Language of document : ECLI:EU:C:2021:181

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

9 maart 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3, lid 1 – Begrip ‚mededeling aan het publiek’ – Opneming van een door het auteursrecht beschermd werk op de website van een derde door middel van framing – Werk met toestemming van de houder van het auteursrecht vrij toegankelijk op de website van de licentiehouder – Contractclausule op grond waarvan de licentiehouder doeltreffende technische voorzieningen tegen framing moet treffen – Rechtmatigheid – Grondrechten – Artikel 11 en artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”

in zaak C‑392/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 25 april 2019, bij het Hof binnengekomen op 21 mei 2019, in de procedure

VG Bild-Kunst

en

Stiftung Preußischer Kulturbesitz,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, A. Prechal, M. Ilešič (rapporteur), L. Bay Larsen, N. Piçarra, A. Kumin en N. Wahl, kamerpresidenten, T. von Danwitz, M. Safjan, D. Šváby, I. Jarukaitis en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: M. Krausenböck, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting van 25 mei 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        VG Bild-Kunst, vertegenwoordigd door C. Czychowski en V. Kraetzig, Rechtsanwälte,

–        de Stiftung Preußischer Kulturbesitz, vertegenwoordigd door N. Rauer, Rechtsanwalt,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en A. Daniel als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf, V. Di Bucci en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 september 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen VG Bild-Kunst, een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten op het gebied van beeldende kunsten in Duitsland, en de Stiftung Preußischer Kulturbesitz (hierna: „SPK”), een Duitse stichting voor cultureel erfgoed, ter zake van de weigering van VG Bild-Kunst om met SPK een licentieovereenkomst te sluiten voor het gebruik van haar catalogus van werken, zonder opneming van een bepaling volgens welke laatstgenoemde, als licentienemer, zich ertoe verbindt om bij het gebruik van de in de overeenkomst bedoelde werken en beschermde materialen doeltreffende technische voorzieningen te treffen tegen het framen van die werken of beschermde materialen door derden.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2001/29

3        De overwegingen 3, 4, 9, 10, 23 en 31 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:

„(3)      De voorgestelde harmonisatie zal bijdragen tot de uitoefening van de vier vrijheden van de interne markt en past in het kader van de eerbiediging van de fundamentele rechtsbeginselen en met name de eigendom – met inbegrip van de intellectuele eigendom – de vrije meningsuiting en het algemeen belang.

(4)      Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie [...] bevorderen, [...].

[...]

(9)      Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

(10)      Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten‑op‑aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[...]

(23)      Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.

[...]

(31)      Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. De huidige verschillen in beperkingen en restricties op bepaalde aan toestemming onderworpen handelingen hebben directe negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze verschillen zullen ten gevolge van de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende exploitatie van werken en grensoverschrijdende activiteiten wellicht nog belangrijker worden. Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt.”

4        Artikel 3 van de richtlijn, „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, luidt:

„1.      De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

[...]

3.      De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”

5        Artikel 6 van richtlijn 2001/29, „Verplichtingen inzake technische voorzieningen”, bepaalt in de leden 1 en 3:

„1.      De lidstaten voorzien in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.

[...]

3.      Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚technische voorzieningen’ verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten, wettelijk vastgelegde naburige rechten of het sui generis recht bedoeld in hoofdstuk III van richtlijn 96/9/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB 1996, L 77, blz. 20)]. Technische voorzieningen worden geacht ‚doeltreffend’ te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de rechthebbenden door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.”

 Richtlijn 2014/26

6        Artikel 16, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt (PB 2014, L 84, blz. 72) luidt:

„1.      De lidstaten zien erop toe dat collectieve beheerorganisaties en gebruikers in goed vertrouwen onderhandelingen voeren over de licentieverlening voor rechten. Collectieve beheerorganisaties en gebruikers verschaffen elkaar alle noodzakelijke informatie.

2.      Licentievoorwaarden zijn gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria. Bij het verlenen van licenties voor rechten zijn collectieve beheerorganisaties niet verplicht licentievoorwaarden die zijn overeengekomen met een gebruiker als precedent te gebruiken voor andere onlinediensten, wanneer de gebruiker een nieuwe soort onlinedienst aanbiedt die nog geen drie jaar voor het publiek in de Unie beschikbaar is.

Rechthebbenden ontvangen een passende vergoeding voor het gebruik van de rechten. Tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding zijn redelijk in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken en andere materie, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verstrekte dienst. Collectieve beheerorganisaties stellen de betrokken gebruiker in kennis van de criteria die voor het bepalen van die tarieven zijn gebruikt.”

 Duits recht

7        Op grond van § 19a van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte (wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) is voor een beschikbaarstelling van door het auteursrecht beschermde werken aan het publiek de toestemming van de rechthebbenden vereist.

8        Overeenkomstig § 34, lid 1, eerste volzin, van het Gesetz über die Wahrnehmung von Urheberrechten und verwandten Schutzrechten durch Verwertungsgesellschaften (wet inzake het beheer van auteursrechten en naburige rechten door collectieve beheerorganisaties; hierna: „VGG”), zijn de collectieve beheerorganisaties verplicht om eenieder die daarom verzoekt, onder redelijke voorwaarden een licentie te verlenen voor het gebruik van de rechten die zij in beheer hebben.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        SPK is de beheerder van de Deutsche Digitale Bibliothek (hierna: „DDB”), een digitale bibliotheek voor kennis en cultuur die een netwerk creëert tussen Duitse culturele en wetenschappelijke instellingen.

10      De website van de DDB bevat links naar gedigitaliseerde inhoud die is opgeslagen op de webportalen van de deelnemende instellingen. Als „digitale etalage” slaat de DDB zelf echter alleen miniaturen („thumbnails”) op, dat wil zeggen versies van afbeeldingen die kleiner zijn dan de oorspronkelijke afbeeldingen. Wanneer de gebruiker op een van de thumbnails klikt, wordt hij doorgeleid naar de pagina van het betrokken voorwerp op de website van de DDB, met een grotere afbeelding van de thumbnail, met een resolutie van 440 x 330 pixels. Door op deze afbeelding te klikken of door gebruik te maken van de loepfunctie wordt een nog grotere versie van de thumbnail weergegeven in een lightbox, met een resolutie van maximaal 800 x 600 pixels. Voorts bevat de knop „Voorwerp op de oorspronkelijke website weergeven” een rechtstreekse link naar de website van de toeleverende instelling, hetzij naar haar startpagina, hetzij naar de pagina van het voorwerp.

11      VG Bild-Kunst stelt voor de sluiting met SPK van een licentieovereenkomst voor het gebruik van haar catalogus van werken in de vorm van thumbnails als voorwaarde dat in die overeenkomst een bepaling wordt opgenomen volgens welke de licentienemer zich ertoe verbindt om bij het gebruik van de in de overeenkomst bedoelde werken en beschermde materialen doeltreffende technische voorzieningen te treffen tegen het framen door derden van de thumbnails van de op de website van de DDB weergegeven werken en beschermde materialen.

12      Omdat zij van mening was dat een dergelijke contractuele bepaling uit auteursrechtelijk oogpunt niet redelijk was, heeft SPK bij het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat VG Bild-Kunst haar de betrokken licentie zonder de voorwaarde van deze technische voorzieningen diende te verlenen.

13      Het Landgericht Berlin heeft het beroep verworpen. Dat vonnis is in het hoger beroep van SPK vernietigd door het Kammergericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland). Met haar beroep in Revision vordert VG Bild-Kunst dat het beroep van SPK alsnog wordt verworpen.

14      Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) preciseert allereerst dat collectieve beheerorganisaties overeenkomstig § 34, lid 1, eerste volzin, VGG, waarbij artikel 16 van richtlijn 2014/26 is omgezet, verplicht zijn om eenieder die daarom verzoekt, onder redelijke voorwaarden een licentie te verlenen voor het gebruik van de rechten waarvan hun het beheer is toevertrouwd.

15      Voorts konden collectieve beheerorganisaties volgens de rechtspraak die is ontwikkeld gedurende de periode waarin de bij de VGG ingetrokken nationale wettelijke regeling van toepassing was, welke rechtspraak volgens de verwijzende rechter deels nog steeds relevant is, bij wijze van uitzondering afwijken van hun verplichting en weigeren een licentie voor het gebruik van aan hun beheer toevertrouwde rechten te verlenen, op voorwaarde dat deze weigering geen misbruik van een monopolie vormde en een hoger legitiem belang de weigering van de licentieaanvraag kon rechtvaardigen. Om uit te maken of er sprake was van een objectief gerechtvaardigde uitzondering, moest er in dat verband een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de betrokkenen, rekening houdend met de doelstelling van de wet en het doel dat ten grondslag lag aan deze principeverplichting van collectieve beheerorganisaties.

16      De uitkomst van het beroep in Revision hangt af van de vraag of er, anders dan de rechter in hoger beroep heeft geoordeeld, sprake is van een mededeling van werken aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 wanneer een werk dat met toestemming van de rechthebbende beschikbaar is op een website zoals die van de DDB, door middel van framing op de website van een derde wordt opgenomen, wanneer daarbij door de rechthebbende getroffen of door hem aan een licentiehouder opgelegde voorzieningen tegen framing worden omzeild. In dat geval zouden de rechten van de leden van VG Bild-Kunst worden geraakt en zou zij op goede gronden kunnen eisen dat in de licentieovereenkomst met SPK de verplichting wordt opgenomen om technische voorzieningen tegen framing te treffen.

17      De verwijzende rechter is van oordeel dat wanneer thumbnails door middel van framing op de website van een derde worden geplaatst en daarbij de door de rechthebbende getroffen of door hem opgelegde technische voorzieningen tegen framing worden omzeild, dit een mededeling aan een nieuw publiek vormt. Anders zou het recht van mededeling van een werk aan het publiek via het internet, in strijd met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/29, de facto zijn uitgeput zodra het werk met toestemming van de houder van het auteursrecht op een website vrij ter beschikking is gesteld aan alle internetgebruikers, zonder dat die rechthebbende de mogelijkheid heeft om de economische exploitatie van zijn werk te sturen en kan zorgen voor een billijk aandeel in de economische vruchten.

18      Omdat hij echter twijfels heeft over het antwoord op deze vraag, gezien de rechtspraak van het Hof over de praktijk van framing (beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International, C‑348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315) en over de vrijheid van meningsuiting en informatie zoals neergelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) in de digitale context (arrest van 8 september 2016, GS Media, C‑160/15, EU:C:2016:644, punt 45), uit welke rechtspraak blijkt dat hyperlinks bijdragen tot de goede werking van het internet, heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Vormt het opnemen, door middel van framing, van een met toestemming van de rechthebbende op een vrij toegankelijke website beschikbaar werk op de website van een derde een ‚mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 indien daarbij door de rechthebbende getroffen of geïnitieerde voorzieningen tegen framing worden omzeild?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de opneming, door middel van de techniek van framing, op de website van een derde van werken die door het auteursrecht worden beschermd en die met toestemming van de houder van het auteursrecht op een voor het publiek vrij toegankelijke andere website zijn geplaatst, een mededeling aan het publiek in de zin van deze bepaling vormt wanneer met die opneming de voorzieningen worden omzeild die de rechthebbende tegen framing heeft getroffen of opgelegd.

20      In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van auteurs moeten voorzien in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

21      Op grond van deze bepaling beschikken de auteurs dus over een recht van preventieve aard om te kunnen interveniëren tussen eventuele gebruikers van hun werk en de mededeling aan het publiek die deze gebruikers overwegen te doen, teneinde deze mededeling te verbieden (zie in die zin arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      In casu moet allereerst worden opgemerkt dat, zoals uit punt 10 van dit arrest blijkt, het hoofdgeding voornamelijk betrekking heeft op digitale reproducties in de vorm van thumbnails van beschermde werken, waarvan de omvang in vergelijking met het origineel bovendien gereduceerd is.

23      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, zoals de verwijzende rechter uiteenzet, tussen partijen in het hoofdgeding vaststaat dat de door SPK geplande publicatie van de door haar opgeslagen thumbnails van auteursrechtelijk beschermde werken die in de catalogus van VG Bild-Kunst zijn opgenomen, een handeling bestaande in de mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt waarvoor dus de toestemming van de rechthebbenden vereist is.

24      Aangezien SPK echter weigert om voorzieningen te treffen om framing van die thumbnails op websites van derden te voorkomen, moet worden bepaald of die framing zelf moet worden aangemerkt als een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Indien dat het geval zou zijn, kan VG Bild-Kunst, als beheerorganisatie van auteursrechten, SPK verplichten om die voorzieningen te treffen.

25      Zoals de advocaat-generaal in punt 120 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de wijziging van de omvang van de betrokken werken niet van belang voor de vraag of er sprake is van een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek, zolang de originele elementen van die werken herkenbaar zijn, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding moet nagaan.

26      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, moet aan het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zoals wordt benadrukt in overweging 23 van die richtlijn, een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan en dient dit begrip zich derhalve uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending (arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      Uit de overwegingen 4, 9 en 10 van richtlijn 2001/29 volgt immers dat deze als belangrijkste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor auteurs te verwezenlijken, zodat zij met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen (zie in die zin arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Bovendien volgt uit artikel 3, lid 3, van deze richtlijn dat de toestemming om de beschermde werken in een mededeling aan het publiek op te nemen het recht om andere mededelingen van deze werken aan het publiek toe te staan of te verbieden niet uitput (arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 23).

29      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, verbindt het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 twee cumulatieve elementen met elkaar, te weten een in de mededeling van een werk bestaande handeling en de mededeling van dit werk aan een publiek [arresten van 2 april 2020, Stim en SAMI, C‑753/18, EU:C:2020:268, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 oktober BY (Fotobewijs), C‑637/19, EU:C:2020:863, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30      In de eerste plaats kan elke handeling waarbij een gebruiker met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze toegang verleent tot beschermde werken, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een handeling vormen die bestaat in een mededeling [zie in die zin arresten van 2 april 2020, Stim en SAMI, C‑753/18, EU:C:2020:268, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 oktober 2020, BY (Fotobewijs), C‑637/19, EU:C:2020:863, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31      In de tweede plaats kunnen beschermde werken slechts onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van deze bepaling vallen wanneer zij daadwerkelijk aan een publiek worden medegedeeld, waarbij deze mededeling ziet op een onbepaald aantal potentiële ontvangers (arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en bovendien een vrij groot aantal personen impliceert (arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Om te kunnen spreken van een „mededeling aan het publiek”, moet een beschermd werk worden meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, bij gebreke daarvan, gericht zijn tot een nieuw publiek, dat wil zeggen een publiek dat door de auteursrechthebbenden nog niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling van hun werk aan het publiek (arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Het Hof heeft met betrekking tot het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 tevens benadrukt dat dit een geïndividualiseerde beoordeling vergt (arrest van 14 juni 2017, Stichting Brein, C‑610/15, EU:C:2017:456, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Bij een dergelijke beoordeling dienen meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria in aanmerking te worden genomen. Verder moeten deze criteria zowel individueel als in hun onderling verband worden toegepast, aangezien deze criteria in verschillende concrete situaties met een zeer wisselende intensiteit een rol kunnen spelen (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Stim en SAMI, C‑753/18, EU:C:2020:268, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Meer bepaald volgt uit de rechtspraak van het Hof allereerst dat de techniek van framing, die erin bestaat dat een pagina van een website in meerdere kaders wordt verdeeld waarbij in één van die kaders via een aanklikbare link of een geïntegreerde link (inline linking) een element zichtbaar wordt dat van een andere site afkomstig is, zodat voor de gebruikers van die website verborgen blijft uit welke omgeving dat element afkomstig is, een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek is in de zin van de in de punten 30 en 31 van dit arrest genoemde rechtspraak, aangezien die techniek tot gevolg heeft dat het weergegeven element ter beschikking staat van alle potentiële gebruikers van die website (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, punten 20, 22 en 23).

36      Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat aangezien de techniek van framing dezelfde techniek gebruikt als die welke reeds gebruikt is om het beschermde werk op de oorspronkelijke website aan het publiek mee te delen, namelijk die van het internet, deze mededeling niet voldoet aan de voorwaarde dat zij wordt gedaan aan een nieuw publiek, en zij dus geen „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 is, zodat daarvoor niet de toestemming van de houders van het auteursrecht nodig is (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, punten 24‑30).

37      Opgemerkt zij echter dat deze rechtspraak berustte op de feitelijke vaststelling dat voor de toegang tot de betrokken werken op de oorspronkelijke website geen enkele beperkende maatregel werd gehanteerd (arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, punt 26, en beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International, C‑348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315, punten 16 en 18). Bij gebreke van dergelijke maatregelen heeft het Hof dus geoordeeld dat de rechthebbende, door zijn werk vrijelijk ter beschikking van het publiek te stellen of daarvoor toestemming te geven, van meet af aan alle internetgebruikers als publiek voor ogen had en aldus ermee had ingestemd dat derden zelf handelingen bestaande in de mededeling van dat werk verrichtten.

38      In een situatie waarin een auteur vooraf, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud toestemming geeft voor de publicatie van zijn artikelen op de website van een krantenuitgever, zonder verder gebruik te maken van technische middelen die de toegang tot deze werken vanaf andere websites beperken, kan hij in wezen dus worden geacht toestemming te hebben verleend voor de mededeling van deze werken aan alle internetgebruikers (arrest van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Overeenkomstig het in de punten 33 en 34 van dit arrest genoemde vereiste van geïndividualiseerde beoordeling van het begrip „mededeling aan het publiek” kan de vaststelling van het Hof in punt 37 van dit arrest echter niet gelden wanneer de houder van de rechten van meet af aan beperkende maatregelen voor de mededeling van zijn werk heeft genomen of opgelegd.

40      Meer bepaald, indien een aanklikbare link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt, in staat stelt om beperkende maatregelen te omzeilen die op de website waar het beschermde werk zich bevindt zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, en aldus een interventie vormt zonder welke die gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de verspreide werken, dienen al deze gebruikers te worden beschouwd als een nieuw publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen deze toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling, zodat de toestemming van de houders vereist is voor een dergelijke mededeling aan het publiek. Dit is met name het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is voor het publiek op de website waarop het oorspronkelijk werd medegedeeld of wanneer het thans op die website enkel beschikbaar is voor een beperkt publiek, terwijl het op een andere website toegankelijk is zonder toestemming van de houders van het auteursrecht (arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, punt 31).

41      In het hoofdgeding gaat het nu juist om een situatie waarin de houder van het auteursrecht de verlening van een licentie afhankelijk wil stellen van het nemen van beperkende maatregelen tegen framing, zodat de toegang tot zijn werken vanaf andere websites dan die van zijn licentiehouders beperkt wordt. In dergelijke omstandigheden kan er niet van worden uitgegaan dat die houder van het auteursrecht ermee heeft ingestemd dat derden zijn werken vrijelijk aan het publiek kunnen meedelen.

42      Overeenkomstig de in punt 38 van dit arrest aangehaalde rechtspraak kan er dus van worden uitgegaan dat de houder van het auteursrecht, door technische voorzieningen te treffen of zijn licentiehouders te verplichten technische voorzieningen te gebruiken waardoor de toegang tot zijn werken vanaf andere websites dan die waarop hij de mededeling aan het publiek daarvan heeft toegestaan, wordt beperkt, zijn wens heeft geuit om zijn toestemming om die werken op het internet aan het publiek mee te delen vergezeld te doen gaan van een voorbehoud teneinde het publiek van die werken te beperken tot alleen de gebruikers van een bepaalde website.

43      Wanneer de houder van het auteursrecht beperkende maatregelen heeft vastgesteld of het gebruik daarvan aan zijn licentiehouders heeft opgelegd zodat de toegang tot zijn werken vanaf andere websites dan die van zijn licentiehouders beperkt wordt, vormen de eerste beschikbaarstelling op de oorspronkelijke website en de tweede beschikbaarstelling, door middel van de techniek van framing, dus verschillende mededelingen aan het publiek en moet daarom voor elk van die mededelingen de toestemming van de betrokken houders van de rechten worden gekregen (zie naar analogie arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 49).

44      Noch uit het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C‑466/12, EU:C:2014:76), noch uit de beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International (C‑348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315), kan worden afgeleid dat het plaatsen op een website van hyperlinks naar beschermde werken die vrij, doch zonder toestemming van de houder van het auteursrecht op die werken, beschikbaar zijn gesteld op een andere website, geen „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 is. Integendeel, deze beslissingen bevestigen het belang van een dergelijke toestemming voor die bepaling, aangezien deze laatste nu juist bepaalt dat voor elke handeling bestaande in een mededeling van een werk aan het publiek toestemming moet worden verleend door de auteursrechthebbende (zie in die zin arrest van 8 september 2016, GS Media, C‑160/15, EU:C:2016:644, punt 43).

45      Diezelfde vaststellingen moeten gelden wanneer een derde beschermde werken die vrij en met toestemming van de houder van het auteursrecht beschikbaar zijn op bepaalde websites, meedeelt aan het publiek, terwijl die houder technische voorzieningen heeft getroffen of zijn licentiehouders heeft verplicht technische voorzieningen te gebruiken die de toegang tot zijn werken vanaf andere websites, door middel van de techniek van framing, beperken teneinde het publiek van zijn werken te beperken tot alleen de gebruikers van de oorspronkelijke website.

46      Gepreciseerd zij dat teneinde de rechtszekerheid en de juiste werking van het internet te garanderen, de houder van het auteursrecht niet kan worden toegestaan om zijn toestemming op andere wijze te beperken dan met „doeltreffende technische voorzieningen” in de zin van artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/29 (zie voor dat laatste arrest van 23 januari 2014, Nintendo e.a., C‑355/12, EU:C:2014:25, punten 24, 25 en 27). Bij gebreke van dergelijke voorzieningen kan het met name voor particulieren immers moeilijk zijn om na te gaan of die houder zich tegen de framing van zijn werken heeft willen verzetten. Een dergelijke verificatie kan nog moeilijker blijken te zijn wanneer deze rechten het voorwerp zijn van sublicenties (zie naar analogie arrest van 8 september 2016, GS Media, C‑160/15, EU:C:2016:644, punt 46).

47      Zoals de advocaat-generaal in de punten 73 en 84 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bestaat in dergelijke omstandigheden het publiek dat door de houder van het auteursrecht in aanmerking werd genomen toen hij toestemming verleende voor de mededeling van zijn werk op de website waarop dit oorspronkelijk werd gepubliceerd, enkel uit de gebruikers van die website, en niet uit de gebruikers van de website waarop het werk via framing uiteindelijk zonder toestemming van voornoemde houder werd gepubliceerd, of andere internetgebruikers (zie naar analogie arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 35).

48      Gelet op deze elementen moet worden vastgesteld dat in dergelijke omstandigheden de opneming, door middel van de techniek van framing en op de website van een derde, van een door het auteursrecht beschermd werk dat met toestemming van de houder van het auteursrecht op een andere website vrij ter beschikking van het publiek is gesteld, moet worden aangemerkt als een „beschikbaarstelling van dat werk aan een nieuw publiek”.

49      Hyperlinks, of zij nu worden gebruikt in het kader van de techniek van framing of niet, dragen inderdaad bij tot de goede werking van het internet, dat van bijzonder belang is voor de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie, alsmede tot de uitwisseling van meningen en informatie binnen dat netwerk, dat wordt gekenmerkt door de beschikbaarheid van immense hoeveelheden informatie (arrest van 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      De benadering dat de houder van een auteursrecht, zelfs wanneer hij beperkende maatregelen tegen de framing van zijn werken heeft getroffen, wordt geacht te hebben ingestemd met elke handeling bestaande in de mededeling van die werken aan het publiek door een derde en ten behoeve van alle internetgebruikers, druist echter in tegen zijn exclusieve en onuitputtelijke recht om op grond van artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/29 elke mededeling van zijn werken aan het publiek toe te staan of te verbieden.

51      Zoals de advocaat-generaal in de punten 100 en 101 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de houder van een auteursrecht niet voor het alternatief worden gesteld om hetzij het ongeoorloofd gebruik van zijn werk door een ander te gedogen, hetzij af te zien van het gebruik daarvan, eventueel door middel van een licentieovereenkomst.

52      Indien wordt aangenomen dat het opnemen, door middel van de techniek van framing, op de website van een derde van een werk dat eerder met toestemming van de houder van het auteursrecht op een andere website is meegedeeld, terwijl die houder voorzieningen tegen framing heeft getroffen of verlangd, geen beschikbaarstelling van dat werk aan een nieuw publiek vormt, zou dit erop neerkomen dat een regel van uitputting van het recht van mededeling wordt aanvaard (zie naar analogie arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punten 32 en 33).

53      Naast het feit dat die regel in strijd zou zijn met de bewoordingen van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/29, zou deze de houder de mogelijkheid ontnemen om een passende beloning te eisen voor het gebruik van zijn werk, zoals in herinnering gebracht in overweging 10 van die richtlijn, terwijl het specifieke doel van de intellectuele eigendom, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht, met name strekt tot bescherming, ten behoeve van de houders van de betrokken rechten, van de mogelijkheid om het in het verkeer brengen of het beschikbaar stellen van beschermd materiaal commercieel te exploiteren door licenties te verlenen tegen betaling van een passende vergoeding voor elk gebruik van de beschermde voorwerpen (arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Het toestaan van een dergelijke opneming, door middel van de techniek van framing, zonder dat de houder van het auteursrecht zich kan beroepen op de rechten van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zou indruisen tegen het in de overwegingen 3 en 31 van die richtlijn bedoelde juiste evenwicht dat in de digitale omgeving moet worden gewaarborgd tussen, enerzijds, het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij de door artikel 17, lid 2, van het Handvest gewaarborgde bescherming van hun intellectuele-eigendomsrechten en anderzijds de bescherming van de belangen en fundamentele rechten van gebruikers van beschermd materiaal, met name hun door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie, alsmede van het algemeen belang (zie naar analogie arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 41).

55      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de opneming, door middel van de techniek van framing, op de website van een derde van werken die door het auteursrecht worden beschermd en die met toestemming van de houder van het auteursrecht op een voor het publiek vrij toegankelijke andere website zijn geplaatst, een mededeling aan het publiek in de zin van deze bepaling vormt wanneer met die opneming de voorzieningen worden omzeild die de houder tegen framing heeft getroffen of opgelegd.

 Kosten

56      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat de opneming, door middel van de techniek van framing, op de website van een derde van werken die door het auteursrecht worden beschermd en die met toestemming van de houder van het auteursrecht op een voor het publiek vrij toegankelijke andere website zijn geplaatst, een mededeling aan het publiek in de zin van deze bepaling vormt wanneer met die opneming de voorzieningen worden omzeild die de houder tegen framing heeft getroffen of opgelegd.

Ondertekeningen



*      Procestaal: Duits.