Language of document :

Hogere voorziening ingesteld op 17 februari 2015 door Hof van Justitie van de Europese Unie tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 6 januari 2015 in zaak T-479/14, Kendrion tegen Europese Unie

(Zaak C-71/15 P)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirant: Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. V. Placco en E. Beysen, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Kendrion NV

Conclusies

Rekwirant verzoekt het Hof

de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie (Derde kamer) van 6 januari 2015 in zaak T-479/14, Kendrion/Europese Unie, te vernietigen;

de conclusies van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „HvJEU”) in zijn verzoek aan het Gerecht krachtens artikel 114 van zijn Reglement voor de procesvoering toe te wijzen en derhalve

primair, onder definitieve afdoening van het geding, het beroep tot schadevergoeding van Kendrion NV niet-ontvankelijk te verklaren omdat het gericht is tegen het HvJEU (als vertegenwoordiger van de Unie);

subsidiair, voor het geval dat het Hof van Justitie van oordeel zou zijn dat het feit dat genoemd beroep gericht is tegen het HvJEU en niet tegen de Commissie (als vertegenwoordiger van de Unie) niet afdoet aan de ontvankelijkheid ervan, maar dat het Gerecht in zijn uitspraak op het voor hem door het HvJEU opgeworpen procesincident, de substitutie van het HvJEU door de Commissie als verwerende partij had moeten gelasten, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat het uitspraak zou doen op het beroep tot schadevergoeding van Kendrion met inachtneming van de rechtsoordelen van het Hof van Justitie;

Kendrion NV te verwijzen in de kosten van het HvJEU in de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Bij beschikking van 6 januari 2015 heeft het Gerecht van de Europese Unie het verzoek verworpen dat het HvJEU krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van genoemd Gerecht had ingediend in het kader van zaak T-479/14, Kendrion/Hof van Justitie. Het verzoek van deze instelling strekte, primair, tot niet-ontvankelijkverklaring van het aan hem als verweerder betekende beroep van Kendrion NV, waarmee zij de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wilde doen gelden teneinde vergoeding te verkrijgen van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de niet-inachtneming door het Gerecht van een redelijke procestermijn in zaak T-54/06, Kendrion/Commissie. Subsidiair, heeft het HvJEU in dat verzoek een procesincident opgeworpen, waarbij het het Gerecht heeft verzocht om de substitutie door de Europese Commissie (hierna: „Commissie”) als verwerende partij te gelasten. Het HvJEU heeft in dat kader aangevoerd dat verzoekster haar beroep had moeten instellen tegen de Europese Unie, niet vertegenwoordigd door het HvJEU maar door de Commissie. Het Gerecht is het HvJEU hierin niet gevolgd in genoemde beschikking.

Het HvJEU wendt zich thans tot het Hof van Justitie met een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het statuut van het HvJEU, waarbij het om vernietiging van die beschikking verzoekt. Ter ondersteuning van deze hogere voorziening voert het HvJEU niet-inachtneming van de regels inzake de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties en schending van de motiveringsplicht aan.

In het kader van het eerste middel, inzake de niet-inachtneming van de regels inzake de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties, merkt het HvJEU op dat, aangezien er geen uitdrukkelijke regel is die de vertegenwoordiging van de Unie voor haar rechterlijke instanties regelt in het kader van acties die krachtens artikel 268 VWEU worden ingesteld teneinde de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie te doen gelden, de regels over een dergelijke vertegenwoordiging moeten worden afgeleid uit de algemene beginselen die op de uitoefening van de gerechtelijke taak van toepassing zijn, meer bepaald het beginsel van een goede rechtsbedeling en de beginselen inzake de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

Dit eerste middel van het HvJEU valt uiteen in twee onderdelen, meer bepaald niet-inachtneming van de vereisten van het beginsel van een goede rechtsbedeling en niet-inachtneming van de vereisten van de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

In het kader van het eerste middel merkt het HvJEU op dat de conclusie van het Gerecht dat het aan het HvJEU staat om de Unie te vertegenwoordigen in het kader van bovenvermeld beroep tot schadevergoeding, kennelijk is gebaseerd op de rechtspraak die is ingeleid bij het arrest Werhahn Hansamühle e.a./Raad en Commissie (63/72–69/72, EU:C:1973:121; hierna: „arrest Werhahn e.a.”). De oplossing die in die rechtspraak wordt gehanteerd, houdt in dat, indien de Gemeenschap, thans de Unie, wegens gedragingen van een harer instellingen aansprakelijk wordt gesteld, zij voor de rechter van de Unie wordt vertegenwoordigd door de instelling of instellingen aan welke het feit dat tot de aansprakelijkheidsactie aanleiding geeft wordt verweten. Het HvJEU geeft te kennen dat deze oplossing niet op de onderhavige zaak zou mogen worden toegepast omdat dit, gelet op meerdere factoren, zou leiden tot een situatie die in strijd zou blijken te zijn met het belang van een goede rechtsbedeling, wat volgens de uitdrukkelijke bewoordingen van het arrest Werhahn e.a. de bestaansreden voor die oplossing is. In die context voert het HvJEU incidenteel ook niet-inachtneming van de strekking van artikel 317, eerste alinea, VWEU en artikel 53, lid 1, van verordening nr. 966/20121 aan, op basis waarvan het Gerecht het beginsel had moeten erkennen dat een schadevergoeding als die welke in de onderhavige zaak wordt gevorderd, ten laste van het deel van de begroting van de Unie betreffende de Commissie moet komen.

In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt het HvJEU, daarbij steunend op het arrest van het EHRM van 10 juli 2008, Mihalkov v. Bulgarije (verzoek nr. 67719/01), dat het Gerecht de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter niet in acht heeft genomen met zijn oordeel dat het HvJEU de Unie moest vertegenwoordigen in het kader van het beroep tot schadevergoeding van Kendrion. Aangezien immers in de onderhavige zaak in de eerste plaats het vermeende tot aansprakelijkheid aanleiding gevende feit is teweeggebracht in de uitoefening van gerechtelijke taken door een rechtsprekende formatie, en in de tweede plaats de rechtsprekende formatie die van de zaak kennis zal moeten nemen, i) ressorteert onder dezelfde rechterlijke instantie (het Gerecht) als de rechtsprekende formatie waaraan het tot aansprakelijkheid aanleiding gevende feit wordt verweten en ii) een vast bestanddeel is van de verwerende partij in die zaak (het HvJEU), waarmee de rechters van die formatie beroepsmatig zijn verbonden, zijn bovengenoemde vereisten in het gedrang, en dit nog meer wanneer, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, een schadevergoeding als die welke wordt gevorderd, ten laste van het deel van die begroting betreffende het HvJEU zou moeten komen.

Vervolgens betoogt het HvJEU in het kader van zijn tweede middel dat in de bestreden beschikking de motiveringsplicht is geschonden, omdat deze geen specifieke weerlegging bevat van het betoog inzake de strekking van het arrest Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771) dat het HvJEU voor het Gerecht had uitgewerkt.



____________

____________

1     Verordening (EU, Euratom) van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298, blz. 1).