Language of document : ECLI:EU:C:2016:501

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

30 juni 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Handelspolitiek – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 13 – Ontwijking – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 – Open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China – Antidumpingrechten – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 437/2012 – Verzending vanuit Taiwan – Opening van een onderzoek – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 21/2013 – Uitbreiding van het antidumpingrecht – Temporele werkingssfeer – Verbod van terugwerkende kracht – Communautair douanewetboek – Navordering van rechten bij invoer”

In zaak C‑416/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 20 april 2015, ingekomen bij het Hof op 29 juli 2015, in de procedure

Selena România SRL

tegen

Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice (DGRFP) București,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, C. Vajda en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen ingediend door:

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R.‑H. Radu en M. Bejenar als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França en G.‑D. Balan als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 21/2013 van de Raad van 10 januari 2013 tot uitbreiding van het bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Taiwan of Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan of Thailand (PB 2013, L 11, blz. 1; hierna: „uitbreidingsverordening”), die is vastgesteld na een onderzoek op grond van artikel 13 van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22; hierna: „basisverordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Selena România SRL en de Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București (regionaal directoraat-generaal van openbare financiën Boekarest, Roemenië; hierna: „DGRFP”) over een regularisatiebesluit waarbij DGRFP antidumpingrechten van Selena România heeft gevorderd.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening (EEG) nr. 2913/92

3        Artikel 26 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 (PB 2009, L 324, blz. 23; hierna: „douanewetboek”), luidt als volgt:

„1.      In de douanewetgeving of in andere specifieke [Unie]wetgeving kan worden bepaald dat de oorsprong van goederen moet worden aangetoond door overlegging van een document.

2.      Niettegenstaande de overlegging van dit document kunnen de douaneautoriteiten, in geval van ernstige twijfel, elk aanvullend bewijs eisen om zich ervan te vergewissen dat de vermelding van de oorsprong wel beantwoordt aan de regels die in de desbetreffende [Unie]voorschriften zijn vastgesteld.”

4        Hoofdstuk 3 van titel VII van het douanewetboek heeft als opschrift „Invordering van het bedrag van de douaneschuld”. Het bevat met name de artikelen 217 tot en met 221 van dat wetboek.

 Basisverordening

5        Overweging 22 van de basisverordening luidt:

„[...] [I]n de [Unie]wetgeving [dienen] bepalingen te worden opgenomen om bepaalde praktijken, zoals de loutere assemblage van producten in de [Europese Unie] of in een derde land, tegen te gaan die hoofdzakelijk de ontwijking van antidumpingmaatregelen ten doel hebben.”

6        In artikel 10, lid 1, van die verordening is bepaald:

„Voorlopige maatregelen en definitieve antidumpingrechten worden uitsluitend toegepast op producten die na de inwerkingtreding van het respectievelijk krachtens artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 4, genomen besluit in het vrije verkeer worden gebracht, behoudens de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen.”

7        Artikel 13 van deze verordening, met het opschrift „Ontwijking”, luidt:

„1.      De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de [Unie] of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de [Unie] als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.

De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de [Unie] te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; en, in de in lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de [Unie] of een derde land.

[...]

3.      Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de [Europese] Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad [van de Europese Unie] op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.

[...]”

8        Artikel 14, lid 5, van deze verordening bepaalt:

„De Commissie kan, na overleg in het raadgevend comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de [Unie] ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De registratieverplichting wordt opgelegd door middel van een verordening waarin het doel van de maatregel en, zo nodig, een schatting van de bedragen die eventueel later verschuldigd zullen zijn, worden vermeld. De invoer wordt voor een periode van ten hoogste negen maanden aan registratieplicht onderworpen.”

 Antidumpingverordeningen betreffende open weefsels van glasvezels

9        Naar aanleiding van een klacht bij de Commissie door Europese producenten van open weefsels van glasvezels is uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 van de Raad van 3 augustus 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2011, L 204, blz. 1; hierna: „oorspronkelijke verordening”) vastgesteld.

10      Krachtens artikel 1 van de oorspronkelijke verordening wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, die zijn ingedeeld onder de posten 7019 51 00 en 7019 59 00 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1) (Taric-codes 7019 51 00 10 en 7019 59 00 10).

11      Overeenkomstig artikel 4 van de oorspronkelijke verordening is deze in werking getreden op 10 augustus 2011, de dag na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

12      Naar aanleiding van een verzoek dat vier producenten in de Unie van bepaalde open weefsels van glasvezels overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening hadden ingediend, heeft de Commissie verordening (EU) nr. 437/2012 van 23 mei 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening nr. 791/2011 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen, en tot registratie van deze invoer (PB 2012, L 134, blz. 12; hierna: „openingsverordening”) vastgesteld.

13      Volgens artikel 1 van de openingsverordening heeft het bij deze verordening geopende onderzoek betrekking op de invoer in de Unie van open weefsels van glasvezels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, met uitzondering van glasvezelschijven, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 51 00 en 7019 59 00 (Taric-codes 7019 51 00 12, 7019 51 00 13, 7019 59 00 12 en 7019 59 00 13), verzonden vanuit Taiwan en Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan en Thailand.

14      In artikel 2, eerste alinea, van de openingsverordening is bepaald dat de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening opdracht wordt gegeven de nodige maatregelen te nemen om de invoer in de Unie van de in artikel 1 van de openingsverordening omschreven goederen te registreren.

15      Overeenkomstig artikel 4 van de openingsverordening is deze in werking getreden op 25 mei 2012, de dag na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

16      Na het in de openingsverordening bedoelde onderzoek heeft de Raad de uitbreidingsverordening vastgesteld.

17      Krachtens artikel 1, lid 1, van de uitbreidingsverordening wordt het definitieve antidumpingrecht dat bij artikel 1, lid 2, van de oorspronkelijke verordening is ingesteld op open weefsels van glasvezels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, uitgebreid tot diezelfde producten verzonden vanuit Taiwan of Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan of Thailand.

18      Artikel 1, lid 2, van de uitbreidingsverordening bepaalt dat het bij lid 1 van dat artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Taiwan of Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan of Thailand, die worden geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van de openingsverordening en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening.

19      Overeenkomstig artikel 4 van de uitbreidingsverordening is deze in werking getreden op 17 januari 2013, de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      Tussen 12 maart en 18 mei 2012 heeft Selena România, een in Roemenië gevestigde onderneming, open weefsels van glasvezels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2 die haar waren geleverd door een in Taiwan gevestigde leverancier in de Unie in het vrije verkeer gebracht (hierna: „betrokken invoer”).

21      Bij regularisatiebesluit van 5 februari 2014 heeft de DGRFP van Selena România een bedrag van 1 151 748 Roemeense lei (RON) (ongeveer 257 970 EUR) gevorderd, uit hoofde van antidumpingrechten en belasting over de toegevoegde waarde die zij niet had voldaan bij het in het vrije verkeer brengen van deze goederen, vermeerderd met rente en vertragingsboeten, op grond dat bij een controle achteraf bij Selena România en in een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) was vastgesteld dat de betrokken invoer in werkelijkheid van oorsprong was uit de Volksrepubliek China en bijgevolg onderworpen was aan het in de oorspronkelijke verordening en de uitbreidingsverordening neergelegde antidumpingrecht. Volgens de DGRFP bleek uit het onderzoeksverslag van OLAF dat de partijen weefsels van glasvezels waarop de betrokken invoer betrekking had, vanuit de Volksrepubliek China waren verzonden naar Taiwan, vanwaar zij, zonder verwerking of veredeling, naar de Unie zijn uitgevoerd, zodat zij hun niet-preferentiële Chinese oorsprong hadden behouden.

22      Selena România heeft tegen dit regularisatiebesluit bezwaar ingediend bij de Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați (regionaal directoraat-generaal van openbare financiën Galați, Roemenië), die het besluit heeft bevestigd.

23      Op 22 juli 2014 heeft Selena România bij de verwijzende rechter nietigverklaring van het regularisatiebesluit gevorderd. Ter ondersteuning van haar beroep stelt zij onder meer dat de DGRFP de openingsverordening en de uitbreidingsverordening ten onrechte met terugwerkende kracht heeft toegepast. Op het ogenblik van de betrokken invoer was immers geen van die verordeningen van kracht.

24      De verwijzende rechter heeft vragen bij de temporele werkingssfeer van de uitbreidingsverordening. Meer bepaald wenst hij te vernemen of het bij artikel 1 van de uitbreidingsverordening ingestelde definitieve antidumpingrecht van toepassing is op invoer in de Unie vanuit Taiwan die, zoals de betrokken invoer, is verricht vóór de inwerkingtreding van die verordening, maar na die van de oorspronkelijke verordening.

25      Deze rechter merkt in dat verband op dat het verbod van terugwerkende kracht van Uniehandelingen is erkend in de rechtspraak van het Hof, met name sinds de arresten van 9 juni 1964, Capitaine/Commissie (69/63, EU:C:1964:38), en 9 december 1965, Singer (44/65, EU:C:1965:122), maar dat bepaalde uitzonderingen op dit beginsel zijn aanvaard.

26      In die omstandigheden heeft de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet [de uitbreidingsverordening] aldus worden uitgelegd dat deze ook van toepassing is op invoer door ingezetenen van de Europese Unie uit Taiwan vóór 17 januari 2013, namelijk in 2012, doch na de vaststelling van [de oorspronkelijke verordening]?

2)      Is het definitieve antidumpingrecht, zoals bepaald in artikel 1 van [de uitbreidingsverordening], ook van toepassing in het geval van invoer door ingezetenen van de Europese Unie uit Taiwan vóór 17 januari 2013 en vóór de datum van vaststelling van [de openingsverordening], doch na de vaststelling van [de oorspronkelijke verordening]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

27      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van de uitbreidingsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het bij die bepaling uitgebreide definitieve antidumpingrecht met terugwerkende kracht van toepassing is op vanuit Taiwan verzonden producten die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht na de inwerkingtreding van de oorspronkelijke verordening, maar vóór die van de openingsverordening.

28      Aangezien de uitbreidingsverordening is vastgesteld op basis van artikel 13 van de basisverordening, zij opgemerkt dat overeenkomstig lid 1 van die bepaling de krachtens die verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen wanneer ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Volgens artikel 13, lid 3, wordt het onderzoek geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten opdracht kan geven de betrokken invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening te registreren.

29      Artikel 13, lid 3, van de basisverordening bepaalt meer in het bijzonder dat indien er sprake is van ontwijking, de uitbreiding van de reeds ingestelde definitieve maatregelen, geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening registratie werd geëist (arrest van 6 juni 2013, Paltrade, C‑667/11, EU:C:2013:368, punt 26).

30      Artikel 10, lid 1, van de basisverordening legt weliswaar het beginsel vast dat antidumpingmaatregelen niet met terugwerkende kracht worden toegepast, aangezien zij in beginsel slechts toepassing kunnen vinden op producten die in het vrije verkeer worden gebracht nadat de verordening tot instelling ervan in werking is getreden, maar meerdere bepalingen van de basisverordening wijken van dit beginsel af. Deze bepalingen staan inderdaad toe dat antidumpingmaatregelen worden toegepast op producten die in het vrije verkeer zijn gebracht vóór de inwerkingtreding van de verordening tot instelling van de maatregelen, mits de betreffende invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening is geregistreerd (arrest van 17 december 2015, APEX, C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 48).

31      Wat de uitbreidingsverordening betreft, is in artikel 1, lid 2, daarvan uitdrukkelijk bepaald dat het bij lid 1 van dat artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde open weefsels van glasvezels zoals bedoeld in die bepaling, verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan, die worden geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van de openingsverordening en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening.

32      In casu staat vast dat de betrokken invoer plaatsvond vóór 25 mei 2012, de datum van inwerkingtreding van de openingsverordening, dus voordat deze invoer overeenkomstig artikel 2 van die verordening kon worden geregistreerd.

33      Uit de voorgaande overwegingen volgt derhalve dat het krachtens artikel 1, lid 1, van de uitbreidingsverordening uitgebreide antidumpingrecht niet met terugwerkende kracht van toepassing is op invoer die, zoals de betrokken invoer, plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de openingsverordening.

34      Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet evenwel worden gepreciseerd dat deze uitlegging, zoals de Roemeense regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen stellen, er niet aan in de weg staat dat het bij artikel 1, lid 1, van de oorspronkelijke verordening ingestelde definitieve antidumpingrecht van toepassing is op de invoer van deze producten indien bij een controle achteraf komt vast te staan dat zij in werkelijkheid van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China.

35      Volgens artikel 1, lid 1, van de oorspronkelijke verordening wordt er immers een definitief antidumpingrecht ingesteld op open weefsels van glasvezels zoals beschreven in die bepaling die van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China.

36      Zoals blijkt uit artikel 26 van het douanewetboek vormt de overlegging van een document dat op grond van Uniewetgeving moet worden overgelegd om de oorsprong van goederen aan te tonen, geen belemmering voor de douaneautoriteiten om, in geval van ernstige twijfel, elk aanvullend bewijs te eisen om zich ervan te vergewissen dat de vermelding van de oorsprong wel beantwoordt aan de regels die in de desbetreffende Unievoorschriften zijn vastgesteld. In dat verband heeft het Hof reeds heeft geoordeeld dat controle achteraf tot doel heeft, de juistheid van de op het certificaat van oorsprong vermelde oorsprong na te gaan (zie naar analogie arrest van 8 november 2012, Lagura Vermögensverwaltung, C‑438/11, EU:C:2012:703, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      Daaruit volgt dat de omstandigheid dat bij goederen certificaten van oorsprong zijn gevoegd, niet kan verhinderen dat de voor de invoer van die goederen verschuldigde rechten worden geïnd indien na die invoer komt vast te staan dat die certificaten onjuist zijn (zie in die zin arrest van 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C‑97/95, EU:C:1997:370, punten 55‑57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Wat de betrokken invoer betreft, staat het aan de verwijzende rechter te bepalen of de douaneautoriteiten voor elke partij open weefsels van glasvezels die in de Unie in het vrije verkeer is gebracht, voldoende bewijs hebben om aan te nemen dat deze partijen, die vanuit Taiwan zijn verzonden en zijn aangegeven als van oorsprong uit dat land, in werkelijkheid van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China, zodat het bij artikel 1, lid 1, van de oorspronkelijke verordening ingestelde antidumpingrecht van toepassing is. In dat geval moet dat recht, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, worden nagevorderd overeenkomstig de regels betreffende invordering van de douaneschuld zoals neergelegd in het douanewetboek.

39      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van de uitbreidingsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het bij die bepaling uitgebreide definitieve antidumpingrecht niet met terugwerkende kracht van toepassing is op vanuit Taiwan verzonden producten die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht na de inwerkingtreding van de oorspronkelijke verordening, maar vóór die van de openingsverordening. Het bij artikel 1, lid 1, van de oorspronkelijke verordening ingestelde antidumpingrecht is evenwel van toepassing op de invoer van dergelijke producten indien komt vast te staan dat deze producten, die zijn verzonden vanuit Taiwan en zijn aangegeven als van oorsprong uit dat land, in werkelijkheid van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China.

 Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 21/2013 van de Raad van 10 januari 2013 tot uitbreiding van het bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Taiwan of Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan of Thailand, moet aldus worden uitgelegd dat het bij die bepaling uitgebreide definitieve antidumpingrecht niet met terugwerkende kracht van toepassing is op vanuit Taiwan verzonden producten die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht na de inwerkingtreding van uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 van de Raad van 3 augustus 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, maar vóór die van verordening (EU) nr. 437/2012 van de Commissie van 23 mei 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening nr. 791/2011 ingestelde antidumpingmaatregelen, en tot registratie van deze invoer. Het bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 791/2011 ingestelde antidumpingrecht is evenwel van toepassing op de invoer van dergelijke producten indien komt vast te staan dat deze producten, die zijn verzonden vanuit Taiwan en zijn aangegeven als van oorsprong uit dat land, in werkelijkheid van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China.

ondertekeningen


* Procestaal: Roemeens.