Language of document : ECLI:EU:C:2016:772

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 oktober 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 1, lid 1, onder a) – Materiële werkingssfeer – Verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk ingediend door een derde na het overlijden van een van de echtgenoten – Artikel 3, lid 1 – Bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verblijfplaats van de ‚verzoeker’ – Strekking”

In zaak C‑294/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 20 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 17 juni 2015, in de procedure

Edyta Mikołajczyk

tegen

Marie Louise Czarnecka,

Stefan Czarnecki,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Pucciariello, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 mei 2016,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), en artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Edyta Mikołajczyk, enerzijds, en wijlen Stefan Czarnecki, in deze procedure vertegenwoordigd door een procesvertegenwoordiger, en Marie Louise Czarnecka, anderzijds, over een verzoek tot nietigverklaring van het tussen laatstgenoemden gesloten huwelijk.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 1 en 8 van verordening nr. 2201/2003 zijn in de volgende bewoordingen gesteld:

„(1)      De Europese Gemeenschap heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Te dien einde moet de Gemeenschap met name de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken aannemen, die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.

[...]

(8)      Wat betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen.”

4        Artikel 1 van deze verordening bepaalt:

„1.      Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a)      echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;

[...]

3.      Deze verordening is niet van toepassing op:

a)      de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;

b)      beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;

c)      de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;

d)      de handlichting;

e)      onderhoudsverplichtingen;

f)      trusts en erfopvolging;

g)      maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.”

5        Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:

„Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)      op het grondgebied waarvan:

–        de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

–        zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

–        de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

–        in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‚domicile’ (woonplaats) heeft;

[...]”

6        Artikel 17 van die verordening, met het opschrift „Toetsing van de bevoegdheid”, luidt:

„Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

 Pools recht

7        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat krachtens artikel 13, lid 1, van de kodeks rodzinny i opiekuńczy (wet van 25 februari 1964 inzake het wetboek familierecht) (Dz. U. nr. 9, volgnr. 59, zoals gewijzigd) eenieder die al door een vroeger huwelijk met een andere persoon is verbonden, geen huwelijk kan aangaan.

8        Artikel 13, lid 2, van dit wetboek bepaalt dat eenieder die daarbij een rechtsbelang heeft, kan verzoeken om nietigverklaring van een huwelijk wegens het voortbestaan van een vroeger huwelijk van een van de echtgenoten.

9        Artikel 13, lid 3, van dit wetboek bepaalt dat het huwelijk niet wegens het voortbestaan van een vroeger huwelijk van een van de echtgenoten nietig kan worden verklaard, wanneer dat vroegere huwelijk is geëindigd of nietig is verklaard, tenzij dat huwelijk is geëindigd door het overlijden van de persoon die in weerwil van het voortbestaan van een vroeger huwelijk een nieuw huwelijk was aangegaan.

10      Uit hoofde van artikel 1099 van de kodeks postępowania cywilnego (wet van 17 november 1964 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna „kpc”) (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296, zoals gewijzigd) gaat het aangezochte gerecht in elke stand van het geding ambtshalve na of de nationale gerechten bevoegd zijn. Wanneer het vaststelt dat de nationale gerechten niet bevoegd zijn, verklaart het gerecht het beroep niet-ontvankelijk. De onbevoegdheid van de nationale gerechten is een grond voor de ongeldigheid van de procedure.

 Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Op 20 november 2012 heeft Edyta Mikołajczyk bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) een verzoek ingediend tot nietigverklaring van het op 4 juli 1956 te Parijs (Frankrijk) voltrokken huwelijk tussen Stefan Czarnecki en Marie Louise Czarnecka (geboren Cuenin). Zij heeft gesteld dat zij testamentair erfgename is van de eerste echtgenote van Czarnecki, Zdzisława Czarnecka, die op 15 juni 1999 is overleden.

12      Volgens Mikołajczyk bestond het huwelijk tussen Czarnecki en Zdzisława Czarnecka, dat op 13 juli 1937 te Poznań (Polen) is voltrokken, nog op het moment dat het huwelijk tussen Czarnecki en Marie Louise Czarnecka werd voltrokken, zodat dit laatste huwelijk een geval van bigamie opleverde en derhalve nietig moet worden verklaard.

13      Marie Louise Czarnecka heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk wegens onbevoegdheid van de Poolse gerechten. Volgens haar had dit verzoek krachtens artikel 3, lid 1, onder a), tweede en derde streepje, van verordening nr. 2201/2003 moeten worden ingediend bij een gerecht van de lidstaat waar zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevond, indien een van hen daar nog verbleef, of bij een gerecht van de lidstaat waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft. In beide gevallen betekent dat dat een Frans gerecht bevoegd is. De vertegenwoordiger van Czarnecki in het hoofdgeding (Czarnecki is op 3 maart 1971 in Frankrijk overleden) heeft zich aangesloten bij het standpunt van Marie Louise Czarnecka.

14      Bij beslissing van 9 september 2013, die bij gebreke van betwisting door partijen onherroepelijk is geworden, heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie deze exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen omdat deze rechter op de grondslag van artikel 3, lid 1, onder a), vijfde streepje, van verordening nr. 2201/2003 naar zijn oordeel bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk.

15      Ten gronde heeft deze rechter bij vonnis van 13 februari 2014 dit verzoek ongegrond verklaard omdat verzoekster niet had bewezen dat het eerste huwelijk van Czarnecki nog bestond op het moment dat het huwelijk tussen hem en Marie Louise Czarnecka werd voltrokken. Uit de door deze rechter vastgestelde feiten bleek integendeel dat dit eerste huwelijk op 29 mei 1940 door echtscheiding was ontbonden.

16      Mikołajczyk heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter.

17      Deze rechter overweegt dat hij krachtens artikel 17 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 1099 kpc gehouden is ambtshalve te toetsen of hij internationaal bevoegd is kennis te nemen van het hoofdgeding, hoewel de rechter in eerste aanleg zich al over deze kwestie heeft uitgesproken.

18      Deze rechter twijfelt in dat verband over de uitlegging van met name de artikelen 1 en 3 van verordening nr. 2201/2003 en wenst opheldering over de materiële werkingssfeer van deze verordening. Hij vraagt zich in de eerste plaats af of een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat na overlijden van een van de echtgenoten is ingeleid, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. De verwijzende rechter merkt in die context op dat verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 160, blz. 19) bij deze verordening is ingetrokken. De inhoud van verordening nr. 1347/2000 was grotendeels overgenomen uit het verdrag betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, vastgesteld bij akte van de Raad van 28 mei 1998 (PB 1998, C 221, blz. 2). In het toelichtend verslag bij dit verdrag, opgesteld door Alegria Borrás en goedgekeurd door de Raad (PB 1998, C 221, blz. 27), is nader uiteengezet dat procedures inzake een onderzoek van de geldigheid van een huwelijk in het kader van een vordering tot nietigverklaring ingeleid nadat een van de echtgenoten of beide echtgenoten is of zijn overleden, niet binnen de werkingssfeer van dat verdrag vallen.

19      In de tweede plaats vraagt deze rechter zich met betrekking tot de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 en in geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, af of een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk ingeleid door een andere persoon dan een van de echtgenoten, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.

20      Mocht deze tweede vraag bevestigend worden beantwoord, dan wenst de verwijzende rechter opheldering over de vraag of de bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat om kennis te nemen van een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat is ingeleid door een derde, kan worden gegrond op de aanknopingspunten voor de bevoegdheid in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003, zodat de gerechten van de lidstaat waar zich de gewone verblijfplaats bevindt van deze derde die om nietigverklaring van het huwelijk verzoekt, zich bevoegd kunnen verklaren, zonder dat er een band is tussen het aangezochte gerecht en de gewone verblijfplaats van de echtgenoten of een van hen.

21      Daarop heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Vallen procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid na het overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van [verordening nr. 2201/2003]?

2)      Voor het geval dat vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: vallen procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk ook binnen de werkingssfeer van bovengenoemde verordening wanneer zij door een andere persoon dan een der echtgenoten zijn ingeleid?

3)      Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: kan in procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid, de bevoegdheid van het gerecht worden gebaseerd op de in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van de verordening genoemde bevoegdheidsgronden?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

22      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat is ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt.

23      Volgens artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 is de verordening, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.

24      Om vast te stellen of een verzoek binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, moet het voorwerp ervan als aanknopingspunt worden genomen (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C‑215/15, EU:C:2015:710, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich moet uitspreken over een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat op 4 juli 1956 te Parijs is voltrokken tussen Marie Louise Czarnecka en Czarnecki, een verzoek dat is gemotiveerd door het vermeende voortbestaan van een vroeger huwelijk tussen Czarnecki en Zdzisława Czarnecka. Dit verzoek heeft dus in beginsel de „nietigverklaring van het huwelijk” in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 tot voorwerp.

25      De verwijzende rechter is echter niet zeker of een dergelijk verzoek binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, daar het is ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten.

26      In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 19 september 2013, Van Buggenhout en Van de Mierop, C‑251/12, EU:C:2013:566, punt 26, en 26 maart 2015, Litaksa, C‑556/13, EU:C:2015:202, punt 23).

27      In de eerste plaats moet met betrekking tot de bewoordingen van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 worden opgemerkt dat deze bepaling onder de zaken die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen onder meer nietigverklaring van een huwelijk noemt, maar geen onderscheid maakt naar de omstandigheid of een van de echtgenoten al is overleden (wat betreft de datum van indiening van het verzoek), of naar de persoon die het recht heeft een dergelijke procedure bij een rechter aanhangig te maken. Als dus enkel de bewoordingen van deze bepaling in aanmerking worden genomen, lijkt het erop dat een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat is ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt.

28      Deze uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 wordt in de tweede plaats gesteund door de context van deze bepaling.

29      In dat verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 een limitatieve opsomming bevat van de zaken waarop de verordening niet van toepassing is, waaronder met name onderhoudsverplichtingen, trusts en erfopvolging. Overweging 8 van deze verordening vermeldt op dat punt dat zij uitsluitend van toepassing mag zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties als de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk.

30      Een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten wordt in artikel 1, lid 3, van de verordening niet genoemd als een van de zaken waarop zij niet van toepassing is.

31      Bovendien is het rechtsbelang van Mikołajczyk in het hoofdgeding volgens de verwijzende rechter weliswaar gekoppeld aan haar hoedanigheid van testamentair erfgenaam van Zdzisława Czarnecka, maar deze rechter geeft aan dat het geding enkel ziet op de nietigverklaring van het huwelijk tussen Marie Louise Czarnecka en Czarnecki en dus niet valt onder de uitsluiting van trusts en erfopvolging neergelegd in artikel 1, lid 3, onder f), van verordening nr. 2201/2003.

32      In de derde plaats wordt de uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 dat een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, ook bevestigd door de doelstelling die erdoor wordt nagestreefd.

33      In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening nr. 2201/2003, zoals blijkt uit overweging 1, ertoe bijdraagt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Daartoe kent die verordening in de hoofdstukken II en III in het bijzonder regels inzake de bevoegdheid en inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen ter zake van ontbinding van de huwelijksband, die de rechtszekerheid moeten waarborgen (arrest van 16 juli 2009, Hadadi, C‑168/08, EU:C:2009:474, punten 47 en 48).

34      Een procedure als in het hoofdgeding uitsluiten van de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 zou deze doelstelling doorkruisen, aangezien de rechtsonzekerheid als gevolg van het ontbreken van een eenvormig regelgevingskader op dit gebied erdoor zou toenemen, temeer daar verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107) niet ziet op de staat van natuurlijke personen noch op familierechtelijke betrekkingen.

35      Zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie heeft onderstreept, betekent het feit dat het verzoek tot nietigverklaring in het hoofdgeding beoogt een huwelijk dat reeds door het overlijden van een van de echtgenoten is geëindigd, voorts niet dat deze procedure niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt. Het is immers niet uitgesloten dat een persoon belang heeft bij de nietigverklaring van een huwelijk, zelfs na overlijden van een van de echtgenoten.

36      Hoewel een dergelijk belang moet worden beoordeeld in het licht van de toepasselijke nationale regeling, is er geen enkele reden om een derde die na overlijden van een van de echtgenoten een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk heeft ingediend, het recht te ontzeggen om zich te beroepen op de eenvormige conflictregels in verordening nr. 2201/2003.

37      Gelet op het voorafgaande moet op de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat is ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt.

 Derde vraag

38      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat een andere persoon dan een van de echtgenoten die een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk indient, zich kan beroepen op de aanknopingspunten voor de bevoegdheid in deze bepalingen.

39      De verwijzende rechter twijfelt over het antwoord op deze vraag omdat in geval van een bevestigend antwoord een rechter die geen enkele band heeft met de gewone verblijfplaats van de echtgenoten of een van de echtgenoten, kennis kan nemen van een verzoek tot nietigverklaring van hun huwelijk ingediend door een derde.

40      In dat verband zijn in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 de algemene criteria voor de bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk neergelegd. Deze objectieve, niet-cumulatieve en exclusieve criteria komen tegemoet aan de behoefte aan een regeling die is afgestemd op de specifieke situatie van geschillen over de ontbinding van de huwelijksband.

41      Hoewel artikel 3, lid 1, onder a), eerste tot en met vierde streepje, van verordening nr. 2201/2003 uitdrukkelijk verwijst naar de criteria van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten en van de verweerder, kan krachtens dat artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van die verordening de regel van de bevoegdheid van het forum actoris worden toegepast.

42      Deze laatste bepalingen kennen namelijk onder bepaalde omstandigheden de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, bevoegdheid toe om te beslissen over de ontbinding van de huwelijksband. In artikel 3, lid 1, onder a), vijfde streepje, van verordening nr. 2201/2003 is een dergelijke bevoegdheid neergelegd voor het geval de verzoeker daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft, terwijl artikel 3, lid 1, onder a), zesde streepje, van deze verordening tevens voorziet in deze bevoegdheid indien de verzoeker daar sedert ten minste zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in bepaalde gevallen, daar zijn „domicile” (woonplaats) heeft.

43      Onder deze omstandigheden moet voor het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vraag de precieze strekking van het begrip verzoeker in de zin van deze bepalingen worden nagegaan, om vast te stellen of dit begrip louter ziet op de echtgenoten of ook derden omvat.

44      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arresten van 2 april 2009, A, C‑523/07, EU:C:2009:225, punt 34, en 16 juli 2009, Hadadi, C‑168/08, EU:C:2009:474, punt 38).

45      Artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 verwijst niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten om de strekking van het begrip verzoeker te bepalen, zodat deze moet worden bepaald in het licht van de context van deze bepalingen en de doelstelling van die verordening.

46      Met betrekking tot de context waarin artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 is opgenomen, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat dit artikel voorziet in verschillende aanknopingspunten voor de bevoegdheid, waartussen geen hiërarchie is aangebracht. Alle in dit artikel opgesomde objectieve criteria zijn alternatieve criteria (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Hadadi, C‑168/08, EU:C:2009:474, punt 48).

47      Hieruit volgt dat het bij verordening nr. 2201/2003 ingevoerde stelsel van verdeling van bevoegdheden ter zake van ontbinding van de huwelijksband niet beoogt uit te sluiten dat meer dan één rechter bevoegd is. Er is integendeel uitdrukkelijk voorzien in het naast elkaar bestaan van meerdere bevoegde rechters, zonder dat daartussen een hiërarchie bestaat (arrest van 16 juli 2009, Hadadi, C‑168/08, EU:C:2009:474, punt 49).

48      Over de criteria die in artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening zijn opgesomd, heeft het Hof geoordeeld dat zij in meerdere opzichten zijn gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de echtgenoten (arrest van 16 juli 2009, Hadadi, C‑168/08, EU:C:2009:474, punt 50).

49      Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheidsregels die in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 zijn neergelegd, waaronder die in lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, erop zien de belangen van de echtgenoten te beschermen.

50      Deze uitlegging strookt bovendien met de doelstelling die door de verordening wordt nagestreefd; daarin zijn namelijk soepele conflictregels ingevoerd om rekening te houden met de mobiliteit van personen en tevens de rechten te beschermen van de echtgenoot die het land van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats heeft verlaten, en tegelijkertijd een reëel aanknopingspunt te garanderen tussen de betrokkene en de lidstaat die de bevoegdheid uitoefent (zie in die zin arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez, C‑68/07, EU:C:2007:740, punt 26).

51      Daaruit volgt dat een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk ingediend door een derde weliswaar binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt, maar deze derde gebonden moet zijn aan de bevoegdheidsregels die met het oog op de belangen van de echtgenoten zijn opgesteld. Door deze uitlegging wordt deze derde de toegang tot de rechter echter niet ontzegd; hij kan zich immers beroepen op andere aanknopingspunten voor de bevoegdheid in artikel 3 van de verordening.

52      Derhalve omvat het begrip verzoeker in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 geen andere personen dan de echtgenoten.

53      Gelet op het voorgaande moet op de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat een andere persoon dan een van de echtgenoten die een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk indient, zich niet kan beroepen op de aanknopingspunten voor de bevoegdheid in deze bepalingen.

 Kosten

54      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk dat is ingediend door een derde na overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt.

2)      Artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat een andere persoon dan een van de echtgenoten die een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk indient, zich niet kan beroepen op de aanknopingspunten voor de bevoegdheid in deze bepalingen.

ondertekeningen


* Procestaal: Pools.