Language of document : ECLI:EU:C:2018:359

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

31 mei 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Werkingssfeer – Begrip ‚omgangsrecht’ – Artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2, punten 7 en 10 – Omgangsrecht van grootouders”

In zaak C‑335/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) bij beslissing van 29 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 6 juni 2017, in de procedure

Neli Valcheva

tegen

Georgios Babanarakis,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, C. G. Fernlund (rapporteur), J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Kasalická als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door Y. G. Marinova en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 april 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Neli Valcheva, woonachtig in Bulgarije, en haar ex-schoonzoon, Georgios Babanarakis, woonachtig in Griekenland, aangaande een omgangsrecht van Valcheva met betrekking tot haar kleinzoon.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 2, 5 en 12 van verordening nr. 2201/2003 luiden:

„(2)      De Europese Raad van Tampere heeft bevestigd dat het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte vormt, en heeft het omgangsrecht aangemerkt als een prioriteit.

[…]

(5)      Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

[…]

(12)      De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. […]”

4        Artikel 1 van deze verordening, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.      Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a)      echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.      De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:

a)      het gezagsrecht en het omgangsrecht;

[…]”

5        Artikel 2 van voorgenoemde richtlijn, „Definities”, bepaalt in de punten 1 en 7 tot en met 10:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

1.      ,gerecht’: alle autoriteiten in de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 1 binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

[…]

7.      ‚ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;

8.      ,persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt’: elke persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt;

9.      ‚gezagsrecht’: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;

10.      ‚omgangsrecht’: omvat in het bijzonder het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats”.

6        Artikel 8 van deze verordening, „Algemene bevoegdheid”, bepaalt in lid 1:

„Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.”

 Bulgaars recht

7        Artikel 128 van de Semeen kodeks (wetboek familierecht), in de versie gepubliceerd in Darzhaven vestnik nr. 74 van 20 september 2016 (hierna: „wetboek familierecht”), bepaalt met betrekking tot het „omgangsrecht van familieleden”:

„(1)      De grootvader en de grootmoeder kunnen bij de Rayonen sad (arrondissementsrechter) in de huidige woonplaats van het kind verzoeken dat maatregelen worden vastgelegd voor de omgang met het kind wanneer dit in het belang van het kind is. Ook het kind heeft dit recht.

(2)      Het gerecht past artikel 59, leden 8 en 9, naar analogie toe.

(3)      Indien de ouder aan wie de rechter een omgangsrecht heeft verleend, wegens afwezigheid of ziekte tijdelijk niet in staat is dit recht uit te oefenen, kan dit recht door de grootmoeder en grootvader van het kind worden uitgeoefend.”

8        Artikel 59 van het wetboek familierecht bepaalt:

„(1)      In geval van echtscheiding beslissen de echtgenoten in onderlinge overeenstemming over het gezag over en de opvoeding van de uit het huwelijk voortgekomen minderjarige kinderen, in het belang van deze laatsten. De rechter keurt de overeenkomst goed op grond van artikel 49, lid 5.

(2)      Wanneer de in lid 1 bedoelde overeenstemming niet wordt bereikt, beslist de rechter ambtshalve bij welke ouder de kinderen zullen leven en aan welke ouder het gezagsrecht wordt toegewezen, en bepaalt hij de maatregelen betreffende de uitoefening van dit recht evenals de omgangsregeling en de onderhoudsverplichtingen van de ouders.

[…]

(7)      In uitzonderlijke gevallen kan de rechter, indien de belangen van de kinderen dit vereisen, gelasten dat zij, met hun instemming, bij hun grootvader, grootmoeder, of binnen het gezin van andere familieleden of verwanten zullen leven. Als dit niet mogelijk is, wordt het kind in een pleeggezin of een door de directie sociale ondersteuning aangewezen speciale instelling geplaatst, dan wel in sociale huisvesting. In ieder geval stelt de rechter een regeling vast omtrent het omgangsrecht van de ouders met betrekking tot het kind.

(8)      Voor zover nodig, gelast het gerecht passende beschermingsmaatregelen om tenuitvoerlegging van de beslissing overeenkomstig de leden 2 en 7 te verzekeren, zoals:

1.      de uitoefening van het omgangsrecht in aanwezigheid van een bepaalde persoon;

2.      de uitoefening van het omgangsrecht op een bepaalde plaats;

3.      het op zich nemen van de reiskosten van het kind en, indien nodig, van de reiskosten van de begeleidende persoon.

(9)      Bij een verandering in de omstandigheden kan het gerecht op verzoek van een van de ouders, van de directie sociale ondersteuning of ambtshalve de eerder opgelegde maatregelen wijzigen en nieuwe maatregelen nemen.”

9        Artikel 4 van de Zakon za litsata i semeystvoto (wet inzake personen‑ en familierecht), in de versie zoals bekendgemaakt in Darzhaven vestnik nr. 120 van 29 december 2002, luidt:

„Personen die veertien jaar of ouder maar nog geen achttien jaar oud zijn, zijn minderjarige adolescenten.

Voor het verrichten van rechtshandelingen hebben zij instemming nodig van hun ouders of hun voogd, maar zij kunnen eenvoudige zaken van het dagelijkse leven regelen en kunnen beschikken over hun zelf verworven middelen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      Neli Valcheva is de grootmoeder van Christos Babanarakis, die op 8 april 2002 geboren is uit het huwelijk van Mariana Koleva – de dochter van Valcheva – en Georgios Babanarakis. Dit huwelijk is ontbonden door een Griekse rechter, die het gezag over Christos Babanarakis toekende aan diens vader. Deze rechter bepaalde ook de wijze van uitoefening van het omgangsrecht van de moeder met betrekking tot het kind, waaronder contact via internet en telefoon, alsmede persoonlijke ontmoetingen in Griekenland van telkens enkele uren, eens per maand.

11      Nadat Valcheva had aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk was een volwaardig contact te onderhouden met haar kleinzoon en zij tevergeefs om hulp van de Griekse autoriteiten had verzocht, heeft zij een Bulgaarse rechter in eerste aanleg verzocht om op grond van artikel 128 van het wetboek familierecht een regeling vast te stellen voor de uitoefening van een omgangsrecht met betrekking tot haar minderjarige kleinkind. Zij verzocht dat haar het recht zou worden toegekend om haar kleinzoon regelmatig te zien, bepaalde weekenden van elke maand, en om het kind twee keer per jaar één of twee weken tijdens de vakantie bij haar te laten verblijven.

12      Voorgenoemde rechter van eerste aanleg oordeelde dat hij onbevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van Valcheva. De appelrechter waarbij zij hoger beroep had ingesteld, heeft de beslissing in eerste aanleg bevestigd op grond van verordening nr. 2201/2003. Deze rechter oordeelde dat die verordening van toepassing is op zaken aangaande het omgangsrecht met betrekking tot het kind van zijn ruimere familiekring, waaronder diens grootouders, en dat gelet op artikel 8 van deze verordening voorgenoemd verzoek onder de bevoegdheid valt van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt, te weten de Griekse gerechten.

13      Valcheva heeft beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter. Laatstgenoemde geeft aan dat hij in grote lijnen het standpunt van de appelrechter deelt, maar hij voegt daaraan toe dat om te bepalen welk gerecht bevoegd is, het noodzakelijk is om te weten of verordening nr. 2201/2003 van toepassing is op het omgangsrecht van grootouders.

14      Daarop heeft de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet het in artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2, punt 10, van verordening nr. 2201/2003 gebruikte begrip ,omgangsrecht’ aldus worden uitgelegd dat het niet alleen ziet op de omgang van de ouders met het kind, maar ook op de omgang van andere familieleden, en met name de grootouders, met het kind?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

15      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het omgangsrecht van grootouders met betrekking tot een kind onder verordening nr. 2201/2003 valt, teneinde te bepalen of de rechter die bevoegd is uitspraak te doen over een vordering met betrekking tot het omgangsrecht, zoals die welke is ingesteld door Valcheva, moet worden aangewezen op grond van die verordening dan wel op grond van regels van internationaal privaatrecht.

16      In het eerstgenoemde geval zijn, overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003, in de regel de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt. In het onderhavige geval zouden, op basis van de informatie in de verwijzingsbeslissing, de Griekse gerechten bevoegd zijn.

17      In het tweede geval dienen de nationale gerechten, in casu de Bulgaarse rechters, hun bevoegdheid te bepalen op grond van regels van internationaal privaatrecht.

18      Verordening nr. 2201/2003 preciseert niet of het begrip „omgangsrecht”, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, het omgangsrecht van grootouders omvat.

19      Dit begrip dient autonoom te worden uitgelegd, rekening houdend met de bewoordingen, de systematiek en de doelstellingen van verordening nr. 2201/2003, met name in het licht van de ontstaansgeschiedenis van de verordening, alsmede met andere handelingen van Unie‑ en internationaal recht.

20      Wat betreft de bewoordingen van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 2201/2003 moet worden vastgesteld dat het omgangsrecht ruim is gedefinieerd, in die zin dat het in het bijzonder het recht omvat om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats.

21      Deze definitie stelt geen enkele beperking wat betreft de personen die dit omgangsrecht kunnen genieten.

22      Om te bepalen of grootouders tot de door deze definitie bedoelde personen behoren, moet rekening worden gehouden met de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003, zoals vastgelegd in artikel 1, lid 1, onder b), ervan, krachtens welke deze verordening van toepassing is op de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

23      Verder komt het begrip „omgangsrecht” in het bijzonder voor in artikel 1, lid 2, onder a), en in artikel 2, punt 7, van verordening nr. 2201/2003.

24      Artikel 1, lid 2, onder a), van deze verordening preciseert dat zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid met name betrekking hebben op het gezagsrecht en het omgangsrecht.

25      Artikel 2, punt 7, van voorgenoemde verordening, definieert het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” als alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht.

26      In het licht van deze bepalingen zij opgemerkt dat verordening nr. 2201/2003 niet uitdrukkelijk uitsluit dat een omgangsrecht dat grootouders met betrekking tot hun kleinkinderen wensen te doen gelden, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.

27      Het is tevens van belang om rekening te houden met de door verordening nr. 2201/2003 nagestreefde doelstelling.

28      Zoals blijkt uit de overwegingen ervan, beoogt deze verordening een op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen gefundeerde justitiële ruimte tot stand te brengen, door regels vast te stellen betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

29      Volgens overweging 5 van voorgenoemde verordening is deze van toepassing op „alle” beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.

30      Onder deze beslissingen worden overeenkomstig overweging 2 van dezelfde verordening die betreffende het omgangsrecht beschouwd als een prioriteit.

31      Uit het werkdocument van de Commissie betreffende de wederzijdse erkenning van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid [COM(2001) 166 definitief] van 27 maart 2001, blijkt echter dat de Uniewetgever zich de vraag heeft gesteld wie de ouderlijke verantwoordelijkheid kan uitoefenen en aan wie omgangsrecht kan worden toegekend. Hij heeft meerdere opties onderzocht, in het bijzonder de beperking van de betrokken personen tot een van de ouders van het kind en, omgekeerd, de afwezigheid van enige beperking tot bepaalde personen. Dit document noemt met name de grootouders, onder verwijzing naar het ontwerpverdrag inzake het omgangsrecht van de Raad van Europa, dat erkent dat kinderen niet alleen recht hebben op contact met hun ouders, maar ook met andere personen waarmee zij familiebanden hebben, zoals hun grootouders. De Uniewetgever heeft uiteindelijk gekozen voor de optie waarbij het aantal personen dat de ouderlijke verantwoordelijkheid kan uitoefenen of een omgangsrecht kan genieten, door geen enkele bepaling wordt beperkt.

32      Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 65 van zijn conclusie moet worden vastgesteld, gelet op de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 2201/2003, dat de Uniewetgever de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 160, blz. 19), die zich enkel uitstrekte tot geschillen met betrekking tot ouders, heeft willen uitbreiden, en dat hij alle beslissingen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid en bijgevolg met betrekking tot het omgangsrecht, ongeacht wie dat zou kunnen uitoefenen en zonder grootouders uit te sluiten, voor ogen had.

33      Uit deze analyse volgt dat het begrip omgangsrecht in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2, punten 7 en 10, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden opgevat dat het niet alleen ziet op het omgangsrecht van ouders met betrekking tot hun kind, maar tevens op dat van andere personen ten aanzien van wie het van belang is dat dit kind persoonlijke betrekkingen met hen onderhoudt, met name zijn of haar grootouders, ongeacht of zij de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

34      Hieruit volgt dat een verzoek van grootouders om toekenning van een omgangsrecht met betrekking tot hun kleinkinderen, onder artikel 1, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003, en dientengevolge binnen de werkingssfeer van die verordening, valt.

35      Tevens moet worden benadrukt dat indien het omgangsrecht niet op al deze personen zou slaan, kwesties op het gebied van dit recht niet alleen zouden kunnen worden beslecht door het overeenkomstig verordening nr. 2201/2003 aangewezen gerecht, maar tevens door andere gerechten die zich bevoegd zouden achten op grond van het internationaal privaatrecht. Dat zou ertoe kunnen leiden dat conflicterende of zelfs onverenigbare beslissingen worden genomen, daar de toekenning van het omgangsrecht aan een naaste van het kind afbreuk zou kunnen doen aan het omgangsrecht dat is toegekend aan degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.

36      Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 56 van zijn conclusie, zou het verlenen van een omgangsrecht aan een andere persoon dan de ouders in aanvaring kunnen komen met de rechten en plichten van de ouders, te weten, in dit geval, met het gezagsrecht van de vader en het omgangsrecht van de moeder. Ter vermijding van conflicterende maatregelen alsmede in het belang van het kind, dient derhalve een en hetzelfde gerecht – in beginsel dat van de gewone verblijfplaats van het kind – over de omgangsrechten te beslissen.

37      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het begrip „omgangsrecht” in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2, punten 7 en 10, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat dit het omgangsrecht van grootouders met betrekking tot hun kleinkinderen omvat.

 Kosten

38      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Het begrip „omgangsrecht” in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2, punten 7 en 10, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat dit het omgangsrecht van grootouders met betrekking tot hun kleinkinderen omvat.

ondertekeningen


*      Procestaal: Bulgaars.