Language of document : ECLI:EU:C:2019:962

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 november 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Gemeenschappelijke marktordening – Melk en zuivelproducten – Verordening (EU) nr. 1308/2013 – Artikel 148, lid 4 – Contract voor de levering van rauwe melk – Vrije onderhandeling over de prijs – Strijd tegen oneerlijke handelspraktijken – Verbod om verschillende prijzen te betalen aan producenten van rauwe melk die op basis van de dagelijkse verkochte hoeveelheid tot dezelfde groep behoren, en om de prijzen zonder rechtvaardiging te verlagen”

In zaak C‑2/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Respublikos Konstitucinis Teismas (grondwettelijk hof van de Republiek Litouwen) bij beslissing van 20 december 2017, ingekomen bij het Hof op 2 januari 2018, in de procedure

Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė,

in tegenwoordigheid van:

Lietuvos Respublikos Seimas,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 december 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, vertegenwoordigd door G. Kaminskas, advokatas,

–        de Litouwse regering, vertegenwoordigd door R. Dzikovič, M. Važnevičius en V. Voinilko als gemachtigden,

–        de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en S. Eisenberg, vervolgens door S. Eisenberg als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door S. Horrenberger, D. Colas, A.‑L. Desjonquères en C. Mosser als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. Langer als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Lewis en A. Steiblytė als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 148, lid 4, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 (PB 2017, L 350, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 1308/2013”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een door de Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė (groep parlementsleden van de Republiek Litouwen) ingeleide procedure tot toetsing van de grondwettigheid van de Lietuvos Respublikos Ūkio subjektų, perkančių-parduodančių žalią pieną ir prekiaujančių pieno gaminiais, nesąžiningų veiksmų draudimo įstatymas Nr. XII‑1907 (wet nr. XII 1907 van de Republiek Litouwen houdende een verbod op oneerlijke praktijken van Litouwse marktdeelnemers bij de aankoop en verkoop van rauwe melk en het in de handel brengen van zuivelproducten) van 25 juni 2015 (TAR, 2015, nr. 2015‑11209), zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2015 (TAR 2015, nr. 2015‑20903) (hierna: „wet verbod oneerlijke handelspraktijken”), en met name de artikelen 3 en 5 ervan.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 127, 128 en 138 van verordening nr. 1308/2013 luiden:

„(127) Bij gebreke van Uniewetgeving betreffende geformaliseerde, schriftelijke contracten, kunnen de lidstaten in het kader van nationaal overeenkomstenrecht het gebruik van dergelijke contracten verplicht stellen, op voorwaarde dat het recht van de Unie hierbij in acht wordt genomen en met name de goede werking van de interne markt en van de gemeenschappelijke marktordening wordt gewaarborgd. Gezien de verscheidenheid in de Unie op dit gebied, moet een daartoe strekkend besluit, in het belang van de subsidiariteit, worden overgelaten aan de lidstaten. Wat de sector melk en zuivelproducten betreft, moet op Unieniveau wel een aantal basisvoorwaarden voor het gebruik van dergelijke contracten worden vastgesteld, teneinde te garanderen dat deze contracten aan bepaalde minimumnormen voldoen en dat zowel de interne markt als de gemeenschappelijke marktordening goed blijft werken. Over deze basisvoorwaarden moet vrij worden onderhandeld. Aangezien sommige zuivelcoöperaties wellicht voorschriften met een soortgelijke werking in hun statuten hebben opgenomen, dienen zij in het belang van de vereenvoudiging te worden vrijgesteld van de contractplicht. Met het oog op een grotere doeltreffendheid van een dergelijke regeling van contracten, dienen de lidstaten te bepalen of zij tevens van toepassing moet zijn in gevallen waarin tussenpersonen de melk bij de landbouwers inzamelen om deze aan de verwerkers te leveren.

(128) Om een duurzame ontwikkeling van de productie en een daaruit voortvloeiende billijke levensstandaard voor de melkproducenten te waarborgen, moet de onderhandelingspositie van deze producenten ten opzichte van de zuivelverwerkers worden versterkt, wat tot een eerlijker verdeling van de meerwaarde in de hele keten zou moeten leiden. Met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen van het [gemeenschappelijk landbouwbeleid], moet een bepaling op grond van artikel 42 en artikel 43, lid 2, VWEU worden vastgesteld teneinde uit melkproducenten bestaande producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties in staat te stellen om, met betrekking tot de rauwemelkproductie van al hun leden of een gedeelte daarvan, gezamenlijk met een zuivelfabrikant te onderhandelen over contractvoorwaarden, inclusief de prijs. Met het oog op doeltreffende mededinging op de zuivelmarkt moeten aan deze mogelijkheid adequate kwantitatieve beperkingen worden verbonden. Om het goed functioneren van coöperaties niet in het gedrang te brengen en omwille van de duidelijkheid moet uitdrukkelijk worden gesteld dat wanneer het lidmaatschap van een landbouwer van een coöperatie de verplichting inhoudt dat de rauwe melkproductie van de landbouwer geheel of gedeeltelijk dient te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de op grond van deze statuten vastgestelde voorschriften en besluiten zijn neergelegd, over deze voorwaarden niet met een producentenorganisatie hoeft te worden onderhandeld.

[...]

(138) Het gebruik van geformaliseerde schriftelijke contracten in de melksector wordt door afzonderlijke bepalingen geregeld, maar daarnaast kan het gebruik van dergelijke contracten de verantwoordelijkheidszin van marktdeelnemers in andere sectoren vergroten en hen doen inzien dat zij meer rekening dienen te houden met de signalen van de markt, alsmede bijdragen tot de doorrekening van de prijzen, betere afstemming van het aanbod op de vraag en voorkoming van bepaalde oneerlijke handelspraktijken. Bij gebrek aan wetgeving van de Unie over dergelijke contracten kunnen de lidstaten binnen het kader van hun nationaal overeenkomstenrecht besluiten om het gebruik van dergelijke contracten te verplichten, mits zij daarbij het recht van de Unie naleven en het goed functioneren van de interne markt en van de gemeenschappelijke marktordening wordt gewaarborgd.”

4        Artikel 1 van deze verordening heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en luidt:

„1.      Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten vastgesteld, d.w.z. alle in bijlage I bij de Verdragen vermelde producten [...]

2.      De in lid 1 bedoelde landbouwproducten worden ingedeeld in de volgende, in de respectievelijke delen van bijlage I vermelde sectoren:

[...]

p)      melk en zuivelproducten, deel XVI;

[...]”

5        Artikel 148 van die verordening, met als opschrift „Contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten”, bepaalt:

„1.      Indien een lidstaat besluit dat voor elke levering van rauwe melk op zijn grondgebied door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk, een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten en/of besluit dat een eerste koper een landbouwer voor een contract betreffende de levering van rauwe melk een schriftelijk voorstel moet doen, dienen dat contract en/of dat voorstel voor een contract te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden.

Een lidstaat die besluit dat voor leveringen van rauwe melk van een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, bepaalt tevens, indien de rauwe melk door één of meer inzamelaars wordt geleverd, welk leveringsstadium of welke leveringsstadia onder dit contract vallen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ,inzamelaar’ verstaan: een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, met dien verstande dat de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.

[...]

2.      Het contract en/of het voorstel voor een contract bedoeld in lid 1 [...]:

a)      worden vóór de levering gesloten;

b)      worden schriftelijk opgesteld; en

c)      bevatten in het bijzonder de volgende gegevens:

i)      de voor de levering verschuldigde prijs, die:

–      statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of

–      wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk;

ii)      de hoeveelheid rauwe melk die kan en/of moet worden geleverd en de leveringstermijn daarvan;

iii)      de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van verstrijkingsbepalingen, hetzij bepaalde, hetzij een onbepaalde looptijd is toegestaan;

iv)      details betreffende betalingstermijnen en ‑procedures;

v)      de modaliteiten voor de inzameling of levering van de rauwe melk, en

vi)      de voorschriften bij overmacht.

[...]

4.      De partijen onderhandelen in alle vrijheid over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

Niettegenstaande de eerste alinea geldt één of meer van de volgende mogelijkheden:

a)      indien een lidstaat besluit dat voor de levering van rauwe melk overeenkomstig lid 1 een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat:

i)      een verplichting voor de partijen vaststellen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde geleverde hoeveelheid en de prijs die voor die levering moet worden betaald;

ii)      een minimale looptijd vaststellen die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen;

b)      indien een lidstaat besluit dat de eerste koper van rauwe melk de landbouwer voor een contract overeenkomstig lid 1 een schriftelijk voorstel dient te doen, kan de lidstaat bepalen dat het voorstel de ter zake in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet omvatten; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden, en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De tweede alinea laat de rechten onverlet van de landbouwer om een dergelijke minimale looptijd schriftelijk te weigeren. In dat geval onderhandelen de partijen in alle vrijheid over alle elementen van het contract, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

[...]”

6        Artikel 149 van verordening nr. 1308/2013, met als opschrift „Contractuele onderhandelingen in de sector melk en zuivelproducten”, luidt als volgt:

„1.      Een producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten die krachtens artikel 161, lid 1, is erkend, kan namens haar leden uit de landbouwsector, met betrekking tot de volledige gezamenlijke productie van die leden of een gedeelte daarvan, onderhandelen over contracten voor de levering van rauwe melk door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk of aan een inzamelaar in de zin van artikel 148, lid 1, derde alinea.

2.      De producentenorganisatie kan de onderhandelingen voeren:

a)      ongeacht of de eigendom van de rauwe melk door de landbouwers wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

b)      ongeacht of de via onderhandelingen tot stand gekomen prijs geldt voor de gezamenlijke productie van alle, dan wel een deel van de aangesloten landbouwers;

[...]”

7        Artikel 152 van de verordening heeft als opschrift „Producentenorganisaties” en bepaalt:

„1.      De lidstaten kunnen, op verzoek, producentenorganisaties erkennen, die:

a)      bestaan uit, en overeenkomstig artikel 153, lid 2, onder c), gecontroleerd worden door, producenten uit een in artikel 1, lid 2, bedoelde specifieke sector;

[...]”

8        Overweging 50 van verordening 2017/2393 luidt als volgt:

„In de sector melk en zuivelproducten kan het gebruik van contracten de verantwoordelijkheidszin van marktdeelnemers vergroten en hen beter doen inzien dat zij meer rekening dienen te houden met de signalen van de markt, alsmede bijdragen tot de doorrekening van de prijzen, betere afstemming van het aanbod op de vraag en voorkoming van bepaalde oneerlijke handelspraktijken. Om stimulansen te bieden voor het gebruik van dergelijke contracten in de sector melk en zuivelproducten en andere sectoren, moeten producenten, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties het recht krijgen om een schriftelijk contract te verzoeken, zelfs indien de betrokken lidstaat het gebruik van dergelijke contracten niet verplicht heeft gesteld.”

9        Overweging 8 van verordening (EU) nr. 261/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten betreft (PB 2012, L 94, blz. 38), waarbij zij aangetekend dat laatstgenoemde verordening is ingetrokken bij verordening nr. 1308/2013, luidt:

„Het gebruik van geformaliseerde schriftelijke contracten waarin vóór de levering plaatsvindt, een aantal basiselementen wordt vastgelegd, is niet wijdverbreid. Dergelijke contracten zouden echter bepaalde oneerlijke handelspraktijken helpen te voorkomen, de marktdeelnemers in de zuivelsector bewuster te maken van hun verantwoordelijkheid en van de noodzaak om beter rekening te houden met marktsignalen, de prijstransmissie te verbeteren en het aanbod aan de vraag aan te passen.”

10      Artikel 13 van richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw‑ en voedselvoorzieningsketen (PB 2019, L 111, blz. 59), met als opschrift „Omzetting”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten stellen uiterlijk op 1 mei 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Zij passen die bepalingen uiterlijk op 1 november 2021 toe.

[...]”

11      Artikel 14 van deze richtlijn luidt:

„Deze richtlijn treedt in werking op de vijfde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”

 Litouws recht

12      Volgens artikel 46, eerste alinea, van de Litouwse grondwet is de economie van Litouwen gebaseerd op het recht op privé-eigendom, vrijheid van individuele economische activiteit en economisch initiatief.

13      Overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken worden verkopers van rauwe melk opgedeeld in tien groepen naargelang van de hoeveelheid – uitgedrukt in kilogram (kg) – rauwe melk met natuurlijk vetgehalte die per dag wordt verkocht: de eerste groep, tot en met 100 kg; de tweede groep, meer dan 100 kg tot en met 200 kg; de derde groep, meer dan 200 kg tot en met 300 kg; de vierde groep, meer dan 300 kg tot en met 500 kg; de vijfde groep, meer dan 500 kg tot en met 1 000 kg; de zesde groep, meer dan 1 000 kg tot en met 2 000 kg; de zevende groep, meer dan 2 000 kg tot en met 4 000 kg; de achtste groep, meer dan 4 000 kg tot en met 10 000 kg; de negende groep, meer dan 10 000 kg tot en met 20 000 kg; de tiende groep, meer dan 20 000 kg.

14      Volgens artikel 2, lid 7, van deze wet is de aankoopprijs van rauwe melk het tussen de koper en de verkoper van rauwe melk overeengekomen bedrag dat wordt betaald voor rauwe melk die voldoet aan alle basisindicatoren voor de samenstelling van rauwe melk die zijn vastgelegd bij besluit van de Litouwse minister van Landbouw, met uitzondering van toeslagen, premies of kortingen.

15      Artikel 3 van die wet heeft als opschrift „Verbod op oneerlijke praktijken van marktdeelnemers” en bepaalt in lid 3:

„De koper van rauwe melk moet zich onthouden van de volgende oneerlijke praktijken:

1)      verschillende aankoopprijzen voor rauwe melk vaststellen in contracten voor de verkoop van rauwe melk wanneer rauwe melk wordt gekocht die voldoet aan de kwaliteitseisen die zijn vastgelegd bij besluit van de Litouwse minister van Landbouw, de melk van een en dezelfde groep verkopers van rauwe melk afkomstig is en langs dezelfde weg aan de koper van rauwe melk wordt geleverd (rauwe melk die aan een melkaankooppunt wordt geleverd, rauwe melk die rechtstreeks bij een boerderij wordt gekocht, rauwe melk die rechtstreeks aan een melkverwerkingsbedrijf wordt geleverd), behalve wanneer de rauwe melk wordt gekocht van verkopers van rauwe melk die melk verkopen die ze zelf hebben geproduceerd en die tot een organisatie van melkproducenten behoren die is erkend overeenkomstig de regels vastgelegd bij besluit van de Litouwse minister van Landbouw. In dat laatste geval mag de aankoopprijs van de rauwe melk echter niet lager zijn dan de prijs die voor een groep van verkopers van rauwe melk zou gelden.

[...]

3)      de aankoopprijs van rauwe melk op ongerechtvaardigde wijze verlagen.”

16      Artikel 5 van diezelfde wet, met als opschrift „Vereiste om redenen op te geven die een verlaging van de aankoopprijs van rauwe melk rechtvaardigen”, luidt:

„1.      Indien de koper van rauwe melk de aankoopprijs voor rauwe melk die in het contract voor de aankoop en verkoop van rauwe melk is vastgelegd, met meer dan 3 % verlaagt, moet hij redenen opgeven voor die prijsverlaging en die redenen kenbaar maken aan het marktreguleringsagentschap.

2.      Krachtens de richtsnoeren die bij besluit van de Litouwse minister van Landbouw zijn goedgekeurd, moet het marktreguleringsagentschap, nadat het binnen vijf werkdagen de redenen voor de verlaging van de aankoopprijs voor rauwe melk door de koper van rauwe melk zoals vermeld in lid 1 van dit artikel heeft onderzocht, binnen drie werkdagen beslissen of de verlaging van de aankoopprijs voor rauwe melk met meer dan 3 % gerechtvaardigd was.

3.      Indien het marktreguleringsagentschap krachtens de in lid 2 van dit artikel genoemde richtsnoeren beslist dat de verlaging van de aankoopprijs voor rauwe melk met meer dan 3 % niet gerechtvaardigd was, wordt het de koper van de rauwe melk verboden de aankoopprijs voor rauwe melk die in het contract voor de aan‑ en verkoop van rauwe melk is vastgesteld te verlagen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Op 28 juni 2016 heeft een groep leden van het parlement van de Republiek Litouwen de Lietuvos Respublikos Konstitucinis Teismas (grondwettelijk hof van de Republiek Litouwen) verzocht om de wet verbod oneerlijke handelspraktijken, en met name de artikelen 3 en 5 ervan, te toetsen aan artikel 46, eerste alinea, van de Litouwse grondwet.

18      Volgens deze groep beperkte de wet het recht van partijen bij een verkoopovereenkomst voor rauwe melk om de essentiële elementen te bepalen van die overeenkomst – zoals de prijs en de hoeveelheid – en was de in artikel 46, eerste alinea, neergelegde contractvrijheid dus niet gewaarborgd.

19      Het Litouwse parlement stelde zijnerzijds dat deze vrijheid niet absoluut was en beperkt kon worden, zowel om het algemene belang te beschermen als om billijkheids‑ en rechtvaardigheidsoverwegingen. Het voerde aan dat de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk in Litouwen niet even sterk is als die van verwerkers of kopers ervan en dat de dwingende bepalingen van de artikelen 3 en 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken ertoe strekken de rechten en rechtmatige belangen van de als zwakker beschouwde contractpartij, namelijk de producenten van rauwe melk, te beschermen.

20      Het Europos teisės departamentas prie Lietuvos Respublikos teisingumo ministerijos (departement Europees recht van het Litouwse ministerie van Justitie) en de Lietuvos Respublikos konkurencijos taryba (Litouwse raad voor de mededinging) hebben eveneens opmerkingen ingediend bij de verwijzende rechter, waarbij zij hebben betoogd dat de artikelen 3 en 5 van die wet in strijd zijn met het in artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 neergelegde beginsel van vrije onderhandeling, onder meer wat de prijsbepaling van rauwe melk betreft.

21      De verwijzende rechter merkt op dat de interne markt en de landbouw sectoren zijn die onder de gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten vallen en dat de nationale regelgeving op deze gebieden, waaronder de Litouwse grondwet en artikel 46, eerste alinea, ervan, dus moet worden uitgelegd overeenkomstig de Unieregelgeving betreffende deze gebieden. Hij verzoekt dan ook om uitlegging van artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 alvorens zich uit te spreken over de vraag of artikel 3, lid 3, punten 1 en 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken in overeenstemming zijn met artikel 46, eerste alinea, van de grondwet.

22      De verwijzende rechter preciseert in dit verband dat de Litouwse wetgeving de betrokken marktdeelnemers de verplichting oplegt om een schriftelijk contract te sluiten wanneer ze rauwe melk kopen. Volgens de toelichting bij de ontwerpwet verbod oneerlijke handelspraktijken heeft deze wet tot doel een evenwicht tussen de rechtmatige belangen van kopers en verkopers van rauwe melk te waarborgen, grote melkverwerkingsbedrijven in toom te houden bij de uitoefening van hun sterke marktpositie, en het oneerlijke voordeel te beperken dat marktdeelnemers die zuivelproducten verkopen, verkrijgen door een verlaging van de groothandelsprijzen van deze producten.

23      De verwijzende rechter geeft ook aan dat volgens het dossier waarover hij beschikt, de melksector in Litouwen een van de grootste sectoren van de landbouwproductie is en in totaal ongeveer 2 % van het bbp van het land vertegenwoordigt. Toch is de onderhandelingspositie van de producenten uitermate zwak wegens hun geringe omvang, in vergelijking met die van de verwerkers. Volgens gegevens van 2015 bezit 74 % van de producenten van rauwe melk één tot vijf koeien, terwijl zes melkverwerkingsbedrijven 97 % van deze melk verwerken. Bovendien werken de producenten van oudsher weinig samen, ondanks inspanningen om dit aan te moedigen. Slechts 15 % van hen werkt via een coöperatie en zij leveren maar 18 % van de totale hoeveelheid rauwe melk die in Litouwen wordt gekocht. Er bestaat geen enkele krachtens de artikelen 152 en volgende van verordening nr. 1308/2013 erkende organisatie van producenten van rauwe melk. De gemiddelde aankoopprijs voor rauwe melk in Litouwen is een van de laagste in de hele Europese Unie.

24      Die rechter wijst er voorts op dat de kopers vóór de wet verbod oneerlijke handelspraktijken de melkproducenten gewoon lieten weten tegen welke prijs ze de rauwe melk zouden kopen, zonder dat daarover werd onderhandeld.

25      Hij wijst erop dat artikel 148 van verordening nr. 1308/2013 de lidstaten die hebben besloten schriftelijke contracten verplicht te stellen voor elke levering van rauwe melk op hun grondgebied, niet uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent om in hun nationaal recht het beginsel van vrije onderhandeling te beperken. Hij vraagt zich evenwel af of dit beginsel niet aan beperkingen kan worden onderworpen om de onderhandelingspositie van de landbouwers in de melksector te versterken ten aanzien van de kopers en om oneerlijke handelspraktijken te voorkomen, rekening houdend met omstandigheden zoals de structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten, het gebrek aan producentenorganisaties en de veranderingen op de melkmarkt.

26      In die omstandigheden heeft de Lietuvos Respublikos Konstitucinis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Kan artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het, om de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk te versterken, oneerlijke handelspraktijken te voorkomen en rekening te houden met bepaalde bijzondere structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten in de lidstaat en veranderingen op de melkmarkt, niet verbiedt om een nationaal wettelijk regelgevingskader vast te stellen dat de vrijheid van de contractpartijen om over de aankoopprijs van rauwe melk te onderhandelen in die zin beperkt, dat het een koper van rauwe melk verboden is gedifferentieerde aankoopprijzen voor rauwe melk te betalen aan verkopers van rauwe melk van dezelfde groep, ingedeeld naargelang de hoeveelheid verkochte melk, die niet tot een erkende organisatie van melkproducenten behoren, voor rauwe melk met dezelfde kwaliteit en samenstelling als die welke langs dezelfde weg aan de koper wordt geleverd, zodat de partijen dus geen andere aankoopprijs voor rauwe melk kunnen overeenkomen op basis van andere factoren?

2)      Kan artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het, om de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk te versterken, oneerlijke handelspraktijken te voorkomen en rekening te houden met bepaalde bijzondere structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten in de lidstaat en veranderingen op de melkmarkt, niet verbiedt om een nationaal wettelijk regelgevingskader vast te stellen dat de vrijheid van de contractpartijen om over de aankoopprijs van rauwe melk te onderhandelen in die zin beperkt, dat het een koper van rauwe melk verboden is de aankoopprijs van rauwe melk op ongerechtvaardigde wijze te verlagen en dat een verlaging met meer dan 3 % enkel mogelijk is indien een door de overheid gemachtigde instantie oordeelt dat die verlaging gerechtvaardigd is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

27      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 1, van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken, die kopers van rauwe melk verbiedt om verschillende aankoopprijzen te betalen aan producenten die op basis van de dagelijkse hoeveelheid verkochte rauwe melk moeten worden geacht tot dezelfde groep te behoren, voor melk van dezelfde samenstelling en kwaliteit en die langs dezelfde weg wordt geleverd.

28      Om te beginnen moet worden geconstateerd dat de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat overeenkomstig artikel 4, lid 2, sub d, VWEU onder de gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten valt, over een wetgevingsbevoegdheid beschikken die zij kunnen uitoefenen voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, zoals blijkt uit artikel 2, lid 2, VWEU (arrest van 19 september 2013, Panellinios Syndesmos Viomichanion Metapoiisis Kapnou, C‑373/11, EU:C:2013:567, punt 26).

29      Verder is het vaste rechtspraak dat wanneer op een bepaald gebied een gemeenschappelijke marktordening tot stand is gebracht, de lidstaten zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan afwijkt of er inbreuk op maakt. Met een gemeenschappelijke marktordening zijn ook onverenigbaar bepalingen die de doeltreffende werking daarvan belemmeren, ook wanneer de gemeenschappelijke marktordening geen uitputtende regeling voor het betrokken gebied bevat (arrest van 26 mei 2005, Kuipers, C‑283/03, EU:C:2005:314, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Niettemin staat de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening er niet aan in de weg dat de lidstaten nationale regels toepassen die een andere doelstelling van algemeen belang nastreven dan die gemeenschappelijke marktordening, zelfs wanneer deze regels gevolgen kunnen hebben voor de werking van de interne markt in de betrokken sector (arrest van 23 december 2015, Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      In casu voert verordening nr. 1308/2013, zoals uit artikel 1, lid 2, onder p), ervan blijkt, een gemeenschappelijke ordening van de markten in voor alle in bijlage I bij het VEU en het VWEU vermelde landbouwproducten, waaronder die van de sector melk en zuivelproducten.

32      Artikel 148, lid 1, van deze verordening bepaalt dat indien een lidstaat besluit dat voor elke levering van rauwe melk door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk, een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, dat contract aan de in lid 2 van dit artikel vastgestelde voorwaarden dient te voldoen. Volgens artikel 148, lid 2, onder c), van deze verordening bevat dit contract in het bijzonder, zoals in punt i) ervan is aangegeven, de voor de levering verschuldigde prijs, die statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of die wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk, en, zoals uit punt ii) ervan volgt, de hoeveelheid rauwe melk die kan en/of moet worden geleverd.

33      Artikel 148, lid 4, eerste alinea, van deze verordening luidt dat de partijen in alle vrijheid onderhandelen over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

34      Volgens de tweede alinea van artikel 148, lid 4, kan een lidstaat voorzien in een verplichting voor de partijen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde geleverde hoeveelheid en de prijs die voor die levering moet worden betaald, alsook in een minimale looptijd die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen landbouwers en eerste kopers van rauwe melk.

35      Uit deze bepalingen blijkt dat artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 in de eerste alinea de regel invoert dat partijen in alle vrijheid onderhandelen over alle elementen van contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de prijzen, en in de tweede alinea voorziet in uitzonderingen op deze regel.

36      Hieruit volgt dat partijen de mogelijkheid moeten hebben om de verkoopprijs van rauwe melk te bepalen na daarover vrij te hebben onderhandeld en met name vraag en aanbod op de betrokken markt te hebben vergeleken.

37      Het Hof heeft reeds in herinnering gebracht dat, indien een prijsstellingsmechanisme ontbreekt, de op vrije mededinging berustende vrije bepaling van de verkoopprijzen deel uitmaakt van verordening nr. 1308/2013 en een uiting vormt van het beginsel van het vrije verkeer van goederen onder voorwaarden van daadwerkelijke mededinging (zie in die zin arrest van 23 december 2015, Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 20).

38      In casu bevatten de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van de Litouwse regering aanwijzingen dat er op de Litouwse markt voor rauwe melk geen sprake is van voorwaarden van daadwerkelijke mededinging vanwege oneerlijke handelspraktijken van de kopers, die zeer gering zijn in aantal: zes ondernemingen verwerken 97 % van de rauwe melk, die afkomstig is van meer dan 20 000 zeer kleinschalige producenten. Vóór de inwerkingtreding van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken lieten de kopers van rauwe melk blijkbaar gewoon aan de producenten weten wat de aankoopprijs zou zijn, zonder daarover te onderhandelen en zonder dat deze laatsten anders konden dan de opgelegde voorwaarden te aanvaarden. Deze druk die op de Litouwse producenten van rauwe melk werd uitgeoefend en hun zwakke onderlinge samenwerking zouden verklaren waarom de gemiddelde aankoopprijs voor rauwe melk in Litouwen een van de laagste in de Unie is en waarom de melkproductiesector op de rand van het faillissement heeft gestaan. Deze situatie, gekenmerkt door een wanverhouding tussen de onderhandelingspositie van de producenten en die van de verwerkers, heeft de nationale wetgever aangezet tot de vaststelling van de betrokken wet, die ertoe strekt de rechten en rechtmatige belangen van de zwakste contractpartij – de producenten van rauwe melk – te beschermen door oneerlijke praktijken van marktdeelnemers te verbieden en dienaangaande een aantal vereisten in te voeren.

39      De Litouwse regering voegt daaraan toe dat deze wet partijen toestaat om vrij te onderhandelen over de aankoopprijs van rauwe melk en zij dus leidt tot het herstel van de daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt.

40      Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven en door de regering is bevestigd, blijkt in dit verband dat artikel 2, lid 7, van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken de aankoopprijs van rauwe melk definieert als het tussen de koper en de verkoper overeengekomen bedrag dat wordt betaald voor rauwe melk die voldoet aan de basisindicatoren voor de samenstelling van rauwe melk die zijn vastgelegd bij besluit van de minister van Landbouw.

41      Hoewel deze basisprijs overeenkomstig artikel 3, lid 3, punt 1, en artikel 2, lid 5, van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken wordt vastgesteld voor alle producenten die op basis van de dagelijkse hoeveelheid verkochte rauwe melk tot dezelfde groep behoren, zal de eindprijs dus worden berekend met inachtneming van de toeslagen, premies, kortingen of leveringsvoorwaarden waarover in dat stadium vrij en individueel wordt onderhandeld.

42      Nagegaan moet worden of de Unie haar bevoegdheid op het gebied van de contractuele betrekkingen tussen partijen bij een contract voor de levering van rauwe melk, en inzonderheid wat het onderhandelingsproces van dit contract betreft, uitputtend heeft uitgeoefend doordat zij verordening nr. 1308/2013 en met name artikel 148 ervan heeft vastgesteld.

43      Om te beginnen blijkt uit de tekst van artikel 148, lid 1, van verordening nr. 1308/2013, en meer bepaald uit de bewoordingen „indien een lidstaat besluit” dat voor elke levering van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, dat het besluit van een lidstaat om een schriftelijk contract verplicht te stellen louter een mogelijkheid is. Deze uitlegging wordt bevestigd door overweging 127 van deze verordening, volgens welke de lidstaten het gebruik van geformaliseerde, schriftelijke contracten verplicht „kunnen” stellen en „een daartoe strekkend besluit [...] [moet] worden overgelaten aan de lidstaten”.

44      Deze overweging luidt dat „op Unieniveau [...] een aantal basisvoorwaarden voor het gebruik van dergelijke contracten [moet] worden vastgesteld, teneinde te garanderen dat deze contracten aan bepaalde minimumnormen voldoen”. Gelezen in het licht van deze overweging, beoogt artikel 148 van die verordening minimumregels voor de betrokken contracten in te voeren, en is het de lidstaten niet verboden nog andere regels in te voeren, wat wordt bevestigd door de tekst van dit artikel en met name de bewoordingen „het contract [...] [bevat] in het bijzonder de volgende gegevens” in lid 2, onder c).

45      Uit het voorgaande volgt dat de Unie, waar zij verordening nr. 1308/2013 en met name artikel 148 ervan heeft vastgesteld, haar bevoegdheid op het gebied van de contractuele betrekkingen tussen partijen bij een leveringscontract voor rauwe melk niet uitputtend heeft uitgeoefend, zodat deze verordening niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten principieel verboden is om andere maatregelen vast te stellen op dit gebied.

46      Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing strekt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling hoofdzakelijk tot bestrijding van oneerlijke handelspraktijken van kopers van rauwe melk ten aanzien van de partij die als de zwakkere wordt beschouwd, te weten de melkproducenten. In het bijzonder beoogt de wet verbod oneerlijke handelspraktijken kopers en verkopers van rauwe melk te verplichten zich te onthouden van dergelijke praktijken bij de aan‑ of verkoop van rauwe melk, bepaalde vereisten te stellen aan de verkoop van zuivelproducten in Litouwen, de autoriteiten aan te duiden die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze wet, en de aansprakelijkheid in geval van inbreuken te regelen.

47      Aldus staat in de toelichting bij de ontwerpwet verbod oneerlijke handelspraktijken dat deze wet tot doel heeft een evenwicht tussen de rechtmatige belangen van kopers en verkopers van rauwe melk te waarborgen, grote melkverwerkingsbedrijven in toom te houden bij de uitoefening van hun sterke marktpositie, en het voordeel te beperken dat marktdeelnemers die zuivelproducten verkopen, op oneerlijke wijze verkrijgen door de groothandelsprijzen van deze producten te verlagen.

48      Het is juist dat overweging 138 van verordening nr. 1308/2013 preciseert dat het gebruik van geformaliseerde schriftelijke contracten in de melksector wordt geregeld door afzonderlijke bepalingen, maar dat het gebruik van dergelijke contracten daarnaast de verantwoordelijkheidszin van marktdeelnemers in andere sectoren kan vergroten en onder andere kan bijdragen tot voorkoming van „bepaalde oneerlijke handelspraktijken”. Bovendien zij erop gewezen dat verordening nr. 261/2012, die in de Uniewetgeving een met het huidige artikel 148 van verordening nr. 1308/2013 overeenstemmende bepaling had ingevoerd, in overweging 8 ervan op dezelfde wijze aangaf dat dergelijke contracten „bepaalde oneerlijke handelspraktijken [zouden] helpen te voorkomen”. Deze formulering is ook terug te vinden in overweging 50 van verordening 2017/2393, waarbij een vorige versie van verordening nr. 1308/2013 is gewijzigd, waarin staat dat in de sector melk en zuivelproducten het gebruik van contracten kan bijdragen tot onder meer voorkoming van „bepaalde oneerlijke handelspraktijken”.

49      Uit deze verwijzingen naar bepaalde oneerlijke praktijken kan echter niet worden afgeleid dat de doelstelling van bestrijding van oneerlijke praktijken, die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling nastreeft, onder verordening nr. 1308/2013 valt, temeer daar deze verordening niet die praktijken in hun geheel betreft, en zij die praktijken evenmin regelt of zelfs maar definieert.

50      Bovendien heeft laatstgenoemde verordening tot doel, zoals overweging 128 ervan aangeeft, een duurzame ontwikkeling van de productie en een daaruit voortvloeiende billijke levensstandaard voor de melkproducenten te waarborgen, hetgeen in overeenstemming is met de in artikel 39, lid 1, VWEU bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Artikel 148 van verordening nr. 1308/2013 uitleggen als zou het de lidstaten verboden zijn enige maatregel te nemen ter bestrijding van oneerlijke praktijken in de sector melk en zuivelproducten, zou indruisen tegen die doelstelling, alsook tegen die van handhaving van daadwerkelijke mededinging op de markten voor landbouwproducten, hetgeen ook een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is (zie in die zin arrest van 19 september 2013, Panellinios Syndesmos Viomichanion Metapoiisis Kapnou, C‑373/11, EU:C:2013:567, punt 37).

51      Tevens zij erop gewezen dat de nationale autoriteiten op het door de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten beheerste gebied in beginsel bevoegd blijven hun nationale mededingingsrecht toe te passen op een coöperatie van melkproducenten met een sterke positie op de nationale markt (zie in die zin arrest van 9 september 2003, Milk Marque en National Farmers’ Union, C‑137/00, EU:C:2003:429, punt 67).

52      De recente vaststelling van richtlijn 2019/633, die volgens artikel 14 ervan op 30 april 2019 in werking is getreden, bevestigt dat het domein van de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw‑ en voedselvoorzieningsketen niet uitputtend was geharmoniseerd ten tijde van de vaststelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen.

53      Bijgevolg moet in het licht van de in punt 30 van dit arrest aangehaalde rechtspraak worden geoordeeld dat de lidstaten residueel bevoegd waren om op het gebied van de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken maatregelen te treffen die het proces van vrije prijsonderhandeling vormgeven, ook indien die maatregelen een weerslag hebben op het uit artikel 148 van verordening nr. 1308/2013 voortvloeiende beginsel dat vrij wordt onderhandeld over prijzen voor leveringen van rauwe melk, en dus op de werking van de interne markt in de betrokken sector.

54      Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2019/633 bepaalt dat de lidstaten uiterlijk op 1 mei 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen, vaststellen en bekendmaken, en die bepalingen uiterlijk op 1 november 2021 toepassen. Aangezien de verwijzende rechter zijn verzoek om een prejudiciële beslissing vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn tot het Hof heeft gericht, moet worden geconstateerd dat het Hof niet daarover wordt geraadpleegd.

55      Er zij evenwel aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de lidstaten waaraan een richtlijn gericht is, zich tijdens de termijn voor uitvoering daarvan dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen (arresten van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C‑129/96, EU:C:1997:628, punt 45; 22 november 2005, Mangold, C‑144/04, EU:C:2005:709, punt 67, en 23 april 2009, VTB‑VAB en Galatea, C‑261/07 en C‑299/07, EU:C:2009:244, punt 38). Ofschoon de wet verbod oneerlijke handelspraktijken in casu vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2019/633 is vastgesteld, moeten de autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties zich zo veel mogelijk onthouden van een uitlegging van deze wet die, na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van die richtlijn, de verwezenlijking van de met die richtlijn nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen (zie in die zin arrest van 27 oktober 2016, Milev, C‑439/16 PPU, EU:C:2016:818, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      In deze context zij erop gewezen dat een nationale regeling als die bedoeld in punt 53 van het onderhavige arrest evenwel geschikt moet zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder mag gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie naar analogie arresten van 11 juni 2015, Berlington Hungary e.a., C‑98/14, EU:C:2015:386, punt 64, en 23 december 2015, Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 28).

57      Bij die evenredigheidstoetsing moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het goed functioneren van de gemeenschappelijke marktordening, wat vereist dat een afweging plaatsvindt tussen die doelstellingen en de doelstelling die met die regeling wordt beoogd, te weten oneerlijke handelspraktijken bestrijden (zie in die zin arrest van 23 december 2015, Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 28).

58      Wat ten eerste de vraag betreft of de betrokken regeling geschikt is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken, zij erop gewezen dat de wet verbod oneerlijke handelspraktijken de producenten van rauwe melk in artikel 2, lid 5, in tien groepen onderverdeelt al naargelang van de hoeveelheid rauwe melk die zij per dag verkopen: minder dan 100 kg voor de eerste groep, en meer dan 20 000 kg voor de laatste. Artikel 3, lid 3, punt 1, van deze wet verbiedt kopers van rauwe melk die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet, om voor producenten van dezelfde groep een verschillende basisprijs te hanteren, wanneer de melk langs dezelfde weg wordt geleverd.

59      Deze bepaling garandeert dus dat de koper een identieke basisprijs aanbiedt aan alle producenten die zich in het licht van een objectief criterium – de dagelijkse hoeveelheid verkochte melk – in een vergelijkbare situatie bevinden. Een dergelijk criterium is trouwens toegestaan volgens artikel 148, lid 4, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 1308/2013, waarin de lidstaten de mogelijkheid wordt geven om contractpartijen te verplichten een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde geleverde hoeveelheid en de prijs.

60      Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, kan met artikel 3, lid 3, punt 1, van die wet worden verhinderd dat melkproducenten die niet tot een erkende organisatie van melkproducenten behoren, wegens een wanverhouding qua onderhandelingspositie worden gedwongen om in te stemmen met de door de verwerkers opgelegde aankoopvoorwaarden voor rauwe melk en om zeer lage prijzen te aanvaarden, terwijl andere producenten, van nochtans dezelfde omvang, via meer evenwichtige onderhandelingen hogere prijzen kunnen verkrijgen. Bovendien hoeven zij zich dankzij die bepaling niet in een ongunstige markpositie te bevinden ten aanzien die andere producenten. Ook versterkt die bepaling de onderhandelingspositie van de kleinschalige producenten, die sindsdien een groep vormen, zet zij hen aan tot meer overleg en herstelt zij het evenwicht tussen de onderhandelingspartijen.

61      Zoals uit overweging 128 van verordening nr. 1308/2013 blijkt, is het trouwens met de bedoeling, de onderhandelingspositie van de melkproducenten te versterken, dat artikel 149 van deze verordening producentenorganisaties en ‑unies de mogelijkheid geeft om met betrekking tot de rauwemelkproductie van al hun leden of een gedeelte daarvan gezamenlijk te onderhandelen over de contractvoorwaarden, inclusief de prijs.

62      Gelet op een en ander lijkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geschikt te zijn ter vermijding van het gevaar dat de contractpartij die als de zwakkere wordt beschouwd, ongerechtvaardigde prijsverlagingen moet aanvaarden, en dus ter bestrijding van eventuele oneerlijke handelspraktijken, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

63      Wat ten tweede de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is, moet allereerst rekening worden gehouden met de bijzonderheden van de zuivelsector en de Litouwse markt voor rauwe melk, zoals deze in de punten 22 tot en met 24 en 38 van dit arrest in herinnering zijn gebracht. Het gaat daarbij om het feit dat er door de oneerlijke handelspraktijken geen sprake is van daadwerkelijke mededinging op de Litouwse rauwemelkmarkt en om de aard van rauwe melk, dat een aan bederf onderhevig product is, waardoor producenten de verkoop in de praktijk niet kunnen opschorten wanneer er oneerlijke handelspraktijken in het spel zijn en zij niet in conflict durven komen met die kopers uit angst om de handelsrelatie in gevaar te brengen, alsook om het feit dat de melkproducenten op de betrokken markt onvoldoende samenwerken. Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, lieten de kopers vóór de wet verbod oneerlijke handelspraktijken de producenten gewoon weten tegen welke prijs zij de rauwe melk zouden kopen, zonder dat daarover kon worden onderhandeld.

64      Ook blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat, ondanks inspanningen om de melkproducenten op verschillende manieren aan te moedigen samen te werken, een ontoereikend aantal van hen samenwerkt, zodat er geen enkele organisatie van producenten van rauwe melk in de zin van verordening nr. 1308/2013 heeft kunnen ontstaan.

65      Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat rauwe melk, om te kunnen worden verkocht, moet voldoen aan bepaalde bij ministerieel besluit vastgestelde kwaliteitseisen, die betrekking hebben op het vetgehalte, het eiwitgehalte en kwaliteitsindicatoren zoals de kleur, de geur, de consistentie, de temperatuur, de smaak, de zuurtegraad, de zuiverheid, de dichtheid en de neutraliserende en remmende stoffen.

66      Uit de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens blijkt dat indien melk niet voldoet aan andere kwaliteitsindicatoren, zoals het totale aantal bacteriën, het aantal somatische cellen, de remmende stoffen en de vriestemperatuur, kortingen worden toegepast op het in die regels bepaalde bedrag. Daarnaast kunnen er volgens de Litouwse regering toeslagen of premies worden betaald voor melk die van betere kwaliteit is, en dit zonder enige beperking.

67      Hieruit volgt, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dat de prijs die wordt betaald aan een bepaalde producent van rauwe melk die niet tot een erkende organisatie van melkproducenten behoort, kan afhangen van de groep producenten waarin hij naargelang van de hoeveelheid verkochte melk is ingedeeld, van de manier waarop de melk wordt geleverd en van de samenstelling en de kwaliteit ervan.

68      Zoals in punt 32 van dit arrest is uiteengezet, blijkt in dat verband uit artikel 148, lid 2, onder c, i), van verordening nr. 1308/2013 dat de prijs kan worden berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, daaronder begrepen de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk.

69      In die omstandigheden gaat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, rekening houdend met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en met de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening, niet verder dan noodzakelijk is om de daarmee nagestreefde doelstellingen te bereiken. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter, die als enige rechtstreeks bekend is met de aan hem voorgelegde zaak, om te verifiëren of de ter bestrijding van de oneerlijke handelspraktijken genomen maatregelen waarbij de onderhandelingspositie is versterkt van melkproducenten die niet tot een erkende organisatie van melkproducenten behoren, en die dus bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van de productie door de melkproducenten billijke voorwaarden te garanderen doordat het beginsel van vrije onderhandeling aan beperkingen wordt onderworpen, niet verder gaan dan noodzakelijk is.

70      Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 1, van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken die, met het oog op de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, kopers van rauwe melk verbiedt om verschillende aankoopprijzen te betalen aan producenten die op basis van de dagelijkse hoeveelheid verkochte rauwe melk moeten worden geacht tot dezelfde groep te behoren, voor melk van dezelfde samenstelling en kwaliteit en die langs dezelfde weg wordt geleverd, voor zover die regeling geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

 Tweede vraag

71      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken, die de koper van rauwe melk verbiedt om de met de producent overeengekomen prijs zonder rechtvaardiging te verlagen en die erin voorziet dat een prijsverlaging van meer dan 3 % moet worden goedgekeurd door de bevoegde nationale autoriteit.

72      In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 148 van verordening nr. 1308/2013, zoals uit de punten 43 tot en met 45 en 48 tot en met 54 van dit arrest blijkt, zich niet ertegen verzet dat de lidstaten op het gebied van de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken maatregelen vaststellen die het proces van vrije prijsonderhandeling vormgeven, ook indien die maatregelen een weerslag hebben op het beginsel dat vrij wordt onderhandeld over prijzen voor leveringen van rauwe melk, en dus op de werking van de interne markt in de betrokken sector.

73      Een dergelijke regeling moet echter, zoals is punt 56 van dit arrest is aangegeven, geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en mag niet verder gaan dan noodzakelijk is ter bereiking van dat doel.

74      In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling hoofdzakelijk tot doel om, zoals in punt 46 van dit arrest is geconstateerd, de oneerlijke handelspraktijken te bestrijden die kopers van rauwe melk aanwenden ten aanzien van de partij die als de zwakkere wordt beschouwd, te weten de melkproducenten.

75      De Litouwse regering heeft in dit verband gepreciseerd dat artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken garanties wilden bieden dat het, zodra het contract tussen de koper en de verkoper van rauwe melk is gesloten en de door hen overeenkomen prijs is vastgelegd in het contract, niet meer mogelijk is om die prijs zonder objectieve redenen en op oneerlijke wijze te verlagen.

76      In de tweede plaats lijken die bepalingen, zoals deze regering alsook de Duitse regering hebben opgemerkt, geen weerslag te hebben op het uit artikel 148 van verordening nr. 1308/2013 voortvloeiende beginsel van vrije onderhandeling. Ze lijken immers geen betrekking te hebben op de onderhandeling van de prijs als zodanig of op de andere elementen van het contract, maar wel op de eenzijdige wijziging van die prijs door een van de partijen nádat het contract is gesloten – in de fase van de uitvoering ervan – zonder dat daarover wordt overlegd of enig beding wordt overeengekomen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan.

77      Wat in de derde plaats de vraag betreft of die bepalingen geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken zonder dat zij verder gaan dan daartoe noodzakelijk is, zij erop gewezen dat met artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken kan worden gegarandeerd dat de koper de met de producent overeengekomen prijs eerbiedigt wanneer er geen objectieve elementen zijn die een prijsverlaging kunnen rechtvaardigen. Met die bepalingen kan bovendien worden voorkomen dat de kopers de melkproducenten trachten onder druk te zetten om de prijs te herzien en te verlagen en dat deze laatsten willekeurige prijswijzingen moeten accepteren. Die bepalingen dragen bijgevolg ook bij tot een behoorlijke uitvoering van het tussen partijen gesloten schriftelijk contract, bovenop een zekere stabiliteit in de rauwemelkprijzen.

78      Gelet op deze elementen lijkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geschikt om het beoogde doel te bereiken.

79      Wat tot slot de vraag betreft of die regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is, dient, zoals uit punt 63 van dit arrest blijkt, rekening te worden gehouden met de bijzonderheden van de zuivelsector en de Litouwse markt voor rauwe melk, en met name met het gebrek aan daadwerkelijke mededinging op deze markt en het feit dat rauwe melk een bederfelijke waar is, waardoor producenten hun leveringen in de praktijk niet kunnen opschorten wanneer ze met oneerlijke handelspraktijken worden geconfronteerd en niet in conflict durven komen met de kopers uit angst om de handelsrelatie in gevaar te brengen.

80      Ook moet erop worden gewezen dat artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken niet élke verlaging van de overeengekomen prijs verbieden, maar bepalen dat een verlaging objectief gerechtvaardigd moet zijn en, in geval van een aanzienlijke verlaging, moet worden goedgekeurd door de bevoegde administratieve autoriteit. Die bepalingen lijken partijen evenmin te beletten contractueel overeen te komen dat de vastgestelde prijs kan worden verminderd in geval van door hen te bepalen nieuwe, objectieve omstandigheden.

81      Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 148, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1308/2013 de lidstaten toestaat om, bij wijze van uitzondering op het beginsel dat vrij wordt onderhandeld over alle elementen van leveringscontracten voor rauwe melk, inclusief de prijs, een minimale looptijd van minstens zes maanden vast te stellen voor schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk.

82      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van de wet verbod oneerlijke handelspraktijken die, met het oog op de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, de koper van rauwe melk verbiedt om de met de producent overeengekomen prijs zonder rechtvaardiging te verlagen en die erin voorziet dat een prijsverlaging van meer dan 3 % moet worden goedgekeurd door de bevoegde nationale autoriteit.

 Kosten

83      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 148, lid 4, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 1, van de Lietuvos Respublikos Ūkio subjektų, perkančių-parduodančių žalią pieną ir prekiaujančių pieno gaminiais, nesąžiningų veiksmų draudimo įstatymas Nr. XII1907 (wet nr. XII1907 van de Republiek Litouwen houdende een verbod op oneerlijke praktijken van Litouwse marktdeelnemers bij de aankoop en verkoop van rauwe melk en het in de handel brengen van zuivelproducten van 25 juni 2015, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2015, die, met het oog op de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, kopers van rauwe melk verbiedt om verschillende aankoopprijzen te betalen aan producenten die op basis van de dagelijkse hoeveelheid verkochte rauwe melk moeten worden geacht tot dezelfde groep te behoren, voor melk van dezelfde samenstelling en kwaliteit en die langs dezelfde weg wordt geleverd, voor zover die regeling geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

2)      Artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2017/2393, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 3, lid 3, punt 3, en artikel 5 van wet nr. XII1907 van de Republiek Litouwen houdende een verbod op oneerlijke praktijken van Litouwse marktdeelnemers bij de aankoop en verkoop van rauwe melk en het in de handel brengen van zuivelproducten van 25 juni 2015, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2015, die, met het oog op de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, de koper van rauwe melk verbiedt om de met de producent overeengekomen prijs zonder rechtvaardiging te verlagen en die erin voorziet dat een prijsverlaging van meer dan 3 % moet worden goedgekeurd door de bevoegde nationale autoriteit.

ondertekeningen


*      Procestaal: Litouws.