Language of document : ECLI:EU:C:2015:710

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

21 oktober 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Werkingssfeer – Artikel 1, lid 1, onder b) – Toekenning, uitoefening, overdracht, beperking of beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid – Artikel 2 – Begrip ‚ouderlijke verantwoordelijkheid’ – Geding tussen de ouders met betrekking tot de reis van hun kind en de afgifte van een paspoort aan dit kind – Prorogatie van rechtsmacht – Artikel 12 – Voorwaarden – Aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte gerechten – Verweerder niet verschenen – Geen betwisting van de bevoegdheid door de ambtshalve door de aangezochte gerechten aangewezen vertegenwoordiger van verweerder”

In zaak C‑215/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (cassatierechter, Bulgarije) bij beslissing van 11 mei 2015, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

Vasilka Ivanova Gogova

tegen

Ilia Dimitrov Iliev,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de beslissing van de president van het Hof van 3 juli 2015 om de zaak te behandelen volgens de versnelde procedure overeenkomstig artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 september 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Vláčil als gemachtigde,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. A. Sampol Pucurull als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Petrova en M. Wilderspin als gemachtigden,

de advocaat-generaal gehoord,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 1, onder b), 2, punt 7, 8, lid 1, alsmede 12, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen V. I. Gogova en I. D. Iliev over de verlenging van het paspoort van hun kind.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 5 en 12 van verordening nr. 2201/2003 luiden als volgt:

„(5)      Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

[...]

(12)      De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.”

4        Artikel 1 van deze verordening, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.      Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

[...]

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.      De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:

a)      het gezagsrecht en het omgangsrecht;

b)      voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten;

c)      de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat;

d)      de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting;

e)      de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.

3.      Deze verordening is niet van toepassing op:

a)      de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;

b)      beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;

c)      de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;

d)      de handlichting;

e)      onderhoudsverplichtingen;

f)      trusts en erfopvolging;

g)      maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.”

5        Artikel 2, punt 7, van de verordening definieert het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” als „alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht”.

6        Artikel 8 van deze verordening, met het opschrift „Algemene bevoegdheid”, luidt als volgt:

„1.      Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2.      Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van [artikel 12].”

7        Artikel 12 van verordening nr. 2201/2003, met het opschrift „Prorogatie van rechtsmacht”, bepaalt:

„1.      De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a)      ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b)      de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

[...]

3.      De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:

a)      het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;

en

b)      hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

[...]”

8        Artikel 16 van die verordening, met het opschrift „Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht”, luidt:

„1.      Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

a)      op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen;

of

b)      indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voordat het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling, wordt ontvangen, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen.”

 Bulgaars recht

 Wet op de Bulgaarse identiteitsdocumenten

9        Artikel 45, lid 1, van de Zakon za balgarskite lichni dokumenti (wet op de Bulgaarse identiteitsdocumenten) bepaalt dat de aanvraag voor een paspoort voor minderjarigen door hun ouders in persoon wordt ingediend.

10      Overeenkomstig artikel 78, lid 1, van deze wet, gelezen in samenhang met artikel 76, punt 9, van dezelfde wet, kan de minister van Binnenlandse Zaken of, in het voorkomende geval, een hiertoe door hem gemachtigde persoon, een kind verbieden het grondgebied van de Republiek Bulgarije te verlaten, tenzij een notariële akte waarbij de ouders hun kind schriftelijk toestemming verlenen om te reizen wordt overgelegd.

 Wetboek familierecht

11      Artikel 127a van de Semeen kodeks (wetboek familierecht; hierna: „SK”) bepaalt:

„1.      De kwesties die verband houden met de reis van een kind naar het buitenland en met de afgifte van de hiertoe vereiste identiteitsdocumenten worden door de ouders in onderling overleg opgelost.

2.      Wanneer tussen de ouders geen overeenstemming wordt bereikt zoals in het vorige lid bedoeld, wordt over hun geschil beslist door de Rayonen sad (arrondissementsrechtbank) waar het kind zijn huidige woonplaats heeft.

3.      De procedure wordt op verzoek van één van de ouders ingeleid. De rechtbank hoort de andere ouder, tenzij die zonder gegronde reden niet verschijnt. De rechtbank kan ambtshalve bewijs vergaren.

[...]”

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

12      Artikel 47 van de Grazhdanskiya protsesualen kodeks (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „GPK”) luidt:

„1.      Indien de verweerder niet kan worden bereikt op het adres dat in de stukken staat vermeld, en niemand wordt aangetroffen die de betekening in ontvangst wil nemen, plakt de persoon die betekent een kennisgeving op de huisdeur of de brievenbus van de betrokkene; wanneer hij hiertoe geen toegang heeft, plakt hij een kennisgeving op de deur van het pand dan wel op een zichtbare plaats in de buurt. Wanneer hij toegang heeft tot de brievenbus, laat de persoon die betekent ook hierin een kennisgeving achter.

2.      In de betreffende kennisgeving staat dat de stukken ter griffie van het gerecht zijn neergelegd wanneer de betekening is verricht door een medewerker van het gerecht of een gerechtsdeurwaarder; dat zij ten kantore van de gemeente zijn neergelegd wanneer de betekening is verricht door een medewerker van de gemeente, en dat zij aldaar binnen twee weken nadat de kennisgeving is aangeplakt, kunnen worden opgehaald.

3.      Wanneer de verweerder niet verschijnt om een afschrift van de stukken in ontvangst te nemen, gelast het betreffende gerecht de verzoeker om inlichtingen over het adres waaronder hij is ingeschreven over te leggen, behoudens in de gevallen als bedoeld in artikel 40, lid 2, en artikel 41, lid 1, waarin deze kennisgeving bij de stukken wordt gevoegd. Wanneer het opgegeven adres niet overeenstemt met het vaste of huidige adres van de partij, gelast het betreffende gerecht de betekening overeenkomstig de leden 1 en 2 op het huidige of vaste adres.

4.      Indien de persoon die de betekening verricht, vaststelt dat de verweerder niet op het aangegeven adres woont, gelast het betreffende gerecht de verzoeker om inlichtingen over het adres waaronder hij is ingeschreven over te leggen, ongeacht de aanplakking van de kennisgeving overeenkomstig lid 1.

5.      De betekening wordt geacht te hebben plaatsgevonden na het verstrijken van de termijn voor inontvangstneming ter griffie van het gerecht of op het gemeentehuis.

6.      Wanneer het gerecht heeft vastgesteld dat de betekening naar behoren heeft plaatsgevonden, gelast het dat de betekening bij de stukken wordt gevoegd en benoemt het op kosten van de verzoeker een bijzondere vertegenwoordiger.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Blijkens de verwijzingsbeslissing hebben Gogova en Iliev een kind dat ten tijde van de feiten in het hoofdgeding tien jaar oud was. Dit kind, dat de Bulgaarse nationaliteit heeft, verblijft met zijn moeder te Milaan (Italië). De ouders, beide Bulgaars staatsburger, leven gescheiden. Iliev verblijft ook in Italië.

14      Gogova wenste het paspoort van haar kind, dat op 5 april 2012 was verlopen, te laten verlengen, met name omdat zij met het kind naar Bulgarije wilde reizen.

15      Volgens het Bulgaarse recht beslissen de ouders in onderling overleg over de reis van een minderjarig kind en de verkrijging van een paspoort op zijn naam. Ook moet het paspoort voor een dergelijk kind door beide ouders gezamenlijk bij de bevoegde overheidsorganen worden aangevraagd.

16      Aangezien Iliev aan verzoekster in het hoofdgeding geen medewerking had verleend voor de afgifte van een nieuw paspoort op naam van hun kind, heeft Gogova een verzoek ingediend bij de Rayonen sad – Petrich (arrondissementsrechtbank te Petrich, Bulgarije) ter beslechting van het geschil dat tussen haar en Iliev bestond over de mogelijkheid om hun kind buiten het nationale grondgebied te laten reizen en over de afgifte van een nieuw paspoort aan dit kind.

17      Aangezien het gedinginleidende verzoekschrift niet aan Iliev kon worden betekend omdat hij niet op zijn opgegeven adres werd aangetroffen, heeft dit gerecht op basis van artikel 47, lid 6, GPK een procesvertegenwoordiger aangewezen om hem te vertegenwoordigen. Deze vertegenwoordiger heeft de bevoegdheid van de Bulgaarse gerechten niet betwist en verklaard dat het geding in het belang van het kind moest worden beslecht.

18      Bij beschikking van 10 november 2014 heeft de Rayonen sad – Petrich vastgesteld dat het verzoek van Gogova onder artikel 127a SK viel en betrekking had op de ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van een kind, in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003. Dit gerecht heeft vastgesteld dat het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats in Italië had en heeft zich onbevoegd verklaard om van dit verzoek kennis te nemen en de procedure beëindigd.

19      Gogova heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de Okrazhen sad – Blagoevgrad (regionale rechtbank te Blagoevgrad, Bulgarije). Dit gerecht heeft ten eerste deze beschikking bekrachtigd en ten tweede vastgesteld dat geen sprake was van „prorogatie van rechtsmacht” van de Bulgaarse gerechten, in de zin van artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Volgens dit gerecht heeft Iliev, ofschoon hij de onbevoegdheid van deze gerechten niet heeft opgeworpen, alleen via een in zijn afwezigheid ambtshalve aangewezen vertegenwoordiger aan de procedure deelgenomen.

20      Verzoekster in het hoofdgeding heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven kasatsionen sad (cassatierechter). Deze rechter is van oordeel dat de uitkomst van dit cassatieberoep in de eerste plaats afhangt van de vraag of de gerechtelijke procedure van artikel 127a, lid 2, SK, op grond waarvan een gerechtelijke beslissing in de plaats kan treden van het ontbreken van instemming van een van de ouders met de reis van hun kind naar het buitenland en de afgifte van een paspoort op zijn naam onder verordening nr. 2201/2003 valt, zodat de bevoegdheden van de gerechten op basis van deze verordening moeten worden vastgesteld. Meer bepaald is het de vraag of een dergelijke procedure betrekking heeft op de „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van artikel 2, punt 7, van deze verordening. Volgens dit gerecht moet in dit kader tevens worden vastgesteld of deze verordening op deze procedure van toepassing is, aangezien de gerechtelijke beslissing die in het kader van deze procedure wordt gegeven, volgens het Bulgaarse recht, aan de Bulgaarse overheidsinstanties moet worden overgelegd, opdat het betreffende kind toestemming krijgt om naar het buitenland te reizen, of een paspoort aan hem wordt afgegeven.

21      In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de bevoegdheid van de Bulgaarse gerechten in het onderhavige geval kan worden gebaseerd op artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003, aangezien de vertegenwoordiger die door deze gerechten voor Iliev is aangewezen, hun bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdgeding niet heeft betwist.

22      Daarop heeft de Varhoven kasatsionen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is de bij wet voorziene mogelijkheid voor een civiele rechter om uitspraak te doen over een geschil tussen de ouders over de reis van een kind naar het buitenland en de afgifte van identiteitsdocumenten, waarbij het toepasselijke materiële recht erin voorziet dat de ouderlijke rechten gezamenlijk moeten worden uitgeoefend, een procedure die ‚de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid’ betreft in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), juncto artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003, waarop artikel 8, lid 1, van deze verordening toepasselijk is?

2)      Zijn de voorwaarden voor de internationale rechtsmacht van toepassing op een civiel geding over de ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer de beslissing in de plaats treedt van een rechtsfeit dat van belang is voor een administratieve procedure betreffende het kind en het toepasselijke recht erin voorziet dat die procedure in een bepaalde lidstaat moet worden gevoerd?

3)      Is er sprake van prorogatie van rechtsmacht in de zin van en volgens de vereisten van artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 wanneer de vertegenwoordiger van de verweerder de bevoegdheid van de rechter niet heeft bestreden, doch deze vertegenwoordiger niet optreedt krachtens een volmacht van verweerder maar is aangewezen door de rechter na problemen om kennis te geven aan de verweerder en hem aldus in persoon of door middel van een door hem gemachtigde vertegenwoordiger te laten deelnemen aan het geding?”

 Procedure bij het Hof

23      Op verzoek van de verwijzende rechter heeft de aangewezen kamer onderzocht of deze zaak aan de in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof voorziene prejudiciële spoedprocedure diende te worden onderworpen. Die kamer heeft beslist, de advocaat-generaal gehoord, om dit verzoek niet in te willigen.

24      Bij zijn beschikking Gogova (C‑215/15, EU:C:2015:466) heeft de president van het Hof beslist om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

25      Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de procedure waarmee een van de ouders de rechter verzoekt de ontbrekende instemming van de andere ouder met de reis van hun kind buiten de lidstaat waar het verblijft en met de afgifte van een paspoort op naam van dit kind te verhelpen, binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt, ook al moet de beslissing die in deze procedure wordt gegeven, door de autoriteiten van de lidstaat waarvan dit kind staatsburger is in aanmerking worden genomen in het kader van de administratieve procedure voor de afgifte van dit paspoort.

26      Wat de materiële werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 betreft, blijkt uit artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening dat zij, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing is op burgerlijke zaken betreffende met name de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. In dit verband moet het begrip „burgerlijke zaken” niet restrictief worden opgevat, maar als een autonoom begrip van het Unierecht, dat in overeenstemming met de in overweging 5 ervan herhaalde doelstelling, meer bepaald van toepassing is op alle verzoeken, maatregelen of beslissingen inzake „ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van deze verordening (zie in die zin arrest C, C‑435/06, EU:C:2007:714, punten 46‑51).

27      In dit verband wordt het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003 ruim gedefinieerd als alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst, aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind (arresten C, C‑435/06, EU:C:2007:714, punt 49, en C., C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punt 59). Ofschoon voorts artikel 1, lid 2, van deze verordening een opsomming bevat van gebieden die uit hoofde van de „ouderlijke verantwoordelijkheid” onder deze verordening vallen, is deze opsomming, zoals blijkt uit het gebruik van de uitdrukking „met name”, niet uitputtend, maar uitsluitend indicatief (arresten C, C‑435/06, EU:C:2007:714, punt 30, en C., C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punt 63).

28      Om vast te stellen of een verzoek binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt, moet het voorwerp ervan als aanknopingspunt worden genomen [zie naar analogie, met betrekking tot het begrip „de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen” in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), arrest Schneider, C‑386/12, EU:C:2013:633, punten 29 en 30, alsmede, met betrekking tot het begrip „sociale zekerheid” in de zin van deze bepaling, arrest Baten, C‑271/00, EU:C:2002:656, punten 46 en 47].

29      Met betrekking tot een procedure als die in het hoofdgeding, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de rechter zich in het kader van deze procedure moet uitspreken over de noodzaak dat het betrokken kind een paspoort verkrijgt en over het recht van de verzoekende ouder om zonder de instemming van de andere ouder de aanvraag voor dit paspoort in te dienen en met dit kind naar het buitenland te reizen. Het doel van een dergelijke procedure is derhalve de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid over dit kind, in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 juncto artikel 2, punt 7, van deze verordening.

30      Daarenboven moet worden vastgesteld dat een procedure als die aan de orde in het hoofdgeding onder geen van de limitatief in artikel 1, lid 3, van deze verordening opgesomde uitzonderingen valt.

31      Hieruit volgt dat een dergelijke procedure binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt.

32      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het loutere feit dat een verzoek als dat in het hoofgeding, betrekking heeft op een bijzondere beslissing ten aanzien van een kind en niet op alle wijzen waarop de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend. Zoals in de punten 26 en 27 van dit arrest in herinnering is geroepen, is deze verordening immers van toepassing op alle beslissingen op dit gebied, ongeacht of zij betrekking hebben op een bijzonder aspect van deze verantwoordelijkheid dan wel de uitoefening ervan in het algemeen bepalen.

33      Ook het feit dat de beslissing die op dit verzoek wordt gegeven, door de autoriteiten van de lidstaat waarvan het betrokken kind de nationaliteit heeft, in het onderhavige geval de Republiek Bulgarije, in aanmerking moet worden genomen in het kader van de administratieve procedure voor de afgifte van een paspoort op naam van dit kind, kan niet tot een andere uitlegging van verordening nr. 2201/2003 leiden.

34      In dat verband volstaat de vaststelling dat een procedure als die in het hoofdgeding hoe dan ook niet rechtstreeks de afgifte van een paspoort tot gevolg heeft, maar enkel meebrengt dat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid over het betrokken kind uitoefent, in staat wordt gesteld om uit naam van dit kind een paspoort aan te vragen zonder de deelneming, de aanwezigheid of de toestemming van de andere persoon die deze verantwoordelijkheid uitoefent, en dit onverminderd de overige voorwaarden in het Bulgaarse recht voor de afgifte van een dergelijk document.

35      Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat de procedure waarin een van de ouders de rechter verzoekt de ontbrekende instemming van de andere ouder met de reis van hun kind buiten de lidstaat waar het verblijft en met de afgifte van een paspoort op naam van dit kind te verhelpen, binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt, ook al moet de beslissing die in deze procedure wordt gegeven, door de autoriteiten van de lidstaat waarvan het kind staatsburger is in aanmerking worden genomen in het kader van de administratieve procedure voor de afgifte van dit paspoort.

 Derde vraag

36      De derde vraag heeft betrekking op de uitlegging van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003. Volgens deze bepaling zijn de gerechten van een lidstaat waarbij een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk is ingediend, onder bepaalde voorwaarden bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

37      Noch uit de verwijzingsbeslissing, noch uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt echter dat in het onderhavige geval een dergelijk verzoek in huwelijkszaken bij de verwijzende rechter is ingediend.

38      Artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 daarentegen, geeft een regel voor de prorogatie van rechtsmacht, die ter zake van verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid de grondslag kan vormen voor de bevoegdheid van de gerechten van een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, ook al is bij deze gerechten geen andere procedure in huwelijkszaken aanhangig (zie in die zin arrest L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punten 45 en 52).

39      Dientengevolge moet de derde vraag aldus worden opgevat dat deze er in wezen op is gericht vast te stellen of artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de aangezochte gerechten om kennis te nemen van een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid kan worden geacht „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze [te zijn] aanvaard door alle partijen bij de procedure”, in de zin van deze bepaling, om de enkele reden dat de procesvertegenwoordiger van verweerder die ambtshalve door deze gerechten is aangewezen omdat het gedinginleidende verzoekschrift niet aan verweerder kon worden betekend, niet de onbevoegdheid van deze gerechten heeft opgeworpen.

40      Volgens de tekst van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003, gelezen in het licht van artikel 16 ervan, mogen de gerechten van een lidstaat hun bevoegdheid op deze eerste bepaling baseren, mits vaststaat dat uiterlijk op het tijdstip waarop het gedinginleidende stuk of een gelijkwaardig stuk bij het gekozen gerecht is ingediend, tussen alle partijen bij de procedure een uitdrukkelijk of ten minste eenduidig akkoord over die bevoegdheid bestaat (zie in die zin arrest L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 56).

41      Voorts blijkt uit overweging 12 van verordening nr. 2201/2003 dat de bevoegdheidsgrond in artikel 12, lid 3, ervan een uitzondering vormt op het criterium van de nauwe verbondenheid, op basis waarvan het in de eerste plaats aan de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind is, kennis te nemen van procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over dit kind, en dat in artikel 8, lid 1, van deze verordening tot uitdrukking komt. Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn standpuntbepaling heeft opgemerkt, heeft deze uitzondering tot doel op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid een bepaalde autonomie aan partijen toe te kennen. De voorwaarde dat de bevoegdheid van de gerechten die door de partijen gezamenlijk zijn aangezocht eenduidig is aanvaard, moet dus strikt worden uitgelegd.

42      In dat verband moet worden opgemerkt dat, ten eerste, er voor een dergelijke aanvaarding ten minste van moet worden uitgegaan dat de verweerder op de hoogte is van de procedure voor deze gerechten. Ofschoon deze wetenschap op zich niet geldt als een aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte gerechten, kan de afwezige verweerder aan wie het gedinginleidende verzoekschrift niet is betekend en die niet op de hoogte is van de tegen hem ingeleide procedure, immers in ieder geval niet worden geacht deze bevoegdheid te aanvaarden (zie naar analogie, met betrekking tot artikel 24 van verordening nr. 44/2001, arrest A, C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 54).

43      Ten tweede kan de wil van verweerder in het hoofdgeding niet worden afgeleid uit het gedrag van een procesvertegenwoordiger die in afwezigheid van deze verweerder door deze gerechten is aangewezen. Daar deze vertegenwoordiger geen contact heeft met de verweerder, kan deze laatste hem niet de inlichtingen verstrekken die noodzakelijk zijn om de bevoegdheid van deze gerechten weloverwogen te aanvaarden of te betwisten (zie in die zin arrest A, C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 55).

44      Hieruit volgt dat, in een situatie als die in het hoofdgeding, de bevoegdheid van de aangezochte gerechten niet kan worden geacht „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze [te zijn] aanvaard door alle partijen bij de procedure”, in de zin van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003.

45      Aan deze uitlegging kan, anders dan door de Spaanse regering voor het Hof wordt betoogd, niet worden afgedaan door het recht op toegang tot de rechter of de beginselen van rechtszekerheid en nuttige werking van verordening nr. 2201/2003. Deze regering voert in dat verband in wezen aan dat de onmogelijkheid voor verzoekster in het hoofdgeding om een definitieve beslissing over haar verzoek te krijgen vanwege de moeilijkheden om de procedure aan verweerder in het hoofdgeding te laten betekenen, ertoe zou leiden dat haar de toegang tot de rechter wordt ontzegd, hetgeen in strijd is met het bovengenoemde recht en de bovengenoemde beginselen.

46      De uitlegging in punt 44 van dit arrest ontneemt een verzoeker in een situatie als die in het hoofdgeding echter niet de mogelijkheid een rechterlijke beslissing te verkrijgen die, in het voorkomende geval, als algemene regel wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat waar het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft, die bevoegd zijn ingevolge artikel 8 van verordening nr. 2201/2003. Deze uitlegging leidt er dus niet toe dat de toegang tot de rechter wordt ontzegd.

47      Dientengevolge moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de aangezochte gerechten om kennis te nemen van een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid niet kan worden geacht „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze [te zijn] aanvaard door alle partijen bij de procedure”, in de zin van deze bepaling, om de enkele reden dat de procesvertegenwoordiger van verweerder, die ambtshalve door deze gerechten is aangewezen omdat het gedinginleidende verzoekschrift niet aan deze laatste kon worden betekend, de onbevoegdheid van deze gerechten niet heeft opgeworpen.

 Kosten

48      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      De procedure waarin een van de ouders de rechter verzoekt de ontbrekende instemming van de andere ouder met de reis van hun kind buiten de lidstaat waar het verblijft en met de afgifte van een paspoort op naam van dit kind te verhelpen, valt binnen de materiële werkingssfeer van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, ook al moet de beslissing die in deze procedure wordt gegeven, door de autoriteiten van de lidstaat waarvan het kind staatsburger is, in aanmerking worden genomen in het kader van de administratieve procedure voor de afgifte van dit paspoort.

2)      Artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de aangezochte gerechten om kennis te nemen van een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid niet kan worden geacht „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze [te zijn] aanvaard door alle partijen bij de procedure”, in de zin van deze bepaling, om de enkele reden dat de procesvertegenwoordiger van verweerder, die ambtshalve door deze gerechten is aangewezen omdat het gedinginleidende verzoekschrift niet aan deze laatste kon worden betekend, de onbevoegdheid van deze gerechten niet heeft opgeworpen.

ondertekeningen


* Procestaal: Bulgaars.