Language of document : ECLI:EU:C:2015:690

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

15 oktober 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikelen 4 en 13 – Insolventieprocedure – Nadelige rechtshandelingen – Vordering tot teruggave van betalingen die zijn verricht vóór het tijdstip waarop de insolventieprocedure is geopend – Recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend – Recht van een andere lidstaat dat de betrokken handeling beheerst – Recht dat ‚in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden’ – Bewijslast”

In zaak C‑310/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Helsingin hovioikeus (gerechtshof te Helsinki, Finland) bij beslissing van 26 juni 2014, ingekomen bij het Hof op 30 juni 2014, in de procedure

Nike European Operations Netherlands BV

tegen

Sportland Oy, in liquidatie

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, president van de Tiende kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, M. Berger (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Nike European Operations Netherlands BV, vertegenwoordigd door A. Saarikivi, asianajaja,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Banciella Rodríguez‑Miñón als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Paasivirta en M. Wilderspin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, lid 2, onder m), en 13 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nike European Operations Netherlands BV (hierna: „Nike”) en Sportland Oy, in liquidatie (hierna: „Sportland”), inzake een vordering tot vernietiging.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        Overweging 24 van verordening (EG) nr. 1346/2000 luidt als volgt:

„De automatische erkenning van een insolventieprocedure, waarop in de regel het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend van toepassing is, kan de regels doorkruisen die de rechtshandelingen in die lidstaten normaliter beheersen. Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid van rechtshandelingen in andere lidstaten dan de lidstaat waarin de procedure is geopend, moet er in een aantal uitzonderingen op de algemene regel worden voorzien.”

4        Artikel 4 van deze verordening luidt als volgt:

„1.      Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’.

2.      Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[...]

m)      de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet‑tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”

5        Artikel 13 van deze verordening luidt als volgt:

„Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst:

–        dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend,

en

–        dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.”

 Fins recht

6        Artikel 10 van de wet inzake de heropname in de failliete boedel (takaisinsaannista konkurssipesään annettu laki) bepaalt dat de betaling van een schuld die minder dan drie maanden voor de peildatum is verricht, wordt vernietigd indien de schuld is betaald met ongebruikelijke betaalmiddelen of vóór de vervaldatum, of indien de betaling ten opzichte van de omvang van de failliete boedel aanzienlijk lijkt.

 Nederlands recht

7        Volgens artikel 47 van de Faillissementswet kan de voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld alleen dan worden vernietigd, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Sportland, gevestigd te Helsinki (Finland), verkocht op grond van een franchiseovereenkomst als detailhandelaar producten die werden geleverd door Nike, gevestigd te Hilversum (Nederland). Krachtens deze overeenkomst, die was onderworpen aan het Nederlandse recht, heeft Sportland voor een totaalbedrag van 195 108,15 EUR en in tien in het tijdvak tussen 10 februari 2009 en 20 mei 2009 gelegen termijnen, vervallen schulden betaald aan Nike uit hoofde van de aankoop van de in deze overeenkomst bedoelde voorraden.

9        Op een op 5 mei 2009 ingediend verzoekschrift heeft de Helsingin käräjäoikeus (rechtbank te Helsinki) op 26 mei 2009 jegens Sportland een insolventieprocedure geopend. Sportland heeft bij de Helsingin käräjäoikeus een vordering ingediend tot vernietiging van de in het vorige punt van dit arrest bedoelde betalingen en tot terugbetaling door Nike van de betaalde bedragen en de rente overeenkomstig artikel 10 van de wet inzake de heropname in de failliete boedel.

10      Nike heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zij heeft zich met name beroepen op artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 en betoogd dat de betwiste betalingen waren onderworpen aan het Nederlandse recht. Deze betalingen zouden op grond van artikel 47 van de Faillissementswet niet kunnen worden vernietigd.

11      De Helsingin käräjäoikeus heeft de vordering van Sportland toegewezen. Deze rechterlijke instantie oordeelde dat de deskundige die voor haar was verschenen, niet had onderzocht of in het Nederlandse recht de mogelijkheid bestond om, gelet op alle omstandigheden van het hoofdgeding, de betalingen terug te brengen naar de failliete boedel. Op grond hiervan concludeerde deze rechterlijke instantie dat Nike, voor toepassing van artikel 13 van deze verordening, niet had aangetoond dat de betalingen niet konden worden betwist.

12      Nike was van mening dat zij de inhoud van de Nederlandse wet voldoende had toegelicht en is bij de Helsingin hovioikeus (gerechtshof van Helsinki) tegen deze beslissing opgekomen. Sportland concludeerde tot verwerping van dit hoger beroep op grond dat, meer bepaald, Nike geen toelichting had gegeven op de inhoud van andere bepalingen van het Nederlandse recht dan de bepalingen inzake het faillissementsrecht, noch op de algemene beginselen van dit recht.

13      In zijn verwijzingsbeslissing herinnert de Helsingin hovioikeus eraan dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 worden beheerst door het recht van de lidstaat waar deze procedure is geopend. Volgens artikel 4, lid 2, onder m), van deze verordening bepaalt dit recht met name de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet‑tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen. Volgens artikel 13 van deze verordening is artikel 4, lid 2, onder m), ervan echter niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige handeling, bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

14      De verwijzende rechterlijke instantie merkt op dat partijen in het hoofdgeding van mening verschillen over ten eerste de uitlegging van de woorden „in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”, ten tweede de omvang van de verplichting van Nike om inhoudelijke aanwijzingen te verstrekken over het Nederlandse recht, en ten derde de verdeling van de bewijslast tussen partijen.

15      Daarop heeft de Helsingin hovioikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Dient artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus te worden uitgelegd dat met ‚in het gegeven geval [...] die handeling te bestrijden’ wordt bedoeld dat de handeling, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, niet kan worden bestreden?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en indien degene tot wie een dergelijke vordering is gericht, zich beroept op een bepaling van het recht in de zin van artikel 13, eerste streepje, van deze verordening, op grond waarvan de betaling van een opeisbare schuld slechts kan worden vernietigd onder de daarin bepaalde omstandigheden, die niet zijn genoemd in de vordering die is ingesteld op basis van het recht van de staat waar de insolventieprocedure is geopend,

a)      zijn er dan gronden die eraan in de weg staan om artikel 13 van deze verordening aldus uit te leggen dat de betwistende partij, eenmaal op de hoogte van die bepaling, zich moet beroepen op die omstandigheden, indien hij volgens het nationale recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, alle omstandigheden die de grondslag vormen van de vordering, moet aanvoeren, of

b)      moet degene tot wie een dergelijke vordering is gericht, dan aantonen dat deze omstandigheden zich in het gegeven geval niet voordeden en vernietiging volgens de betrokken bepaling derhalve niet mogelijk is, zonder dat de partij die vernietiging vordert, zich afzonderlijk op die omstandigheden hoeft te beroepen?

3)      Dient, ongeacht het antwoord op de tweede vraag, onder a), dit artikel 13 aldus te worden uitgelegd dat

a)      op degene tot wie een dergelijke vordering is gericht, de bewijslast rust dat de in de bepaling bedoelde omstandigheden zich in het concrete geval niet voordoen, of

b)      de bewijslast betreffende het bestaan van deze omstandigheden kan worden vastgesteld aan de hand van het op de handeling toepasselijke recht, dat het recht is van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en dat de bewijslast oplegt aan degene die vernietiging vordert, of

c)      dit artikel ook aldus kan worden uitgelegd dat dit bewijslastvraagstuk wordt beheerst door de nationale bepalingen van de forumstaat?

4)      Dient ditzelfde artikel 13 aldus te worden uitgelegd dat de zinsnede ‚in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden’ niet alleen betrekking heeft op de insolventiebepalingen van het op de handeling toepasselijke recht, maar ook op de bepalingen en algemene beginselen van het op de handeling toepasselijke recht?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:

a)      dient artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 dan aldus te worden uitgelegd dat degene tot wie de vordering tot vernietiging is gericht, moet aantonen dat het recht in de zin van artikel 13 geen bepalingen of algemene of andere beginselen bevat, op basis waarvan onder de aangevoerde omstandigheden vernietiging mogelijk zou zijn, en

b)       kan een rechterlijke instantie op grond van dat artikel 13, wanneer zij meent dat de verwerende partij ter zake voldoende toelichting heeft verstrekt, van de andere partij bewijs verlangen van een bepaling of beginsel van het insolventierecht of van het op de handeling toepasselijke algemene recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend in de zin van artikel 13, op grond waarvan vernietiging niettemin mogelijk zou zijn?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

16      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de toepassing ervan is onderworpen aan de voorwaarde dat de betrokken handeling niet kan worden vernietigd op grond van het op deze handeling toepasselijke recht (hierna: „lex causae”), rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.

17      In dat verband moet worden vastgesteld dat de tekst van artikel 13 van deze verordening in het Fins licht afwijkt van de andere taalversies, in die zin dat de woorden „in het gegeven geval” of een soortgelijke uitdrukking hierin ontbreken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de noodzaak van een eenvormige uitlegging van een Unierechtelijke bepaling evenwel dat wanneer de verschillende taalversies ervan van elkaar afwijken, bij de uitlegging van de betrokken bepaling wordt gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest Christie’s France, C‑41/14, EU:C:2015:119, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      Wat de context en de doelstelling van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 betreft, moet er enerzijds aan worden herinnerd dat dit artikel voorziet in een uitzondering op de algemene, in artikel 4, lid 1, van deze verordening vervatte regel, dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend (hierna: „lex fori concursus”). Anderzijds moet die uitzondering, die volgens overweging 24 van die verordening tot doel heeft het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid van rechtshandelingen in andere lidstaten dan die waar de procedure is geopend te beschermen, strikt worden uitgelegd en mag de draagwijdte ervan niet verder gaan dan nodig is om dat doel te verwezenlijken (zie arrest Lutz, C‑557/13, EU:C:2015:227, punt 34).

19      Zo heeft artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 tot doel, het gewettigd vertrouwen van degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling, te beschermen door te bepalen dat deze handeling, zelfs nadat de insolventieprocedure is geopend, nog steeds wordt beheerst door het recht dat hierop van toepassing was op de datum waarop zij is verricht, namelijk de lex causae.

20      Uit deze doelstelling blijkt echter duidelijk dat voor toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 is vereist dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Het is namelijk onmogelijk gewettigd vertrouwen te hebben in het feit dat deze omstandigheden bij de toetsing van de geldigheid van een handeling niet in aanmerking worden genomen wanneer eenmaal een insolventieprocedure is geopend, maar wel in aanmerking zouden moeten worden genomen wanneer een dergelijke procedure niet is geopend.

21      Daarenboven staat de verplichting, de uitzondering van artikel 13 van deze verordening strikt uit te leggen, in de weg aan een ruime uitlegging van de draagwijdte van dit artikel, op basis waarvan degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling, aan toepassing van de lex fori concursus kan ontkomen door op zuiver abstracte wijze aan te voeren dat de betrokken handeling niet kan worden betwist op basis van een bepaling van de lex causae.

22      In deze omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de toepassing ervan is onderworpen aan de voorwaarde dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van de lex causae, gelet op alle omstandigheden van het geval.

 Tweede en derde vraag

23      Met zijn tweede en derde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen wie, voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 en ingeval degene die verweer voert tegen een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling een bepaling van de lex causae aanvoert op grond waarvan deze handeling slechts kan worden bestreden onder de in deze bepaling genoemde omstandigheden, moet aanvoeren dat van deze omstandigheden geen sprake is en hiervoor het bewijs moet leveren.

24      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 13 van deze verordening, artikel 4, lid 2, onder m), van deze verordening slechts buiten toepassing blijft indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige handeling, bewijst dat deze handeling is onderworpen aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en dat dat recht niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

25      Uit de bewoordingen van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 blijkt dus dat degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is gericht, moet aantonen dat deze handeling op grond van de lex causae niet kan worden bestreden. Voorts verplicht artikel 13 met de bepaling dat deze verweerder moet bewijzen dat „niet [is voorzien] in de mogelijkheid” om de betrokken handeling te bestrijden en wel, zoals blijkt uit punt 22 van dit arrest, gelet op alle omstandigheden van het geval, deze verweerder tevens, ten minste impliciet, om het bewijs aan te dragen voor zowel het bestaan van feitelijke gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden, alsook voor het ontbreken van elk gegeven dat zich tegen deze vaststelling verzet.

26      Daar artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 de bewijslast dus uitdrukkelijk legt bij de verweerder die zich op dit artikel beroept, kan de verzoeker in het kader van een vordering op basis van de relevante bepalingen van de lex fori concursus, niet worden verplicht aan te voeren dan wel aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van een bepaling van de lex causae op grond waarvan de betrokken handeling in beginsel zou kunnen worden bestreden, zoals artikel 47 van de Faillissementswet dat in het hoofdgeding aan de orde is.

27      Ofschoon artikel 13 van deze verordening uitdrukkelijk de toewijzing van de bewijslast regelt, bevat het geen regeling voor de meer specifieke procedurele aspecten. Zo wordt in dit artikel met name niet bepaald hoe het bewijs moet worden geleverd, welke bewijsmiddelen voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie worden aanvaard of welke beginselen deze rechterlijke instantie moet toepassen bij de beoordeling van de bewijskracht van het bewijs dat haar is voorgelegd.

28      Het is echter vaste rechtspraak dat, bij gebreke van harmonisatie van deze regelingen in het Unierecht, het krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde is dergelijke regels vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest Kušionová, C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Met name het in het voorgaande punt van dit arrest genoemde doeltreffendheidsbeginsel verzet zich tegen enerzijds de toepassing van nationale procedureregels die het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken om zich op artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 te beroepen door te voorzien in te strenge regels, met name wat het negatieve bewijs voor het ontbreken van bepaalde omstandigheden betreft. Anderzijds verzet dit beginsel zich tegen te soepele nationale bewijsregels die bij toepassing ervan in de praktijk zouden leiden tot omkering van de bewijslast van artikel 13 van deze verordening.

30      De enkele moeilijkheid om aan te tonen dat er sprake is van omstandigheden waarin de lex causae de bestrijding van de betrokken handeling verbiedt, dan wel, in voorkomend geval, dat er geen sprake is van door de lex causae genoemde omstandigheden waarin deze handeling kan worden bestreden, kan op zich echter geen inbreuk vormen op het doeltreffendheidsbeginsel, maar voldoet eerder aan het in punt 18 van dit arrest genoemde vereiste om dit artikel strikt uit te leggen.

31      Onder deze omstandigheden moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 en ingeval degene die verweer voert tegen een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling een bepaling van de lex causae aanvoert op grond waarvan deze handeling slechts kan worden bestreden onder de in deze bepaling genoemde omstandigheden, het aan deze verweerder is om aan te voeren dat er van deze omstandigheden geen sprake is en hiervoor het bewijs te leveren.

 Vierde vraag

32      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat met de bewoordingen „niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”, naast de insolventiebepalingen in de lex causae, alle bepalingen en algemene beginselen van dit recht worden bedoeld.

33      In dat verband komt in punt 19 van dit arrest naar voren dat artikel 13 van deze verordening het gewettigd vertrouwen moet beschermen van degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling, door te bepalen dat deze handeling, zelfs nadat een insolventieprocedure is geopend, nog wordt beheerst door de lex causae. Daarenboven moeten, zoals blijkt uit punt 22 van dit arrest, voor de toepassing van dit artikel 13 ten behoeve van een dergelijke begunstigde, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

34      De doelstelling van bescherming van het gewettigd vertrouwen, alsook de noodzaak om rekening te houden met alle omstandigheden van het geval vereisen echter dat artikel 13 van deze verordening aldus wordt uitgelegd dat deze begunstigde moet bewijzen dat de betrokken handeling noch op basis van de insolventiebepalingen van de lex causae, noch op basis van de lex causae in zijn geheel kan worden bestreden.

35      Enerzijds pleit de tekst van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 duidelijk voor een dergelijke uitlegging, nu dit artikel de begunstigde van een nadelige handeling ertoe verplicht te bewijzen dat er „geen mogelijkheid” bestaat, deze handeling te bestrijden. Anderzijds kan er geen gewettigd vertrouwen bestaan in het feit dat een handeling die kan worden bestreden op basis van een bepaling of een algemeen beginsel van de lex causae, na het openen van een insolventieprocedure, enkel nog wordt getoetst aan de insolventiebepalingen van de lex causae.

36      Onder deze omstandigheden moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat met de bewoordingen „niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”, naast de geldende insolventiebepalingen van de lex causae, ook alle bepalingen en algemene beginselen van dit recht worden bedoeld.

 Vijfde vraag

37      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is gericht, moet aantonen dat deze handeling niet kan worden bestreden op basis van de lex causae in zijn geheel. Voorts wenst deze rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de nationale rechterlijke instantie waarbij een dergelijke vordering aanhangig is, wanneer zij van oordeel is dat de verweerder voldoende toelichtingen heeft verstrekt, de bewijslast voor een bepaling of een beginsel van de lex causae op grond waarvan de handeling kan worden bestreden, bij de verzoeker mag leggen.

38      In de eerste plaats moet, wat de vraag betreft of voor de toepassing van artikel 13, degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is gericht, moet aantonen dat de bestreden handeling niet kan worden betwist op grond van de lex causae in zijn geheel, eraan worden herinnerd dat, zoals naar voren komt uit punt 31 van dit arrest, het aan deze verweerder is, aan te voeren dat de omstandigheden op grond waarvan deze handeling op basis van de lex causae kan worden bestreden, ontbreken en hiervoor het bewijs moet leveren.

39      Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 maakt echter geen onderscheid tussen de toepasselijke insolventiebepalingen van de lex causae en de bepalingen en beginselen van de lex causae die van toepassing zijn op andere gebieden, maar bepaalt dat de verweerder moet aantonen dat „niet is voorzien in de mogelijkheid” om de betrokken handeling te bestrijden. Uit de bewoordingen van dit artikel vloeit dus duidelijk voort dat dit aldus moet worden uitgelegd dat diezelfde verweerder moet aantonen dat deze handeling niet kan worden bestreden op grond van de lex causae in zijn geheel.

40      Deze conclusie strookt eveneens met het hierboven in punt 18 van dit arrest aangehaalde beginsel dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 strikt moet worden uitgelegd. Een andere uitlegging, in die zin dat de bewijslast voor het ontbreken van enige bepaling of enig beginsel van de lex causae op grond waarvan betwisting mogelijk is, ligt bij diegene die deze betwisting aanvoert, zou het beroep op deze bepaling buitensporig vereenvoudigen en hieraan een aanzienlijk ruimere draagwijdte verlenen.

41      Overigens stemt alleen een dergelijke conclusie overeen met de hierboven in punt 19 van dit arrest in herinnering geroepen doelstelling van artikel 13 om het gewettigd vertrouwen van degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling, te beschermen door te bepalen dat deze handeling onderworpen blijft aan het recht dat hierop van toepassing was op de datum dat zij werd verricht. Op die datum was deze handeling namelijk onderworpen aan de lex causae in zijn geheel, die van toepassing was buiten de insolventieprocedure, daar artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 volgens de rechtspraak van het Hof in beginsel niet van toepassing is op handelingen die na de opening van een insolventieprocedure worden verricht (zie arrest Lutz, C‑557/13, EU:C:2015:227, punt 36).

42      In de tweede plaats moet, met betrekking tot de vraag of de nationale rechterlijke instantie waarbij een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is ingediend, de bewijslast voor een bepaling of een beginsel van de lex causae op grond waarvan de handeling kan worden bestreden, bij de verzoeker mag leggen wanneer zij van oordeel is dat de verweerder voldoende toelichtingen heeft verstrekt, worden opgemerkt dat uit punt 25 van dit arrest blijkt dat het aan deze verweerder staat om aan te tonen dat deze handeling niet kan worden bestreden.

43      Overigens komt uit de punten 27 tot en met 29 van dit arrest naar voren dat, daar artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 geen bepalingen bevat inzake, met name, de wijzen waarop het bewijs moet worden geleverd, de bewijsmiddelen die ontvankelijk zijn voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie of de beginselen die de toetsing, door deze rechterlijke instantie, van de bewijskracht van het bewijs dat aan haar wordt voorgelegd beheersen, het aan de interne rechtsorde van elke lidstaat is om deze op grond van de procedurele autonomie vast te stellen, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel worden nageleefd. Te soepele nationale bewijsregels die bij toepassing ervan in de praktijk zouden leiden tot omkering van de bewijslast, zouden niet in overeenstemming zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.

44      Hieruit volgt dat de bevoegde nationale rechterlijke instantie de bewijslast voor een bepaling of een beginsel van de lex causae op grond waarvan deze handeling kan worden bestreden, alleen kan leggen bij degene die een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling heeft ingesteld, indien zij van oordeel is dat de verweerder in eerste instantie, gelet op de regels die normaliter van toepassing zijn in zijn nationale procesrecht, daadwerkelijk heeft aangetoond dat de betrokken handeling niet op grond van de lex causae kan worden bestreden. Het valt echter onder de procedurele autonomie van de betrokken lidstaat om, onder eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel, de criteria vast te stellen voor de toetsing of de verzoeker dit bewijs daadwerkelijk heeft aangevoerd.

45      In deze omstandigheden moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is ingesteld, moet aantonen dat deze handeling niet kan worden bestreden op basis van de lex causae in zijn geheel. De nationale rechterlijke instantie bij wie een dergelijke vordering is ingesteld, mag de bewijslast voor het bestaan van een bepaling of een beginsel van de lex causae op grond waarvan de handeling kan worden bestreden, alleen bij de verzoeker leggen, indien zij van oordeel is dat de verweerder in eerste instantie, gelet op de regels die normaliter van toepassing zijn in zijn nationale procesrecht, daadwerkelijk heeft aangetoond dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van de lex causae.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing ervan is onderworpen aan de voorwaarde dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae), gelet op alle omstandigheden van het geval.

2)      Voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 en ingeval degene die verweer voert tegen een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling een bepaling van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae) aanvoert op grond waarvan deze handeling slechts kan worden bestreden onder de in deze bepaling vastgestelde omstandigheden, is het aan deze verweerder om aan te voeren dat van deze omstandigheden geen sprake is en hiervoor het bewijs te leveren.

3)      Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat met de bewoordingen „niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”, naast de geldende insolventiebepalingen van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae), ook alle bepalingen en algemene beginselen van dit recht worden bedoeld.

4)      Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is ingesteld, moet aantonen dat deze handeling niet kan worden bestreden op basis van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae) in zijn geheel. De nationale rechterlijke instantie bij wie een dergelijke vordering is ingesteld, mag de bewijslast voor het bestaan van een bepaling of een beginsel van dit recht op grond waarvan de handeling kan worden bestreden alleen bij de verzoeker leggen, indien zij van oordeel is dat de verweerder in eerste instantie, gelet op de regels die normaliter van toepassing zijn in zijn nationale procesrecht, daadwerkelijk heeft aangetoond dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van ditzelfde recht.

ondertekeningen


* Procestaal: Fins.