Language of document : ECLI:EU:C:2019:634

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

29 juli 2019 (*)

„Hogere voorziening – Staatssteun – Regionale investeringssteun – Steun voor een groot investeringsproject – Steun die ten dele onverenigbaar is met de interne markt – Artikel 107, lid 3, VWEU – Noodzaak van de steun – Artikel 108, lid 3, VWEU – Verordening (EG) nr. 800/2008 – Steun die de drempel voor individuele aanmelding overschrijdt – Kennisgeving – Omvang van de groepsvrijstelling – Incidentele hogere voorziening – Toelating tot interventie voor het Gerecht van de Europese Unie – Ontvankelijkheid”

In zaak C‑654/17 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 22 november 2017,

Bayerische Motoren Werke AG, gevestigd te München (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Rosenthal, G. Drauz en M. Schütte, Rechtsanwälte,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, A. Bouchagiar en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg

Freistaat Sachsen, vertegenwoordigd door T. Lübbig, Rechtsanwalt,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

Het Hof (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 januari 2019,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2019,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt Bayerische Motoren Werke AG (hierna: „BMW”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2017, Bayerische Motoren Werke/Commissie (T‑671/14, EU:T:2017:599; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2016/632 van de Commissie van 9 juli 2014 betreffende de staatssteun SA.32009 (2011/C) (ex 2010/N) die Duitsland voornemens is toe te kennen ten gunste van BMW voor een groot investeringsproject in Leipzig (PB 2016, L 113, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”).

2        De Europese Commissie heeft een incidentele hogere voorziening ingesteld. Zij verzoekt om vernietiging van, ten eerste, de beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 11 mei 2015, Bayerische Motoren Werke/Commissie (T‑671/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:322; hierna: „beschikking van 11 mei 2015”), waarbij Freistaat Sachsen is toegelaten tot interventie en, ten tweede, de beslissing over de ontvankelijkheid van deze interventie en de inaanmerkingneming van de argumenten die Freistaat Sachsen naar voren heeft gebracht bovenop de door rekwirante in het bestreden arrest aangevoerde argumenten.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 659/1999

3        Artikel 1 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU (PB 1999, L 83, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 (PB 2013, L 204, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 659/1999”), luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

[...]

b)      ‚bestaande steun’,

[...]

ii)      goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad [van de Europese Unie] zijn goedgekeurd;

[...]

c)      ‚nieuwe steun’, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;

[...]”

4        Artikel 2 van deze verordening, met het opschrift „Aanmelding van nieuwe steun”, bepaalt in lid 1:

„Tenzij anders is bepaald in verordeningen op grond van artikel [109 VWEU] of op grond van andere desbetreffende bepalingen, wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld. [...]”

5        Artikel 7 van deze verordening heeft als opschrift „Beschikkingen van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure” en luidt:

„[...]

2.      Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat die maatregel geen steun vormt, stelt zij dit bij beschikking vast.

3.      Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat de twijfel over de verenigbaarheid van die maatregel met de gemeenschappelijke markt is weggenomen, geeft zij een beschikking luidens welke de steun verenigbaar is met de [interne] markt (,positieve beschikking’). In de beschikking wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het Verdrag is toegepast.

[...]”

6        Artikel 10 van verordening nr. 659/1999 heeft het opschrift „Onderzoek, verzoek om informatie en bevel tot het verstrekken van informatie”. Lid 1 ervan is als volgt verwoord:

„Onverminderd artikel 20 kan de Commissie ambtshalve informatie, uit welke bron ook, onderzoeken met betrekking tot mogelijk onrechtmatige steun.

De Commissie onderzoekt een klacht die een belanghebbende overeenkomstig artikel 20, lid 2, heeft ingediend, zo snel mogelijk en zorgt ervoor dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek op de hoogte wordt gehouden.”

 Verordening (EG) nr. 800/2008

7        De overwegingen 2 tot en met 4 en 7 van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen [107 en 108 VWEU] met de [interne] markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PB 2008, L 214, blz. 3), die is vervangen door verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1), zijn als volgt verwoord:

„(2)      De Commissie heeft de artikelen [107 en 108 VWEU] toegepast in tal van beschikkingen en besluiten en heeft voldoende ervaring opgedaan om algemene verenigbaarheidscriteria vast te stellen wat betreft steun aan [kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)] [...]

(3)      De Commissie heeft ook voldoende ervaring opgedaan bij de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] op opleidingssteun, werkgelegenheidssteun, milieusteun, steun ten behoeve van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en regionale steun ten aanzien van zowel kmo’s als grote ondernemingen [...]

(4)      In het licht van deze ervaring dienen sommige van de voorwaarden die door de verordeningen [...] zijn vastgesteld, te worden aangepast. Met het oog op vereenvoudiging en om een doelmatiger toezicht door de Commissie op de steun te garanderen, dienen deze instrumenten door één enkele verordening te worden vervangen. De vereenvoudiging dient onder meer voort te vloeien uit een stel gemeenschappelijke geharmoniseerde definities en gemeenschappelijke horizontale bepalingen, zoals die in hoofdstuk I van de onderhavige verordening zijn vastgesteld. [...]

[...]

(7)      Staatssteun in de zin van artikel [107, lid 1, VWEU] die niet onder deze verordening valt, dient aan de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] onderworpen te blijven. Deze verordening dient voor de lidstaten de mogelijkheid onverlet te laten om steun aan te melden waarvan de doelstellingen in overeenstemming zijn met de doelstellingen die onder de toepassing van deze verordening vallen. Dergelijke steun dient door de Commissie met name te worden beoordeeld op grond van de in deze verordening uiteengezette voorwaarden en overeenkomstig de criteria die in specifieke, door de Commissie vastgestelde richtsnoeren of kaderregelingen zijn vastgesteld, wanneer de betrokken steunmaatregel binnen het toepassingsbereik van een dergelijk specifiek instrument valt.”

8        Artikel 3 van verordening nr. 800/2008, met als opschrift „Vrijstellingsvoorwaarden”, is opgenomen in hoofdstuk I, „Gemeenschappelijke bepalingen”, van deze verordening en luidt als volgt:

„1.      Steunregelingen die aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoen, zijn verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107, lid 3, VWEU] en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] vrijgesteld mits alle krachtens die regeling verleende steun aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet, en de regeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat, waarbij de titel van deze verordening en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald.

2.      Individuele steun die op grond van een in lid 1 bedoelde steunregeling wordt verleend, is verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107, lid 3, VWEU] en is van de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] vrijgesteld mits die steun aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoet, de individuele steunmaatregel een uitdrukkelijke verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van deze verordening bevat, waarbij de betrokken bepalingen, de titel van deze verordening en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald.

3.      Ad-hocsteun die aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoet, is verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107, lid 3, VWEU] en is van de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] vrijgesteld mits die steun een uitdrukkelijke verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van deze verordening bevat, waarbij de betrokken bepalingen, de titel van deze verordening en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald.”

9        Artikel 6 van deze verordening, met het opschrift „Drempels voor individuele aanmelding”, is opgenomen in hetzelfde hoofdstuk I en bevat in lid 2 ervan de volgende bepaling:

„Regionale investeringssteun voor grote investeringsprojecten moet bij de Commissie worden aangemeld indien het totale bedrag aan steun uit alle bronnen meer dan 75 % bedraagt van het maximale bedrag aan steun dat een investering met in aanmerking komende kosten van 100 miljoen EUR kan ontvangen, waarbij de standaardsteundrempel wordt toegepast die volgens de goedgekeurde regionale steunkaart op het tijdstip van de steunverlening voor grote ondernemingen geldt.”

10      In artikel 8 van die verordening, met als opschrift „Stimulerend effect”, is bepaald:

„1.      Door deze verordening wordt enkel steun vrijgesteld die een stimulerend effect heeft.

[...]

3.      Onder deze verordening vallende steun aan grote ondernemingen wordt geacht een stimulerend effect te hebben, indien behalve dat aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarde is voldaan, de lidstaat, alvorens de betrokken individuele steun toe te kennen, zich ervan heeft vergewist, dat de door de begunstigde onderneming voorbereide documenten aantonen dat aan één of meer van de volgende criteria is voldaan:

[...]

e)      ten aanzien van regionale investeringssteun bedoeld in artikel 13, dat het project, zonder de steun, niet als dusdanig in het steungebied zou zijn uitgevoerd.

4.      De in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden gelden niet ten aanzien van belastingmaatregelen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de belastingmaatregel vestigt overeenkomstig objectieve criteria een wettelijke aanspraak op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en

[...]”

11      Hoofdstuk II van verordening nr. 800/2008 heeft als opschrift „Bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën steun” en bevat artikel 13 met het opschrift „Regionale investerings- en werkgelegenheidssteun”. Lid 1 daarvan is als volgt verwoord:

„Regelingen inzake regionale investerings- en werkgelegenheidssteun zijn verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107, lid 3, VWEU] en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] vrijgesteld, mits aan de in onderhavig artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan.

[...]”

 Mededeling van 2009 

12      In de Mededeling van de Commissie betreffende de criteria voor een diepgaande beoordeling van regionale steun voor grote investeringsprojecten (PB 2009, C 223, blz. 3; hierna: „mededeling van 2009”) staat met name vermeld:

„21.      In het geval van regionale steun voor grote investeringsprojecten als bedoeld in deze mededeling, vergewist de Commissie zich in detail ervan ‚dat de steun noodzakelijk is om een stimulerend effect te geven voor de investering [...]’. Bij deze gedetailleerde beoordeling moet worden nagegaan, of de steun daadwerkelijk bijdraagt tot een verandering in het gedrag van de begunstigde, zodat hij (aanvullende) investeringen in de betrokken steunregio doet. Een onderneming kan ook zonder steunverlening heel wat goede redenen hebben om zich in een bepaalde regio te vestigen.

22.      In het licht van de billijkheidsdoelstelling die uit het cohesiebeleid voortvloeit – en voor zover de steun bijdraagt tot de verwezenlijking van deze doelstelling – bestaan er twee scenario’s waarin er sprake kan zijn van een stimulerend effect:

[...]

2.      de steun geeft een prikkel om een investeringsproject in de betrokken regio en niet ergens anders uit te voeren, doordat hij de nettohandicaps en de kosten die voortvloeien uit de vestiging in de steunregio compenseert.

[...]

25.      In scenario 2 kan de lidstaat het stimulerende effect van de steun aantonen door bedrijfsdocumenten over te leggen waaruit blijkt dat een vergelijking is gemaakt tussen de kosten en de baten van vestiging in de betrokken steunregio en vestiging in een andere regio. De Commissie zal die vergelijking slechts in aanmerking nemen voor zover zij realistisch is.

[...]

33.      In scenario 2 (vestigingsprikkel) zal de steun in het algemeen als evenredig worden beschouwd indien hij gelijk is aan het verschil tussen de nettokosten voor de begunstigde onderneming van een investering in de steunregio en de nettokosten van een investering in een andere regio. [...]

[...]

52.      Nadat is vastgesteld, dat de steun noodzakelijk is als stimulans om de investering in de betrokken regio te doen, zal de Commissie de positieve effecten van de regionale investeringssteun voor een groot investeringsproject afwegen tegen de negatieve effecten van de steun. [...]

[...]

56.      De Commissie kan besluiten de steun goed te keuren, voorwaarden te koppelen aan het verlenen van de steun of de steun te verbieden [...].”

13      In de voetnoot bij punt 56 van deze mededeling staat vermeld dat „[w]anneer steun wordt verleend op basis van een bestaande regeling voor regionale steun, [...] de aandacht evenwel erop gevestigd [dient] te worden dat de lidstaat deze steun kan verlenen tot het niveau dat overeenstemt met het maximaal toegestane steunbedrag dat een investering met in aanmerking komende uitgaven ten belope van 100 miljoen EUR volgens de toepasselijke regels mag ontvangen”.

 Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

14      De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 5 van het bestreden arrest in de volgende bewoordingen uiteengezet:

„1       Verzoekster [...] is de moedermaatschappij van de groep Bayerische Motoren Werke [...], die als hoofdactiviteit de bouw van auto’s en motorrijwielen van de merken BMW, MINI en Rolls-Royce heeft.

2      Op 30 november 2010 heeft de Bondsrepubliek Duitsland, op grond van artikel 6, lid 2, van verordening [nr. 800/2008] steun ten belope van een nominaal bedrag van 49 miljoen EUR aangemeld die zij, overeenkomstig de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007‑2013 (PB 2006, C 54, blz. 13 [...]), op grond van het Investitionszulagengesetz 2010 (wet investeringspremies 2010) van 7 december 2008, zoals gewijzigd (BGBl. 2008 I, blz. 2350; hierna: ‚IZG’), wilde toekennen voor de bouw van een fabriek voor de vervaardiging van het elektrische voertuig i3 en het plug-in hybride elektrische voertuig i8 van BMW te Leipzig (Duitsland). In de aanmelding werd melding gemaakt van investeringskosten van 392 miljoen EUR [...] en een steunintensiteit van 12,5 %. De daadwerkelijke betaling van de steun was afhankelijk gesteld van goedkeuring door de Europese Commissie.

3      Na een aantal aanvullende inlichtingen te hebben verkregen, heeft de Commissie op 13 juli 2011 de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ingeleid en vervolgens de opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland daarover ontvangen. Op 13 december 2011 is het besluit ‚Steunmaatregel van de staten – Duitsland – Steunmaatregel SA.32009 (11/C) (ex 10/N) – LIP – Steun voor BMW Leipzig – Uitnodiging overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het [VWEU] om opmerkingen te maken’ bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2011, C 363, blz. 20). [...]

[...]

5      Op 9 juli 2014 heeft de Commissie het [litigieuze] besluit vastgesteld. Artikel 1 van dit besluit luidt als volgt:

‚De staatssteun ten bedrage van 45 257 273 EUR, die [de Bondsrepubliek] Duitsland aan [rekwirante] wil verlenen, is slechts met de interne markt verenigbaar indien deze beperkt blijft tot een bedrag van 17 miljoen EUR (op basis van de prijzen die in 2009 golden); het bedrag dat daarboven uitkomt (28 257 273 EUR), is onverenigbaar met de interne markt.

De steun mag bijgevolg slechts tot het bedrag van 17 miljoen EUR worden verleend.’”

 Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest

15      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 september 2014, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

16      Op 16 januari 2015 heeft Freistaat Sachsen een verzoek tot interventie aan de zijde van rekwirante ingediend.

17      Bij beschikking van 11 mei 2015 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht dit verzoek tot interventie ingewilligd.

18      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.

 Conclusies van partijen

19      Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover daarbij een bedrag van 28 257 273 EUR – dat wil zeggen het deel van het steunbedrag dat uitkomt boven 17 miljoen EUR – onverenigbaar met de interne markt werd verklaard, of, subsidiair, indien en voor zover het Hof oordeelt dat het geding niet in staat van wijzen is, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;

–        subsidiair, het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover daarbij elke boven het bedrag van 17 miljoen EUR uitkomende steun wordt verboden en onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard die krachtens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 is vrijgesteld en die is verleend in het kader van het betrokken investeringsproject, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

20      De Commissie verzoekt de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.

21      Freistaat Sachsen dient hetzelfde verzoek in tot vernietiging en nietigverklaring als rekwirante en verzoekt het Hof de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

22      Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:

–        de beschikking van 11 mei 2015 te vernietigen;

–        de beslissing over de ontvankelijkheid van de interventie en de inaanmerkingneming van de argumenten die interveniënt naar voren heeft gebracht bovenop de door rekwirante in het bestreden arrest aangevoerde argumenten, te vernietigen;

–        in de hoedanigheid van rechter in eerste aanleg uitspraak te doen over het verzoek tot interventie en dit verzoek af te wijzen, en

–        rekwirante te verwijzen in de kosten.

23      Rekwirante en Freistaat Sachsen verzoeken het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.

 Incidentele hogere voorziening

24      Met haar incidentele hogere voorziening verwijt de Commissie het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste procedurele opvatting in de zin van artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie waardoor aan haar belangen afbreuk wordt gedaan omdat het Gerecht overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van dit Statuut Freistaat Sachsen heeft toegelaten als interveniënt aan de zijde van rekwirante. Ter ondersteuning van deze hogere voorziening voert zij drie middelen aan die in wezen betrekking hebben op schending van deze bepaling en een onjuiste beoordeling van de feiten.

25      Volgens rekwirante en Freistaat Sachsen is de incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond.

26      Opgemerkt moet worden dat tegen beslissingen van het Gerecht volgens artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening kan worden ingesteld bij het Hof, „op de wijze en binnen de grenzen die in het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie] worden bepaald”.

27      In dit verband wordt in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat een verzoek om een hogere voorziening uiterlijk binnen twee maanden, te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing, bij het Hof kan worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid.

28      Bovendien staat volgens artikel 57, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie een hogere voorziening bij het Hof open tegen beslissingen van het Gerecht waarbij een overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van dit Statuut ingediend verzoek tot interventie wordt afgewezen. Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen worden ingediend binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing.

29      Vastgesteld moet worden dat de beslissing van het Gerecht om een overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, ingediend verzoek tot interventie in te willigen, niet onder één van deze beide bepalingen valt.

30      Immers beslecht een dergelijke beslissing het geding niet ten gronde en maakt het evenmin een einde aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, wat de Commissie in haar incidentele hogere voorziening overigens niet betwist.

31      De beslissing van het Gerecht om een verzoek tot interventie in te willigen komt ook niet overeen met de beslissing die wordt bedoeld in artikel 57, eerste alinea, van dit Statuut volgens welke bepaling in geval van een verzoek tot interventie daarentegen alleen bij de afwijzing ervan voor de verzoeker een hogere voorziening openstaat.

32      Uit deze bepalingen volgt dat het Statuut van het Hof van Justitie een partij in de procedure in eerste aanleg niet de mogelijkheid biedt om een hogere voorziening in te stellen tegen de beslissing van het Gerecht om een verzoek tot interventie in te willigen.

33      Hieruit volgt, zoals de Commissie bovendien erkent, dat tegen de beschikking van 11 mei 2015 waarbij het Gerecht het overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingediende verzoek tot interventie van Freistaat Sachsen heeft ingewilligd, geen principale hogere voorziening openstond.

34      De Commissie betoogt evenwel dat tegen de beslissing van het Gerecht om deze interveniënt toe te laten, krachtens artikel 178, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wel een incidentele hogere voorziening openstaat die is gericht tegen het bestreden arrest waardoor de procedure in eerste aanleg werd beëindigd, aangezien de toelating van de interveniënt een onvolkomenheid in de procedure vormt in de zin van artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie waardoor aan haar belangen afbreuk is gedaan.

35      Dit betoog kan niet slagen.

36      Ten eerste wordt in artikel 178, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaald dat de conclusies van een incidentele hogere voorziening kunnen strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een „beslissing van het Gerecht”.

37      Hoewel het juist is dat in deze bepaling, anders dan in artikel 169, lid 1, van dit Reglement, niet wordt gepreciseerd dat de met de hogere voorziening nagestreefde vernietiging betrekking moet hebben op „de beslissing van het Gerecht zoals deze in het dictum van deze beslissing voorkomt”, doet dit er, zoals al in punt 31 van het onderhavige arrest is opgemerkt, niet aan af dat de beslissing van het Gerecht om een verzoek tot interventie in te willigen in ieder geval geen beslissing vormt waartegen een hogere voorziening in de zin van artikel 56, eerste alinea, of artikel 57, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie openstaat.

38      Ten tweede kan een hogere voorziening volgens artikel 178, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ook strekken tot vernietiging van een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende de „ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht”.

39      De beslissing van het Gerecht om een verzoek tot interventie in te willigen, heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van het beroep in hoofdzaak, omdat een dergelijke interventie ondergeschikt is aan dit laatste beroep (zie in die zin arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 121, en beschikking van 19 juli 2017, Lysoform Dr. Hans Rosemann en Ecolab Deutschland/ECHA, C‑663/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:568, punt 47).

40      Hieruit volgt dat het Unierecht geen enkele bepaling bevat die een rechtsgrondslag kan vormen waaraan een partij het recht kan ontlenen om bij het Hof een hogere voorziening in te stellen tegen een beslissing van het Gerecht om een verzoek tot interventie in te willigen.

41      Geen van de door de Commissie aangevoerde argumenten kan aan deze conclusie afdoen.

42      In de eerste plaats, voor zover de Commissie stelt dat de inwilliging van een verzoek tot interventie in strijd met artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie een „onregelmatigheid in de procedure” in de zin van artikel 58, eerste alinea, van dit Statuut vormt waardoor aan haar belangen afbreuk wordt gedaan, volstaat het op te merken dat deze laatste bepaling enkel tot doel heeft de rechtsvragen te formuleren die ter ondersteuning van een hogere voorziening kunnen worden opgeworpen en niet om vast te stellen tegen welke soort beslissingen een dergelijke hogere voorziening openstaat. Dat laatste staat in artikel 56, eerste alinea, en artikel 57, eerste alinea, van dit Statuut vermeld. Artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan er dus niet toe leiden dat tegen meer beslissingen dan in deze laatste bepalingen is voorzien, hoger beroep wordt opengesteld.

43      In de tweede plaats is de argumentatie van de Commissie ongegrond voor zover zij beweert dat uit het arrest van 29 november 2007, Stadtwerke Schwäbisch Hall e.a./Commissie (C‑176/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:730), blijkt dat het Hof gehouden is om ambtshalve de ontvankelijkheid te toetsen van een bij het Gerecht ingediend verzoek tot interventie indien de interveniënt een incidentele hogere voorziening instelt of, zoals in de onderhavige zaak, een memorie van antwoord indient in de principale hogere voorziening.

44      Zoals het Hof in punt 18 van het voornoemde arrest heeft opgemerkt, is het Hof, indien bij hem een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is, inderdaad gehouden om, desnoods ambtshalve, te oordelen over de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring en, derhalve, over het middel van openbare orde met betrekking tot schending van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een verzoeker alleen de nietigverklaring van een beslissing die niet tot hem is gericht kan vorderen indien hij daardoor rechtstreeks en individueel wordt geraakt.

45      Derhalve is het bestaan van een procesbelang waaraan de verzoeker procesbevoegdheid ontleent in de zin van deze laatste bepaling, een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van zijn beroep voor het Gerecht tot nietigverklaring van een besluit. Daarentegen heeft de inwilliging van een overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingediend verzoek tot interventie, zoals uit punt 39 van het onderhavige arrest volgt, geen invloed op de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep. Aan het arrest van 29 november 2007, Stadtwerke Schwäbisch Hall e.a./Commissie (C‑176/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:730), kan dus geen analogie worden ontleend.

46      Voor zover in de derde plaats de Commissie tijdens de terechtzitting heeft geprobeerd argumenten te ontlenen aan het arrest van 14 april 2005, Gaki-Kakouri/Hof van Justitie (C‑243/04 P, niet gepubliceerd, EU:C:2005:238), waarin het Hof in de punten 33 en 34 een middel toetste dat betrekking had op schending door het Gerecht van artikel 48, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering ter zake van een te laat ingediend bewijsaanbod, volstaat het vast te stellen dat een dergelijk middel in die zaak strekte tot vernietiging van een beslissing van het Gerecht in de zin van artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, namelijk, in dat geval, een beslissing die het geding ten gronde beslechtte.

47      Daarover gaat het juist niet in de incidentele hogere voorziening van de Commissie in de onderhavige zaak. Immers beoogt de Commissie met haar hogere voorziening, zoals zij daarin zelf uitdrukkelijk heeft aangegeven, geen vernietiging te verkrijgen van het bestreden arrest dat het geding ten gronde beslecht, maar uitsluitend van de beslissing van het Gerecht om het verzoek tot interventie in te willigen, wat geen „beslissing” is in de zin van dit artikel 56, eerste alinea.

48      In de vierde plaats ten slotte, stelt de Commissie dat de inwilliging van een verzoek tot interventie in eerste instantie autonome rechtsgevolgen teweegbrengt die nadelig zijn voor haar procedurele status in het kader van een hogere voorziening. Interveniënt kan immers met zijn argumenten het voorwerp van het geding voor het Gerecht uitbreiden zodat zowel het Hof in het kader van een hogere voorziening, als het Gerecht bij terugverwijzing in geval van vernietiging van het bestreden arrest, aanvullende argumenten moet toetsen. Tevens kan het Gerecht, los van elke juridische toetsing door het Hof, een bepaalde lijn in de rechtspraak tot ontwikkeling brengen die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bovendien kan een interveniënt die in strijd met deze bepaling is toegelaten een hogere voorziening instellen tegen een beslissing van het Gerecht.

49      In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de inwilliging van een verzoek tot interventie, anders dan de Commissie beweert, in geen enkel geval kan leiden tot een uitbreiding van het voorwerp van het geding voor het Gerecht.

50      Overeenkomstig artikel 40, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een partij die is toegelaten tot interventie in een bij het Gerecht aanhangig geding, evenwel het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de hoofdpartijen, niet wijzigen. Derhalve zijn alleen de argumenten van een interveniënt ontvankelijk die passen binnen het door die conclusies en die middelen afgebakende kader [zie met name arresten van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 114, en 25 oktober 2017, Commissie/Raad (CMR-15), C‑687/15, EU:C:2017:803, punt 23]. Een interveniënt heeft niet het recht om nieuwe middelen op te werpen die verschillen van die welke de verzoeker heeft aangevoerd (arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 121).

51      Voor zover de Commissie met haar argumenten stelt dat de inwilliging van een verzoek tot interventie afbreuk kan doen aan haar recht op daadwerkelijke rechtsbescherming, moet voorts worden benadrukt dat het Unierecht en in het bijzonder artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen tegen de achtergrond van de waarborgen van artikel 18 en artikel 19, lid 2, ervan, geen verplichting bevat om te voorzien in rechtspraak in twee instanties. Het is namelijk alleen van belang dat een rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat. Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming verleent een particulier derhalve een recht op toegang tot een rechter, maar geen recht op meervoudige aanleg (zie met name arresten van 28 juli 2011, Samba Diouf, C‑69/10, EU:C:2011:524, punt 69; 30 mei 2013, F, C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 44, en 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 57).

52      In het onderhavige geval staat niet ter discussie dat de Commissie voor het Gerecht de mogelijkheid had haar opmerkingen in te dienen over de ontvankelijkheid van het verzoek tot interventie uit het oogpunt van de vereisten van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

53      Bovendien moet worden benadrukt dat de Commissie, indien het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van rekwirante had aanvaard, het recht had gehad om de argumenten die interveniënt ter ondersteuning van de conclusies van rekwirante had aangevoerd en die het Gerecht in voorkomend geval gegrond had verklaard, te betwisten in het kader van een hogere voorziening.

54      Ten slotte is het juist dat een voor het Gerecht toegelaten interveniënt die geen lidstaat of instelling van de Europese Unie is, ingevolge artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt aangemerkt als een „partij” die bij het Hof een hogere voorziening kan instellen en dat deze interveniënt in deze hoedanigheid elk middel kan aanvoeren om op te komen tegen de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Uit deze bepaling volgt eveneens dat een interveniënt voor het Gerecht die aldus wordt beschouwd als een „partij” bij deze rechterlijke instantie en niet meer als een „interveniënt”, krachtens artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het recht heeft om een memorie van antwoord in te dienen indien een andere partij een hogere voorziening heeft ingesteld (zie arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C‑390/95 P, EU:C:1999:66, punten 20‑22).

55      Opgemerkt moet evenwel worden dat volgens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie iedere persoon kan interveniëren in het kader van een procedure in hogere voorziening als hij aannemelijk kan maken belang te hebben bij de beslechting van dat geding bij het Hof. Bovendien kan een interveniënt bij het Gerecht overeenkomstig artikel 56, tweede alinea, van dit Statuut slechts een hogere voorziening instellen indien hij aantoont direct te worden geraakt door de beslissing van het Gerecht. Ten slotte heeft elke partij in de procedure in hogere voorziening, zoals reeds uit punt 53 van het onderhavige arrest is gebleken, in ieder geval het recht om de middelen en argumenten te betwisten die een aan deze procedure deelnemende interveniënt heeft aangevoerd bij het Gerecht.

56      Bijgevolg moet de incidentele hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Principale hogere voorziening

57      Rekwirante, ondersteund door Freistaat Sachsen, baseert haar hogere voorziening op twee middelen. Met het eerste middel stelt zij schending van artikel 107, lid 3, VWEU. Het tweede middel betreft schending van artikel 288 VWEU en van artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 alsmede niet-nakoming van het non-discriminatiebeginsel.

 Eerste middel

58      Met haar eerste middel, dat bestaat uit vier onderdelen, voert rekwirante aan dat het Gerecht artikel 107, lid 3, VWEU heeft geschonden, doordat het in de punten 145 tot en met 149 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de betrokken steun niet noodzakelijk was, louter omdat deze in strijd met punt 33 van de mededeling van 2009 hoger was dan het verschil tussen de nettokosten van de investering in de steunregio en die van een investering in een andere regio, zonder te hebben getoetst of deze steun tot verstoring van de mededinging leidde.

 Eerste en derde onderdeel van het eerste middel

–       Argumenten van partijen

59      Met het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht zich te hebben gebaseerd op het vermoeden dat elke steun die niet noodzakelijk is ter compensatie van het verschil in kostprijs tussen een investering in de steunregio en een investering in een andere regio, een verstoring van de mededinging met zich meebrengt.

60      Een dergelijk vermoeden is echter in strijd met artikel 107 VWEU aangezien, gelet op deze bepaling, vereist is dat bij de beoordeling van steun ten eerste wordt getoetst of er een risico bestaat op verstoring van de mededinging in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, ten tweede wordt vastgesteld welke gevolgen de steun heeft in de omstandigheden van het specifieke geval zoals bedoeld in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, en ten derde de negatieve en de positieve effecten van de steun tegen elkaar worden afgewogen. De Commissie is dus gehouden om de betrokken markt af te bakenen en de positie van rekwirante op die markt vast te stellen.

61      Met het tweede onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het bestreden arrest niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof.

62      Uit deze rechtspraak en in het bijzonder punt 57 van het arrest van 30 april 2009, Commissie/Italië en Wam (C‑494/06 P, EU:C:2009:272), volgt immers dat de Commissie moet nagaan of de steunmaatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen. Daarbij moet zij in haar besluit relevante aanwijzingen weergeven over de voorzienbare gevolgen ervan.

63      Bovendien heeft het Hof in punt 41 van het arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a. (C‑526/14, EU:C:2016:570), voor recht verklaard dat de vaststelling van een mededeling de Commissie niet bevrijdt van de op haar rustende verplichting om bij de toepassing van artikel 107, lid 3, VWEU de specifieke omstandigheden te onderzoeken.

64      Ten slotte volgt uit het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), dat het, aangezien de regels inzake staatssteun deel uitmaken van de mededingingsregels in het VWEU, niet logisch is om bij de toepassing van artikel 107 VWEU af te zien van een onderzoek naar de gevolgen van een steunmaatregel, terwijl een dergelijk onderzoek wel vereist is bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU.

65      Met het derde onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat de Commissie bij de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU had nagelaten om haar onderzoeksbevoegdheden uit te oefenen teneinde de onzekerheden weg te nemen over de afbakening van de betrokken markt en haar positie daarop, en dat terwijl deze elementen juist de reden waren geweest om deze procedure in te leiden.

66      Uit de mededeling van 2009 volgt echter dat de Commissie de betrokken markten moet afbakenen en dat de beoordeling van eventuele omvangrijke marktaandelen, voor zover die worden beschouwd als een aanwijzing voor verstoring van de mededinging, in het kader van een diepgaande beoordeling moet worden verfijnd.

67      Indien de Commissie de betrokken markt en de marktaandelen in het onderhavige geval juist had afgebakend, had zij vastgesteld dat de handel niet zodanig had kunnen worden beïnvloed dat het gemeenschappelijk belang werd geschaad in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en had zij het niet noodzakelijk geacht om de steun te verlagen.

68      De Commissie is van oordeel dat de eerste drie onderdelen van het eerste middel niet-ontvankelijk zijn. Zij voert in wezen aan dat deze onderdelen nieuwe middelen vormen dan wel niet voldoen aan de voorwaarden van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. In ieder geval zijn deze onderdelen van het eerste middel volgens haar ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

69      Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de eerste drie onderdelen van het eerste middel moet in de eerste plaatst worden opgemerkt dat volgens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het voorwerp van het geschil voor het Gerecht in hogere voorziening niet mag worden gewijzigd. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven op de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd. Indien een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (zie in die zin met name arresten van 17 september 2015, Total/Commissie, C‑597/13 P, EU:C:2015:613, punt 22, en 20 december 2017, Comunidad Autónoma de Galicia en Retegal/Commissie, C‑70/16 P, EU:C:2017:1002, punt 88).

70      In het onderhavige geval verwijt de Commissie rekwirante evenwel ten onrechte dat zij pas bij de hogere voorziening voor het eerst ter ondersteuning van de eerste drie onderdelen van het eerste middel heeft aangevoerd dat artikel 107, lid 1, VWEU is geschonden. Immers verwijst rekwirante in haar argumentatie ter ondersteuning van dit deel van het eerste middel weliswaar naar deze bepaling, maar vastgesteld moet worden dat zij het Gerecht met deze argumentatie ondubbelzinnig verwijt er blijk van te hebben gegeven niet deze bepaling, maar artikel 107, lid 3, VWEU te hebben geschonden, omdat het Gerecht in het bestreden arrest bij de toetsing van de verenigbaarheid van de steun blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling van de noodzaak van deze steun.

71      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. Artikel 169, lid 2, van dat Reglement verlangt dienaangaande dat de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig moeten aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht (arrest van 20 september 2016, Mallis e.a./Commissie en ECB, C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      In casu stelt de Commissie evenwel tevens ten onrechte dat het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel niet aan deze voorwaarden voldoen. Uit het betoog dat rekwirante ter ondersteuning van dit deel van het eerste middel heeft ontwikkeld, volgt immers duidelijk dat rekwirante het Gerecht verwijt in de punten 145 tot en met 149 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken steun te hebben nagelaten om ten eerste te onderzoeken of deze steun tot verstoring van de mededinging op de betrokken markt kon leiden en ten tweede de betrokken markt en haar positie daarop af te bakenen.

73      In de derde en laatste plaats moet over de stelling van de Commissie dat het tweede onderdeel van het eerste middel, voor zover het berust op schending van artikel 107, lid 3, VWEU, niet-ontvankelijk is, worden vastgesteld dat aan de hand van de door de Commissie uiteengezette bezwaren waarmee zij rekwirante verwijt „een ten gronde niet ontvankelijk middel” aan te voeren, niet duidelijk kan worden gemaakt om welke reden dit onderdeel niet ontvankelijk zou zijn.

74      Bijgevolg zijn de eerste drie onderdelen van het eerste middel ontvankelijk.

75      Met betrekking tot de gegrondheid van dit deel van het eerste middel moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht over het onderzoek van rekwirantes grieven betreffende de verenigbaarheid – in het licht van artikel 107, lid 3, VWEU – van de betrokken regionale steun voor een groot investeringsproject, om te beginnen in de punten 83 tot en met 142 van het bestreden arrest – waartegen niet wordt opgekomen in de onderhavige hogere voorziening – heeft geoordeeld dat de betrokken steun, die 49 miljoen EUR bedroeg, volgens de punten 21, 22 en 25 van de mededeling van 2009 een stimulerend effect had respectievelijk volgens punt 33 hiervan evenredig was voor zover dit steunbedrag overeenkwam met het verschil tussen de nettokosten van een investering in München (Duitsland) en een investering in Leipzig, welk verschil in casu, zoals uit met name de punten 119 en 131 van dit arrest volgt, 17 miljoen EUR bedroeg.

76      Bovendien heeft het Gerecht in de punten 143 tot en met 150 van het bestreden arrest rekwirantes grieven verworpen die betrekking hadden op de afwezigheid van een onderzoek door de Commissie naar een eventuele verstoring van de mededinging. In dit verband heeft het Gerecht in de punten 145 en 146 van dit arrest geoordeeld dat de Commissie kon vermoeden dat het deel van de steun dat boven het bedrag van 17 miljoen EUR uitkwam door een mogelijke vervalsing van de mededinging een negatief effect had, aangezien zij niet op basis van punt 33 van de mededeling van 2009 had aangetoond dat deze steun evenredig was. In de punten 147 tot en met 149 van dit arrest heeft het Gerecht overwogen dat deze beoordeling met name werd gestaafd door de punten 7 en 52 van deze mededeling, waaruit volgens het Gerecht bleek dat de Commissie de positieve en de negatieve effecten van steun waarop deze mededeling betrekking heeft, alleen diende af te wegen wanneer zij had vastgesteld dat steun noodzakelijk was als stimulans voor investeringen in de betrokken regio. Hieruit heeft het Gerecht afgeleid dat de Commissie in casu niet was gehouden om een economische analyse van de daadwerkelijke situatie van de betrokken markt te maken.

77      In wezen beoogt rekwirante met het betoog dat zij ter ondersteuning van de eerste drie onderdelen van het eerste middel ontwikkelt, om deze laatste beoordelingen ter discussie te stellen, terwijl zij het Gerecht verwijt te hebben geoordeeld dat de betrokken steun niet voldeed aan de evenredigheidsvoorwaarde zoals vastgelegd in punt 33 van de mededeling van 2009, louter omdat deze in strijd met deze bepaling hoger was dan het verschil tussen de nettokosten van een investering in de steunregio en die van een investering in een andere regio, zonder na een afweging van de positieve en negatieve effecten van deze steun te hebben aangetoond dat deze steun tot verstoring van de mededinging op de betrokken markt zou leiden.

78      Vastgesteld moet worden dat rekwirante met deze argumenten niet de geldigheid van de mededeling van 2009 bestrijdt in het licht van de bepalingen van het VWEU, waartoe meer bepaald artikel 107, lid 3 behoort. In het bijzonder moet worden opgemerkt dat rekwirante met de onderhavige hogere voorziening niet beoogt op te komen tegen de beslissing van het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest om haar daartoe in eerste aanleg aangevoerde argumenten niet ontvankelijk te verklaren.

79      In deze context moet er ter beoordeling van het eerste middel aan worden herinnerd dat de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt te beoordelen op grond van artikel 107, lid 3, VWEU en daarbij onder toezicht staat van de rechters van de Unie (arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      De Commissie beschikt dienaangaande over een ruime beoordelingsbevoegdheid, waarvan de uitoefening een complexe afweging van economische en sociale gegevens impliceert (arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81      Bij de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid kan de Commissie richtsnoeren aannemen teneinde de criteria vast te stellen op basis waarvan zij van plan is om de verenigbaarheid van door de lidstaten voorgenomen steunmaatregelen met de interne markt te beoordelen (arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 39).

82      Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te kennen te geven dat deze voortaan op de betrokken gevallen zullen worden toegepast, stelt de Commissie grenzen aan de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid en kan zij in beginsel niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel (arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      Het is juist dat de Commissie, zoals rekwirante terecht benadrukt, niet via door haar vastgestelde gedragsregels ervan kan afzien de haar door artikel 107, lid 3, VWEU verleende beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen. De vaststelling van de mededeling van 2009 bevrijdt de Commissie dan ook niet van haar verplichting om de uitzonderlijke specifieke omstandigheden te onderzoeken op basis waarvan een lidstaat in een concreet geval verzoekt om rechtstreekse toepassing van artikel 107, lid 3, VWEU (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84      Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt, hebben in casu echter noch rekwirante noch Freistaat Sachsen gesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland specifieke omstandigheden had aangevoerd die een rechtstreekse toepassing van artikel 107, lid 3, VWEU op de feiten van de onderhavige zaak rechtvaardigden.

85      In het kader van de onderhavige hogere voorziening wordt niet betwist dat het Gerecht, zoals blijkt uit punt 75 van het onderhavige arrest, in de punten 83 tot en met 142 van het bestreden arrest op goede gronden heeft geoordeeld dat de betrokken steun niet voldeed aan de evenredigheidsvoorwaarde zoals die is vastgelegd in punt 33 van de mededeling van 2009 aangezien deze steun hoger was dan het verschil tussen de nettokosten van een investering in München en die van een investering in Leipzig, welk verschil overigens overeenkwam met het steunbedrag dat werd aangemerkt als noodzakelijk voor een stimulerend effect overeenkomstig de punten 21, 22 en 25 van deze mededeling. Zoals het Gerecht in de punten 118 en 145 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is „regionale steun” immers, zoals verwoord in punt 29 van de mededeling van 2009, „evenredig indien het bedrag en de intensiteit van de steun beperkt blijven tot het minimum dat vereist is opdat de investering in de steunregio zou worden gedaan”.

86      In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht punt 52 van de mededeling van 2009 juist heeft uitgelegd door in punt 148 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie niet gehouden was om een afweging te maken tussen de positieve effecten van deze steun (die volgens de bewoordingen van de punten 11 tot en met 36 van deze mededeling blijken uit het onderzoek naar het stimulerend effect en de evenredigheid van de steun) en de negatieve effecten ervan (die op hun beurt volgens de punten 37 tot en met 51 van deze mededeling blijken uit de beoordeling van de gevolgen van deze steun voor de mededinging op de betrokken markt).

87      Inderdaad volgt uit de bewoordingen van punt 52 van de mededeling van 2009 dat de Commissie, wanneer zij heeft vastgesteld dat de steun niet noodzakelijk was „als stimulans” om de investering in de betrokken regio te doen, is ontslagen van haar verplichting de positieve en de negatieve effecten van regionale investeringssteun voor een groot investeringsproject tegen elkaar af te wegen.

88      Zoals reeds volgt uit punt 85 van het onderhavige arrest en zoals het Gerecht zelf in de punten 108 en 128 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt zonder dat dit in het kader van de onderhavige hogere voorziening door rekwirante wordt bestreden, dekt de voorwaarde inzake het stimulerend effect in het onderhavige geval evenwel die inzake de evenredigheid van de steun, aangezien het bedrag aan steun dat voldoende werd geacht om aan deze laatste voorwaarde te voldoen precies overeenkwam met het bedrag dat noodzakelijk was voor een stimulerend effect.

89      Afgezien daarvan kan, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie benadrukt, steun waarvan het bedrag meer bedraagt dan wat noodzakelijk is voor een investering in de steunregio, niet verenigbaar worden verklaard louter omdat deze steun geen negatief effect heeft op de mededinging.

90      Derhalve kon het Gerecht na te hebben vastgesteld dat de betrokken steun niet voldeed aan de evenredigheidsvoorwaarde zoals die is vastgelegd in punt 33 van de mededeling van 2009, daaruit in punt 146 van het bestreden arrest terecht afleiden dat de Commissie overeenkomstig punt 52 van deze mededeling bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van de betrokken steun in het licht van de in deze mededeling genoemde voorwaarden, kon vermoeden dat deze tot verstoring van de mededinging op de betrokken markt kon leiden.

91      Hieruit volgt dat de Commissie om dezelfde redenen ter beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken steun in het licht van deze zelfde voorwaarden, evenmin was gehouden om de betrokken markt af te bakenen. Dientengevolge heeft het Gerecht met zijn oordeel in punt 149 van het bestreden arrest dat de Commissie ten behoeve van deze beoordeling de positie van rekwirante op deze markt niet hoefde af te bakenen, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

92      Verduidelijkt moet worden dat, anders dan rekwirante suggereert, uit het voorgaande geenszins volgt dat de Commissie als gevolg daarvan wordtd ontslagen van haar verplichting om ten behoeve van de kwalificatie van een maatregel als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, aan te tonen dat alle in deze bepaling genoemde voorwaarden zijn vervuld, met name dat deze maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen (zie met name arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C‑20/15 P en C‑21/15 P, EU:C:2016:981, punt 53).

93      Immers moet in herinnering worden gebracht dat het onderzoek naar de verenigbaarheid van een nationale maatregel aan de hand van artikel 107, lid 3, VWEU in ieder geval vereist dat deze maatregel „staatssteun” vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

94      Hieruit volgt dat de Commissie ter vaststelling van het bestaan van „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gehouden blijft om te onderzoeken of de betrokken maatregel de mededinging kon vervalsen door in haar beslissing alle relevante aanwijzingen uiteen te zetten over de voorzienbare gevolgen ervan (zie arrest van 30 april 2009, Commissie/Italië en Wam, C‑494/06 P, EU:C:2009:272, punt 57).

95      Evenwel moet, zoals is opgemerkt in punt 70 van het onderhavige arrest, eraan worden herinnerd dat rekwirante ter ondersteuning van het onderhavige middel – net zo min als ter ondersteuning van het tweede middel van haar hogere voorziening – geen argument heeft aangevoerd dat betrekking had op schending van artikel 107, lid 1, VWEU.

96      Bijgevolg moeten de eerste drie onderdelen van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

 Vierde onderdeel van het eerste middel

–       Argumenten van partijen

97      Met het vierde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht de feiten en het bewijs onjuist heeft opgevat door te hebben geoordeeld dat een steunmaatregel ter hoogte van 17 miljoen EUR voldoende was om aanleiding te geven tot het besluit te investeren. Bij het besluitvormingsproces heeft rekwirante immers geen rekening gehouden met steun van deze omvang. Zij heeft de locatiekeuze gemaakt omdat steun van ongeveer 50 miljoen EUR werd verleend.

98      De Commissie stelt dat het vierde onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.

–       Beoordeling door het Hof

99      In herinnering moet worden gebracht dat een rekwirant volgens vaste rechtspraak overeenkomstig artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, nauwkeurig moet aangeven welke elementen door het Gerecht onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid. Bovendien moet een onjuiste opvatting duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw behoeven te worden beoordeeld (zie met name arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 86).

100    In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat rekwirante zich ertoe beperkt het Gerecht te verwijten de feiten en bewijzen onjuist te hebben opgevat door te hebben geoordeeld dat steun ter hoogte van 17 miljoen EUR voldoende was als stimulans voor de betrokken investeringen. Daarbij geeft zij, in strijd met de in punt 71 van het onderhavige arrest vermelde vereisten, noch aan welke punten van het dictum van het arrest worden bestreden, noch zet zij uiteen op welke gronden het Gerecht in dit verband met zijn vaststellingen kennelijk indruist tegen de inhoud van het dossier of daaraan een bepaalde draagwijdte heeft verleend die het kennelijk niet heeft.

101    Hieruit volgt dat rekwirante, onder het mom van een verwijt aan het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een verkeerde opvatting, in werkelijkheid van het Hof een nieuwe beoordeling van de feiten en bewijzen probeert te verkrijgen om die in de plaats te stellen van de beoordeling van het Gerecht, waartoe het Hof niet bevoegd is in het kader van een hogere voorziening.

102    Derhalve dient het vierde onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

103    Uit een en ander blijkt dat het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.

 Tweede middel

 Argumenten van partijen

104    Met haar tweede middel, dat uiteenvalt in twee onderdelen, verwijt rekwirante het Gerecht het recht meerdere malen verkeerd te hebben opgevat door in de punten 165 tot en met 181 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de Commissie de betrokken steun terecht tot een lager bedrag had verlaagd dan de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008.

105    Met het eerste onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht aldus in het bestreden arrest artikel 288 VWEU alsmede artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening heeft geschonden.

106    Wat in de eerste plaats schending van artikel 288 VWEU betreft, verwijt rekwirante het Gerecht de Commissie te hebben toegestaan met de vaststelling van het litigieuze besluit af te wijken van verordening nr. 800/2008, aangezien de uit artikel 13, lid 1, van deze verordening volgende verklaring dat de betrokken steun verenigbaar is, nog maar een louter vermoeden hoeft te betreffen.

107    Zij stelt dat de Commissie weliswaar bevoegd is om aangemelde steun onverenigbaar te verklaren met de interne markt, wanneer deze steun de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 overschrijdt, maar de eerbiediging van de normenhiërarchie staat er daarentegen aan in de weg dat deze instelling het deel van een dergelijke steun dat deze drempel niet overschrijdt, onverenigbaar kan verklaren.  In dit verband is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat de Commissie met de vaststelling van deze verordening aan de lidstaten de bevoegdheid heeft overgedragen om de verenigbaarheid te beoordelen van steun die niet hoger is dan deze drempel.

108    Verordening nr. 800/2008 berustte immers op een globale beoordeling van de positie en negatieve effecten van regionale steun en in het bijzonder van eventuele hierdoor veroorzaakte verstoringen van de mededinging. Deze globale beoordeling is in artikel 6, lid 2, van deze verordening vastgelegd door een drempel tot welker hoogte de doelstelling van regionale ontwikkeling en cohesie van groter gewicht is dan deze eventuele verstoringen van de mededinging. In deze verordening is derhalve een bindende regeling opgenomen met betrekking tot de in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU vereiste afweging tussen de positieve en negatieve effecten van regionale steun.

109    Hieruit volgt dat de voor steun in aanmerking komende ondernemingen er op grond van verordening nr. 800/2008 recht op hebben dat de overeenkomstig de verordening verleende steun wordt beschouwd als verenigbaar met de interne markt. Derhalve geeft deze verordening de lidstaten de mogelijkheid om ofwel steun aan te melden die de daarin opgenomen drempel voor individuele aanmelding overschrijdt, ofwel zonder een dergelijke aanmelding steun te verlenen die een dergelijke drempel niet overschrijdt. De benadering van het Gerecht in het bestreden arrest leidt ertoe dat de lidstaat die steun aanmeldt die deze drempel overschrijdt, het voordeel van de in verordening nr. 800/2008 opgenomen groepsvrijstelling verliest, omdat een dergelijke steun aan de beoordeling van de Commissie wordt onderworpen. Een dergelijk gevolg druist in tegen de aanwijzing in de voetnoot bij punt 56 van de mededeling van 2009 volgens welke steun altijd kan worden verleend tot aan de hoogte van de drempel voor individuele aanmelding.  

110    Deze uitlegging wordt gestaafd door artikel 7, leden 2 en 3, van verordening nr. 659/1999 waarin is voorzien in de mogelijkheid dat de betrokken lidstaat de aangemelde maatregel gedurende de formele onderzoeksprocedure wijzigt. De lidstaat kan dus niet worden gedwongen om af te zien van zijn aanmelding om op die manier te kunnen profiteren van de toestemming voor de verlening van steun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 niet overschrijdt. Overweging 7 van deze verordening berust eveneens op de onderlinge samenhang tussen de procedure voor individuele aanmelding en de groepsvrijstelling omdat de Commissie bij de procedure voor individuele aanmelding volgens deze overweging gehouden is om de steun te beoordelen op basis van de voorwaarden van deze verordening.

111    Dit betoog wordt ook bevestigd door de rechtspraak over de staatssteunregeling zoals die in het bijzonder volgt uit het arrest van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99, EU:T:2002:59, punten 228 en 229), waarin het Gerecht heeft overwogen dat individuele steun die niet geheel wordt gedekt door een goedkeuringsbesluit inzake de betrokken algemene steunregeling, door de Commissie slechts kan worden getoetst voor zover de toegekende subsidie het in dit besluit vastgelegde maximum overschrijdt.

112    Wat in de tweede plaats schending van artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 betreft, stelt rekwirante dat uit deze bepalingen volgt dat steun die de drempel voor individuele aanmelding niet overschrijdt en die voldoet aan de in deze verordening gestelde voorwaarden, verenigbaar is met de interne markt. Een dergelijke steun moet dus worden beschouwd als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), van verordening nr. 659/1999 en hoeft derhalve niet overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie te worden aangemeld.

113    Met het tweede onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante dat het bestreden arrest het beginsel van non-discriminatie schendt, aangezien haar concurrenten krachtens de IZG aanspraak erop kunnen maken dat hun steun wordt verleend die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 niet overschrijdt.

114    De Commissie is van mening dat het tweede middel niet-ontvankelijk is, omdat het gaat om een nieuw middel. Dit middel is volgens haar hoe dan ook ongegrond.

 Beoordeling door het Hof

115    Met zijn tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht in wezen in strijd met artikel 288 VWEU voorbij te zijn gegaan aan de bevoegdheid van de lidstaten en tevens artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 alsmede het non-discriminatiebeginsel te hebben geschonden door in de punten 165 tot en met 181 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de Commissie met recht dat deel van de aan de orde zijnde steun onverenigbaar kon verklaren met de interne markt dat niet de drempel voor individuele aanmelding overschreed die in artikel 6, lid 2, van deze verordening is opgenomen voor regionale steun ten behoeve van grote investeringsprojecten.

116    Met dit middel wordt dus gesteld dat het bestreden arrest blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen voor zover het betrekking heeft op de toetsing van de verenigbaarheid van het deel van de betrokken steun dat het bedrag dat geacht wordt evenredig te zijn in de zin van punt 33 van de mededeling van 2009, namelijk een bedrag van 17 miljoen EUR, overschrijdt tot aan deze drempel voor individuele aanmelding, waarvan tussen de partijen vaststaat dat die 22,5 miljoen EUR bedraagt.

117    Met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit tweede middel moet worden opgemerkt dat rekwirante, zoals de Commissie weergeeft, inderdaad ter ondersteuning van haar beroep voor het Gerecht niet uitdrukkelijk schending heeft aangevoerd van artikel 288 VWEU alsmede artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008.

118    Evenwel volgt duidelijk uit de bewoordingen van het verzoekschrift in eerste aanleg dat rekwirante met haar beroep voor het Gerecht, zoals volgt uit de punten 162 en 163 van het bestreden arrest, met een derde, subsidiair aangevoerd middel dat er betrekking op had dat „de steun is beperkt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag waarvoor geen aanmelding moet worden verricht”, aan de Commissie het verwijt maakt niet de verschuldigde aandacht te hebben besteed aan „verordening nr. 800/2008”. Rekwirante stelt in dit verband dat wanneer steun wordt aangemeld, deze steeds als verenigbaar moet worden beschouwd tot aan het in deze verordening vastgestelde drempelbedrag waarboven aanmelding verplicht is, zodat de lidstaat hoe dan ook tot aan deze drempel steun moet kunnen verlenen.

119    Bovendien stelde rekwirante volgens de duidelijke bewoordingen van dit verzoekschrift voor het Gerecht dat de Commissie „door de steun te beperken tot een bedrag dat lager is dan het bedrag waarvoor geen aanmelding moet worden verricht”, namelijk tot 17 miljoen EUR, „inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van de Bondsrepubliek Duitsland” wat bovendien heeft geleid tot „een verboden discriminatie [...] vergeleken met andere begunstigden van steun die krachtens de IZG zonder aanmeldingsverplichting steun konden verkrijgen ten belope van 22,5 miljoen EUR”.

120    In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat rekwirante in strijd met de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak met het onderhavige middel in hogere voorziening een nieuw middel opwerpt.

121    Bijgevolg is het tweede middel ontvankelijk.

122    Wat de gegrondheid van dit middel betreft, moet worden opgemerkt dat dit gebaseerd is op de dubbele premisse volgens welke de Commissie met de vaststelling van verordening nr. 800/2008 ten eerste aan de lidstaten de bevoegdheid zou hebben overgedragen om te beoordelen of staatssteun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van deze verordening niet overschrijdt, verenigbaar is met de interne markt, en ten tweede dergelijke steun overeenkomstig artikel 3 en artikel 13, lid 1, ervan, verenigbaar zou hebben verklaard met de interne markt wanneer deze voldoet aan alle in deze verordening gestelde voorwaarden, zodat deze steun is goedgekeurd als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), van verordening nr. 659/1999.

123    Hieruit zou volgen dat de Commissie, wanneer steun deze drempel voor individuele aanmelding overschrijdt, in het kader van het onderzoek naar een individuele aanmelding krachtens artikel 108, lid 3, VWEU alleen bevoegd is om op grond van artikel 107, lid 3, VWEU de verenigbaarheid te beoordelen van het deel van deze steun dat deze drempel overschrijdt. De Commissie zou daarentegen in haar op grond van deze bepaling vastgestelde eindbesluit het deel van het steunbedrag dat lager is dan deze drempel niet onverenigbaar kunnen verklaren, aangezien in een dergelijk besluit niet zou kunnen worden afgeweken van artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 zonder artikel 288 VWEU te schenden.

124    Evenwel moet worden vastgesteld dat de dubbele premisse waarop dit betoog is gebaseerd, onjuist is. Deze gaat namelijk zowel voorbij aan het bij het VWEU ingestelde controlesysteem voor staatssteun als aan de strekking van verordening nr. 800/2008.

125    Aangaande de eerste van deze premissen met betrekking tot de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten inzake de toetsing van staatssteun, moet eraan worden herinnerd dat de lidstaten, zoals het Gerecht in punt 165 van het bestreden arrest heeft aangegeven, in het kader van het bij het VWEU ingestelde controlesysteem bij de Commissie elke maatregel tot invoering of wijziging van steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moeten aanmelden, en dat zij voorts overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU een dergelijke maatregel niet ten uitvoer mogen leggen zolang deze instelling geen eindbesluit heeft genomen betreffende deze maatregel (zie met name arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126    Deze op de betrokken lidstaat rustende verplichting om elke nieuwe steunmaatregel bij de Commissie aan te melden, wordt verduidelijkt in artikel 2 van verordening nr. 659/1999 (arrest van 21 juli 2016, Dilly’s Wellnesshotel, C‑493/14, EU:C:2016:577, punt 32).

127    Zoals het Gerecht eveneens heeft opgemerkt in de punten 167 tot en met 169 van het bestreden arrest, is de Raad van de Europese Unie evenwel overeenkomstig artikel 109 VWEU bevoegd om alle verordeningen vast te stellen die dienstig zijn voor de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU, en met name om de voorwaarden voor de toepassing van artikel 108, lid 3, VWEU te bepalen alsmede de soorten van steunmaatregelen die zijn vrijgesteld van de in laatstgenoemde bepaling vervatte procedure. Voorts kan de Commissie krachtens artikel 108, lid 4, VWEU verordeningen vaststellen betreffende de soorten van staatssteun waaromtrent de Raad overeenkomstig artikel 109 VWEU heeft bepaald dat zij van de in artikel 108, lid 3, VWEU bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld. In lijn hiermee was op grond van artikel 94 EG (later artikel 89 EG, thans artikel 109 VWEU) verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB 1998, L 142, blz. 1) vastgesteld, en op basis van deze verordening is vervolgens verordening nr. 800/2008 vastgesteld (zie met name arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

128    Zoals het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, vloeit daaruit voort dat een lidstaat gebruik kan maken van de vrijstelling van de krachtens artikel 3 van verordening nr. 800/2008 op hem rustende aanmeldingsverplichting indien een door die lidstaat vastgestelde steunmaatregel voldoet aan de relevante voorwaarden van die verordening, een en ander niettegenstaande de verplichting om elke maatregel tot invoering of wijziging van nieuwe steun vooraf aan te melden, welke verplichting krachtens de Verdragen op de lidstaten rust en één van de fundamentele aspecten van het controlesysteem voor staatssteun vormt. Omgekeerd volgt uit overweging 7 van verordening nr. 800/2008 dat staatssteun die niet onder deze verordening valt, aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU onderworpen blijft (zie met name arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129    In het onderhavige geval staat vast dat de betrokken steun de relevante drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 overschrijdt en dat een dergelijke niet onder de werkingssfeer van deze verordening vallende steun bijgevolg om die reden alleen is uitgesloten van de vrijstelling van de individuele aanmeldingsplicht van met name artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening (zie naar analogie arrest van 21 juli 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, C‑459/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:515, punt 30).

130    Derhalve was de betrokken lidstaat in de onderhavige zaak gehouden om deze steun krachtens artikel 108, lid 3, VWEU individueel aan te melden bij de Commissie, wat de Bondsrepubliek Duitsland naar vaststaat overigens heeft gedaan.

131    Volgens deze bepaling kon deze steun dus niet ten uitvoer worden gelegd zolang de Commissie hierover niet overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 659/1999 een eindbeslissing had genomen.

132    Aangaande de beoordeling van de verenigbaarheid van een dergelijke steunmaatregel met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, VWEU, moet in herinnering worden gebracht dat, zoals al is vastgesteld in punt 79 van het onderhavige arrest, de Commissie volgens vaste rechtspraak bij uitsluiting bevoegd is tot een dergelijke beoordeling en daarbij onder toezicht staat van de rechters van de Unie.

133    Anders dan rekwirante stelt, heeft de Commissie, door verordening nr. 800/2008 vast te stellen, deze bevoegdheid met betrekking tot in deze verordening bedoelde steun waarvan het bedrag niet boven de in artikel 6, lid 2, ervan bepaalde drempel uitkomt, niet overgedragen aan de lidstaten.

134    Immers kan de Commissie, zoals de advocaat-generaal in punt 100 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ten eerste niet door een verordening vast te stellen, afwijken van deze bevoegdheid die door het primaire Unierecht in de artikelen 107 en 108 VWEU bij uitsluiting aan haar is opgedragen, zelfs niet enkel voor een bepaald soort steun.

135    Ten tweede moet worden opgemerkt dat de Commissie zich er met verordening nr. 800/2008 in wezen toe heeft beperkt de haar bij artikel 107, lid 3, VWEU toegekende bevoegdheden ex ante uit te oefenen met betrekking tot alle steun die aan de criteria van die verordening voldeed (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 65).

136    Zoals blijkt uit de overwegingen 2 tot en met 4 van verordening nr. 800/2008 zijn daartoe in deze verordening algemene verenigbaarheidscriteria opgenomen die de Commissie heeft uitgewerkt op basis van de door haar opgedane ervaring in het kader van de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU. Wanneer aan deze criteria is voldaan, is de betrokken steun overeenkomstig met name artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, VWEU en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

137    Indien krachtens verordening nr. 800/2008 een steunaanvraag wordt gericht aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat, zal evenwel alleen deze nationale autoriteit – rekening houdend met de aan haar overgelegde gegevens – toetsen of de aangevraagde steun voldoet aan alle relevante voorwaarden van die verordening (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punten 66 en 93).

138    Zoals het Hof al heeft geoordeeld wordt een lidstaat alleen van zijn aanmeldingsverplichting vrijgesteld indien een door deze lidstaat vastgestelde steunmaatregel daadwerkelijk voldoet aan alle relevante voorwaarden van verordening nr. 800/2008. Omgekeerd is de aanmeldingsverplichting niet nagekomen, wanneer met toepassing van deze verordening steun is verleend terwijl niet was voldaan aan alle voorwaarden voor de toepassing van die verordening, zodat die steun moet worden geacht onrechtmatig te zijn (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 99).

139    In een dergelijk geval moeten volgens de rechtspraak van het Hof zowel de nationale rechterlijke instanties als de bestuursorganen van de lidstaten verzekeren dat uit schending van artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU alle consequenties worden getrokken, met name wat betreft de geldigheid van uitvoeringshandelingen en de terugvordering van met die bepaling strijdige steun (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punten 89‑92, 100 en 130).

140    Bovendien staat het krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 659/1999 aan de Commissie om ofwel ambtshalve ofwel in het kader van een klacht die een belanghebbende heeft ingediend, met inaanmerkingneming van de artikelen 107 en 108 VWEU onderzoek te doen naar een dergelijke steun die in strijd met verordening nr. 800/2008 is verleend (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 114).

141    Ook al is de Commissie bevoegd om groepsvrijstellingsverordeningen vast te stellen teneinde te zorgen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de mededingingsregels inzake staatssteun en de administratie te vereenvoudigen, dergelijke verordeningen kunnen haar toezichthoudende bevoegdheid op dit vlak immers op geen enkele wijze verzwakken (zie in die zin arresten van 21 juli 2016, Dilly’s Wellnesshotel, C‑493/14, EU:C:2016:577, punt 38, en 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 60).

142    Hieruit vloeit voort dat de Commissie met de vaststelling van verordening nr. 800/2008 aan de nationale autoriteiten niet de bevoegdheid heeft verleend tot definitieve besluitvorming over de omvang van de vrijstelling van de aanmeldingsplicht en derhalve evenmin over de beoordeling van de in deze verordening gestelde voorwaarden waaraan een dergelijke vrijstelling is onderworpen. Deze autoriteiten bevinden zich in dit verband op hetzelfde niveau als potentiële begunstigden van steun en moeten ervoor zorgen dat hun besluiten in overeenstemming zijn met deze verordening (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punten 101 en 102).

143    Derhalve handelt een nationale autoriteit die steun verleent en daarbij ten onrechte verordening nr. 800/2008 toepast, in strijd met zowel deze verordening als artikel 108, lid 3, VWEU (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 103).

144    Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in punt 177 van het bestreden arrest met betrekking tot steun die volgens een lidstaat aan de voorwaarden van verordening nr. 800/2008 voldoet, heeft geoordeeld dat hoogstens vermoed wordt dat deze verenigbaar is met de interne markt. Of dergelijke steun voldoet aan die voorwaarden, kan overeenkomstig de in de punten 139 en 140 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak immers zowel voor een nationale rechterlijke instantie of een nationale autoriteit als voor de Commissie ter discussie worden gesteld.

145    In dit verband moet overigens in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof is uitgesloten dat een nationale autoriteit bij een begunstigde van steun die met toepassing van verordening nr. 800/2008 ten onrechte is verleend, het gewettigde vertrouwen kan hebben gewekt dat die steun rechtmatig is. Gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie krachtens artikel 108 VWEU uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, kunnen ondernemingen die steun genieten in beginsel immers enkel een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun hebben wanneer deze steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is verleend (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

146    Hieruit volgt dat verordening nr. 800/2008 geen invloed heeft op de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie om op grond van artikel 107, lid 3, VWEU te beoordelen of in overeenstemming met deze verordening verleende steun verenigbaar is. De Commissie blijft dus als enige bevoegd om een dergelijke steun krachtens deze bepaling verenigbaar te verklaren met de interne markt zonder dat het uitmaakt of deze steun de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van deze verordening al of niet overschrijdt.

147    Aangaande de tweede in punt 122 van het onderhavige arrest genoemde premisse, betreffende de strekking van verordening nr. 800/2008, volgens welke de Commissie door deze verordening vast te stellen, staatssteun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van deze verordening niet overschrijdt, verenigbaar heeft verklaard met de interne markt wanneer deze voldoet aan alle in deze verordening gestelde voorwaarden, zodat deze steun is goedgekeurd als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), van verordening nr. 659/1999, moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 steun die aan de in deze verordening gestelde voorwaarden voldoet, inderdaad „verenigbaar [is]” met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, VWEU.

148    Anders dan rekwirante betoogt, volgt hieruit evenwel niet dat dergelijke steun als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), ii), van verordening nr. 659/1999, moet worden aangemerkt als „goedgekeurd”. Opdat een steunregeling of een individuele steunmaatregel als zodanig kan worden aangemerkt, moet deze regeling of deze steun volgens de bewoordingen van deze bepaling immers zijn goedgekeurd „door de Commissie of de Raad”.

149    Steun die door een lidstaat overeenkomstig verordening nr. 800/2008 is verleend, kan niet worden beschouwd als goedgekeurd door de Commissie. Immers, zoals blijkt uit de punten 137 tot en met 142 van het onderhavige arrest, zijn het weliswaar de bevoegde nationale autoriteiten die onderzoeken of overeenkomstig deze verordening verleende steun in een concreet geval aan de daarin vastgelegde voorwaarden voldoet, zonder dat zij evenwel bevoegd zijn om bij de beoordeling of deze steun verenigbaar is met de interne markt, daarover zelf definitief te beslissen.

150    Bovendien bevat verordening nr. 800/2008, gelet op de strekking ervan, evenmin een regeling voor die concrete beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde steunregeling of een individuele steunmaatregel aan de hand van de in deze verordening gestelde voorwaarden, aangezien in die verordening, zoals in punt 136 van het onderhavige arrest is uiteengezet, slechts algemene verenigbaarheidscriteria voor bepaalde soorten steun worden genoemd op basis van de door de Commissie in het kader van de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU opgedane ervaring.

151    Wanneer een lidstaat oordeelt dat steun aan de voorwaarden van verordening nr. 800/2008 voldoet, kan deze derhalve niet louter daarom worden geacht door de Commissie als verenigbaar met de interne markt te zijn goedgekeurd (zie in die zin arrest van 21 juli 2016, Dilly’s Wellnesshotel, C‑493/14, EU:C:2016:577, punt 50).

152    Alleen een door de Commissie op grond van artikel 107, lid 3, VWEU vastgesteld besluit, zoals in het bijzonder een overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening nr. 659/1999 genomen besluit waarin een concrete beoordeling van deze steun wordt gegeven, kan een dergelijke goedkeuring verschaffen.

153    Hieruit volgt, zoals het Gerecht in de punten 176, 179 en 180 van het bestreden arrest in wezen terecht heeft geoordeeld, dat steun die een lidstaat overeenkomstig verordening nr. 800/2008 heeft verleend, niet kan worden beschouwd als door de Commissie goedgekeurde bestaande steun, louter omdat deze aan alle in deze verordening gestelde voorwaarden zou voldoen.

154    A fortiori kan het enkele feit dat de steun de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 bereikt, anders dan rekwirante stelt, dus geenszins recht geven op een dergelijk steunbedrag.

155    Los van de vaststelling dat een dergelijke steun in geen enkel geval, gelet op de strekking van verordening nr. 800/2008, kan worden beschouwd als door de Commissie goedgekeurde bestaande steun, vormt enerzijds de voorwaarde dat de steun deze drempel niet mag overschrijden weliswaar één van de voorwaarden die moeten worden vervuld opdat steun overeenkomstig artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening niet hoeft te worden aangemeld en verenigbaar is met de interne markt, maar deze voorwaarde is in die zin van zuiver formele aard dat het steunbedrag dat overeenkomt met deze drempel op geen enkele wijze de weerslag vormt van een door de Commissie op grond van artikel 107, lid 3, VWEU uitgevoerde beoordeling over de verenigbaarheid van steun met de interne markt, in het bijzonder met betrekking tot de noodzaak van een dergelijke steun.

156    De drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 vloeit immers voort uit een wiskundige berekening op basis van het maximale steunbedrag dat een investering met toelaatbare kosten van 100 miljoen EUR kan ontvangen op grond van de drempel die volgens de goedgekeurde regionale steunkaart op het tijdstip van de steunverlening voor grote ondernemingen geldt. Die drempel was in het onderhavige geval volgens de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007‑2013 voor de regio Leipzig gelijk aan een intensiteit van 30 % [zie richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007‑2013 – Nationale regionale-steunkaart Duitsland (PB 2006, C 295, blz. 6)].

157    Anderzijds moet regionale investeringssteun, opdat die overeenkomstig artikel 3 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 800/2008 verenigbaar is met de interne markt, voldoen aan alle materiële voorwaarden van deze verordening, in het bijzonder die met betrekking tot het stimulerend effect van artikel 8, lid 3, onder e), ervan, waarin is bepaald dat steun die is verleend aan grote ondernemingen die onder deze verordening vallen, wordt geacht een dergelijk stimulerend effect te hebben indien de lidstaat, alvorens de betrokken individuele steun toe te kennen, zich ervan heeft vergewist, dat de door de begunstigde onderneming voorbereide documenten aantonen dat het project, zonder de steun, niet als dusdanig in het steungebied zou zijn uitgevoerd.

158    Hieruit volgt dat steun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 niet overschrijdt, niet alleen niet kan worden gelijkgesteld aan door de Commissie goedgekeurde bestaande steun, maar bovendien alleen als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd overeenkomstig artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening, indien deze steun bovendien voldoet aan alle hierin opgenomen materiële voorwaarden, in het bijzonder dat het bedrag ervan voldoet aan de in artikel 8, lid 3, onder e), van deze verordening met betrekking tot het stimulerend effect van de steun gestelde voorwaarde.

159    Steun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 overschrijdt, welke steun, zoals reeds is opgemerkt in punt 129 van het onderhavige arrest, niet onder de werkingssfeer van deze verordening valt en die derhalve volgens artikel 108, lid 3, VWEU moet worden aangemeld bij de Commissie, kan bijgevolg niet worden beschouwd als steun die op grond van deze verordening is goedgekeurd voor zover het gaat om het deel van de steun dat deze drempel niet overschrijdt, en dat is zeker het geval wanneer niet is aangetoond dat dit deel van de steun voldoet aan alle in deze verordening vastgelegde materiële voorwaarden en met name die met betrekking tot het stimulerend effect van de steun.

160    Hieruit volgt dat het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 173, 176 en 181 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat steun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 overschreed, met betrekking tot het hele bedrag ervan, inclusief het deel dat deze drempel niet overschreed, in het kader van een individuele beoordeling op grond van artikel 107, lid 3, VWEU als „nieuwe steun” in de zin van artikel 1, onder c), van verordening nr. 659/1999 moest worden beoordeeld.

161    In die omstandigheden moest de verenigbaarheid van de betrokken steun met de interne markt met betrekking tot het hele bedrag ervan, in het kader van een individuele aanmelding krachtens artikel 108, lid 3, VWEU, worden beoordeeld, zoals dat ook in overweging 7 van verordening nr. 800/2008 is gepreciseerd, op basis van zowel de materiële voorwaarden van deze verordening als de criteria die in specifieke, door de Commissie vastgestelde richtsnoeren of kaderregelingen zijn vastgesteld. Zoals al volgt uit de punten 155 en 156 van het onderhavige arrest, is de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van deze verordening in dit verband daarentegen niet relevant (zie naar analogie arrest van 21 juli 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, C‑459/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:515, punten 30 en 31).

162    Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting toen het in punt 173 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de verenigbaarheid van de betrokken steun in de zin van artikel 107, lid 3, VWEU, in het bijzonder aan de hand van de voorwaarden van de mededeling van 2009 diende te worden beoordeeld.

163    Zoals al is vastgesteld in het kader van het onderzoek naar het eerste middel, wordt niet betwist dat het Gerecht in met name de punten 119 en 131 van het bestreden arrest op goede gronden heeft geoordeeld dat de betrokken steun het bedrag van 17 miljoen EUR niet mocht overschrijden om te voldoen aan de vereisten betreffende het stimulerend effect en de evenredigheid van de steun, zoals is voorzien in de punten 21, 22 en 25 respectievelijk punt 33 van deze mededeling.

164    Het is zeker juist, zoals rekwirante ter terechtzitting heeft benadrukt, dat de in verordening nr. 800/2008 vastgestelde materiële criteria, zoals blijkt uit de in punt 161 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, tevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling, in het kader van een individuele aanmelding krachtens artikel 108, lid 3, VWEU, of steun verenigbaar is. De Commissie dient door een lidstaat aangemelde voorgenomen staatssteun in beginsel immers goed te keuren indien deze voldoet aan de in verordening nr. 800/2008 vastgelegde voorwaarden (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 43).

165    Op straffe van schending van artikel 107, lid 3, VWEU, dat de rechtsgrondslag vormt voor zowel verordening nr. 800/2008 als de mededeling van 2009, kan de beoordeling of steun verenigbaar is met de interne markt, anders dan rekwirante suggereert, evenwel geenszins variëren al naargelang of de voorwaarden ten aanzien waarvan deze beoordeling plaatsvindt, zijn vastgelegd in deze verordening of staan vermeld in deze mededeling. In het bijzonder heeft rekwirante ten onrechte aangevoerd dat zij bij de toepassing van deze verordening recht zou hebben op een hoger steunbedrag dan het bedrag dat de Commissie in het litigieuze besluit in het kader van een individuele aanmelding heeft verleend.

166    Uit de rechtspraak van het Hof inzake artikel 107, lid 3, VWEU volgt immers dat regionale investeringssteun slechts verenigbaar kan zijn met de interne markt indien deze steun noodzakelijk is om deze investering ten uitvoer te leggen en derhalve de doelstellingen van deze bepaling te bereiken (zie in die zin arresten van 21 juli 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, C‑459/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:515, punt 33; 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie, C‑630/11 P–C‑633/11 P, EU:C:2013:387, punten 104 en 105, en 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 49).

167     Overeenkomstig artikel 107, lid 3, VWEU komen de vereisten inzake het stimulerend effect en de evenredigheid van de steun waarin is voorzien in de punten 21, 22, 25 en 33 van de mededeling van 2009 aldus in wezen overeen met de voorwaarde inzake het stimulerend effect van steun die is vastgesteld in artikel 8, lid 3, onder e), van verordening nr. 800/2008, volgens welke de toepassing van de in deze verordening bepaalde vrijstelling op de in artikel 13, lid 1, ervan bedoelde regionale steun die wordt verleend aan grote ondernemingen, is onderworpen aan de voorwaarde dat moet worden aangetoond dat, zoals al is opgemerkt in punt 157 van het onderhavige arrest, het project zonder de steun niet als dusdanig in het steungebied zou zijn uitgevoerd.

168    Hieruit volgt dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven in antwoord op een vraag van het Hof, het bedrag aan noodzakelijke steun dat de Commissie zoals in de onderhavige zaak in het kader van een individuele aanmelding die wordt getoetst aan de hand van de in de mededeling van 2009 opgenomen voorwaarden, verenigbaar acht, identiek is aan het bedrag dat geacht wordt in overeenstemming te zijn met de bepalingen die zijn weergegeven in verordening nr. 800/2008.

169    In ieder geval moet in casu worden vastgesteld dat het Gerecht het stimulerend effect en de evenredigheid van de steun weliswaar in essentie heeft beoordeeld met inaanmerkingneming van de in de mededeling van 2009 bepaalde vereisten, aangezien deze gedetailleerder zijn, maar in het kader van zijn beoordeling hieromtrent – zoals volgt uit punt 80 van het bestreden arrest, dat rekwirante in haar hogere voorziening overigens niet heeft betwist – tevens uitdrukkelijk heeft verwezen naar artikel 8, lid 3, onder e), van verordening nr. 800/2008 met betrekking tot het stimulerend effect van de steun.

170    Voor zover rekwirante ter terechtzitting in dit verband heeft gesteld dat de toepassing van deze bepaling in het onderhavige geval door lid 4 van dit artikel wordt uitgesloten, aangezien de betrokken steun een „belastingmaatregel” betreft in de zin van dit lid, volstaat het vast te stellen dat deze argumentatie, waarmee wordt beoogd om in hogere voorziening voor de eerste maal punt 80 van het bestreden arrest te betwisten, niet alleen, overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet-ontvankelijk is, maar bovendien ongegrond, aangezien de betrokken steun kennelijk geen belastingmaatregel is. Bovendien heeft rekwirante geenszins gesteld, laat staan aangetoond, dat zij overeenkomstig artikel 8, lid 4, onder a), van verordening nr. 800/2008 krachtens de IZG recht had op deze steun zonder dat de bevoegde autoriteiten ook maar enige beoordelingsbevoegdheid hadden met betrekking tot de te financieren investeringen.

171    Hieruit volgt dat rekwirante ten onrechte stelt dat de betrokken steun, indien die beperkt was gebleven tot een bedrag dat de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 niet overschreed, overeenkomstig artikel 3 en artikel 13, lid 1, van deze verordening had kunnen worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, zelfs al overschreed dat bedrag hetgeen noodzakelijk was om de investering ten uitvoer te leggen.

172    Bijgevolg heeft het Gerecht in het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting toen het in punt 179 van dit arrest heeft vastgesteld dat de Commissie terecht had geoordeeld dat de betrokken steun enkel verenigbaar kon worden verklaard met de interne markt volgens artikel 107, lid 3, VWEU, indien deze steun niet hoger was dan het verschil tussen de nettokosten van een investering in München en die van een investering in Leipzig, aangezien dit verschil het bedrag vormde dat vereist was opdat de investering in de steunregio ten uitvoer zou worden gelegd.

173    Zoals het Gerecht in punt 179 van het bestreden arrest eveneens terecht heeft geoordeeld, worden deze overwegingen niet ontkracht door de voetnoot bij punt 56 van de mededeling van 2009, volgens welke een lidstaat „deze steun kan verlenen tot het niveau dat overeenstemt met het maximaal toegestane steunbedrag dat een investering met in aanmerking komende uitgaven ten belope van 100 miljoen EUR volgens de toepasselijke regels mag ontvangen”. Deze mogelijkheid is volgens de bewoordingen van deze voetnoot namelijk alleen bedoeld voor steun die is verleend „op basis van een bestaande regeling voor regionale steun”. Zoals volgt uit de punten 147 tot en met 153 van het onderhavige arrest, is dat niet het geval met de betrokken steun.

174    Bovendien, en om dezelfde redenen, kan rekwirante geen schending aanvoeren van het non-discriminatiebeginsel op de grond dat haar concurrenten aanspraak kunnen maken op steun die de drempel voor individuele aanmelding van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 800/2008 niet overschrijdt zonder dat die steun bij de Commissie hoeft te worden aangemeld krachtens artikel 108, lid 3, VWEU. Dit betoog is immers opnieuw gebaseerd op de onjuiste premisse dat steun van een dergelijk bedrag door de Commissie goedgekeurde bestaande steun vormt. Het berust bovendien op de onjuiste aanname dat een dergelijke steun noodzakelijkerwijs voldoet aan alle andere materiële voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld, waaronder die met betrekking tot het stimulerend effect van de steun.

175    Hieruit volgt eveneens dat rekwirante, anders dan zij beweert, evenmin een ongunstige behandeling heeft ondergaan wegens de door de betrokken lidstaat gemaakte keuze om de betrokken steun bij de Commissie aan te melden volgens artikel 108, lid 3, VWEU.

176    Integendeel, deze steun die de Commissie in het litigieuze besluit heeft goedgekeurd voor het deel ervan dat wordt geacht in overeenstemming te zijn met de vereisten inzake het stimulerend effect en de evenredigheid van de steun, zoals voorzien in de mededeling van 2009, vormt daardoor thans in deze mate bestaande steun, terwijl dergelijke steun zonder een dergelijke aanmelding, indien de nationale autoriteit verordening nr. 800/2008 ten onrechte zou hebben toegepast, zou worden aangemerkt als nieuwe steun die was verleend in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU en derhalve als onrechtmatige steun, zodat de in de punten 139 en 140 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte gevolgen van toepassing zouden zijn.

177    Uit een en ander volgt dat het tweede middel in zijn beide onderdelen moet worden afgewezen.

178    Bijgevolg moet de principale hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

 Kosten

179    Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

180    Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die de Commissie in het kader van de principale hogere voorziening heeft gemaakt.

181    Overeenkomstig artikel 184, lid 4, van dat Reglement voor de procesvoering draagt Freistaat Sachsen zijn eigen kosten in verband met de principale hogere voorziening.

182    Wat de incidentele hogere voorziening betreft, is de Commissie in het ongelijk gesteld en moet zij dus overeenkomstig de vordering van rekwirante en Freistaat Sachsen eveneens worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die rekwirante en Freistaat Sachsen in het kader van de incidentele hogere voorziening hebben gemaakt.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1)      De principale hogere voorziening en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen.

2)      Bayerische Motoren Werke AG wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die de Europese Commissie heeft gemaakt in het kader van de principale hogere voorziening.

3)      Freistaat Sachsen wordt verwezen in zijn eigen kosten betreffende de principale hogere voorziening.

4)      De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die Bayerische Motoren Werke AG en Freistaat Sachsen hebben gemaakt in het kader van de incidentele hogere voorziening.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.