Language of document : ECLI:EU:C:2021:134

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

25 februari 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst – Bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 5 – Toepasselijkheid – Overeenkomst die in een lidstaat wordt gesloten voor een baan bij een onderneming die in een andere lidstaat is gevestigd – Geen arbeidsprestaties gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst – Uitsluiting van de toepassing van nationale bevoegdheidsregels – Artikel 21, lid 1, onder b), i) – Begrip ‚plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ – Arbeidsovereenkomst – Plaats van uitvoering van de overeenkomst –Verplichtingen van de werknemer jegens zijn werkgever”

In zaak C‑804/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landesgericht Salzburg (rechter in eerste aanleg Salzburg, Oostenrijk) bij beslissing van 23 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 31 oktober 2019, in de procedure

BU

tegen

Markt24 GmbH,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Markt24 GmbH, vertegenwoordigd door G. Herzog, Rechtsanwalt,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en I. Gavrilová als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, en artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BU, een natuurlijke persoon met woonplaats in Oostenrijk, en Markt24 GmbH, een vennootschap naar Duits recht met statutaire zetel te Unterschleißheim in de Landkreis München (district München, Duitsland), over de uitkering door deze vennootschap van achterstallig loon, evenredige aanvullende betalingen en vakantiegeld.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 14 en 18 van verordening nr. 1215/2012 luiden:

„(14)      [...]

Met het oog op de bescherming van [...] werknemers, en teneinde de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in gevallen waarin deze exclusieve bevoegdheid hebben, zeker te stellen en de autonomie van de partijen te eerbiedigen, dienen bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder.

[...]

(18)      In het geval van [...] arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.”

4        Hoofdstuk II van deze verordening heeft betrekking op de rechterlijke bevoegdheid. Afdeling 1 van dat hoofdstuk, met als opschrift „Algemene bepalingen”, bevat de artikelen 4 tot en met 6.

5        Artikel 4, lid 1, bepaalt het volgende:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6        Artikel 5 bepaalt:

„1.      Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

2.      In het bijzonder zijn de nationale bevoegdheidsregels waarvan de lidstaten de Commissie krachtens artikel 76, lid 1, onder a), in kennis hebben gesteld, niet van toepassing op personen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.”

7        Afdeling 2 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bevat de artikelen 7 tot en met 9.

8        In artikel 7 is bepaald:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

[...]

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]

5.      ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging, voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of andere vestiging gelegen zijn;

[...]”

9        Afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”, bevat de artikelen 20 tot en met 23.

10      Artikel 20, lid 1, luidt als volgt:

„Voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6, artikel 7, punt 5, en, in het geval van een tegen de werkgever ingestelde vordering, artikel 8, punt 1.”

11      Artikel 21, lid 1, bepaalt:

„De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

a)      voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)      in een andere lidstaat:

i)      voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, of

ii)      wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.”

 Oostenrijks recht

12      § 4, lid 1, van het Bundesgesetz über die Arbeits- und Sozialgerichtsbarkeit (Arbeits- und Sozialgerichtsgesetz) (federale wet inzake de gerechten voor arbeids‑ en sociale zaken; hierna: „ASGG”) van 7 maart 1985 bepaalt:

„Voor de in § 50, lid 1, genoemde geschillen berust naar keuze van de verzoeker de relatieve competentie

1.      in de gevallen van de punten 1 tot en met 3 ook bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan

a)      de werknemer zijn woonplaats of gewone verblijfplaats gedurende de arbeidsrelatie heeft of waar hij deze ten tijde van de beëindiging van de arbeidsrelatie had,

[...]

d)      het loon moet worden betaald of, indien de arbeidsrelatie beëindigd is, laatstelijk moest worden betaald, [...]

[...]

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      BU, die in Oostenrijk woont, is te Salzburg (Oostenrijk) benaderd door een werknemer van Markt24, een onderneming met statutaire zetel te Unterschleißheim in de Landkreis München. Via die werknemer sloot zij met Markt24 voor de periode van 6 september tot en met 15 december 2017 een arbeidsovereenkomst als schoonmaakster (hierna: „betrokken overeenkomst”).

14      Markt24 beschikte aan het begin van de bij de betrokken overeenkomst tot stand gebrachte arbeidsverhouding over een kantoor te Salzburg. De overeenkomst is echter niet in dat kantoor ondertekend, maar in een bakkerij te Salzburg. Als datum van indiensttreding was 6 september 2017 overeengekomen en het werk zou te München worden verricht. Markt24 heeft BU echter nooit werk toegewezen.

15      Hoewel BU telefonisch bereikbaar bleef en zich beschikbaar hield om te werken, heeft zij feitelijk geen enkele arbeidsprestatie voor Markt24 verricht. BU beschikte niet over het telefoonnummer van de werknemer van Markt24 die haar had benaderd met het oog op de sluiting van de betrokken overeenkomst, waarop het Oostenrijkse telefoonnummer en een Duits adres van de onderneming stonden vermeld. Tot en met 15 december 2017 was BU bij de Oostenrijkse sociale zekerheid ingeschreven als werknemer. Vervolgens is zij door Markt24 ontslagen.

16      Op 27 april 2018 heeft BU Markt24 voor het Landesgericht Salzburg (rechter in eerste aanleg Salzburg, Oostenrijk), de verwijzende rechter, gedaagd teneinde betaling te verkrijgen van een brutototaalbedrag van 2 962,80 EUR aan achterstallig loon, evenredige aanvullende betalingen en vakantiegeld voor de periode van 6 september tot en met 15 december 2017. BU legde drie loonbriefjes over voor de maanden september tot en met november 2017, waarop Markt24 als werkgever werd vermeld.

17      Aangezien de dagvaarding van BU niet aan Markt24 kon worden betekend – alle pogingen op verschillende adressen, zowel per post als via het Amtsgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland), ten spijt – en de verblijfplaats van de vertegenwoordigers van de onderneming niet bekend was, is bij beschikking van 26 december 2018 overeenkomstig het Oostenrijkse recht een gemachtigde aangesteld om de onderneming in de procedure te vertegenwoordigen. Bij conclusie van 7 januari 2019 heeft die gemachtigde de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechters in het algemeen en van de verwijzende rechter in het bijzonder betwist.

18      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 21 van verordening nr. 1215/2012 van toepassing is op een arbeidsverhouding in het kader waarvan een werknemer geen arbeid heeft verricht, hoewel hij in Oostenrijk een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en zich ook beschikbaar heeft gehouden om te werken.

19      Volgens de verwijzende rechter staan de duur en de bestendigheid van de arbeidsverhouding in de periode van 6 september tot en met 15 december 2017 vast. Hij voegt hieraan toe dat zowel de precontractuele fase – voorafgaand aan de sluiting van de betrokken overeenkomst – als de sluiting zelf in Oostenrijk heeft plaatsgevonden, en dat BU bovendien bij de Oostenrijkse sociale zekerheid was geregistreerd.

20      De verwijzende rechter merkt voorts op dat werknemers, net als consumenten, een categorie van personen vormen die moet worden beschermd en dat de op hen toepasselijke Unierechtelijke bepalingen niet ongunstiger mogen zijn dan de nationale rechtsregels. Volgens hem moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werknemer die het, in geval van geringe beloning, moeilijker maakt om zich tot de gerechten van een andere lidstaat te wenden.

21      In die omstandigheden heeft het Landesgericht Salzburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is artikel 21 van [verordening nr. 1215/2012] van toepassing op een arbeidsrelatie waarbij weliswaar een arbeidsovereenkomst in Oostenrijk voor in Duitsland te verrichten werkzaamheden is gesloten, maar door de werknemer, die zich gedurende meerdere maanden in Oostenrijk beschikbaar heeft gehouden voor het werk, geen werkzaamheden zijn verricht?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2)      Moet artikel 21 van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder a), [ASGG], dat aan een werknemer de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de woonplaats die hij tijdens de arbeidsrelatie heeft of bij beëindiging van de arbeidsrelatie had (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?

3)      Moet artikel 21 van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder d), ASGG, dat aan een werknemer de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de plaats waar het loon moet worden betaald of bij beëindiging van de arbeidsrelatie moest worden betaald (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?

Indien de tweede en de derde vraag ontkennend worden beantwoord:

4)      Moet artikel 21 van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat bij een arbeidsrelatie waarbij de werknemer geen werkzaamheden heeft verricht, de rechtsvordering moet worden ingesteld in de lidstaat waarin de werknemer zich voor werk beschikbaar heeft gehouden?

Moet artikel 21 van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat bij een arbeidsrelatie waarbij de werknemer geen werkzaamheden heeft verricht de rechtsvordering moet worden ingesteld in de lidstaat waarin de arbeidsovereenkomst is voorbereid en gesloten, ook indien in die overeenkomst werkzaamheden in een andere lidstaat waren overeengekomen of beoogd?

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

5)      Is artikel 7, punt 1, van [verordening nr. 1215/2012] van toepassing op een arbeidsrelatie waarbij weliswaar een arbeidsovereenkomst in Oostenrijk voor werkzaamheden in Duitsland is gesloten, maar door de werknemer, die zich gedurende meerdere maanden in Oostenrijk voor werk beschikbaar heeft gehouden, geen werkzaamheden zijn verricht, indien een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder a), ASGG, dat aan een werknemer de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de woonplaats die hij tijdens de arbeidsrelatie heeft of bij beëindiging van de arbeidsrelatie had (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast, of indien een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder d), ASGG, dat aan een werknemer de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de plaats waar het loon moet worden betaald of bij beëindiging van zijn arbeidsrelatie moest worden betaald (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

22      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”, aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering in rechte van een werknemer met woonplaats in een lidstaat tegen zijn werkgever met woonplaats in een andere lidstaat, wanneer de onderhandelingen over en de sluiting van de arbeidsovereenkomst hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar de werknemer woont en in de overeenkomst was bepaald dat de plaats van uitvoering van de arbeid was gelegen in de lidstaat van de werkgever, ook al is die arbeid om een aan de werkgever toerekenbare reden niet verricht.

23      In dit verband zij eraan herinnerd dat de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst volgens artikel 20 van verordening nr. 1215/2012 wordt geregeld door afdeling 5 van hoofdstuk II van deze verordening, die het opschrift „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst” draagt en de artikelen 20 tot en met 23 bevat, onverminderd artikel 6, artikel 7, punt 5, en, in het geval van een vordering tegen een werkgever, artikel 8, punt 1.

24      Het begrip „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in artikel 20 van verordening nr. 1215/2012 moet autonoom worden uitgelegd teneinde de uniforme toepassing van de in deze verordening neergelegde bevoegdheidsregels in alle lidstaten te waarborgen (zie in die zin arrest van 14 september 2017, Nogueira e.a., C‑168/16 en C‑169/16, EU:C:2017:688, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof veronderstelt dit begrip een band van ondergeschiktheid tussen de werknemer en zijn werkgever en is het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding dat iemand verplicht is om gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties te verrichten en als tegenprestatie recht heeft op een vergoeding (zie naar analogie arresten van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punten 40 en 41, en 11 april 2019, Bosworth en Hurley, C‑603/17, EU:C:2019:310, punten 25 en 26).

26      In een dergelijk geval zijn de partijen gebonden door een „arbeidsovereenkomst” in de zin van artikel 20 van verordening nr. 1215/2012, ongeacht of de arbeid waarop deze overeenkomst betrekking heeft, al dan niet is uitgevoerd.

27      Aangezien uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de betrokken overeenkomst in het hoofdgeding een verhouding van ondergeschiktheid tussen een werkgever en een werknemer tot stand heeft gebracht en de rechten en verplichtingen van elk van de partijen in het kader van een arbeidsverhouding heeft doen ontstaan, valt een geschil over die overeenkomst onder hoofdstuk II, afdeling 5, van verordening nr. 1215/2012, ook al is deze overeenkomst niet uitgevoerd.

28      Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”, aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering in rechte van een werknemer met woonplaats in een lidstaat tegen zijn werkgever met woonplaats in een andere lidstaat, wanneer de onderhandelingen over en de sluiting van de arbeidsovereenkomst hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar de werknemer woont en in de overeenkomst was bepaald dat de plaats van uitvoering van de arbeid was gelegen in de lidstaat van de werkgever, ook al is die arbeid om een aan de werkgever toerekenbare reden niet verricht.

 Tweede en derde vraag

29      Met zijn tweede en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van de nationale bevoegdheidsregels op een vordering als bedoeld in punt 28 van dit arrest, wanneer deze regels gunstiger zouden blijken te zijn voor de werknemer.

30      Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak zowel het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag, als verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) en verordening nr. 1215/2012, die dit verdrag hebben opgevolgd, tot doel hebben eenvormige regels voor de internationale rechterlijke bevoegdheid in te voeren (arresten van 3 juli 1997, Benincasa, C‑269/95, EU:C:1997:337, punt 25; 17 november 2011, Hypoteční banka, C‑327/10, EU:C:2011:745, punten 33 en 45, en 7 juli 2016, Hőszig, C‑222/15, EU:C:2016:525, punt 31).

31      Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 „worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”. Verder bepaalt artikel 5, lid 1, van deze verordening dat „[d]egenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, [...] slechts voor het gerecht van een andere lidstaat [kunnen] worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van [hoofdstuk II van de verordening] gegeven regels”.

32      Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 41 en 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wanneer een geschil met een buitenlands element binnen de materiële werkingssfeer van de verordening valt en de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de uniforme bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 voorrang moeten hebben boven de nationale bevoegdheidsregels (zie in die zin arresten van 17 november 2011, Hypoteční banka, C‑327/10, EU:C:2011:745, punten 33 en 45, en 19 december 2013, Corman-Collins, C‑9/12, EU:C:2013:860, punt 22).

33      Die principiële uitsluiting van de nationale bevoegdheidsregels geldt ook wanneer het gaat om de bepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, waarvan het Hof heeft benadrukt dat het niet alleen bijzondere, maar ook uitputtende bepalingen zijn (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Petronas Lubricants Italy, C‑1/17, EU:C:2018:478, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Bijgevolg kan in het kader van een rechtsvordering die binnen de werkingssfeer van hoofdstuk II, afdeling 5, van deze verordening valt, geen toepassing worden gegeven aan nationale regels tot vaststelling van de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst die verschillen van die waarin die afdeling voorziet, ongeacht of die nationale regels gunstiger zijn voor de werknemer.

35      Op de tweede en de derde vraag moet dus worden geantwoord dat het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van de nationale bevoegdheidsregels op een vordering als bedoeld in punt 28 van dit arrest, ook al blijken deze regels gunstiger te zijn voor de werknemer.

 Vierde vraag

36      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21 van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering als bedoeld in punt 28 van dit arrest. In voorkomend geval verzoekt hij het Hof tevens om aan te geven welk gerecht krachtens dit artikel bevoegd is.

37      In dit verband zij eraan herinnerd dat een werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen hetzij, volgens artikel 21, lid 1, onder a), van die verordening, voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, hetzij, volgens artikel 21, lid 1, onder b), i) en ii), ervan, voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt of, wanneer de werknemer niet in hetzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.

38      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de werknemer zich niet heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar de werkgever zijn woonplaats heeft, zoals artikel 21, lid 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 toestaat. Uit de omstandigheden van het hoofdgeding blijkt evenmin dat de vordering van de werknemer onder artikel 21, lid 1, onder b), ii), van deze verordening valt.

39      Derhalve moet worden bepaald of een vordering als die in het hoofdgeding, ook al is er geen arbeid verricht, valt onder artikel 21, lid 1, onder b), i), van die verordening, dat bepaalt dat een werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, dan wel voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt.

40      In dit verband moet het begrip „plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” in artikel 19, punt 2, onder a), van verordening nr. 44/2001, dat overeenkomt met artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012, aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar of van waaruit de werknemer feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult (zie in die zin arrest van 14 september 2017, Nogueira e.a., C‑168/16 en C‑169/16, EU:C:2017:688, punt 59).

41      Zoals de advocaat-generaal in de punten 61 en 63 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is, wanneer de arbeidsovereenkomst niet is uitgevoerd, de bedoeling die de partijen bij de overeenkomst met betrekking tot de plaats van uitvoering tot uitdrukking hebben gebracht in beginsel het enige element op basis waarvan een gebruikelijke plaats van arbeid voor de toepassing van artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012 kan worden vastgesteld. Met deze uitlegging kan immers het best een hoge mate van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels worden verzekerd, aangezien de door de partijen in de arbeidsovereenkomst beoogde plaats van arbeid in beginsel gemakkelijk te bepalen is.

42      Bijgevolg moet artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat een vordering betreffende een arbeidsverhouding als bedoeld in punt 28 van dit arrest kan worden ingesteld bij een gerecht van de lidstaat waar de werknemer volgens de arbeidsovereenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever moest vervullen.

43      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak, was de plaats waar de werknemer volgens de betrokken overeenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever moest vervullen, gelegen te München.

44      Hieraan moet worden toegevoegd dat de bevoegdheid volgens artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 wordt bepaald in hoofdstuk II, afdeling 5, van deze verordening „onverminderd artikel 6, artikel 7, punt 5, en, in het geval van een tegen de werkgever ingestelde vordering, artikel 8, punt 1” ervan.

45      Artikel 7, punt 5, bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat „ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging” in een andere lidstaat kan worden opgeroepen „voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of de andere vestiging gelegen is”.

46      Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of deze bepaling ook toepassing kan vinden op de onderhavige zaak, aangezien Markt24, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, aan het begin van de bij de betrokken overeenkomst tot stand gebrachte arbeidsverhouding een kantoor te Salzburg had en de werknemer volgens de betrokken overeenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever te München moest vervullen.

47      Er zij aan herinnerd dat de begrippen „filiaal”, „agentschap” en „andere vestiging”, als bedoeld in artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, autonoom moeten worden uitgelegd, en wel zo dat zij vereisen dat er een centrum van werkzaamheid bestaat dat zich naar buiten toe duurzaam manifesteert als het verlengstuk van een moederbedrijf. Dat centrum moet beschikken over een eigen directie en materiële uitrusting, zodat het zaken kan doen met derden zonder dat die zich rechtstreeks tot het moederbedrijf hoeven te wenden (zie in die zin arrest van 11 april 2019, Ryanair, C‑464/18, EU:C:2019:311, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Voorts vindt die bepaling slechts toepassing indien het geschil betrekking heeft op hetzij handelingen die verband houden met de exploitatie van die entiteiten, hetzij verbintenissen die deze zijn aangegaan namens het moederbedrijf, wanneer die moeten worden uitgevoerd in de staat waar de entiteiten gelegen zijn (zie in die zin arrest van 11 april 2019, Ryanair, C‑464/18, EU:C:2019:311, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering als bedoeld in punt 28 van het onderhavige arrest kan worden ingesteld bij het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer volgens de arbeidsovereenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever moest vervullen, onverminderd artikel 7, punt 5, van die verordening.

 Vijfde vraag

50      Aangezien de vijfde vraag slechts is gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend werd beantwoord – wat echter niet is gebeurd –, behoeft zij niet te worden beantwoord.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met als opschrift „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”, moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering in rechte van een werknemer met woonplaats in een lidstaat tegen zijn werkgever met woonplaats in een andere lidstaat, wanneer de onderhandelingen over en de sluiting van de arbeidsovereenkomst hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar de werknemer woont en in de overeenkomst was bepaald dat de plaats van uitvoering van de arbeid was gelegen in de lidstaat van de werkgever, ook al is die arbeid om een aan de werkgever toerekenbare reden niet verricht.

2)      Het bepaalde in afdeling 5 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van de nationale bevoegdheidsregels op een vordering als bedoeld in punt 1 van het dictum van dit arrest, ook al blijken deze regels gunstiger te zijn voor de werknemer.

3)      Artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een vordering als bedoeld in punt 1 van het dictum van dit arrest kan worden ingesteld bij het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer volgens de arbeidsovereenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever moest vervullen, onverminderd artikel 7, punt 5, van die verordening.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.