Language of document : ECLI:EU:C:2020:980

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

3 december 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 56 VWEU – Toepasselijkheid – Zuiver interne situatie – Richtlijn 2000/31/EG – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚diensten van de informatiemaatschappij’ – Artikel 3, leden 2 en 4 – Artikel 4 – Toepasselijkheid – Richtlijn 2006/123/EG – Diensten – Hoofdstukken III (Vrijheid van vestiging van dienstverrichters) en IV (Vrij verkeer van diensten) – Toepasselijkheid – Artikelen 9 en 10 – Richtlijn (EU) 2015/1535 – Artikel 1, lid 1, onder e) en f) – Begrip ‚regel betreffende diensten’ – Begrip ‚technisch voorschrift’ – Artikel 5, lid 1 – Geen voorafgaande mededeling – Tegenwerpbaarheid – Activiteit die erin bestaat om door middel van een smartphoneapp personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs met elkaar in contact te brengen – Kwalificatie – Nationale regeling op grond waarvan voor deze activiteit een stelsel van voorafgaande vergunningen geldt”

In zaak C‑62/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 14 december 2018, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2019, in de procedure

Star Taxi App SRL

tegen

Unitatea Administrativ Teritorială Municipiul Bucureşti prin Primar General,

Consiliul General al Municipiului Bucureşti,

in tegenwoordigheid van:

IB,

Camera Naţională a Taximetriştilor din România,

D’Artex Star SRL,

Auto Cobălcescu SRL,

Cristaxi Service SRL,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby (rapporteur), S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Star Taxi App SRL, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Băcanu, vervolgens door G. C. A. Ioniţă, avocați,

–        Unitatea Administrativ Teritorială Municipiul Bucureşti prin Primar General, vertegenwoordigd door M. Teodorescu als gemachtigde,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda, L. Malferrari, L. Nicolae en Y. G. Marinova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 september 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 56 VWEU, van artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 1998, L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB 1998, L 217, blz. 18) (hierna: „richtlijn 98/34”), van artikel 2, onder a), artikel 3, leden 2 en 4, en artikel 4 van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake de elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1), van de artikelen 9, 10 en 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36), en, ten slotte, artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 2015, L 241, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Star Taxi App SRL enerzijds en de Unitate Administrativ Teritorială Municipiul București prin Primar General (territoriale bestuurseenheid gemeente Boekarest, Roemenië; hierna: „gemeente Boekarest”) en de Consiliu General al Municipiului București (gemeenteraad van de gemeente Boekarest) anderzijds, over een regeling op grond waarvan voor de uitoefening van een activiteit die erin bestaat dat, door middel van een smartphoneapplicatie, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs met elkaar in contact worden gebracht, vooraf een vergunning moet worden verkregen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 98/34

3        Richtlijn 98/34 is met ingang van 7 oktober 2015 ingetrokken en vervangen door richtlijn 2015/1535 en de verwijzingen naar eerstgenoemde richtlijn gelden voortaan als verwijzingen naar richtlijn 2015/1535, krachtens artikel 10, tweede alinea, ervan.

4        In het bijzonder is artikel 1, eerste alinea, punt 2, van richtlijn 98/34 vervangen door het gelijkluidende artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535.

 Richtlijn 2000/31

5        Artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31 definieert „diensten van de informatiemaatschappij” als „diensten zoals omschreven in artikel 1, [lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535]”.

6        Artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31 luidt als volgt:

„2.      De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied.

[...]

4.      De lidstaten kunnen maatregelen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      De maatregelen moeten:

i)      noodzakelijk zijn voor een van de volgende doelstellingen:

–        de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,

–        de bescherming van de volksgezondheid,

–        de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,

–        de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;

ii)      worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij waardoor afbreuk wordt gedaan aan de onder i) genoemde doelstellingen of een ernstig gevaar daarvoor ontstaat;

iii)      evenredig zijn aan die doelstellingen.

b)      De lidstaat moet, alvorens de betrokken maatregelen te nemen en onverminderd eventuele rechtszaken, met inbegrip van het vooronderzoek en in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verrichte handelingen:

–        de in lid 1 bedoelde lidstaat [hebben verzocht] maatregelen te nemen, maar deze is daar niet of onvoldoende op ingegaan;

–        de Commissie en de in lid 1 bedoelde lidstaat in kennis stellen van zijn voornemen om de betrokken maatregelen te nemen.”

7        Artikel 4 van die richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat het starten en het uitoefenen van een activiteit van dienstverlener op het gebied van de informatiemaatschappij niet afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande vergunning of enig ander vereiste met gelijke werking.

2.      Lid 1 laat vergunningsstelsels onverlet die niet specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de diensten van de informatiemaatschappij, of die vallen onder richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten [(PB 1997, L 117, blz. 15)].”

 Richtlijn 2006/123

8        Overweging 21 van richtlijn 2006/123 luidt:

„Vervoerdiensten, met inbegrip van stadsvervoer, taxi’s, ambulances en havendiensten, dienen uitgesloten te zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn.”

9        Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123 bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is op diensten op het gebied van vervoer, met inbegrip van havendiensten, die binnen de werkingssfeer van titel V van het EG-Verdrag vallen, dat titel VI van het derde deel van het VWEU is geworden.

10      Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt het volgende:

„Indien de bepalingen van deze richtlijn strijdig zijn met een bepaling van andere communautaire regelgeving die betrekking heeft op specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen dan heeft de bepaling van de andere communautaire regelgeving voorrang en is deze van toepassing op die specifieke sectoren of beroepen. Hieronder [worden] begrepen:

a)      richtlijn 96/71/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1)];

b)      verordening (EEG) nr. 1408/71 [van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1)];

c)      richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten [(PB 1989, L 298, blz. 23)];

d)      richtlijn 2005/36/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22)].”

11      Artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 definieert „dienst” als elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU.

12      Hoofdstuk III van deze richtlijn, met het opschrift „Vrijheid van vestiging van dienstverrichters”, bevat de artikelen 9 tot en met 15 ervan. Artikel 9 van die richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten stellen de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter;

b)      de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

c)      het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.

2.      In het in artikel 39, lid 1, bedoelde verslag beschrijven de lidstaten hun vergunningstelsels en geven zij de redenen aan waarom deze met lid 1 van onderhavig artikel verenigbaar zijn.

3.      Deze afdeling is niet van toepassing op elementen van vergunningstelsels die direct of indirect geregeld zijn bij andere communautaire instrumenten.”

13      Artikel 10, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/123 luidt als volgt:

„1.      Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.

2.      De in lid 1 bedoelde criteria zijn:

a)      niet-discriminatoir;

b)      gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

c)      evenredig met die reden van algemeen belang;

d)      duidelijk en ondubbelzinnig;

e)      objectief;

f)      vooraf openbaar bekendgemaakt;

g)      transparant en toegankelijk.”

14      Hoofdstuk IV van deze richtlijn, betreffende het vrij verkeer van diensten, bevat artikel 16, dat bepaalt:

„1.      De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn.

De lidstaat waar de dienst wordt verricht, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied.

De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen:

a)      discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor rechtspersonen, naar de lidstaat waar zij gevestigd zijn;

b)      noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu;

c)      evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken.

2.      De lidstaten stellen geen beperkingen aan het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter door de volgende eisen te stellen:

a)      een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging op hun grondgebied te hebben;

b)      een verplichting voor de dienstverrichter bij hun bevoegde instanties een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging op hun grondgebied, behalve wanneer deze richtlijn of een ander communautair instrument daarin voorziet;

c)      een verbod voor de dienstverrichter op hun grondgebied een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten;

d)      de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt;

e)      een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door hun bevoegde instanties afgegeven identiteitsdocument te bezitten;

f)      eisen, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen;

g)      beperkingen van het vrij verrichten van diensten zoals bedoeld in artikel 19.”

 Richtlijn 2015/1535

15      Artikel 1, lid 1, onder b), e), en f), van richtlijn 2015/1535 luidt:

„1.      In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

b)      ,dienst’: elke dienst van de informatiemaatschappij, dat wil zeggen elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht.

Voor de toepassing van deze definitie wordt verstaan onder:

i)      ‚op afstand’: een dienst die wordt geleverd zonder dat de partijen gelijktijdig aanwezig zijn,

ii)      ,langs elektronische weg’: een dienst die wordt verzonden en ontvangen via elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie) en de opslag van gegevens, en die geheel via draden, radio, optische middelen of andere elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en ontvangen;

iii)      ‚op individueel verzoek van een afnemer van diensten’: een dienst die op individueel verzoek via de transmissie van gegevens wordt geleverd.

[...]

e)      ‚regel betreffende diensten’: een algemene eis betreffende de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten als bedoeld in punt b), met name bepalingen met betrekking tot de dienstverlener, de diensten en de afnemer van diensten, met uitzondering van regels die niet specifiek betrekking hebben op de in datzelfde punt gedefinieerde diensten.

Voor de toepassing van deze definitie:

i)      wordt een regel geacht specifiek betrekking te hebben op de diensten van de informatiemaatschappij wanneer die regel, gezien de motivering en de tekst van het dispositief, in zijn totaliteit of in enkele specifieke bepalingen ervan specifiek tot doel heeft die diensten uitdrukkelijk en gericht te reglementeren;

ii)      wordt een regel niet geacht specifiek betrekking te hebben op de diensten van de informatiemaatschappij indien [zij] slechts impliciet of incidenteel op die diensten van toepassing is;

f)      ‚technisch voorschrift’: een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 7, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden.

[...]”

16      Artikel 5, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn bepaalt:

„Onverminderd artikel 7 delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan. Zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken.”

17      Artikel 10, tweede alinea, van die richtlijn luidt als volgt:

„Verwijzingen naar [...] richtlijn [98/34] gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.”

 Roemeens recht

 Wet nr. 38/2003

18      Artikel 1 bis van Legea nr. 38/2003 privind transportul în regim de taxi și în regim de închiriere (wet nr. 38/2003 betreffende het vervoer per taxi en per huurauto) van 20 januari 2003 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 45 van 28 januari 2003; hierna: „wet nr. 38/2003”), in die versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, bepaalt:

„[...]

j)      ,taxidispatchingactiviteit’; hierna ,dispatching’: de aan het taxivervoer verbonden activiteit waarbij taxibestellingen van klanten via de telefoon of via andere kanalen worden aangenomen en via een radiozender-ontvanger aan de taxichauffeur worden doorgegeven”.

19      Artikel 15 van deze wet luidt:

„1.      De taxidispatchingactiviteit mag, binnen de grenzen van de plaats waarvoor de vergunning geldt, alleen worden uitgevoerd door een rechtspersoon, hierna ,reserveringscentrale’ genoemd, die over een vergunning beschikt die overeenkomstig deze wet door de bevoegde autoriteit is afgegeven.

2.      Een vergunning voor taxidispatching kan worden verkregen door overlegging van de volgende documenten:

a)      een kopie van het door het handelsregister afgegeven bewijs van inschrijving;

b)      een verklaring op erewoord van de beheerder van de taxi- of huurautovervoerdienst dat de reserveringscentrale beschikt over de nodige technische middelen, een zendontvanger, een beveiligde radiofrequentie, bevoegd personeel en de nodige ruimten;

c)      een kopie van het radiotelefonist-certificaat van het personeel van de reserveringscentrale, afgegeven door de bevoegde autoriteit op het gebied van communicatie;

d)      een kopie van de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning voor het gebruik van radiofrequenties.

[...]

5.      Vergunninghoudende vervoerders die taxidiensten aanbieden, maken overeenkomstig deze wet gebruik van een reserveringscentrale, op basis van een dispatchingovereenkomst die zij onder niet-discriminerende voorwaarden met de centrale hebben gesloten.

6.      Dispatchingdiensten zijn verplicht voor alle taxi’s van vergunninghoudende vervoerders die in een bepaalde gemeente actief zijn, behalve in gemeenten waar minder dan honderd vergunningen zijn afgegeven, waar deze diensten facultatief zijn.

[...]

8.      In overeenkomsten voor taxidispatching die met vergunninghoudende vervoerders worden gesloten, dienen bepalingen te worden opgenomen inzake de verplichtingen van de partijen om de regelgeving inzake de kwaliteit en de rechtmatigheid van de verleende dienst na te leven en dienen de overeengekomen afstandstarieven te worden vastgelegd.

9.      Taxi’s die door een reserveringscentrale worden bediend, kunnen de vervoersdienst naargelang van de voertuigcategorie volgens een vast tarief of gedifferentieerde tarieven verzorgen, zoals in de dispatchingovereenkomst is vastgelegd.

10.      De reserveringscentrale stelt zendontvangers ter beschikking voor de taxi’s van de vergunninghoudende vervoerders die door haar worden bediend, op basis van een huurovereenkomst die onder niet-discriminerende voorwaarden is gesloten.”

 Besluit nr. 178/2008

20      Op het grondgebied van de gemeente Boekarest gelden voor taxidiensten de bepalingen van Hotărârea Consiliului General al Municipiului București nr. 178/2008 privind aprobarea Regulamentului-cadru, a Caietului de sarcini și a contractului de atribuire în gestiune delegată pentru organizarea și executarea serviciului public de transport local în regim de taxi (besluit nr. 178/2008 van de gemeenteraad van gemeente Boekarest tot goedkeuring van de kaderregeling, de aanbestedingsstukken en de overeenkomst tot toewijzing van het gedelegeerd beheer van de organisatie en de uitvoering van openbare lokale taxidiensten), van 21 april 2008, zoals gewijzigd bij besluit nr. 626/2017 van de gemeenteraad van de gemeente Boekarest van 19 december 2017 (hierna: „besluit nr. 178/2008”).

21      Artikel 3 van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008 bepaalt het volgende:

„De in wet nr. 38/2003 gebruikte en gedefinieerde termen en begrippen hebben hier dezelfde betekenis en voor de toepassing van deze kaderregeling wordt verstaan onder:

[...]

i bis)      dispatching op elke andere wijze: activiteit van een door de bevoegde autoriteit geautoriseerde reserveringscentrale om via een softwareapplicatie of via de website van een geautoriseerde reserveringscentrale reserveringen van klanten te ontvangen en deze via een zendontvanger via de radio aan taxichauffeurs door te geven.

i ter)      softwareapplicatie: software die is geïnstalleerd en werkt op een mobiel of vast apparaat, die uitsluitend aan de geautoriseerde reserveringscentrale toebehoort en haar naam draagt.

[...]”

22      Artikel 21 van deze bijlage 1 is als volgt verwoord:

„1.            Op het grondgebied van de gemeente Boekarest zijn dispatchingdiensten verplicht voor alle taxi’s van de vergunninghoudende vervoerders en kunnen die diensten enkel worden verleend door de reserveringscentrales die door de bevoegde vergunningverlenende autoriteit van de gemeente Boekarest zijn erkend, onder voorwaarden die de klant de mogelijkheid bieden om deze diensten telefonisch of op andere wijze te gebruiken, onder meer door middel van applicaties die met internet zijn verbonden en die de naam dienen te dragen van de reserveringscentrale die wordt vermeld in de dispatchingvergunning die de bevoegde vergunningverlenende autoriteit van de gemeente Boekarest heeft afgegeven.

[...]

3 bis.            Dispatchingdiensten zijn verplicht voor alle taxi’s van vergunninghoudende vervoerders die taxi-activiteiten op het grondgebied van de gemeente Boekarest verrichten en kunnen enkel worden verleend door de reserveringscentrales die door de bevoegde vergunningverlenende autoriteit van de gemeente Boekarest zijn erkend, onder voorwaarden die de klanten de mogelijkheid bieden om deze diensten telefonisch of op andere wijze (softwareapplicaties, reserveringen via de website van een reserveringscentrale) te gebruiken en waarbij hun oproepen via een radiozender-ontvanger aan de taxichauffeurs worden doorgegeven.”

23      Artikel 41, lid 2, van die bijlage bepaalt:

„Bij het verrichten van taxi-activiteiten is het taxichauffeurs niet toegestaan om tijdens het verlenen van de vervoersdienst telefoons of andere mobiele apparaten te gebruiken.”

24      Artikel 59, punt 6 bis, van voornoemde bijlage luidt:

„Niet-nakoming van de in artikel 21, lid 3 bis, vastgestelde verplichtingen, die gelden voor alle soortgelijke activiteiten, ongeacht de wijze waarop en de omgeving waarin deze worden verricht, waarmee een onbevoegde chauffeur of een vergunninghoudende taxivervoerder voor het vervoer van een persoon of een groep personen op het grondgebied van de gemeente Boekarest met klanten in contact wordt gebracht, wordt bestraft met een geldboete van minimaal 4 500 en maximaal 5 000 [Roemeense leu (RON) (ongeveer 925 en 1 032 EUR)].”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

25      Star Taxi App is een in Boekarest gevestigde vennootschap naar Roemeens recht, die een gelijknamige smartphoneapp beheert waarmee gebruikers van taxidiensten rechtstreeks in contact worden gebracht met taxichauffeurs.

26      De verwijzende rechter beschrijft als volgt de werking van deze app, die gratis kan worden gedownload.

27      Wanneer een persoon een stadstraject wil afleggen, verricht hij in de app een zoekopdracht, waarna deze een lijst van beschikbare taxichauffeurs voorstelt waarop vijf of zes soorten voertuigen met verschillende tarieven worden vermeld. De klant kan op basis van de commentaren en beoordelingen van eerdere klanten een chauffeur uitkiezen, die de mogelijkheid heeft om de opdracht te weigeren. Star Taxi App geeft de opdrachten echter niet door aan taxichauffeurs en stelt de ritprijs niet vast. Ritten worden aan het einde rechtstreeks aan de chauffeur betaald.

28      Star Taxi App levert deze dienst door rechtstreeks dienstverleningsovereenkomsten te sluiten met professioneel voor taxivervoer geaccrediteerde taxichauffeurs, zonder hen daarvoor te selecteren. Het doel van deze overeenkomsten bestaat in het beschikbaar stellen aan deze taxichauffeurs van een softwareapplicatie genaamd „STAR TAXI – chauffeur”, een smartphone met die applicatie daarop geïnstalleerd en een simkaart met beperkt gegevensverkeer, in ruil waarvoor de taxichauffeur een maandelijks bedrag betaalt. Verder houdt Star Taxi App geen toezicht op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van de chauffeurs.

29      Op 19 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Boekarest krachtens wet nr. 38/2003 besluit nr. 626/2017 vastgesteld.

30      In dit verband geeft de verwijzende rechter aan dat laatstgenoemd besluit, door aan artikel 3 van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008 de punten i bis) en i ter) toe te voegen, de definitie van de „dispatching”-activiteit, waarvoor ingevolge wet nr. 38/2003 vooraf een vergunning moet worden verkregen, heeft uitgebreid tot activiteiten van dezelfde aard die worden uitgevoerd door middel van een softwareapplicatie. Door artikel 21 van deze bijlage te wijzigen, zijn bij dit besluit ook dispatchingdiensten verplicht gesteld voor alle taxi’s van vergunninghoudende vervoerders. Deze diensten kunnen dus enkel worden verleend door de reserveringscentrales die door de bevoegde autoriteit zijn erkend, onder voorwaarden die de klant de mogelijkheid bieden om deze diensten telefonisch of op andere wijze te gebruiken, onder meer door middel van applicaties die met internet zijn verbonden en die de naam dienen te dragen van de reserveringscentrale die wordt vermeld in de door de bevoegde autoriteit afgegeven dispatchingvergunning. Ten slotte is bij dit besluit aan punt 6 bis van artikel 59 van besluit nr. 178/2008 de bepaling toegevoegd dat niet-nakoming van deze regels voortaan wordt bestraft met een geldboete van minimaal 4 500 en maximaal 5 000 RON (ongeveer 925 en 1 025 EUR).

31      Aan Star Taxi App is wegens het overtreden van deze regeling een geldboete van 4 500 RON (ongeveer 925 EUR) opgelegd.

32      Star Taxi App is evenwel van mening dat haar activiteit een dienst van de informatiemaatschappij is, die krachtens artikel 4 van richtlijn 2000/31 niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorafgaande vergunning of enig ander vereiste met gelijke werking, en heeft daarom een voorafgaande bestuurlijke klacht ingediend waarin zij de intrekking van besluit nr. 626/2017 vordert. Deze klacht is afgewezen op grond dat het noodzakelijk was geworden om de bestreden regeling vast te stellen omdat er een groot aantal taxibestellingen werd doorgegeven aan niet-geautoriseerde juridische entiteiten, en de regeling niet in strijd was met het vrij verrichten van elektronische diensten aangezien zij een kader biedt voor een bemiddelingsdienst in verband met het vervoer van passagiers per taxi.

33      Star Taxi App heeft daarop bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) een vordering tot nietigverklaring van besluit nr. 626/2017 ingediend.

34      De verwijzende rechter stelt vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst verschilt van die welke aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een bemiddelingsdienst die tot doel heeft om via een smartphoneapp niet-professionele chauffeurs die gebruikmaken van hun eigen voertuig, tegen betaling in contact te brengen met personen die een stadstraject willen afleggen, moest worden aangemerkt als „dienst op het gebied van vervoer” in de zin van artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123, die is uitgesloten van de werkingssfeer van het vrij verrichten van diensten in het algemeen en van richtlijn 2006/123 en richtlijn 2000/31 meer in het bijzonder. Anders dan de in die zaak aan de orde zijnde dienstverrichter, selecteert Star Taxi App geen niet-professionele chauffeurs die hun eigen voertuig gebruiken, maar sluit zij dienstverleningsovereenkomsten met beroepstaxichauffeurs, die over een vergunning voor taxivervoer beschikken, stelt zij de ritprijs niet vast en int zij evenmin die prijs van de klant, die deze rechtstreeks aan de taxichauffeur betaalt, en houdt zij voorts geen toezicht op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van die chauffeurs.

35      Toch twijfelt deze rechter of de door Star Taxi App verrichte dienst moet worden aangemerkt als „dienst van de informatiemaatschappij” en, zo ja, of een regeling die de verrichting van een dergelijke dienst onderwerpt aan een stelsel van voorafgaande vergunningen, in overeenstemming is met richtlijn 2000/31 en overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 2015/1535 vóór de vaststelling ervan aan de Commissie moet worden meegedeeld.

36      Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten [artikel 1, eerste alinea, punt 2, van richtlijn 98/34 en artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31], volgens welke een dienst van de informatiemaatschappij bestaat uit ,een dienst die tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten verricht wordt’, aldus worden uitgelegd dat een activiteit zoals verricht door Star Taxi App (namelijk de dienst waarmee taxigebruikers door middel van een elektronische applicatie rechtstreeks in contact worden gebracht met taxichauffeurs) moet worden beschouwd als een dienst van de informatiemaatschappij en van de deeleconomie [gelet op het feit dat Star Taxi App niet voldoet aan de door het Hof in punt 39 van het arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981), inzake Uber, genoemde voorwaarden om als vervoerder te worden beschouwd]?

2)      Indien [de door Star Taxi App verrichte dienst] als dienst van de informatiemaatschappij wordt beschouwd, valt de activiteit van Star Taxi App dan volgens artikel 4 van richtlijn [2000/31], de artikelen 9, 10 en 16 van richtlijn [2006/123] en artikel 56 VWEU onder het beginsel van de vrijheid van dienstverrichting, en zo ja, verzetten deze bepalingen zich dan tegen een regeling zoals opgenomen in [artikel 3, artikel 21, leden 1 en 3 bis, artikel 41, lid 2 bis, en artikel 59, punt 6 bis, van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008]?

3)      Indien richtlijn [2000/31] van toepassing is op de door Star Taxi App verrichte dienst, zijn de beperkingen op het vrij verrichten van elektronische diensten die een lidstaat instelt door het opleggen van een vergunnings- of licentieplicht voor deze dienst, dan maatregelen die [krachtens artikel 3, lid 4 van deze richtlijn mogen afwijken van lid 2 van dat artikel]?

4)      Verzet artikel 5 van richtlijn [2015/1535] zich ertegen dat zonder voorafgaande mededeling aan de Commissie een regeling zoals opgenomen in [artikel 3, artikel 21, leden 1 en 3 bis, artikel 41, lid 2 bis, en artikel 59, punt 6 bis, van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008] wordt vastgesteld?”

 Procedure bij het Hof

37      Na te hebben besloten om zonder terechtzitting uitspraak te doen vanwege de gezondheidsrisico’s in verband met de coronaviruspandemie, heeft het Hof de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden verschillende schriftelijk te beantwoorden vragen gesteld, waar Star Taxi App en de Commissie op hebben geantwoord.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

38      Vooraf moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter in de eerste vraag verwijst naar artikel 1, eerste alinea, punt 2, van richtlijn 98/34. Deze richtlijn is echter vóór de vaststelling van besluit nr. 626/2017 ingetrokken en vervangen door richtlijn 2015/1535, waarvan artikel 10, tweede alinea, bepaalt dat verwijzingen naar richtlijn 98/34 gelden als verwijzingen naar richtlijn 2015/1535. Derhalve dient in het kader van deze vraag te worden verwezen naar artikel 1, lid 1, onder b), van laatstgenoemde richtlijn.

39      Daarnaast vermeldt de verwijzende rechter in zijn vraag enkel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteit de vorm heeft van een dienst die erin bestaat om taxigebruikers door middel van een elektronische applicatie rechtstreeks in contact te brengen met taxichauffeurs, maar die niet voldoet aan de criteria die het Hof heeft geformuleerd in punt 39 van het arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981).

40      Zoals aangegeven in de punten 26 tot en met 28 en 34 van het onderhavige arrest, geeft deze rechter in zijn verwijzingsbeslissing echter nadere verduidelijkingen over de wijze waarop de betrokken activiteit wordt uitgevoerd. Het hoofdgeding heeft namelijk betrekking op een bemiddelingsdienst waarbij personen die zich per taxi willen laten vervoeren, door middel van een smartphoneapp in contact worden gebracht met vergunninghoudende taxichauffeurs. Verder wordt verduidelijkt dat laatstgenoemden voor het gebruik van die app een maandelijks abonnement moeten betalen, maar dat de dienstverrichter de opdrachten niet rechtstreeks aan hen doorstuurt en evenmin de ritprijs bepaalt, die ook niet via die dienstverrichter wordt betaald. Dit dient bij de beantwoording van de eerste vraag dus ten volle in aanmerking te worden genomen.

41      Derhalve dient de eerste vraag in die zin te worden begrepen dat daarmee in essentie wordt gevraagd of artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, aldus moet worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact worden gebracht, waarvoor de aanbieder van die dienst met die chauffeurs dienstverleningsovereenkomsten heeft gesloten tegen betaling van een maandelijks abonnement, maar hun niet de opdrachten doorstuurt, niet de ritprijs vaststelt en evenmin de ritprijs bij die personen int, die deze rechtstreeks aan de taxichauffeur betalen, en voorts geen toezicht houdt op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van die chauffeurs, een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van die bepalingen vormt.

42      Volgens artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535 is een „dienst van de informatiemaatschappij” een „dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht”.

43      Ten eerste moet worden opgemerkt dat door geen van de partijen of de andere belanghebbenden die aan de procedure hebben deelgenomen wordt betwist dat de bemiddelingsdienst waar het in het hoofdgeding om gaat onder het begrip „dienst” in de zin van de artikelen 56 en 57 VWEU valt.

44      Ten tweede staat om te beginnen vast dat een dergelijke bemiddelingsdienst voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, te weten dat de dienst tegen vergoeding wordt verricht (zie naar analogie arrest van 19 december 2019, Airbnb Ireland, C‑390/18, EU:C:2019:1112, punt 46).

45      In dit verband doet het niet ter zake of een dergelijke dienst om niet wordt verricht voor de persoon die een stadstraject wenst af te leggen of aflegt, aangezien de dienst gepaard gaat met de sluiting van een dienstverleningsovereenkomst tussen de dienstverrichter en elke vergunninghoudende taxichauffeur, op grond waarvan laatstgenoemde een maandelijks abonnement betaalt. Volgens vaste rechtspraak hoeft de vergoeding voor een dienst die een dienstverlener in het kader van een economische activiteit verricht, immers niet noodzakelijkerwijs te worden betaald door alle personen voor wie die dienst wordt verricht (zie in die zin arresten van 15 september 2016, Mc Fadden, C‑484/14, EU:C:2016:689, punt 41, en 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 36).

46      Vervolgens moet deze dienst, voor zover een persoon die een stadstraject wenst af te leggen en een vergunninghoudende taxichauffeur via een onlineplatform met elkaar in contact worden gebracht zonder dat de aanbieder van de bemiddelingsdienst en die persoon of die chauffeur gelijktijdig aanwezig zijn, worden beschouwd als een dienst die op afstand en via elektronische weg wordt verricht (zie naar analogie arrest van 19 december 2019, Airbnb Ireland, C‑390/18, EU:C:2019:1112, punt 47), in de zin van de tweede en de derde voorwaarde van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535.

47      Ten slotte wordt een dienst als die in het hoofdgeding op individueel verzoek van de afnemers ervan verricht, in de zin van de vierde voorwaarde van die bepaling, aangezien de dienst met zich meebrengt dat de persoon die een stadstraject wil afleggen, via de Star Taxi-softwareapplicatie een opdracht aanmaakt, terwijl tegelijkertijd de vergunninghoudende taxichauffeur die aangeeft beschikbaar te zijn, met die applicatie verbonden is.

48      Een dergelijke dienst voldoet derhalve aan de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535 en vormt dus in beginsel een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van richtlijn 2000/31.

49      Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter dat ook al vormt een bemiddelingsdienst die aan al deze voorwaarden voldoet in beginsel een dienst die te onderscheiden is van de daaropvolgende dienst waarop hij betrekking heeft – in casu een vervoersdienst – en dus moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij”, dit anders ligt wanneer blijkt dat deze bemiddelingsdienst integrerend deel uitmaakt van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een dienst die onder een andere juridische kwalificatie valt (arrest van 19 december 2019, Airbnb Ireland, C‑390/18, EU:C:2019:1112, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een aanbieder van bemiddelingsdiensten een aanbod van stadsvervoersdiensten creëert, dat hij met name via IT-instrumenten toegankelijk maakt en waarvan hij de algemene werking organiseert ten behoeve van personen die van dit aanbod gebruik wensen te maken, de verrichte bemiddelingsdienst moet worden beschouwd als integrerend deel van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een vervoersdienst, die dus niet moet worden gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, maar als „dienst op het gebied van vervoer” in de zin van artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123, waarop richtlijn 2000/31, richtlijn 2006/123 en artikel 56 VWEU niet van toepassing zijn (arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi, C‑434/15, EU:C:2017:981, punten 38‑44).

51      Anders dan de gemeente Boekarest stelt, kan een bemiddelingsdienst als die in het hoofdgeding – gelet op de kenmerken ervan – niet worden aangemerkt als „dienst op het gebied van vervoer”.

52      Ten eerste volgt uit de verwijzingsbeslissing dat, in tegenstelling tot de bemiddelingsdienst die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981), die erin bestond stadsvervoersdiensten door niet-professionele chauffeurs die zich voorheen niet op de markt bevonden, op te zetten en toegankelijk te maken, beperkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst zich, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 49 van zijn conclusie, ertoe personen die een stadstraject willen afleggen in contact te brengen met vergunninghoudende taxichauffeurs die reeds op de markt actief zijn en voor wie deze bemiddelingsdienst slechts één van de manieren is om klanten aan te trekken, waarvan het gebruik bovendien geenszins noodzakelijk is voor hen.

53      Ten tweede kan een dergelijke bemiddelingsdienst niet worden geacht de algemene werking te organiseren van de erop volgende stadsvervoersdienst, aangezien de dienstverrichter de taxichauffeurs niet selecteert, noch de ritprijs vaststelt of int, en hij voorts geen toezicht houdt op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van die chauffeurs.

54      Hieruit volgt dat een bemiddelingsdienst als die welke door Star Taxi App wordt verricht, niet kan worden geacht integrerend deel uit te maken van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een vervoersdienst, en bijgevolg onder de kwalificatie „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31 valt.

55      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, aldus moet worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact worden gebracht, waarvoor de aanbieder van die dienst met die chauffeurs dienstverleningsovereenkomsten heeft gesloten tegen betaling van een maandelijks abonnement, maar hun niet de opdrachten doorstuurt, niet de ritprijs vaststelt, en evenmin de ritprijs bij die personen int, die deze rechtstreeks aan de taxichauffeur betalen, en voorts geen toezicht houdt op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van die chauffeurs, een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van die bepalingen vormt.

 Vierde vraag

56      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535 zich ertegen verzet dat zonder voorafgaande mededeling aan de Europese Commissie, een regeling wordt vastgesteld zoals aan de orde in het hoofdgeding, in casu die welke is opgenomen in artikel 3, artikel 21, leden 1 en 3 bis, artikel 41, lid 2 bis, en artikel 59, punt 6 bis, van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008.

57      Opgemerkt moet worden dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535 bepaalt dat, in beginsel, de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van deze richtlijn meedelen en dat volgens vaste rechtspraak de niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichting tot voorafgaande mededeling van een dergelijk ontwerp tot gevolg heeft dat het betrokken „technisch voorschrift” niet aan particulieren kan worden tegengeworpen (zie in die zin arrest van 30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punten 49 en 50), ongeacht of het hierbij gaat om een strafprocedure (zie met name arrest van 4 februari 2016, Ince, C‑336/14, EU:C:2016:72, punt 84), dan wel om een geding tussen particulieren (zie met name arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction, C‑613/14, EU:C:2016:821, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      Deze verplichting tot voorafgaande mededeling is dus alleen van toepassing wanneer het ontwerp betrekking heeft op een technisch voorschrift in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van voornoemde richtlijn.

59      Derhalve moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 aldus moet worden uitgelegd dat een regeling van een lokale autoriteit op grond waarvan voor het verrichten van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, vooraf een vergunning moet worden verkregen, welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s, een „technisch voorschrift” in de zin van eerstgenoemde bepaling vormt, en, zo ja, of artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535 aldus moet worden uitgelegd dat het ontbreken van voorafgaande mededeling aan de Commissie van het ontwerp van die regeling met zich meebrengt dat de vastgestelde regeling niet kan worden tegengeworpen.

60      Wat de kwalificatie van een dergelijke regeling betreft, volgt uit artikel 1, lid 1, onder f), eerste alinea, van richtlijn 2015/1535 dat een „technisch voorschrift” „een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten [is], met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 7, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden”.

61      Hieruit volgt dat een nationale regeling die van invloed is op een dienst van de informatiemaatschappij, om te worden aangemerkt als een „technisch voorschrift”, niet alleen moet worden gekwalificeerd als een „regel betreffende diensten”, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, onder e), van richtlijn 2015/1535, maar ook de jure of de facto verplicht moet zijn, met name voor het verrichten van de betrokken dienst of het gebruik ervan in een lidstaat of een aanzienlijk deel daarvan.

62      In artikel 1, lid 1, onder e), eerste alinea, van die richtlijn wordt een „regel betreffende diensten” gedefinieerd als „een algemene eis betreffende de toegang tot en de uitoefening van [diensten van de informatiemaatschappij], met name bepalingen met betrekking tot de dienstverlener, de diensten en de afnemer van diensten, met uitzondering van regels die niet specifiek betrekking hebben op [diensten van de informatiemaatschappij]”.

63      De tweede alinea van die bepaling verduidelijkt met betrekking tot die definitie dat „een regel [wordt] geacht specifiek betrekking te hebben op de diensten van de informatiemaatschappij wanneer die regel, gezien de motivering en de tekst van het dispositief, in zijn totaliteit of in enkele specifieke bepalingen ervan specifiek tot doel heeft die diensten uitdrukkelijk en gericht te reglementeren”. Hier wordt nog aan toegevoegd dat „een regel niet [wordt] geacht specifiek betrekking te hebben op de diensten van de informatiemaatschappij indien [hij] slechts impliciet of incidenteel op die diensten van toepassing is”.

64      In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Roemeense regeling – of het nu gaat om wet nr. 38/2003 of om besluit nr. 178/2008 – geen melding maakt van diensten van de informatiemaatschappij. Voorts hebben artikel 3, artikel 21, leden 1 en 3 bis, alsmede artikel 41, lid 2 bis, van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008 zonder onderscheid betrekking op alle soorten dispatchingdiensten, ongeacht of deze telefonisch of op andere wijze worden verricht, zoals door middel van een softwareapplicatie.

65      Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 108 van zijn conclusie, verplicht wet nr. 38/2003 aanbieders van dispatchingdiensten die hun activiteit met behulp van een smartphoneapp uitoefenen, bovendien om, net als alle andere aanbieders van dispatchingdiensten, in het bezit te zijn van apparatuur, in casu radiozender-ontvangers, die wegens de technische wijze waarop deze dienst wordt verricht geen enkel nut hebben.

66      Een regel als aan de orde in het hoofdgeding, omdat deze niet specifiek ziet op diensten van de informatiemaatschappij, kan dus alleen impliciet of incidenteel betrekking hebben op die diensten. Een dergelijke regel kan derhalve niet worden gekwalificeerd als een „regel betreffende diensten” in de zin van artikel 1, lid 1, onder e), van richtlijn 2015/1535, en bijgevolg ook niet als een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van die richtlijn.

67      Hieruit volgt dat de verplichting in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535 om ontwerpen van „technische voorschriften” vooraf aan de Commissie mee te delen, niet geldt voor een dergelijke regeling, zodat het feit dat een dergelijk ontwerp niet is meegedeeld, op grond van deze bepaling geen gevolgen kan hebben voor de tegenwerpbaarheid van de voorgenomen regeling in een geding als het hoofdgeding.

68      Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 aldus moet worden uitgelegd dat een regeling van een lokale autoriteit op grond waarvan voor het verrichten van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, vooraf een vergunning moet worden verkregen, welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s, geen „technisch voorschrift” in de zin van eerstgenoemde bepaling vormt.

 Tweede en derde vraag

69      Met zijn tweede en derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, leden 2 en 4, en artikel 4 van richtlijn 2000/31, de artikelen 9, 10 en 16 van richtlijn 2006/123 en artikel 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan voor het verrichten van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, waarnaar wordt verwezen in artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, vooraf een vergunning moet worden verkregen – welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s – en waarvoor onder meer de voorwaarde geldt dat de ritten aan chauffeurs worden doorgestuurd door middel van een radiozender-ontvanger.

70      Vooraf moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding een geschil betreft tussen Star Taxi App, een op het grondgebied van Roemenië gevestigde vennootschap naar Roemeens recht, en twee Roemeense overheidsinstanties, te weten de gemeente Boekarest en de gemeenteraad van de gemeente Boekarest, en dat in dit geding derhalve een situatie aan de orde is waarvan alle aspecten zich binnen de Roemeense Staat afspelen.

71      Volgens vaste rechtspraak zijn de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van dienstverrichting niet van toepassing op een situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen (arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31 volgt eveneens dat deze bepaling uitsluitend van toepassing is op diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, waarbij lid 4 van dit artikel de lidstaten de mogelijkheid biedt om – mits aan bepaalde in dat lid genoemde voorwaarden is voldaan – maatregelen te nemen waarmee van die bepaling wordt afgeweken.

73      Hetzelfde geldt voor artikel 16 van richtlijn 2006/123, dat is opgenomen in hoofdstuk IV van deze richtlijn, betreffende het vrije verkeer van diensten, waarvan de bepalingen alleen van toepassing zijn op diensten die worden verricht in een andere lidstaat dan die waar de dienstverrichter is gevestigd, in tegenstelling tot de bepalingen van hoofdstuk III van die richtlijn, betreffende de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, te weten de artikelen 9 tot en met 15 daarvan, die tevens van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen (arrest van 22 september 2020, Cali Apartments, C‑724/18 en C‑727/18, EU:C:2020:743, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74      Bijgevolg zijn artikel 56 VWEU, artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31 en artikel 16 van richtlijn 2006/123 niet van toepassing op een geding zoals het hoofdgeding.

75      Betreffende de andere door de verwijzende rechter genoemde bepalingen, te weten artikel 4 van richtlijn 2000/31, waarvan noch uit de bewoordingen noch uit de context blijkt dat het alleen van toepassing is op in een andere lidstaat gevestigde dienstverleners van de informatiemaatschappij (zie naar analogie arrest van 30 januari 2018, X en Visser, C‑360/15 en C‑31/16, EU:C:2018:44, punten 99 en 100), en de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/123, ten aanzien waarvan in punt 73 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht dat zij ook van toepassing zijn op zuiver interne situaties, moet worden opgemerkt dat zij, op verschillende wijzen, een principieel verbod stellen op vergunningsstelsels. Tegen deze achtergrond moet worden bepaald welke van deze bepalingen van toepassing kan zijn op een regeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding.

76      Zoals volgt uit de punten 43 en 48 van het onderhavige arrest wordt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bemiddelingsdienst niet alleen gekwalificeerd als „dienst” in de zin van artikel 57 VWEU en, derhalve, van artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123, maar ook als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535.

77      Een regeling van een lidstaat die een kader biedt voor een dergelijke dienst kan bijgevolg binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/31 vallen, alsook binnen die van richtlijn 2006/123, aangezien uit de punten 49 tot en met 54 van het onderhavige arrest voortvloeit dat deze dienst niet valt onder de kwalificatie „dienst op het gebied van vervoer”, die uitdrukkelijk van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 is uitgesloten krachtens artikel 2, lid 2, onder d), gelezen in het licht van overweging 21 ervan.

78      Richtlijn 2006/123 is krachtens artikel 3, lid 1, ervan echter niet van toepassing indien de bepalingen ervan strijdig zijn met een bepaling van een andere Uniehandeling die betrekking heeft op specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen (arrest van 19 december 2019, Airbnb Ireland, C‑390/18, EU:C:2019:1112, punt 41).

79      Derhalve moet worden nagegaan of een regeling op grond waarvan voor het verrichten van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, waarnaar wordt verwezen in artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, vooraf een vergunning moet worden verkregen – welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s – en waarvoor onder meer de voorwaarde geldt dat de ritten aan chauffeurs worden doorgestuurd door middel van een radiozender-ontvanger, binnen de werkingssfeer van artikel 4 van richtlijn 2000/31 valt en, zo ja, of laatstgenoemde bepaling strijdig is met de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/123.

80      Wat de toepasselijkheid van artikel 4 van richtlijn 2000/31 betreft, volgt uit de leden 1 en 2 van dit artikel, in onderlinge samenhang gelezen, dat de lidstaten de toegang tot en de uitoefening van een activiteit van een dienstverlener op het gebied van de informatiemaatschappij weliswaar niet afhankelijk kunnen stellen van een voorafgaande vergunning of enig ander vereiste met gelijke werking, maar het in deze bepaling neergelegde verbod alleen geldt voor regelingen van de lidstaten die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de „diensten van de informatiemaatschappij.”

81      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het weliswaar klopt dat besluit nr. 626/2017 hoofdzakelijk – zo niet uitsluitend – betrekking heeft op bemiddelingsdiensten waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, maar dat dit besluit zich ertoe beperkt om – door de werkingssfeer van het begrip „dispatching”, zoals gedefinieerd in artikel 3 van bijlage 1 bij besluit nr. 178/2008, uit te breiden tot dat soort diensten – op die dienst van de informatiemaatschappij een bestaande verplichting van toepassing te verklaren, volgens welke een voorafgaande vergunning is vereist voor de activiteiten van taxi-reserveringscentrales, welke activiteiten niet worden gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij”.

82      Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft aangegeven, staat hierdoor een dergelijke regeling, waarvan de verwijzende rechter vaststelt dat zij Star Taxi App verplicht om voorafgaand aan de uitoefening van haar activiteit een vergunning te verkrijgen van de bevoegde autoriteit, niet gelijk aan de invoering van een nieuw stelsel van voorafgaande vergunningen dat specifiek en uitsluitend betrekking heeft op een dienst van de informatiemaatschappij.

83      Hieruit volgt dat het in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/31 ingestelde verbod op ieder stelsel van voorafgaande vergunningen of andere vereisten met gelijke werking niet van toepassing is op een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

84      Bijgevolg kan er geen strijdigheid bestaan tussen deze bepaling en de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/123, die daarom op een dergelijke regeling moeten worden toegepast.

85      Derhalve moet worden vastgesteld of deze artikelen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een dergelijke regeling.

86      In dit verband blijkt uit afdeling 1 van hoofdstuk III van richtlijn 2006/123 dat een vergunningstelsel, om in overeenstemming te zijn met deze afdeling, niet alleen moet voldoen aan de voorwaarden die in artikel 9, lid 1, van deze richtlijn worden opgelegd met betrekking tot een dergelijk vergunningstelsel zelf – dat de vrije verrichting van de betrokken dienst per definitie aan beperkingen onderwerpt –, namelijk dat het niet-discriminatoir is, wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en evenredig is, maar dat dit stelsel ook moet voldoen aan de voorwaarden die in artikel 10, lid 2, worden opgelegd met betrekking tot de criteria op grond waarvan die vergunningen kunnen worden verleend, te weten dat deze criteria niet-discriminatoir zijn, gerechtvaardigd worden door een dwingende reden van algemeen belang, evenredig zijn met die reden van algemeen belang, duidelijk en ondubbelzinnig zijn, objectief zijn, vooraf openbaar zijn gemaakt en transparant en toegankelijk zijn (arrest van 22 september 2020, Cali Apartments, C‑724/18 en C‑727/18, EU:C:2020:743, punt 57).

87      Hieruit volgt dat, om te kunnen bepalen of een regeling van een lidstaat waarbij een vergunningstelsel wordt ingevoerd, voldoet aan de twee in het vorige punt genoemde artikelen, die duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichtingen bevatten en derhalve rechtstreekse werking hebben, dus eerst moet worden onderzocht of de invoering van dat stelsel als zodanig gerechtvaardigd is, en vervolgens moet worden gekeken naar de criteria die gelden voor de afgifte van de bij dat stelsel ingevoerde vergunningen (arrest van 22 september 2020, Cali Apartments, C‑724/18 en C‑727/18, EU:C:2020:743, punt 58).

88      In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzingsbeslissing het Hof weinig informatie verschaft die het in staat zou stellen om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.

89      Het staat dus aan de verwijzende rechter om aan de hand van alle relevante gegevens te beoordelen of het stelsel van voorafgaande vergunningen dat is ingevoerd bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, daadwerkelijk voldoet aan de twee reeksen vereisten die zijn genoemd in de punten 86 en 87 van het onderhavige arrest (zie naar analogie arrest van 22 september 2020, Cali Apartments, C‑724/18 en C‑727/18, EU:C:2020:743, punt 78).

90      Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of de criteria die de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde autoriteiten afbakenen gerechtvaardigd zijn, moet evenwel worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in de punten 99 en 100 van zijn conclusie heeft gedaan, dat het feit dat de afgifte van een vergunning voor het verrichten van een dienst afhankelijk wordt gesteld van de vervulling van technische vereisten die niet geschikt zijn voor de betrokken dienst en dus ongerechtvaardigde lasten en kosten meebrengen voor de aanbieders van die dienst, niet in overeenstemming kan zijn met artikel 10, lid 2, van richtlijn 2006/123.

91      Dit kan met name het geval zijn, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan, wanneer de verstrekkers van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, worden verplicht om de ritten aan chauffeurs door te sturen door middel van een radiozender-ontvanger.

92      Een dergelijke verplichting, die zowel de aanbieder van de bemiddelingsdienst als de taxichauffeurs verplicht om over dergelijke zendapparatuur te beschikken en die de aanbieder van de bemiddelingsdienst ook verplicht te beschikken over specifiek personeel om de ritten aan de chauffeurs door te sturen, is immers niet alleen nutteloos, maar houdt ook geen enkel verband met de kenmerken van een dienst die volledig verbonden is met de technische capaciteiten van smartphones, die het mogelijk maken om zonder rechtstreekse menselijke tussenkomst zowel de taxichauffeurs als hun potentiële klanten te lokaliseren en automatisch met elkaar in contact te brengen.

93      Gelet op het voorgaande moeten de tweede en de derde vraag als volgt worden beantwoord:

–        Artikel 56 VWEU, artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31 en artikel 16 van richtlijn 2006/123 moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een geding waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen.

–        Artikel 4 van richtlijn 2000/31 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een regeling van een lidstaat op grond waarvan voor het verstrekken van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, vooraf een vergunning moet worden verkregen, welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s.

–        De artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/123 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan aanbieders van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, worden verplicht om voorafgaand aan de uitoefening van hun activiteit een vergunning te verkrijgen, wanneer de voorwaarden voor het verkrijgen van die vergunning niet voldoen aan de in die artikelen gestelde vereisten, door met name technische vereisten op te leggen die niet geschikt zijn voor de betrokken dienst, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Kosten

94      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake de elektronische handel”), dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact worden gebracht, waarvoor de aanbieder van die dienst met die chauffeurs dienstverleningsovereenkomsten heeft gesloten tegen betaling van een maandelijks abonnement, maar hun niet de opdrachten doorstuurt, niet de ritprijs vaststelt, en evenmin de ritprijs bij die personen int, die deze rechtstreeks aan de taxichauffeur betalen, en voorts geen toezicht houdt op de kwaliteit van de voertuigen en hun chauffeurs, noch op het gedrag van die chauffeurs, een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van die bepalingen vormt.

2)      Artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 moet aldus worden uitgelegd dat een regeling van een lokale autoriteit op grond waarvan voor het verrichten van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, vooraf een vergunning moet worden verkregen, welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s, geen „technisch voorschrift” in de zin van eerstgenoemde bepaling vormt.

3)      Artikel 56 VWEU, artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31 en artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een geding waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen.

Artikel 4 van richtlijn 2000/31 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een regeling van een lidstaat op grond waarvan voor het verstrekken van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, en die wordt gekwalificeerd als „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, dat verwijst naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, vooraf een vergunning moet worden verkregen, welk vereiste reeds geldt voor de andere aanbieders van diensten voor het bestellen van taxi’s.

De artikelen 9 en 10 van richtlijn 2006/123 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan aanbieders van een bemiddelingsdienst waarmee wordt beoogd om, door middel van een smartphoneapp, personen die een stadstraject willen afleggen en vergunninghoudende taxichauffeurs tegen betaling met elkaar in contact te brengen, worden verplicht om voorafgaand aan de uitoefening van hun activiteit een vergunning te verkrijgen, wanneer de voorwaarden voor het verkrijgen van die vergunning niet voldoen aan de in die artikelen gestelde vereisten, door met name technische vereisten op te leggen die niet geschikt zijn voor de betrokken dienst, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Roemeens.