Language of document : ECLI:EU:C:2017:497

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

28 juni 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 23 – Forumkeuzebeding – Forumkeuzebeding in een overeenkomst tussen twee vennootschappen – Schadevordering – Hoofdelijke aansprakelijkheid van de vertegenwoordigers van een van die vennootschappen voor strafbare feiten – Inroepbaarheid van dat beding door die vertegenwoordigers”

In zaak C‑436/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Areios Pagos (hoogste rechterlijke instantie, Griekenland) bij beslissing van 7 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 4 augustus 2016, in de procedure

Georgios Leventis,

Nikolaos Vafeias

tegen

Malcon Navigation Co. ltd.,

Brave Bulk Transport ltd.,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Magrippi en S. Charitaki als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Rubio González, vervolgens door A. Gavela Llopis als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en M. Heller als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: „Brussel I-verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Georgios Leventis en Nikolaos Vafeias, vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport ltd., een bevrachtingsvennootschap, en anderzijds Malcon Navigation Co. ltd. (hierna: „Malcon Navigation”) over een schadevordering die deze laatste tegen Brave Bulk Transport alsook tegen Georgios Leventis en Nikolaos Vafeias hoofdelijk heeft ingesteld, en waarvoor de rechtsmacht van de Griekse rechters wordt betwist.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Overweging 11 van de Brussel I-verordening luidt:

„De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]”

4        In hoofdstuk II van die verordening, met het opschrift „Bevoegdheid”, bepaalt artikel 2, lid 1, dat is opgenomen in afdeling 1, met het opschrift „Algemene bepalingen”:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5        Artikel 6 van die verordening, dat is opgenomen in afdeling 2, met het opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, van hoofdstuk II van die verordening, bepaalt:

„Deze persoon kan ook worden opgeroepen:

1)      indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

[...]”

6        Afdeling 7 van dat hoofdstuk, met het opschrift „Door partijen aangewezen bevoegd gerecht”, bevat met name een artikel 23 dat luidt als volgt:

„1. Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a)      hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b)      hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c)      hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

[...]”

7        Afdeling 9 van dat hoofdstuk II, met het opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, bevat met name de artikelen 27 en 28. Artikel 27 luidt als volgt:

„1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

8        Artikel 28 van de Brussel I-verordening bepaalt:

„1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2.      Indien deze verzoeken in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de desbetreffende verzoeken kennis te nemen en zijn recht de voeging ervan toestaat.

3.      Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

9        In de artikelen 33 tot en met 37 van de Brussel I-verordening wordt de erkenning van beslissingen geregeld. Artikel 33 van die verordening legt het beginsel neer dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van bijzonder proces worden erkend. De artikelen 34 en 35 van die verordening vermelden de redenen waarom een in een lidstaat gegeven beslissing bij wijze van uitzondering niet in een andere lidstaat kan worden erkend.

10      Artikel 34 van deze verordening bepaalt dienaangaande:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

[...]

3)      de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4)      de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

 Grieks recht

11      Artikel 71 van het burgerlijk wetboek bepaalt:

„De rechtspersoon is aansprakelijk voor de gedragingen of de omissies van de organen die hem vertegenwoordigen, wanneer de gedraging of omissie plaatsvindt bij de uitoefening van de functies die hun werden toevertrouwd, en een verplichting tot vergoeding met zich meebrengt. De betrokken persoon is bovendien hoofdelijk aansprakelijk.”

12      In hoofdstuk 39 van dat wetboek, met het opschrift „Strafbare feiten”, bepaalt artikel 926, met het opschrift „Schade door meerdere personen veroorzaakt”:

„Als schade voortvloeit uit een gezamenlijke gedraging van meerdere personen of als meerdere personen parallel voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, dan zijn zij allemaal hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt als meerdere personen tegelijk of achtereenvolgens hebben gehandeld en niet kan worden bepaald wie de persoon is waarvan de gedraging de schade heeft veroorzaakt.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13      Uit alle informatie waarover het Hof beschikt, blijkt dat Malcon Navigation, een vennootschap met statutaire zetel in Malta waarvan de werkelijke zetel zich te Maroússi (Griekenland) bevindt, eigenaar is van een onder Maltese vlag varend schip, Sea Pride genoemd, dat wordt beheerd door Hellenic Star Shipping Company SA, een vennootschap met zetel in Panama die ook in Maroússi kantoren heeft.

14      De verwijzende rechter wijst er ook op dat de statutaire zetel van Brave Bulk Transport zich in Malta bevindt en de feitelijke zetel te Maroússi, dat Leventis het enige lid van de raad van bestuur en de wettelijke vertegenwoordiger van die vennootschap is en dat Vafeias de enige algemeen directeur en de feitelijke vertegenwoordiger van de vennootschap is. Leventis en Vafeias (hierna: „vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport”) houden verblijf te Piraeus respectievelijk Kifissia (Griekenland).

15      Malcon Navigation heeft op 9 juni 2006 een bevrachtingsovereenkomst met Brave Bulk Transport gesloten, waarbij de eerste het schip Sea Pride aan de tweede heeft verhuurd. Brave Bulk Transport heeft dit schip vervolgens aan het Iraakse ministerie van Handel onderverhuurd voor het transport van een lading graan van Hamburg (Duitsland) naar Irak.

16      Het schip is vijf maanden na het verstrijken van de in de huurovereenkomst voorgeschreven termijn terugbezorgd.

17      Malcon Navigation heeft op 17 februari 2007 te Londen (Verenigd Koninkrijk) een arbitrageprocedure tegen Brave Bulk Transport ingesteld, teneinde een vergoeding voor de overligtijd en de huur van het schip te verkrijgen.

18      Verder heeft Brave Bulk Transport tegen de Iraakse Staat een beroep tot schadevergoeding ingesteld, aangezien de vertraging bij de teruggave van het schip aan Malcon Navigation op haar beurt aan de vertraging van de Iraakse Staat bij de teruggave van dat schip te wijten was.

19      Malcon Navigation en Brave Bulk Transport hebben op 14 november 2007 een onderhandse overeenkomst ondertekend. Die bepaalde dat de lopende arbitrage gedurende zes maanden zou worden opgeschort, dat Brave Bulk Transport Malcon Navigation over het verloop van de tegen de Iraakse Staat ingestelde procedure zou informeren, en dat, in geval van dading met de Iraakse Staat, Malcon Navigation minstens 20% van het door de Iraakse Staat aan Brave Bulk Transport gestorte bedrag zou ontvangen. Artikel 10 van die overeenkomst bepaalde dat die overeenkomst „door het Engelse recht [werd] beheerst” en aan „de rechtsmacht van de Engelse rechter was onderworpen”, en dat „de High Court of Justice (England and Wales) [rechter in eerste aanleg van Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk] bij uitsluiting [bevoegd was] ter zake van elk daaruit of in verband daarmee gerezen geschil”.

20      Malcon Navigation heeft in november 2008 kennisgenomen van het feit dat Brave Bulk Transport op 20 mei 2008 een minnelijke schikking met de Iraakse Staat had getroffen en het in die overeenkomst voorziene bedrag had ontvangen. Daarop heeft Malcon Navigation de arbitrageprocedure voortgezet en op 29 september 2009 heeft zij een arbitrale uitspraak verkregen die haar een vergoeding toekende.

21      Bovendien verwijt Malcon Navigation de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport deze laatste haar vermogen te hebben ontnomen en aldus Malcon Navigation te hebben belet die vergoeding te ontvangen.

22      Op 22 september 2010 heeft Malcon Navigation krachtens de artikelen 71 en 926 van het burgerlijk wetboek bij de Polymeles Protodikeio Peiraios (rechter in eerste aanleg Piraeus, Griekenland) tegen Brave Bulk Transport en haar vertegenwoordigers een beroep tot schadevergoeding ingesteld, teneinde ze hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het plegen van strafbare feiten. Op grond van het forumkeuzebeding in de overeenkomst van 14 november 2007 heeft die rechter het beroep met betrekking tot Brave Bulk Transport verworpen. Ten aanzien van de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport heeft hij zich echter bevoegd verklaard en heeft hij de vordering ten gronde toegewezen.

23      De Efeteio Peiraios (rechter in tweede aanleg Piraeus, Griekenland), waarbij de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport hoger beroep hadden ingesteld tegen de beslissing van de Polymeles Protodikeio Peiraios, heeft het door deze laatste rechter ingenomen standpunt inzake de bevoegdheidskwestie bevestigd.

24      Bij verzoekschrift van 31 juli 2014 hebben de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport bij de Areios Pagos (hoogste rechterlijke instantie, Griekenland) cassatieberoep ingesteld.

25      De verwijzende rechter verklaart dat de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep zich bevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van het hoofdgeding wat de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport betreft, omdat die vertegenwoordigers, die geen partij bij de overeenkomst van 14 november 2007 waren, volgens hen niet door het in die overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding waren gebonden.

26      De verwijzende rechter is in dat verband van oordeel dat uit artikel 23 van de Brussel I-verordening en uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht in beginsel enkel kan worden tegengeworpen aan de partijen die ze hebben gesloten, maar dat het, bij wijze van uitzondering, mogelijk is zich erop te beroepen ten voordele van of tegen een partij bij het geding die op het moment van de sluiting ervan een derde was.

27      De verwijzende rechter onderstreept voorts dat, wanneer er meerdere verweerders zijn, artikel 6, punt 1, van die verordening bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Die rechter is van oordeel dat een dergelijk risico bestaat indien een van meerdere verweerders met de aanwijzing van de bevoegde rechter heeft ingestemd.

28      Gelet op het voorgaande twijfelt de verwijzende rechter over de gegrondheid van de beoordeling van de bodemrechters betreffende de draagwijdte van het forumkeuzebeding in de overeenkomst van 14 november 2007.

29      Daarom heeft de Areios Pagos de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Geldt een forumkeuzebeding, dat overeenkomstig artikel 23 van de Brussel I-verordening tussen twee vennootschappen, te weten Malcon Navigation en Brave Bulk Transport, is overeengekomen en in het onderhavige geval is vervat in de onderhandse overeenkomst van 14 november 2007 tussen die vennootschappen, waarvan artikel 10 bepaalt dat ,de onderhavige overeenkomst wordt beheerst door het Engelse recht en is onderworpen aan de rechtsmacht van de Engelse rechter, en de High Court of England and Wales [...] bij uitsluiting bevoegd [is] ter zake van elk daaruit of in verband daarmee gerezen geschil’, ook voor de verantwoordelijke personen die in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld en volgens artikel 71 in samenhang met artikel 926 van het Griekse burgerlijk wetboek hoofdelijk met de rechtspersoon aansprakelijk zijn, ten aanzien van gedragingen en omissies van de organen van Brave Bulk Transport, die haar vertegenwoordigen en volgens artikel 71 van het Griekse burgerlijke wetboek haar aansprakelijkheid in het leven roepen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

30      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23 van de Brussel I-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding in een overeenkomst tussen twee vennootschappen door de vertegenwoordigers van een van die vennootschappen kan worden aangevoerd ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een beroep tot schadevergoeding dat ertoe strekt hen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor strafbare feiten die zij in de uitoefening van hun functie zouden hebben gepleegd.

31      Vooraf zij eraan herinnerd dat, voor zover de Brussel I-verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag, de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de bepalingen van dat verdrag ook voor die van deze verordening geldt wanneer de bepalingen van deze instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt, wat het geval is bij artikel 23 van de Brussel I-verordening, dat in de plaats is getreden van artikel 17, eerste alinea, van dat verdrag (zie in die zin arrest van 7 juli 2016, Hőszig, C‑222/15, EU:C:2016:525, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Aangezien de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, in het stelsel van de Brussel I-verordening het algemene beginsel is, dat is neergelegd in artikel 2, lid 1, ervan, mogen afwijkende bevoegdheidsregels zoals die bedoeld in artikel 23 van die verordening niet aldus worden uitgelegd dat zij ook gelden buiten de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punten 37 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Artikel 23 van de Brussel I-verordening geeft duidelijk aan dat de werkingssfeer ervan beperkt is tot de gevallen waarin de partijen een gerecht hebben „aangewezen”. Zoals blijkt uit overweging 11 van die verordening, wordt de voorrang die in naam van het autonomiebeginsel wordt verleend aan de keuze van een ander forum dan uit hoofde van de verordening bevoegd zou zijn geweest, gerechtvaardigd door de wilsovereenstemming van de partijen (arresten van 21 mei 2015, El Majdoub, C‑322/14, EU:C:2015:334, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 april 2016, Profit Investment SIM, C‑366/13, EU:C:2016:282, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Het Hof heeft aldus erop gewezen dat de aangezochte rechter in limine litis moet nagaan of het forumkeuzebeding daadwerkelijk het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting moet komen, waarbij de vormvereisten van artikel 23, lid 1, van de Brussel I-verordening er in dat verband toe strekken te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat (arrest van 7 juli 2016, Hőszig, C‑222/15, EU:C:2016:525, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Op die manier kan een in een overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding in beginsel slechts effect sorteren in de betrekkingen tussen de partijen die met het sluiten van die overeenkomst hebben ingestemd (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      In de onderhavige zaak wordt het forumkeuzebeding dat in het hoofdgeding aan de orde is, niet tegengeworpen door een partij bij de overeenkomst waarin het is opgenomen, maar door derden die geen partij bij die overeenkomst zijn.

37      Naast het feit dat de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport hun wil om een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter te sluiten niet hebben geuit, heeft Malcon Navigation evenmin ermee ingestemd om door middel van een dergelijke overeenkomst met die personen verbonden te zijn.

38      Bovendien hebben noch de partijen in het hoofdgeding noch de verwijzende rechter elementen of aanwijzingen aangevoerd die toestaan te oordelen dat de vertegenwoordigers van Brave Bulk Transport alsook Malcon Navigation in een van de in artikel 23, lid 1, onder b) en c), van de Brussel I-verordening voorziene vormen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten met daarin een forumkeuzebeding, zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is.

39      Met betrekking tot artikel 6 van de Brussel I-verordening, betreffende de bevoegdheid van de rechter wanneer er meerdere verweerders zijn, zij eraan herinnerd dat de bepalingen van artikel 23 van de Brussel I-verordening strikt moeten worden uitgelegd, daar dat artikel zowel de uit het algemene beginsel van artikel 2 van die verordening voortvloeiende bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder als de bijzondere bevoegdheden van de artikelen 5 tot en met 7 van de verordening uitsluit (zie arrest van 21 mei 2015, El Majdoub, C‑322/14, EU:C:2015:334, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Wanneer partijen meer bepaald een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de Brussel I-verordening sluiten, kunnen zij niet alleen afwijken van de algemene bevoegdheid ingevolge artikel 2 van die verordening, maar ook van de bijzondere bevoegdheden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van die verordening. Bijgevolg kan de aangezochte rechter in beginsel gebonden zijn door een van de bevoegdheden ingevolge die artikelen 5 en 6 afwijkend forumkeuzebeding dat door partijen is gesloten overeenkomstig artikel 23, lid 1, van die verordening (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punten 59 en 61).

41      Om ten slotte de door de verwijzende rechter geuite bezorgdheid inzake het mogelijke risico op tegenstrijdige beslissingen weg te nemen, zij eraan herinnerd dat de Brussel I-verordening van verschillende mechanismen is voorzien die ertoe strekken dergelijke gevallen te voorkomen.

42      Dat geldt met name voor de artikelen 27 en 28 van die verordening, betreffende aanhangigheid respectievelijk samenhang, waarmee tegenstrijdige beslissingen kunnen worden voorkomen, en voor artikel 34, punten 3 en 4, van die verordening, die toestaan om dit te verhelpen.

43      Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 23, lid 1, van de Brussel I-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding in een overeenkomst tussen twee vennootschappen door de vertegenwoordigers van een van die vennootschappen niet kan worden aangevoerd ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een beroep tot schadevergoeding dat ertoe strekt hen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor strafbare feiten die zij in de uitoefening van hun functie zouden hebben gepleegd.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding in een overeenkomst tussen twee vennootschappen door de vertegenwoordigers van een van die vennootschappen niet kan worden aangevoerd ter betwisting van de bevoegdheid van een rechter om kennis te nemen van een beroep tot schadevergoeding dat ertoe strekt hen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor strafbare feiten die zij in de uitoefening van hun functie zouden hebben gepleegd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Grieks.