op dezelfde oorzaak als een actie die ertoe strekt dat over de ouderlijke verantwoordelijkheid zelf uitspraak wordt gedaan (zie arrest Purrucker, C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 68). Voorts bepaalt artikel 19 van het Haags Verdrag van 1980 dat een ingevolge dit verdrag genomen beslissing betreffende de terugkeer van het kind geen betrekking heeft op het gezagsrecht zelf. Er kan bij dergelijke acties dus geen sprake zijn van aanhangigheid.

41      Daaraan moet worden toegevoegd dat ook artikel 10 van de verordening niet van toepassing is op het hoofdgeding, aangezien dat geding geen betrekking heeft op de ouderlijke verantwoordelijkheid zelf.

42      In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding geen relevantie toekomt aan artikel 9 van de verordening, waarnaar de High Court heeft verwezen in zijn arrest van 13 augustus 2013 en dat betrekking heeft op het behoud – gedurende een zekere periode – van de bevoegdheid inzake het omgangsrecht door de gerechten van de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind, en evenmin aan het door de verwijzende rechter vermelde artikel 24 van de verordening, dat in hoofdstuk III van de verordening onder afdeling 1 betreffende de erkenning van in een andere lidstaat gegeven beslissingen valt. Uit de vaststellingen hierboven volgt immers dat het hoofdgeding geen vraag naar de bevoegdheid om over een omgangsrecht uitspraak te doen of de erkenning van een Franse rechterlijke beslissing in Ierland opwerpt.

43      In de derde plaats zijn daarentegen wel relevant artikel 2, punt 11, van de verordening, dat het begrip „ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind” definieert, en artikel 11 van de verordening, dat de bepalingen van het Haags Verdrag van 1980 aanvult en van toepassing is wanneer bij een rechterlijke instantie van de Europese Unie op grond van dat verdrag een verzoek wordt ingediend dat ertoe strekt om de terugkeer naar een lidstaat te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd naar een andere lidstaat is overgebracht of daar wordt vastgehouden, zoals in het hoofdgeding het geval is.

 Eerste en derde vraag

44      Om te beginnen moet worden benadrukt dat het kind in het hoofdgeding legaal van Frankrijk naar Ierland is overgebracht, in vervolg op de uitspraak van 2 april 2012, waarbij is bepaald dat de gewone verblijfplaats van het kind de woonplaats van de moeder zal zijn en waarbij het laatstgenoemde werd toegestaan om „haar verblijfplaats in Ierland te vestigen”. Zoals de Franse regering heeft aangegeven in antwoord op het verzoek om nadere inlichtingen dat het Hof haar had doen toekomen, alsook ter terechtzitting, had deze uitspraak geen kracht van gewijsde omdat daartegen hoger beroep openstond, maar waren de bepalingen betreffende het kind uitvoerbaar bij voorraad. Bedoelde uitspraak, waartegen beroep is ingesteld vóór de overbrenging van het kind, is ongeveer acht maanden na de overbrenging van het kind naar Ierland vernietigd bij het arrest van de cour d’appel de Bordeaux van 5 maart 2013, waarin is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de vader zal zijn, die in Frankrijk was gebleven. Dit arrest, waartegen M. beroep in cassatie heeft ingesteld, is volgens de inlichtingen van de Franse regering uitvoerbaar en heeft kracht van gewijsde, aangezien het cassatieberoep naar Frans recht geen opschortende werking heeft.

45      Gezien de overwegingen in de punten 37 tot en met 43 van het onderhavige arrest moet dus worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste en derde vraag in wezen wenst te vernemen of de artikelen 2, punt 11, en 11 van de verordening aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het gerecht van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht, waarbij een verzoek om terugkeer van het kind aanhangig is gemaakt, aan de hand van een beoordeling van alle omstandigheden van het geval moet nagaan of het kind onmiddellijk vóór het vermeend ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats nog in de lidstaat van oorsprong had.

46      Volgens de definitie van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in artikel 2, punt 11, van de verordening, waarvan de tekst nauw aansluit bij die van artikel 3 van het Haags Verdrag van 1980, moet het overbrengen of het niet doen terugkeren, wil het als ongeoorloofd in de zin van de verordening worden beschouwd, zijn geschied in strijd met een gezagsrecht dat ingevolge een rechterlijke beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór zijn overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.

47      Uit deze definitie volgt dat ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de zin van artikel 2, punt 11, van de verordening, veronderstelt dat het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van oorsprong had, en het gevolg is van de schending van het gezagsrecht dat krachtens het recht van die lidstaat is toegekend.

48      Artikel 11, lid 1, van de verordening bepaalt dat de leden 2 tot en met 8 van dat artikel van toepassing zijn wanneer de houder van het gezagsrecht de bevoegde autoriteiten van een lidstaat verzoekt om op grond van het Haags Verdrag van 1980 een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden „in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had”. Hieruit moet worden afgeleid dat dit niet het geval is wanneer het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats niet in de lidstaat van oorsprong had.

49      Zowel uit artikel 2, punt 11, als uit artikel 11, lid 1, van de verordening volgt dus dat dit laatste artikel alleen ten behoeve van de inwilliging van een verzoek om terugkeer kan worden toegepast wanneer het kind onmiddellijk voorafgaand aan het vermeend ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van oorsprong had.

50      Aangaande het begrip „gewone verblijfplaats” heeft het Hof reeds vastgesteld, door uitlegging van artikel 8 van de verordening in het arrest A (EU:C:2009:225) en de artikelen 8 en 10 van de verordening in het arrest Mercredi (EU:C:2010:829), dat de verordening geen definitie van het begrip bevat en heeft het geoordeeld dat de betekenis en de draagwijdte van dat begrip moeten worden bepaald aan de hand van met name het doel van de verordening zoals dat voortvloeit uit punt 12 van de considerans van deze verordening, volgens hetwelk de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (arresten A, EU:C:2009:225, punten 31 en 35, en Mercredi, EU:C:2010:829, punten 44 en 46).

51      In die arresten heeft het Hof tevens geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak (arresten A, EU:C:2009:225, punten 37 en 44, en Mercredi, EU:C:2010:829, punten 47 en 56). In dat verband heeft het ook geoordeeld dat voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind, naast diens fysieke aanwezigheid in een lidstaat, nog andere factoren moeten aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de gewone verblijfplaats van het kind de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt (arresten A, EU:C:2009:225, punten 38 en 44, en Mercredi, EU:C:2010:829, punten 47, 49 en 56).

52      Het Hof heeft gepreciseerd dat daarbij met name rekening moet worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (arresten A, EU:C:2009:225, punten 39 en 44, en Mercredi, EU:C:2010:829, punten 48, 49 en 56). Ook heeft het geoordeeld dat de bedoeling van de ouders of een van hen om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind kan zijn (zie arresten A, EU:C:2009:225, punten 40 en 44, en Mercredi, EU:C:2010:829, punt 50).

53      Voorts heeft het Hof in de punten 51 tot en met 56 van het arrest Mercredi (EU:C:2010:829) geoordeeld dat de duur van het verblijf alleen als aanwijzing kan dienen in het kader van de beoordeling van alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan een zaak, en gepreciseerd welke factoren in aanmerking moeten worden genomen wanneer het kind van jonge leeftijd is.

54      Het begrip „gewone verblijfplaats” van het kind in de artikelen 2, punt 11, en 11 van de verordening kan geen andere inhoud hebben dan die welke in de bovengenoemde arresten is uiteengezet naar aanleiding van de artikelen 8 en 10 van de verordening. Zoals dan ook uit de overwegingen in de punten 46 tot en met 53 van het onderhavige arrest blijkt, staat het aan de rechterlijke instantie van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht, waarbij een verzoek om terugkeer op basis van het Haags Verdrag van 1980 en artikel 11 van de verordening aanhangig is, om na te gaan of het kind zijn gewone verblijfplaats onmiddellijk voorafgaand aan het vermeend ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de lidstaat van oorsprong had, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, volgens de beoordelingscriteria die in die arresten zijn gegeven.

55      Bij het onderzoek van met name de redenen voor het verblijf van het kind in de lidstaat waarnaar het is overgebracht en het voornemen van de ouder die het daar naartoe heeft gebracht, moet in omstandigheden als die in het hoofdgeding rekening worden gehouden met het feit dat de rechterlijke beslissing waarbij de overbrenging is toegestaan, uitvoerbaar bij voorraad was en dat daartegen hoger beroep was ingesteld. Deze factoren pleiten namelijk niet voor een vaststelling dat de gewone verblijfplaats van het kind is verplaatst, aangezien die beslissing slechts voorlopig was en die ouder er op het moment van de overbrenging niet zeker van kon zijn dat het verblijf in die lidstaat niet tijdelijk zou zijn.

56      Gelet op de noodzaak van bescherming van het belang van het kind moeten deze factoren in het kader van de beoordeling van alle omstandigheden van het geval, worden afgewogen tegen andere feitelijke factoren die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving sinds zijn overbrenging kunnen aantonen, zoals die welke in punt 52 van het onderhavige arrest zijn genoemd en meer bepaald de tijd die is verstreken tussen die overbrenging en de rechterlijke beslissing waarbij de beslissing in eerste aanleg is vernietigd en waarin is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn. De tijd die sinds die beslissing is verstreken, kan in geen geval in de beschouwing worden betrokken.

57      Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 2, punt 11, en 11 van de verordening aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het gerecht van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht, waarbij een verzoek om terugkeer van het kind aanhangig is gemaakt, aan de hand van een beoordeling van alle omstandigheden van het geval moet nagaan of het kind onmiddellijk voor het vermeend ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats nog in de lidstaat van oorsprong had. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit dat de rechterlijke beslissing waarbij de overbrenging is toegestaan, uitvoerbaar bij voorraad was en dat daartegen hoger beroep was ingesteld.

 Tweede vraag

58      Daar de Franse regering en de Commissie van mening zijn dat de ontvankelijkheid van de tweede vraag twijfelachtig is omdat zij betrekking heeft op de uitlegging van het Haags Verdrag van 1980, moet worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal heeft gedaan in de punten 54 tot en met 57 van zijn standpuntbepaling, dat, aangezien de verordening sommige van de bepalingen van dat verdrag overneemt of daarnaar verwijst, de gevraagde uitlegging noodzakelijk is voor een uniforme toepassing van de verordening en van genoemd verdrag binnen de Unie, zodat zij niet blijkt te zijn ontdaan van relevantie voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding (zie in die zin arrest McB., C‑400/10 PPU, EU:C:2010:582, punten 32‑37).

59      Vooraf moet inhoudelijk in de eerste plaats worden opgemerkt dat de Franse regering ter terechtzitting heeft aangegeven dat een rechterlijke instantie naar Frans recht geen houder van een gezagsrecht kan zijn.

60      Aangezien de verwijzende rechter de vraag naar de bevoegdheid van het Franse gerecht om uitspraak te doen over het gezagsrecht over het kind lijkt te verbinden met de vraag naar de ongeoorloofdheid van het niet doen terugkeren, moet in de tweede plaats worden opgemerkt dat de cour d’appel de Bordeaux, zoals is gezegd in punt 38 van het onderhavige arrest, krachtens artikel 8 van de verordening bevoegd was toen zij bij haar arrest van 5 maart 2013 heeft bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de vader zal zijn. Dit loopt echter niet vooruit op de ongeoorloofdheid, in de zin van verordening, van het niet doen terugkeren van het kind, aangezien die karakterisering niet voortvloeit uit de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat van oorsprong op zich, maar, zoals is vastgesteld in punt 47 van het onderhavige arrest, uit schending van het gezagsrecht dat krachtens het recht van de lidstaat van oorsprong is toegekend.

61      In de derde plaats moet worden benadrukt dat artikel 2, punt 11, van de verordening de schending van een omgangsrecht of een recht op tijdelijke huisvesting niet schaart onder de definitie van „ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren”.

62      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen wenst te vernemen of de verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het niet doen terugkeren van het kind naar die lidstaat na die tweede beslissing ongeoorloofd is, zodat artikel 11 van de verordening van toepassing is.

63      Dienaangaande volstaat het vast te stellen dat het niet doen terugkeren van het kind naar de lidstaat van oorsprong na een rechterlijke beslissing uit die lidstaat waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in die lidstaat zal zijn, schending van een gezagsrecht oplevert, aangezien het gezagsrecht volgens artikel 2, punt 9, van de verordening het recht omvat om de verblijfplaats van het kind te bepalen. Bijgevolg is het in strijd met een dergelijke beslissing niet doen terugkeren van het kind ongeoorloofd in de zin van de verordening. Artikel 11 daarvan is dus van toepassing wanneer het kind onmiddellijk vóór dit niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van oorsprong had.

64      Wanneer wordt geoordeeld dat aan deze voorwaarde van verblijf niet is voldaan, wordt de beslissing tot afwijzing van het verzoek om terugkeer op basis van artikel 11 van de verordening – die geen betrekking heeft op het gezagsrecht zelf, waarover de rechter van de lidstaat van oorsprong reeds uitspraak heeft gedaan –, genomen onverminderd de toepassing van de regels over de erkenning en de tenuitvoerlegging van de in een lidstaat gegeven beslissingen in hoofdstuk III van de verordening.

65      In het hoofdgeding levert het niet doen terugkeren van het kind naar Frankrijk dus schending van het gezagsrecht in de zin van de verordening op, als gevolg van het arrest van 5 maart 2013 van de cour d’appel de Bordeaux. Dit leidt ertoe dat dit niet doen terugkeren ongeoorloofd is in de zin van de verordening en dat artikel 11 daarvan ten behoeve van de inwilliging van het verzoek om terugkeer kan worden toegepast indien de bevoegde Ierse rechterlijke instantie tot het oordeel komt dat het kind onmiddellijk vóór dit arrest zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk had. Komt deze rechterlijke instantie daarentegen tot het oordeel dat het kind toen zijn gewone verblijfplaats in Ierland had en derhalve dat artikel 11 van de verordening niet van toepassing is, dan zal zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek om terugkeer worden genomen onverminderd de toepassing van de regels van hoofdstuk III van de verordening strekkende tot het verkrijgen van de tenuitvoerlegging van genoemd arrest.

66      Voor dat laatste geval moet eraan worden herinnerd dat de verordening overeenkomstig punt 21 van de considerans ervan is gebaseerd op de opvatting dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen gebaseerd dienen te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en dat de gronden tot weigering van de erkenning tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven (arrest Rinau, C‑195/08 PPU, EU:C:2008:406, punt 50).

67      De omstandigheid dat de gewone verblijfplaats van het kind na een uitspraak in eerste aanleg mogelijk in de loop van het hoger beroep is gewijzigd, en dat die wijziging in voorkomend geval is geconstateerd door de rechterlijke instantie waarbij een verzoek om terugkeer op basis van het Haags Verdrag van 1980 en artikel 11 van de verordening aanhangig is, kan geen factor vormen waarop de ouder die het kind in strijd met een gezagsrecht vasthoudt, zich kan beroepen om de feitelijke situatie die als gevolg van zijn ongeoorloofd gedrag is ontstaan langer te laten voortduren en om zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van de in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid, die daar uitvoerbaar is en die betekend is. Zou immers worden geoordeeld dat de constatering van de wijziging van de gewone verblijfplaats van het kind door de rechter waarbij een dergelijk verzoek aanhangig is, het mogelijk zou maken dat deze feitelijke situatie langer voortduurt en de tenuitvoerlegging van een dergelijke beslissing wordt verhinderd, dan zou dit een ontwijking van het mechanisme in afdeling 2 van hoofdstuk III van de verordening betekenen en dit elke zin te ontnemen.

68      In een geval als dat in het hoofdgeding kan de instelling van beroep tegen een dergelijke in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid, ook geen gevolg hebben voor de tenuitvoerlegging van die beslissing.

69      Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het niet doen terugkeren van het kind naar die lidstaat na die tweede beslissing ongeoorloofd is, en artikel 11 van de verordening van toepassing is wanneer wordt geoordeeld dat het kind zijn gewone verblijfplaats vóór het niet doen terugkeren nog in genoemde lidstaat had. Wordt daarentegen geoordeeld dat het kind zijn gewone verblijfplaats toen niet langer in de lidstaat van oorsprong had, dan wordt de beslissing tot afwijzing van het op die bepaling gebaseerde verzoek om terugkeer genomen onverminderd de toepassing van de regels in hoofdstuk III van de verordening over de erkenning en de tenuitvoerlegging van de in een lidstaat gegeven beslissingen.

 Kosten

70      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      De artikelen 2, punt 11, en 11 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het gerecht van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht, waarbij een verzoek om terugkeer van het kind aanhangig is gemaakt, aan de hand van een beoordeling van alle omstandigheden van het geval moet nagaan of het kind onmiddellijk vóór het vermeend ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats nog in de lidstaat van oorsprong had. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit dat de rechterlijke beslissing waarbij de overbrenging is toegestaan, uitvoerbaar bij voorraad was en dat daartegen hoger beroep was ingesteld.

2)      Verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de overbrenging van het kind heeft plaatsgevonden overeenkomstig een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing die vervolgens is vernietigd door een rechterlijke beslissing waarbij is bepaald dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de ouder in de lidstaat van oorsprong zal zijn, het niet doen terugkeren van het kind naar die lidstaat na die tweede beslissing ongeoorloofd is, en artikel 11 van de verordening van toepassing is wanneer wordt geoordeeld dat het kind zijn gewone verblijfplaats vóór het niet doen terugkeren nog in genoemde lidstaat had. Wordt daarentegen geoordeeld dat het kind zijn gewone verblijfplaats toen niet langer in de lidstaat van oorsprong had, dan wordt de beslissing tot afwijzing van het op die bepaling gebaseerde verzoek om terugkeer genomen onverminderd de toepassing van de regels in hoofdstuk III van de verordening over de erkenning en de tenuitvoerlegging van de in een lidstaat gegeven beslissingen.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.