Language of document : ECLI:EU:C:2018:265

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

19 april 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat waar een verzoek tot machtiging om een nalatenschap namens een minderjarig kind te verwerpen is ingediend – Bevoegdheid in ouderlijke zaken – Prorogatie van rechtsmacht – Artikel 12, lid 3, onder b) – Aanvaarding van de bevoegdheid – Voorwaarden”

In zaak C‑565/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Eirinodikeio Lerou (vrederechter Leros, Griekenland) bij beslissing van 25 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 9 november 2016, in de procedure ingeleid door

Alessandro Saponaro,

Kalliopi-Chloi Xylina,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. G. Fernlund (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door T. Papadopoulou, G. Papadaki en E. Tsaousi als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en A. Katsimerou als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 december 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Alessandro Saponaro en Kalliopi-Chloi Xylina namens hun minderjarig kind ingediend verzoekschrift om rechterlijke machtiging te verkrijgen om een voor dit kind bestemde nalatenschap te verwerpen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Overweging 12 van verordening nr. 2201/2003 luidt als volgt:

„De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.”

4        Artikel 1 van deze verordening bepaalt:

„1.      Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

[…]

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.      De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:

[…]

e)      de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.

3.      Deze verordening is niet van toepassing op:

[…]

f)      trusts en erfopvolging;

[…]”

5        Artikel 8 van die verordening, met als opschrift „Algemene bevoegdheid”, bepaalt:

„1.      Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2.      Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”

6        Artikel 12 van diezelfde verordening, met als opschrift „Prorogatie van rechtsmacht”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3 ervan:

„1.      De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

[…]

b)      de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

2.      De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:

a)      de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij

b)      ingeval op het onder a) bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij

c)      de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.

3.      De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:

a)      het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;

en

b)      hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.”

 Grieks recht

7        Artikel 797 van de Kodikas Politikis Dikonomias (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt dat wanneer namens een minderjarig kind om machtiging wordt verzocht door de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, de vrederechter van de plaats van de gewone verblijfplaats van de minderjarige bevoegd is en uitspraak doet volgens de regels van niet-contentieuze procedures.

8        Volgens artikel 748, lid 2, juncto artikel 750 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering moet een kopie van het verzoekschrift met een mededeling van de datum van de terechtzitting worden toegezonden aan het eisangeleas protodikon (openbaar ministerie van het gerecht van eerste aanleg; hierna: „openbaar ministerie”), dat het recht heeft om deel te nemen aan de terechtzitting voor de vrederechter.

9        Het openbaar ministerie heeft de hoedanigheid van „partij” bij de niet‑contentieuze procedures en heeft het recht om procedurehandelingen te verrichten, zoals hoger beroep instellen, ongeacht of het openbaar ministerie wordt opgeroepen voor of aanwezig is tijdens de terechtzitting.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      Saponaro en Xylina, die optreden namens hun minderjarig kind dat de Griekse nationaliteit heeft, verzoeken de Eirinodikeio Lerou (vrederechter Leros, Griekenland) om machtiging om de nalatenschap van de grootvader van dat kind van moederszijde (hierna: „erflater”) te verwerpen.

11      De erflater is op 10 mei 2015 zonder testament overleden. Hij verbleef op het tijdstip van zijn overlijden in Griekenland. Zijn nalatenschap bestond uit een auto en een boot die zich in die lidstaat bevonden en in totaal 900 EUR waard waren. Voorts was de erflater strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot fraude en liepen zijn erfgenamen het risico dat het slachtoffer daarvan een civielrechtelijke schadevordering tegen hen zou instellen.

12      Om die reden hebben de echtgenote en de dochters van de erflater – respectievelijk de grootmoeder, de moeder en de tante van het minderjarige kind – de nalatenschap reeds verworpen en hebben de vader en de moeder van dat kind, dat tot de nalatenschap is geroepen, namens dit laatste om machtiging verzocht om die nalatenschap te verwerpen.

13      Saponaro en Xylina alsook hun minderjarig kind hebben hun gewone verblijfplaats in Rome (Italië).

14      De Eirinodikeio Lerou vraagt zich of de Griekse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van het verzoek van de ouders en inzonderheid of een prorogatie van rechtsmacht op grond van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 mogelijk is.

15      In die omstandigheden heeft de Eirinodikeio Lerou de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Ingeval een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij een Grieks gerecht is ingediend door de ouders van een minderjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft, zijn de voorwaarden voor een geldige prorogatie van rechtsmacht in de zin artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 dan vervuld, en is er meer bepaald sprake van:

a)      ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie door de ouders, als gevolg van het loutere feit dat zij het verzoek bij het Griekse gerecht hebben ingediend,

b)      aanvaarding van de prorogatie op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien [het openbaar ministerie] als één van de partijen wordt beschouwd, gelet op het feit dat het openbaar ministerie naar Grieks recht partij is bij de betrokken procedure,

c)      rechtvaardiging van de prorogatie van rechtsmacht door het belang van het kind, gelet op het feit dat het kind en de verzoekende partijen – de ouders van het kind – hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, terwijl de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden in Griekenland was, waar zich ook de nalatenschap bevindt?”

 Opmerkingen vooraf

16      Allereerst moet worden onderzocht of verordening nr. 2201/2003 van toepassing is ter bepaling van het bevoegde gerecht in een situatie zoals die in het hoofdgeding. Deze situatie betreft immers een erfopvolging. Zoals in artikel 1, lid 3, onder f), van verordening nr. 2201/2003 wordt gepreciseerd, is deze verordening echter niet van toepassing op erfopvolgingen.

17      In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld, in het arrest van 6 oktober 2015, Matoušková (C‑404/14, EU:C:2015:653, punt 31), dat het feit dat om een maatregel zoals de goedkeuring door de rechter voor bewind‑ en voogdijzaken van een namens minderjarige kinderen gesloten overeenkomst tot verdeling van de nalatenschap wordt verzocht in het kader van een erfrechtprocedure, niet als bepalend kan worden beschouwd om deze maatregel onder het erfrecht te doen vallen. Het vereiste van goedkeuring door de rechter voor bewind‑ en voogdijzaken is een rechtstreeks gevolg van de toestand en de bekwaamheid van de minderjarige kinderen en vormt een maatregel ter bescherming van het kind betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over zijn vermogen in het kader van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder e), van verordening nr. 2201/2003.

18      Evenzo moet worden geoordeeld dat een door ouders namens hun minderjarig kind ingediend verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen betrekking heeft op de toestand en de bekwaamheid van de persoon en dit verzoek niet onder het erfrecht valt.

19      Daaruit volgt dat een dergelijk verzoek niet onder het erfrecht valt maar verband houdt met de ouderlijke verantwoordelijkheid en dat de voorgelegde vraag dus moet worden onderzocht aan de hand van verordening nr. 2201/2003.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

20      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit kind hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de prorogatie van rechtsmacht ten gunste van een gerecht van die andere lidstaat voldoet aan de voorwaarden van die bepaling en, in het bijzonder, het belang van het kind dient, wanneer de ouders van dat kind het verzoek gezamenlijk bij het betrokken gerecht hebben ingediend, wanneer het openbaar ministerie, dat volgens het toepasselijke nationale recht van rechtswege partij is bij de betrokken procedure, geen bezwaar heeft gemaakt tegen die prorogatie van rechtsmacht en wanneer de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden alsook diens nalatenschap in die andere lidstaat is gelegen.

21      Die vraag heeft derhalve betrekking op de begrippen en de bewoordingen die worden gebruikt in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003, te weten, ten eerste, het begrip „uitdrukkelijke aanvaarding of aanvaarding op enige andere ondubbelzinnige wijze van de prorogatie van rechtsmacht”, ten tweede, de termen „alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt” en, ten derde, het begrip „belang van het kind”.

 Over het begrip „uitdrukkelijke aanvaarding of aanvaarding op enige andere ondubbelzinnige wijze”

22      Volgens artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 moet de bevoegdheid van een gerecht uit hoofde van deze bepaling uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze zijn aanvaard.

23      Zoals het Hof in het arrest van 12 november 2014, L (C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 56), heeft geoordeeld moet volgens de voormelde bepaling zijn aangetoond dat er tussen alle partijen bij de procedure een uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord over de prorogatie van rechtsmacht bestaat.

24      Van een dergelijk akkoord is geen sprake wanneer een enkele partij zich tot een rechter wendt en een andere partij op een later tijdstip voor diezelfde rechter intervenieert om evenwel diens bevoegdheid te betwisten (zie in die zin arrest van 12 november 2014, L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 57).

25      Daarentegen moet worden geconstateerd dat wanneer de twee ouders van een minderjarig kind bij eenzelfde gerecht een gezamenlijk verzoek indienen, zij blijk geven van de gemeenschappelijke wil om zich tot dat gerecht te wenden en, zodoende, van hun akkoord met de keuze voor het bevoegde gerecht. Bij gebreke van andere gegevens die deze vaststelling weerspreken, moet die aanvaarding als „ondubbelzinnig” worden beschouwd in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003.

 Over de termen „alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt”

26      Wat de bewoordingen „alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt” betreft, moet worden onderzocht of het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de procedure, ook een „partij” is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. De verwijzende rechter preciseert dat het openbaar ministerie als vertegenwoordiger van de staat en in het algemeen belang optreedt, en dat bij een verzoek om machtiging om namens een minderjarig kind een nalatenschap te verwerpen het algemeen belang overeenstemt met dat van het kind.

27      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 vastgestelde bevoegdheidsgrond, gelet op overweging 12 van deze verordening, een uitzondering vormt op het in artikel 8, lid 1, van die verordening neergelegde criterium van de nauwe verbondenheid op grond waarvan het in de eerste plaats aan de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind staat om kennis te nemen van procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over dit kind. Deze uitzondering heeft tot doel op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid een bepaalde autonomie aan partijen toe te kennen, doordat daarmee wordt benadrukt dat de voorwaarde volgens welke de bevoegdheid van de gerechten die door de partijen gezamenlijk zijn aangezocht, eenduidig moet worden aanvaard, strikt dient te worden uitgelegd (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C‑215/15, EU:C:2015:710, punt 41).

28      Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet worden onderstreept dat in de uitdrukking „alle partijen bij de procedure” de term „alle” is gebruikt, en moet die term worden bezien tegenover de meer specifieke termen „echtgenoten” of „personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen” die in artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zijn gebruikt. De Uniewetgever heeft aldus een term willen gebruiken die op alle partijen bij de procedure in de zin van het nationale recht ziet.

29      Geoordeeld moet dan ook worden dat het openbaar ministerie dat volgens het nationale recht de hoedanigheid van partij bij de procedure heeft bij vorderingen zoals die in het hoofdgeding en dat het belang van het kind vertegenwoordigt, een partij bij de procedure in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 is. Bijgevolg kan niet worden voorbijgegaan aan het verzet van deze partij tegen een prorogatie van rechtsmacht.

30      Wat het tijdstip betreft waarop de partijen in de procedure hun aanvaarding kenbaar moeten maken, te weten het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, blijkt uit artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 dat dit tijdstip in beginsel overeenstemt met het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend (arresten van 1 oktober 2014, E., C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 38, en 12 november 2014, L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 55).

31      Na het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt kunnen zich echter bepaalde feiten voordoen waaruit blijkt dat de aanvaarding als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 op dat tijdstip ontbrak. Zo heeft het Hof in het arrest van 12 november 2014, L (C‑656/13, EU:C:2014:2364, punten 56 en 57) geoordeeld dat kennelijk niet is aangetoond dat er een uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord in de zin van die bepaling bestaat wanneer de zaak op initiatief van slechts één partij in de procedure bij de betrokken rechter aanhangig is gemaakt en wanneer, op een later tijdstip, een andere partij in die procedure al bij de eerste door haar te stellen handeling in die procedure de bevoegdheid betwist van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt.

32      Mutatis mutandis kan er, in een situatie waarin het openbaar ministerie volgens het toepasselijke nationale recht van rechtswege als partij bij een procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beschouwd, geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien het openbaar ministerie zich na die datum als partij verzet tegen de keuze die door de ouders van het betrokken kind is gemaakt inzake het volgens hen bevoegde gerecht. Indien het openbaar ministerie evenwel geen verzet aantekent, kan het akkoord van die partij geacht worden impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld.

 Over het begrip „belang van het kind”

33      Uit artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 blijkt dat hoe dan ook nooit in strijd met het belang van het kind gebruik van prorogatie van rechtsmacht mag worden gemaakt en dat de eerbiediging van deze voorwaarde in elk individueel geval moet worden nagegaan (zie in die zin arrest van 12 november 2014, L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punten 49 en 58).

34      In het arrest van 27 oktober 2016, D. (C‑428/15, EU:C:2016:819, punt 58), betreffende de uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, waarin de verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen aan de orde was, heeft het Hof geoordeeld dat het vereiste dat de verwijzing in het belang van het kind is, impliceert dat het bevoegde gerecht zich er in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak van vergewist dat de voorgenomen verwijzing ervan naar een gerecht van een andere lidstaat geen negatieve gevolgen kan hebben voor de situatie van het kind.

35      In dit verband moet worden beklemtoond dat overweging 12 van verordening nr. 2201/2003, die preciseert dat de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, uitdrukkelijk de mogelijkheid vermeldt dat de gerechten van een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd zijn indien daarover een overeenkomst is gesloten tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

36      In casu is tussen de ouders van het kind een dergelijke overeenkomst gesloten. De verwijzende rechter geeft voort ook aan dat, bovenop het feit dat het kind de nationaliteit van de lidstaat van het gekozen gerecht heeft, de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden alsook diens nalatenschap in die lidstaat waren gelegen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat hetzelfde gold voor de passiva van de nalatenschap.

37      Deze elementen versterken de band tussen het kind en de lidstaat van het gekozen gerecht en zorgen ervoor dat dit gerecht, zoals de advocaat‑generaal in punt 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, goed in staat is om de context van de verwerping van de nalatenschap namens het kind te beoordelen.

38      Bovendien heeft de verwijzende rechter geen enkele inlichting verstrekt waaruit zou volgen dat het aanhangig maken van de zaak door de ouders bij het gekozen gerecht het belang van het kind op enigerlei wijze zou schaden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt in het bijzonder dat het openbaar ministerie, dat het belang van het kind dient te beschermen, zelf geen bezwaar tegen die keuze heeft gemaakt.

39      In een dergelijke context mag op basis van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, waaruit duidelijk blijkt dat er een band bestaat tussen het kind en de lidstaat van het betrokken gerecht, worden aangenomen dat de voorwaarde inzake het in aanmerking nemen van het belang van het kind vervuld is.

40      Gelet op een en ander dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat:

–        uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;

–        het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan het akkoord van die partij worden geacht impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en

–        uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke van gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.

 Kosten

41      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, moet artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, aldus worden uitgelegd dat:

–        uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;

–        het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan het akkoord van die partij worden geacht impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en

–        uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke aan gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.

ondertekeningen


*      Procestaal: Grieks.