Language of document : ECLI:EU:C:2020:101

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

13 februari 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst – Begrip ‚plaats van uitvoering’ – Dienstverleningsovereenkomst – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Recht op compensatie van luchtreizigers bij annulering of langdurige vertraging van vluchten – Eén enkele bevestigde boeking voor een vlucht die werd uitgevoerd in meerdere vluchtsegmenten door twee verschillende luchtvaartmaatschappijen – Annulering van het laatste vluchtsegment – Vordering tot compensatie die tegen de voor het laatste vluchtsegment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij is ingesteld bij de rechter in wiens rechtsgebied de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment gelegen is”

In zaak C‑606/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 31 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 12 augustus 2019, in de procedure

flightright GmbH

tegen

Iberia LAE SA Operadora Unipersonal,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: M. Safjan (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen flightright GmbH, een te Potsdam (Duitsland) gevestigde onderneming, en de te Madrid (Spanje) gevestigde luchtvaartmaatschappij Iberia LAE SA Operadora Unipersonal (hierna: „Iberia”) over een vordering tot compensatie die is ingesteld op grond van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1215/2012

3        In afdeling 2 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, is artikel 7 opgenomen, waarvan punt 1 luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1) a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–      voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–      voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is”.

 Verordening nr. 261/2004

4        In artikel 2 van verordening nr. 261/2004, met als opschrift „Definities”, staat het volgende te lezen:

„[...]

b)      ‚luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;

[...]”

5        Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 5 het volgende:

„Deze verordening is van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”

6        Artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Annulering”, bepaalt in lid 1, onder c):

„In geval van annulering van een vlucht:

[...]

c)      hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij

i)      de annulering hun ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of

ii)      de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of

iii)      de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.”

7        Artikel 7 van die verordening, met het opschrift „Recht op compensatie”, bepaalt in lid 1, onder a):

„Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:

a)      250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Het hoofdgeding vloeit voort uit rechtstreeks aansluitende vluchten die waren gepland op 25 augustus 2018 en waarvoor één enkele bevestigde boeking was verricht door twee passagiers (hierna: „betrokken passagiers”).

9        De vliegreis, van Hamburg (Duitsland) naar San Sebastian (Spanje), bestond uit drie segmenten. Het eerste segment, van Hamburg tot Londen (Verenigd Koninkrijk), werd uitgevoerd door de luchtvaartmaatschappij British Airways, terwijl Iberia verantwoordelijk was voor de twee andere segmenten, namelijk die van respectievelijk Londen tot Madrid en Madrid tot San Sebastian.

10      De eerste twee segmenten van de reis zijn zonder problemen verlopen, maar het derde segment is geannuleerd zonder dat dit tijdig aan de betrokken passagiers werd meegedeeld.

11      Als gevolg van die annulering heeft flightright, waaraan de betrokken passagiers hun eventuele recht op compensatie hadden overgedragen, op grond van artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 bij de verwijzende rechter, het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland), een vordering tot compensatie ingesteld tegen Iberia voor een totaalbedrag van 500 EUR, of 250 EUR per passagier, rekening houdend met de afstand tussen Hamburg en San Sebastian die ongeveer 1 433 km bedraagt.

12      De verwijzende rechter is, ten eerste, niet zeker of hij internationaal bevoegd is om van het hoofdgeding kennis te nemen en, ten tweede, of de betrokken passagiers een vordering kunnen instellen tegen de twee luchtvaartmaatschappijen die deelnamen aan de uitvoering van de rechtstreeks aansluitende vluchten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen.

13      Die rechter vraagt zich met name af of hij wel bevoegd is om van het hoofdgeding kennis te nemen voor zover dat het geannuleerde vluchtsegment betreft, gelet op het feit dat de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van dat vluchtsegment, te weten respectievelijk Madrid en San Sebastian, buiten zijn rechtsgebied zijn gelegen.

14      Voorts merkt die rechter op dat het Hof in zijn arrest van 11 juli 2019, České aerolinie (C‑502/18, EU:C:2019:604), heeft geoordeeld dat bij rechtstreeks aansluitende vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, de luchtvaartmaatschappij die verantwoordelijk was voor de uitvoering van het eerste vluchtsegment, waarvan de plaats van vertrek is gelegen in het rechtsgebied van het aangezochte gerecht, in het kader van een op grond van verordening nr. 261/2004 ingestelde vordering tot compensatie passief procesbevoegd is voor alle vluchtsegmenten.

15      Gelet op dat arrest vraagt de verwijzende rechter zich af of de luchtvaartmaatschappij die verantwoordelijk is voor het laatste segment van een dergelijke reis, eveneens passief procesbevoegd is in het kader van een op die grondslag gebaseerde vordering tot compensatie.

16      In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over het volgende vragen:

„1)      Is de aangezochte rechter internationaal bevoegd wanneer er sprake is van een geheel van vluchtsegmenten en van twee verschillende luchtvaartmaatschappijen die de afzonderlijke vluchtsegmenten hebben uitgevoerd, en de aangezochte rechter alleen internationaal bevoegd is voor het niet-geannuleerde vluchtsegment?

2)      Zijn beide bij het geheel van de vluchtsegmenten betrokken luchtvaartmaatschappijen passief procesbevoegd wanneer het twee communautaire luchtvaartmaatschappijen zijn die de vluchtsegmenten hebben uitgevoerd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

17      Het Hof kan krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering, onder meer wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over dit antwoord redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking.

18      Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.

19      Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Bovendien kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vragen geen melding heeft gemaakt [arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

20      In casu heeft de verwijzende rechter in de formulering van zijn prejudiciële vragen geen bepalingen opgenomen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel duidelijk dat die rechter zich afvraagt of hij wel bevoegd is om kennis te nemen van de bij hem aanhangige vordering tot compensatie die tegen de voor het laatste vluchtsegment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij is ingesteld.

21      Derhalve dienen die vragen te worden onderzocht in het licht van de in verordening nr. 1215/2012 opgenomen bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid.

22      In die omstandigheden dienen die vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, aldus te worden opgevat dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen van het Hof of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, in het geval van een vlucht die wordt gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis en is opgesplitst in meerdere segmenten, de „plaats van uitvoering” in de zin van die bepaling de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment kan zijn, wanneer het vervoer op die vluchtsegmenten door twee verschillende luchtvaartmaatschappijen wordt uitgevoerd, en de op grond van verordening nr. 261/2004 ingestelde vordering tot compensatie uit de annulering van het laatste vluchtsegment voortvloeit en tegen de voor dat laatste segment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij is gericht.

23      Dienaangaande zij erop gewezen dat volgens artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012, wanneer het erom gaat in het kader van een verbintenis uit overeenkomst een persoon met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat in rechte aan te spreken in een andere lidstaat, de plaats van uitvoering van de aan de vordering ten grondslag liggende verbintenis voor de verstrekking van diensten, voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, de plaats in een lidstaat is waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

24      Eveneens dient daarbij te worden opgemerkt dat verordening nr. 1215/2012 in de plaats is gekomen van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), zodat de door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde verordening gegeven uitlegging ook geldt voor verordening nr. 1215/2012 voor zover de bepalingen van beide rechtshandelingen van de Unie als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 8 mei 2019, Kerr, C‑25/18, EU:C:2019:376, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Derhalve geldt de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 ook voor artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, aangezien deze bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (arrest van 8 mei 2019, Kerr, C‑25/18, EU:C:2019:376, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Wat artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat voor rechtstreekse vluchten zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van het vliegtuig gelijkelijk moeten worden beschouwd als de plaatsen waar de diensten die het voorwerp van een luchtvervoerovereenkomst uitmaken, hoofdzakelijk worden verstrekt, zodat degene die op grond van verordening nr. 261/2004 een vordering tot compensatie instelt, de keuze heeft om die vordering in te stellen bij de rechter in wiens rechtsgebied hetzij de plaats van vertrek hetzij de plaats van aankomst van het vliegtuig is gelegen, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, Rehder, C‑204/08, EU:C:2009:439, punten 43 en 47).

27      Dienaangaande heeft het Hof erop gewezen dat het in het arrest van 9 juli 2009, Rehder (C‑204/08, EU:C:2009:439), uitgelegde begrip „plaats van uitvoering”, hoewel het betrekking heeft op een rechtstreekse vlucht, mutatis mutandis ook geldt voor een situatie waarin de rechtstreeks aansluitende vluchten die worden gekenmerkt door één enkele boeking voor de gehele reis, twee segmenten omvatten (zie in die zin arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punten 69 en 71).

28      Hieruit volgt dat wanneer een vlucht wordt gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis en uit twee segmenten bestaat, degene die op grond van verordening nr. 261/2004 een vordering tot compensatie instelt, eveneens de mogelijkheid heeft om zijn vordering in te stellen bij hetzij de rechter in wiens rechtsgebied de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment is gelegen, hetzij de rechter in wiens rechtsgebied de plaats van aankomst van het tweede vluchtsegment is gelegen.

29      Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, bestond de betrokken vlucht in het hoofdgeding uit drie segmenten. Voor zover een luchtvervoerovereenkomst wordt gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis, bevat die overeenkomst voor een luchtvaartmaatschappij evenwel de verbintenis om een passagier van punt A naar punt D te vervoeren. Een dergelijk vervoer vormt een dienst waarvan een van de plaatsen waar deze dienst hoofdzakelijk wordt verstrekt, in punt A is gelegen (zie naar analogie arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punt 71).

30      In die omstandigheden moet worden aangenomen dat in het geval van rechtstreeks aansluitende vluchten die worden gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis, die uit meerdere segmenten bestaat, de plaats van uitvoering van die vluchten in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment kan zijn, als een van de plaatsen waar de diensten waarop de luchtvervoerovereenkomst betrekking heeft, hoofdzakelijk worden verricht.

31      Aangezien deze plaats een voldoende nauwe band met de feiten van het geding heeft en bijgevolg waarborgt dat er een nauwe band is tussen de luchtvervoerovereenkomst en de bevoegde rechterlijke instantie, zoals door de in artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 neergelegde bijzonderebevoegdheidsregels wordt verlangd, voldoet zij aan het doel van nabijheid dat aan die regels ten grondslag ligt (zie in die zin arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Deze oplossing voldoet ook aan het in deze regels verankerde beginsel van voorspelbaarheid, aangezien zij zowel de verzoeker als de verweerder in staat stelt de rechterlijke instantie van de in die luchtvervoerovereenkomst genoemde plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment te identificeren als de rechterlijke instantie waarbij een geding aanhangig kan worden gemaakt (zie in die zin arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punten 75 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Wat de mogelijkheid betreft om in een zaak als die in het hoofdgeding de voor het laatste vluchtsegment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij op te roepen voor de rechter in wiens rechtsgebied de plaats van vertrek van het eerste segment is gelegen, dient erop te worden gewezen dat uit de verwijzingsbeslissing weliswaar niet blijkt dat Iberia de contractpartij was van de betrokken passagiers, maar de in artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 opgenomen bijzonderebevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst geen overeenkomst tussen twee personen vereist, doch wel dat een persoon tegenover een andere persoon vrijwillig een verbintenis is aangegaan waarop de vordering van de verzoeker berust (zie in die zin arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      In dit verband wordt in artikel 3, lid 5, tweede zin, van verordening nr. 261/2004 gepreciseerd dat, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, als bedoeld in artikel 2, onder b), van die verordening, geen overeenkomst heeft met de passagier doch activiteiten uitvoert die onder die verordening vallen, zij wordt geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.

35      Deze luchtvaartmaatschappij moet dus worden geacht verbintenissen na te komen die vrijwillig zijn aangegaan tegenover de contractpartij van die passagier. Die verbintenissen vloeien voort uit de luchtvervoerovereenkomst (arrest van 7 maart 2018, flightright e.a., C‑274/16, C‑447/16 en C‑448/16, EU:C:2018:160, punt 63).

36      In het licht van een en ander dient het antwoord op de voorgelegde vragen te luiden dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, in het geval van een vlucht die wordt gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis en is opgesplitst in meerdere segmenten, de „plaats van uitvoering” in de zin van die bepaling de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment kan zijn, wanneer het vervoer op die vluchtsegmenten door twee verschillende luchtvaartmaatschappijen wordt uitgevoerd, en de op grond van verordening nr. 261/2004 ingestelde vordering tot compensatie uit de annulering van het laatste vluchtsegment voortvloeit en tegen de voor dat laatste segment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij is gericht.

 Kosten

37      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een vlucht die wordt gekenmerkt door één enkele bevestigde boeking voor de gehele reis en is opgesplitst in meerdere segmenten, de „plaats van uitvoering” in de zin van die bepaling de plaats van vertrek van het eerste vluchtsegment kan zijn, wanneer het vervoer op die vluchtsegmenten door twee verschillende luchtvaartmaatschappijen wordt uitgevoerd, en de vordering tot compensatie die is ingesteld op grond van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, uit de annulering van het laatste vluchtsegment voortvloeit en tegen de voor dat laatste segment verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij is gericht.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.