Language of document : ECLI:EU:C:2015:420

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

25 juni 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 9, lid 1, onder b) – Gevolgen – Rechten verbonden aan het gemeenschapsmerk – Gelijke of overeenstemmende tekens – Verbod van gebruik – Verwarringsgevaar – Beoordeling – Inaanmerkingneming van het gebruik van een andere taal dan een officiële taal van de Europese Unie”

In zaak C‑147/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) bij beslissing van 17 maart 2014, ingekomen bij het Hof op 28 maart 2014, in de procedure

Loutfi Management Propriété intellectuelle SARL

tegen

AMJ Meatproducts NV,

Halalsupply NV,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: C. Vajda, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Loutfi Management Propriété intellectuelle SARL, vertegenwoordigd door P. Péters, advocaat,

–        AMJ Meatproducts NV en Halalsupply NV, vertegenwoordigd door C. Dekoninck en K. Roox, advocaten,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman en F. Bulst als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Loutfi Management Propriété intellectuelle SARL (hierna: „Loutfi”) en anderzijds AMJ Meatproducts NV (hierna: „Meatproducts”) en Halalsupply NV (hierna: „Halalsupply”) betreffende een vermeende inbreuk op twee door Loutfi ingeschreven gemeenschapsmerken.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 207/2009, met het opschrift „Rechten verbonden aan het gemeenschapsmerk”, stelt de rechten vast die worden verleend aan de houder van een gemeenschapsmerk. Deze bepaling luidt:

„Het gemeenschapsmerk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer te verbieden:

a)      dat gelijk is aan het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk ingeschreven is;

b)      dat gelijk is aan of overeenstemt met het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan; verwarring omvat het gevaar van associatie met het merk;

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

4        Loutfi is houdster van de volgende gemeenschapsmerken:

–        gemeenschapsmerk nr. 8572638, dat op 24 september 2009 is aangevraagd en op 22 maart 2010 is ingeschreven voor waren van klasse 29 (waaronder vlees, vis, gevogelte en wild), klasse 30 (waaronder suiker, brood, banketbakkerswaren en honing) en klasse 32 (waaronder bieren, minerale wateren en andere alcoholvrije dranken) in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Overeenkomst van Nice”). Dit gemeenschapsmerk betreft het volgende teken met revindicatie van de kleuren rood, wit en groen:

Image not found

–        gemeenschapsmerk nr. 10217198, dat op 24 augustus 2011 is aangevraagd en op 8 januari 2012 is ingeschreven voor waren van klasse 29 (waaronder vlees, vis, gevogelte en wild) en klasse 30 (waaronder suiker, brood, banketbakkerswaren en honing) in de zin van de Overeenkomst van Nice. Dit merk betreft het volgende teken met revindicatie van de kleuren rood, wit en groen:

Image not found

5        Op 3 november 2011 heeft Meatproducts, toen „Deko Vleeswarenfabriek” genaamd, een aanvraag tot inschrijving van het Benelux-merk EL BAINA ingediend voor waren van:

–        klasse 29 in de zin van de Overeenkomst van Nice („Vlees, vleeswaren, bereide vleeswaren, bereide gevogeltewaren, charcuterie, charcuterie met vlees, charcuterie met gevogelte, charcuterie met wild, bereide maaltijden met vlees, vis, gevogelte en wild voor zover niet begrepen in andere klassen; vleesextracten; voornoemde producten op islamitische wijze bereid”), en

–        klasse 30 in de zin van de Overeenkomst van Nice („Bereide gerechten voor zover niet begrepen in andere klassen; koffie, thee, cacao, suiker, rijst, tapioca, [...] meel en graanpreparaten, brood, banketbakkers- en suikerbakkerswaren [...], voornoemde producten op islamitische wijze bereid”).

6        Het merk EL BAINA werd op 10 februari 2012 onder nummer 909776 ingeschreven en betreft het volgende teken, zonder revindicatie van kleuren (hierna: „betrokken teken”):

Image not found

7        Halalsupply heeft het handelsfonds van Meatproducts overgenomen, met inbegrip van de merkenportefeuille van deze laatste.

8        Loutfi heeft bij de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel een verzoekschrift tot beslag inzake namaak op grond van artikel 9, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 207/2009 ingediend, waarbij met name wordt gevorderd, „Deko, Halalsupply en iedere houder van de [...] producten [die onder het merk EL BAINA worden verkocht], hun verpakkingen en desbetreffende documenten, het verbod op te leggen deze uit handen te geven, onder verbeurte van een dwangsom”.

9        Deze vordering werd toegewezen bij beschikking van 5 april 2012.

10      Bij beschikking van 31 juli 2012 heeft de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel op verzoek van Meatproducts en Halalsupply bevolen dat de bewarende maatregelen die het voorwerp vormden van de beschikking van 5 april 2012, werden opgeheven.

11      Loutfi heeft bij het Hof van Beroep te Brussel hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 31 juli 2012.

12      In zijn arrest wijst de verwijzende rechter met name erop dat het betrokken teken ziet op dezelfde waren, minstens op soortgelijke waren als de door de twee gemeenschapsmerken aangeduide waren.

13      Voorts merkt de verwijzende rechter op dat zowel de door Loutfi als de door Meatproducts en Halalsupply in de handel gebrachte waren „halal” producten zijn, die worden bereid volgens de islamitische voorschriften, en die dus hoofdzakelijk zijn bestemd voor een moslimpubliek.

14      De verwijzende rechter leidt daaruit af dat het relevante publiek in casu dient te worden omschreven als de moslimconsument, van Arabische afkomst, van „halal” voedingswaren in de Europese Unie, die minstens een basiskennis van het geschreven Arabisch heeft.

15      De verwijzende rechter stelt vast dat de woordelementen „EL BNINA”, „EL BENNA” en „EL BAINA”, Arabische woorden in Latijns schrift, dominant zijn in zowel de gemeenschapsmerken als het betrokken teken, net als de woordelementen in Arabisch schrift, hoewel laatstgenoemde elementen iets minder dominant zijn dan eerstgenoemde.

16      De verwijzende rechter wijst verder met klem erop dat de Arabische woorden, die in Latijns en Arabisch schrift deel uitmaken van de twee gemeenschapsmerken en van het betrokken teken, weliswaar een zekere visuele overeenstemming vertonen, maar dit niet wegneemt dat de uitspraak en de betekenis van deze woorden in die taal sterk verschillen. Hierbij vermeldt de verwijzende rechter dat in die taal „el benna” „de smaak” betekent, „el bnina” „de zachtheid” en „el baina” „het zicht”.

17      Gelet op een en ander stelt de verwijzende rechter vast dat het onderzoek van het mogelijke verwarringsgevaar tussen de twee gemeenschapsmerken en het betrokken teken anders kan zijn naargelang al dan niet rekening wordt gehouden met de betekenis en de uitspraak van de Arabische woordelementen, die zowel in Latijns schrift als in Arabisch schrift zijn geschreven en deel uitmaken van elk van deze twee gemeenschapsmerken en van het betrokken teken.

18      In deze omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dient artikel 9, lid 1, onder b), [van verordening nr. 207/2009], mede gelet op de bepalingen van de artikelen 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Unie, aldus te worden uitgelegd dat, bij de beoordeling van het verwarringsgevaar tussen een gemeenschapsmerk waarin een Arabisch woord dominant is en een teken waarin een ander maar visueel overeenstemmend Arabisch woord dominant is, het verschil in uitspraak en betekenis tussen deze woorden door de bevoegde rechterlijke instanties van de lidstaten mag of zelfs moet worden onderzocht en in rekening gebracht, ook al is het Arabisch geen officiële taal van de Unie en van de lidstaten?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van het mogelijke verwarringsgevaar tussen een gemeenschapsmerk en een teken, die betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke waren en beide een dominant Arabisch woord in Latijns en Arabisch schrift bevatten, waarbij deze woorden visueel overeenstemmen, de betekenis en de uitspraak van deze woorden in aanmerking mogen of moeten worden genomen in omstandigheden waarin het voor het gemeenschapsmerk en het betrokken teken relevante publiek een basiskennis van het geschreven Arabisch heeft.

20      Van meet af aan dient te worden opgemerkt dat verordening nr. 207/2009, en meer in het bijzonder artikel 9, lid 1, onder b), niet verwijst naar het gebruik van enige taal of van een specifiek alfabet dat moet of niet mag in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het verwarringsgevaar dat bij het publiek kan bestaan.

21      Het verwarringsgevaar moet met name worden beoordeeld uitgaande van de perceptie van het merk door het relevante publiek, dat bestaat uit de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende en omzichtige gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten (zie in die zin arrest Henkel/BHIM, C‑456/01 P en C‑457/01 P, EU:C:2004:258, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      De afbakening van het relevante publiek en de vaststelling of de waren of diensten waarop de gemeenschapsmerken en het betrokken teken betrekking hebben, dezelfde of soortgelijk zijn, vloeien voort uit de feitelijke beoordelingen die de nationale rechter moet verrichten. In casu heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat het relevante publiek moet worden omschreven als de moslimconsument, van Arabische afkomst, van „halal” voedingswaren in de Unie, die minstens een basiskennis van het geschreven Arabisch heeft. Zoals blijkt uit punt 12 van het onderhavige arrest, heeft hij voorts vastgesteld dat de waren waarop de twee gemeenschapsmerken en het betrokken teken betrekking hebben, dezelfde of minstens soortgelijk zijn.

23      Met betrekking tot het mogelijke verwarringsgevaar tussen de gemeenschapsmerken en het betrokken teken bij het publiek blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het bestaan van een dergelijk gevaar globaal dient te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Deze beoordeling omvat een visuele, fonetische of begripsmatige vergelijking van de conflicterende tekens, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan (zie in die zin arresten Aceites del Sur-Coosur/Koipe, C‑498/07 P, EU:C:2009:503, punten 59 en 60, en XXXLutz Marken/BHIM, C‑306/11 P, EU:C:2012:401, punt 39).

24      In casu heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de woordelementen „EL BNINA”, „EL BENNA” en „EL BAINA” dominant zijn in zowel de twee gemeenschapsmerken als het betrokken teken, net als de woorden in Arabisch schrift, hoewel in mindere mate. Tevens heeft hij erop gewezen dat die woordelementen weliswaar een zekere visuele overeenstemming vertonen, maar uit de door Meatproducts en Halalsupply voor hem overgelegde stukken blijkt dat de uitspraak en de betekenis van deze woordelementen sterk verschillen.

25      Uit de bovenstaande overwegingen vloeit voort dat rekening dient te worden gehouden met deze verschillen op fonetisch en begripsmatig vlak, daar anders de beoordeling van het verwarringsgevaar slechts gedeeltelijk zou worden verricht en dus zonder rekening te houden met de totaalindruk die door de gemeenschapsmerken en het betrokken teken bij het relevante publiek wordt opgeroepen.

26      Derhalve dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van het mogelijke verwarringsgevaar tussen een gemeenschapsmerk en een teken, die betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke waren en beide een dominant Arabisch woord in Latijns en Arabisch schrift bevatten, waarbij deze woorden visueel overeenstemmen, de betekenis en de uitspraak van deze woorden in aanmerking moeten worden genomen in omstandigheden waarin het voor het gemeenschapsmerk en het betrokken teken relevante publiek een basiskennis van het geschreven Arabisch heeft.

27      Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag kan worden afgeleid uit de bewoordingen van verordening nr. 207/2009 en uit de rechtspraak van het Hof ter zake, behoeven de eventuele gevolgen van de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor dat antwoord niet te worden onderzocht.

 Kosten

28      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 9, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling van het mogelijke verwarringsgevaar tussen een gemeenschapsmerk en een teken, die betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke waren en beide een dominant Arabisch woord in Latijns en Arabisch schrift bevatten, waarbij deze woorden visueel overeenstemmen, de betekenis en de uitspraak van deze woorden in aanmerking moeten worden genomen in omstandigheden waarin het voor het gemeenschapsmerk en het betrokken teken relevante publiek een basiskennis van het geschreven Arabisch heeft.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.