Language of document : ECLI:EU:C:2021:193

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 10 maart 2021 (1)

Zaak C13/20

Top System SA

tegen

Belgische Staat

[verzoek van de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 91/250/EEG – Rechtsbescherming van computerprogramma’s – Artikel 5, lid 1 – Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is – Handelingen die noodzakelijk zijn om fouten te verbeteren – Artikel 6 – Decompilatie van een computerprogramma”






 Inleiding

1.        Deze zaak biedt het Hof een nieuwe gelegenheid om zich uit te spreken over de bijzonderheden van de rechtsbescherming van computerprogramma’s. Zowel in het Unierecht(2) als in het internationale recht(3) wordt weliswaar erkend dat computerprogramma’s auteursrechtelijk worden beschermd als werken van letterkunde, maar zij onderscheiden zich niettemin van deze laatste in verschillende opzichten. De specifieke aard van dergelijke programma’s als voorwerp van bescherming blijkt uit de desbetreffende beschermingsmechanismen, die in dergelijke mate verschillen van de algemene regels van het auteursrecht dat er volgens sommige auteurs in feite sprake is van een beschermingsregeling sui generis.(4)

2.        Allereerst hebben computerprogramma’s een niet alleen utilitair, maar ook zeer specifiek doel, namelijk het doen werken van computers. Een dergelijk programma bestaat immers uit een reeks instructies die zijn bedoeld om te worden uitgevoerd door een computer, zodat deze bepaalde taken kan vervullen.(5) Hieruit volgt dat computerprogramma’s, in tegenstelling tot elke andere categorie van auteursrechtelijk beschermde werken, niet bedoeld zijn om te worden gebruikt via menselijke waarneming. De eerste computerprogramma’s werden overigens als toebehoren bij het apparaat zelf beschouwd en de software heeft slechts geleidelijk zijn autonomie verworven ten opzichte van de hardware.(6)

3.        In bepaalde situaties die mogelijk relevant zijn in het kader van het auteursrecht kan het weliswaar nuttig zijn dat een mens kennisneemt van een computerprogramma, bijvoorbeeld om een concurrerend of aanvullend programma te maken, maar in beginsel is het niet de gebruiker maar de computer die „kennisneemt” van het programma en het uitvoert. Het nut voor de gebruiker ligt dus niet in het computerprogramma als dusdanig, maar in de functies die de computer via dit programma kan uitvoeren. Daardoor staan computerprogramma’s dichter bij octrooirechtelijk beschermde uitvindingen dan bij „klassieke” auteursrechtelijk beschermde werken.

4.        Uit dit eerste kenmerk van computerprogramma’s vloeit een tweede voort, namelijk de uitdrukkingswijze ervan. Aangezien computerprogramma’s bedoeld zijn om niet door een mens maar door een apparaat te worden waargenomen, moeten zij immers in een voor dit apparaat begrijpelijke vorm worden uitgedrukt. Dit uitdrukkingsmiddel is de binaire code, een „schrift” dat slechts twee tekens telt, die gewoonlijk worden voorgesteld als 0 en 1, waarbij ook deze voorstelling een afspraak voor gebruik door de mens is. De processor van de computer „leest” deze tekens als verschillende waarden van elektrische spanning.

5.        Terwijl computerprogramma’s „van de eerste generatie” vaak rechtstreeks in binaire vorm werden gecodeerd, zijn moderne programma’s veel te complex om in die vorm te worden gecreëerd of zelfs maar te worden gelezen. Daarom bestaan er programmeertalen, zogenoemde talen „op hoog niveau”, die de verschillende instructies voor de computer bevatten en die zijn gecodeerd in de vorm van uitdrukkingen die dicht bij de natuurlijke taal staan, waardoor zij waarneembaar zijn voor de mens en begrijpelijk voor wie met deze talen vertrouwd is. Een computerprogramma dat is gecreëerd in een dergelijke programmeertaal vormt de „broncode” ervan. Deze broncode wordt vervolgens „gecompileerd” met behulp van speciale compilersoftware in „objectcode” of „machinetaal”, dit wil zeggen een vorm die begrijpelijk en uitvoerbaar is voor een computer(7).

6.        In de praktijk worden computerprogramma’s echter normaal gezien alleen in objectcodevorm aan de gebruikers meegedeeld. Daardoor kunnen zij de programma’s gebruiken door ze op de computer uit te voeren, zonder dat zij echter kennis kunnen nemen van de inhoud ervan, wat ongebruikelijk is voor een auteursrechtelijk beschermd werk. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de gebruiker van een computerprogramma het recht heeft om de objectcode van dit programma om te zetten in broncode (een dergelijke bewerking wordt „decompilatie” genoemd) teneinde kennis te nemen van de inhoud ervan, staat centraal in de onderhavige zaak.

7.        Deze vraag brengt ons bij het derde kenmerk van computerprogramma’s als auteursrechtelijk beschermde werken, namelijk de verhouding tussen deze bescherming en het klassieke beginsel van het auteursrecht volgens hetwelk dit recht geen ideeën beschermt, maar alleen de uitdrukking ervan. Dit beginsel weerspiegelt de bestaansreden van het auteursrecht, namelijk dat niet alleen wordt bijgedragen aan het creëren, door het creatieve werk van auteurs te beschermen, maar ook aan de verspreiding van en de toegang tot ideeën, door monopolisering ervan te voorkomen zodat deze de bron van nieuwe creaties kunnen vormen. Het feit dat de uitdrukking van computerprogramma’s zoals zij gewoonlijk worden bekengemaakt, voor de mens niet waarneembaar is, maakt het niettemin mogelijk de ideeën te verbergen die aan deze programma’s ten grondslag liggen, waardoor aan de auteurs een bescherming wordt geboden die verder gaat dan gerechtvaardigd wordt door de doelstellingen van het auteursrecht.(8) Computerprogramma’s zijn dus de enige categorie van beschermde werken waarbij het niet mogelijk is om toegang te krijgen tot de onderliggende ideeën door middel van een eenvoudige sensorische analyse die geen handelingen inhoudt die onder het monopolie van de auteur vallen.(9)

8.        Deze inleidende uiteenzettingen leken me noodzakelijk om de onderhavige zaak in de specifieke context van de auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma’s te plaatsen. Het kernprobleem in deze zaak, namelijk het recht om een programma te decompileren, kan zich immers niet voordoen bij een andere categorie van beschermde werken, om de eenvoudige reden dat het decompilatieproces noch enig soortgelijk proces nodig is om toegang te krijgen tot de inhoud van werken die tot een andere categorie dan die van computerprogramma’s behoren.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

9.        Artikel 1 van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s(10) luidt als volgt:

„1.      Overeenkomstig deze richtlijn worden computerprogramma’s door de lidstaten auteursrechtelijk beschermd als werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst. De term ‚computerprogramma’ in de zin van deze richtlijn omvat ook het voorbereidend materiaal.

2.      De bescherming overeenkomstig deze richtlijn wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet krachtens deze richtlijn auteursrechtelijk beschermd.

3.      Een computerprogramma wordt beschermd wanneer het in die zin oorspronkelijk is, dat het een eigen schepping van de maker is. Om te bepalen of het programma voor bescherming in aanmerking komt mogen geen andere criteria worden aangelegd.”

10.      Artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn bepaalt:

„Onverminderd de artikelen 5 en 6 omvatten de exclusieve rechten van de rechthebbende in de zin van artikel 2 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan:

a)      de permanente of tijdelijke reproductie voor een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

b)      het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert”.

11.      Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalt:

„Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 4, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.”

12.      Ten slotte luidt artikel 6 van de richtlijn, met als opschrift „Decompilatie”, als volgt:

„1.      Er is geen toestemming van de rechthebbende vereist indien de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 4, onder a) en b), onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, op voorwaarde dat:

a)      deze handelingen worden verricht door de licentiehouder of door een ander die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor hun rekening door een daartoe gemachtigde persoon;

b)      de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar zijn gesteld voor de onder a) bedoelde personen;

en

c)      deze handelingen beperkt blijven tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van compatibiliteit noodzakelijk zijn.

2.      Het bepaalde in lid 1 biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie:

a)      voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt;

b)      aan derden wordt meegedeeld, tenzij dat noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma; of

c)      wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in grote lijnen gelijk programma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt.

3.      In overeenstemming met de bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, mag dit artikel niet zodanig uitgelegd worden dat de toepassing ervan ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende oplevert of het normale gebruik van het computerprogramma belemmert.”

13.      Richtlijn 91/250 is met ingang van 24 mei 2009 ingetrokken krachtens artikel 10 van richtlijn 2009/24/EG(11). De feiten van het hoofdgeding zijn echter ratione temporis onderworpen aan richtlijn 91/250. Overigens zijn de relevante bepalingen van deze richtlijn ongewijzigd gebleven.

 Belgisch recht

14.      De artikelen 4, 5 en 6 van richtlijn 91/250 zijn in wezen letterlijk omgezet in Belgisch recht, namelijk in de artikelen 5, 6 en 7 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s(12).

 Feiten, procedure en prejudiciële vragen

15.      Selor (selectiebureau van de federale overheid) is een Belgische openbare instelling die is opgenomen in de federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en verantwoordelijk is voor de selectie en oriëntering van toekomstige medewerkers van de verschillende overheidsdiensten. De Belgische Staat is partij in het hoofdgeding.

16.      Top System SA, een vennootschap naar Belgisch recht, ontwikkelt computerprogramma’s en verricht diverse informaticadiensten voor haar klanten. Zij werkt reeds verscheidene jaren met Selor samen.

17.      Top System heeft onder meer op verzoek van Selor verscheidene toepassingen ontwikkeld, waaronder „SWA” (Selor Web Access), ook bekend als „eRecruiting”. Deze toepassingen bestaan enerzijds uit componenten die „op maat” zijn ontworpen om aan de specifieke behoeften en eisen van Selor te voldoen en anderzijds uit componenten die Top System heeft ontleend aan het programma „TSF” (Top System Framework), waarvan zij de auteur is. Een van de componenten van het TSF is de „DGE” (DataGridEditor). Selor heeft een licentie om de door Top System ontwikkelde toepassingen te gebruiken.

18.      Op 6 februari 2008 hebben Selor en Top System dienstenovereenkomsten gesloten, waarvan er één de installatie en configuratie van een nieuwe ontwikkelingsomgeving betrof, alsook de integratie in en de migratie naar deze nieuwe omgeving van de bronnen van de Selortoepassingen. Tussen juni en oktober 2008 werden e-mails uitgewisseld over problemen met bepaalde toepassingen, met name eRecruiting.

19.      Dit heeft geleid tot een geding voor de rechterlijke instanties voor handelszaken te Brussel (België). In het bijzonder heeft Top System op 6 juli 2009 bij de tribunal de commerce de Bruxelles (rechtbank van koophandel Brussel, België) een vordering ingesteld tegen Selor en de Belgische Staat om in wezen te doen vaststellen dat Selor de frameworksoftware TSF had gedecompileerd. Top System heeft met name aangevoerd dat haar exclusieve rechten op het TSF zijn geschonden en heeft verzocht dat Selor en de Belgische Staat zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. De zaak is verwezen naar de tribunal de première instance de Bruxelles (rechtbank van eerste aanleg Brussel, België), die de vordering tot schadevergoeding ongegrond heeft verklaard.

20.      Top System heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Voor deze rechter erkent Selor dat het een deel van het TSF, waarvan de functies zijn geïntegreerd in de Selortoepassingen, heeft gedecompileerd om een functie die niet goed werkte te deactiveren. Selor betoogt dat het gerechtigd is deze decompilatie uit te voeren, en dit zowel contractueel (een stelling die de verwijzende rechter ongegrond verklaart) als krachtens de bepalingen tot omzetting van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250. Top System, die overigens betwist dat haar software fouten vertoont, stelt daarentegen dat decompilatie van een computerprogramma buiten het contractuele kader slechts is toegestaan op grond van artikel 6 van deze richtlijn, met het doel de compatibiliteit van onafhankelijke computerprogramma’s te verzekeren, en niet om fouten te verbeteren.

21.      In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 5, lid 1, van [richtlijn 91/250] aldus worden uitgelegd dat het de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma geheel of gedeeltelijk te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te kunnen verbeteren die de werking van het computerprogramma beïnvloeden, ook wanneer de verbetering bestaat in de deactivering van een functie die de goede werking verstoort van de toepassing waarvan dat programma deel uitmaakt?

2)      Zo ja, moet dan ook aan de voorwaarden van artikel 6 van [richtlijn 91/250] of aan andere voorwaarden worden voldaan?”

22.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 14 januari 2020 bij het Hof ingekomen. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen in het hoofdgeding en door de Europese Commissie. Gelet op de huidige omstandigheden in verband met de gezondheidscrisis heeft het Hof de terechtzitting geannuleerd. Partijen hebben schriftelijk geantwoord op de vragen van het Hof.

 Analyse

 Eerste prejudiciële vraag

23.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 een rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de twijfel van deze rechter met name betrekking heeft op het door Top System aangevoerde argument dat decompilatie van een computerprogramma alleen is toegestaan in de in artikel 6 van deze richtlijn genoemde omstandigheden(13) en bijgevolg is uitgesloten in de omstandigheden waarop artikel 5 van de richtlijn betrekking heeft. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten de prerogatieven van de houder van de auteursrechten op een computerprogramma ten aanzien van een rechtmatige verkrijger van dit programma worden onderzocht.

 Verhouding tussen de rechthebbende en de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma

24.      Allereerst worden in artikel 4 van richtlijn 91/250 de exclusieve rechten – van preventieve aard(14) – van de houder van de auteursrechten op zijn computerprogramma vastgesteld. Het eerste van deze rechten is het reproductierecht, dat bijzonder ruim wordt afgebakend aangezien het niet alleen elke vorm van – permanente of tijdelijke – reproductie omvat, maar ook de reproductiehandelingen die nodig zijn voor het gebruik van een programma. Anders dan het geval is bij andere categorieën van werken, althans die welke op een eigen drager worden verspreid, vereist het gebruik van een computerprogramma altijd dat het wordt gereproduceerd, zij het slechts tijdelijk, in het geheugen van de computer. Met betrekking tot computerprogramma’s vormen de exclusieve rechten van de rechthebbende dus een verdergaande inmenging in de privésfeer van de gebruiker dan in het geval van andere categorieën van beschermde werken, aangezien zelfs voor het loutere gebruik van het programma de facto toestemming van de rechthebbende is vereist. Richtlijn 91/250 bevat geen uitzonderingen die vergelijkbaar zijn met die van artikel 5, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG(15).

25.      Vervolgens onderwerpt richtlijn 91/250 een hele reeks handelingen met betrekking tot het veranderen van een computerprogramma, waaronder „de reproductie van het resultaat daarvan”, aan het alleenrecht van de rechthebbende. Ook in dit geval zijn de rechten van de rechthebbende bijzonder uitgebreid in vergelijking met de traditionele oplossingen van het auteursrecht, volgens welke veranderingen van een werk slechts binnen de exclusieve sfeer van de auteur kunnen komen door openbaarmaking van het resultaat van die verandering aan het publiek.

26.      Het alleenrecht van de houder van de auteursrechten op een computerprogramma betreft dus niet alleen de klassieke exploitatiehandelingen van het werk volgens het auteursrecht, maar ook het genot van dit werk in de privésfeer van de gebruiker.

27.      Ten slotte is in richtlijn 91/250 het distributierecht neergelegd, dat in casu niet aan de orde is.

28.      Deze ruime afbakening van de prerogatieven van de rechthebbende kent echter een beperking wat zijn relatie met een rechtmatige verkrijger van zijn computerprogramma betreft. Volgens de inleidende zin van artikel 4 van richtlijn 91/250 worden de exclusieve rechten immers aan de rechthebbende verleend „[o]nverminderd de artikelen 5 en 6” van deze richtlijn. Hoewel deze artikelen worden voorgesteld als uitzonderingen op de exclusieve rechten(16), vormen zij dus in feite een aan deze rechten inherente beperking. Volgens artikel 5, lid 1, van deze richtlijn is voor de in artikel 4, onder a) en b), genoemde handelingen – namelijk de reproductie of het op enige wijze veranderen van het programma – geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger van het computerprogramma noodzakelijk zijn om het te kunnen gebruiken, onder meer om fouten te verbeteren.

29.      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 maakt echter een eigen voorbehoud, namelijk dat handelingen die door de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma worden verricht in het kader van het gebruik van dit programma niet onder het alleenrecht van de rechthebbende vallen „[t]enzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is”.

30.      Het werkelijke gevolg van artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 is uiteindelijk dat de houder van de auteursrechten op een computerprogramma in zijn betrekkingen met een rechtmatige verkrijger van zijn programma de voorwaarden voor het gebruik van dit programma door die verkrijger contractueel in detail kan vastleggen. Bij gebreke van dergelijke contractuele bepalingen staat het de verkrijger evenwel vrij om handelingen te verrichten die in beginsel onder het alleenrecht van de rechthebbende vallen, mits hij het programma in kwestie gebruikt voor het beoogde doel, hetgeen het verbeteren van fouten omvat.

31.      Bovendien is het zo dat volgens de zeventiende overweging van richtlijn 91/250 „het laden of in beeld brengen, dat noodzakelijk is voor het gebruik van een rechtmatig verkregen kopie van een programma, alsmede het corrigeren van fouten, niet bij overeenkomst mag worden verboden”. Evenwel dient te worden vastgesteld dat een analyse van het normatieve deel van deze richtlijn tot de tegengestelde conclusie leidt. Niet alleen bevat deze richtlijn immers geen enkele uitdrukkelijke bepaling in de zin van de genoemde overweging, zij staat zelfs geen uitlegging in die zin toe. De enige bepaling van richtlijn 91/250 die in dit verband relevant zou kunnen zijn, namelijk artikel 5, lid 1, behandelt alle in artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn opgesomde handelingen op dezelfde wijze. Deze bepaling laat dus geen ruimte voor een uitlegging op grond waarvan bepaalde handelingen, namelijk het laden of in beeld brengen van het computerprogramma en het corrigeren van fouten, kunnen worden onttrokken aan het in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn opgenomen voorbehoud inzake specifieke contractuele bepalingen. De overwegingen van een richtlijn kunnen weliswaar een leidraad zijn bij de uitlegging van de bepalingen die met deze overwegingen overeenkomen, maar zij hebben geen normatieve waarde waardoor zij in de plaats zouden kunnen treden van niet-bestaande bepalingen of tot een uitlegging contra legem zouden kunnen leiden.

32.      Dit geldt des te meer daar artikel 9, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 91/250 uitdrukkelijk voorziet in de nietigheid van alle contractuele bepalingen die strijdig zijn met artikel 6 of met artikel 5, lid 2 of lid 3, van deze richtlijn. Dat de Uniewetgever artikel 5, lid 1, van de richtlijn aldaar niet heeft vermeld, moet dus als een bewuste keuze worden aangemerkt.

33.      Zoals de Commissie in antwoord op een vraag van het Hof dienaangaande betoogt, weerspiegelt de zeventiende overweging van richtlijn 91/250 mogelijk de bewoordingen van het oorspronkelijke voorstel voor deze richtlijn(17). Dit voorstel maakte immers, in artikel 5, lid 1 ervan, een onderscheid tussen licentieovereenkomsten die tussen partijen waren onderhandeld en zogenoemde „standaardovereenkomsten”, waarbij de contractuele vrijheid van de verkrijger van een computerprogramma beperkt was tot het al dan niet sluiten van de overeenkomst. Volgens de Commissie heeft het in de zeventiende overweging genoemde verbod alleen betrekking op deze tweede categorie overeenkomsten. Hoe dan ook wordt in de uiteindelijk goedgekeurde tekst van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 dit onderscheid niet gemaakt. Derhalve kan elke licentieovereenkomst voor het gebruik van een computerprogramma alle aspecten van dit gebruik regelen, met inbegrip van het laden en het in beeld brengen alsmede het corrigeren van fouten.

34.      Dit is niet zo irrationeel als het op het eerste gezicht lijkt. Het is natuurlijk moeilijk om zich een gebruikslicentie voor een programma voor te stellen die dit gebruik volledig zou verbieden. Het gebruik van het programma kan echter wel worden beperkt, bijvoorbeeld wat betreft het aantal computers waarop het programma mag worden geïnstalleerd en gebruikt, zodat het laden en het in beeld brengen ervan op nog meer computers, ook door dezelfde verkrijger(18), verboden zijn. Dit geldt des te meer wanneer het gaat om het corrigeren van fouten, hetgeen doorgaans niet behoort tot de handelingen die noodzakelijk zijn om een computerprogramma voor het beoogde doel te gebruiken. Het corrigeren van fouten kan daarom aan de auteursrechthebbende worden voorbehouden, zonder dat dit afbreuk doet aan de samenhang van een gebruikslicentie voor een programma.(19)

35.      Ik begrijp dus de vaststelling van het Hof in het arrest SAS Institute(20), volgens welke gelet op de zeventiende overweging van richtlijn 91/250 de voor het gebruik van een computerprogramma noodzakelijke verrichtingen waarbij dit programma wordt geladen of in beeld wordt gebracht niet bij overeenkomst mogen worden verboden, in die zin dat een gebruikslicentie die de voor dit gebruik noodzakelijke handelingen volledig verbiedt, een contradictio in terminis zou zijn.(21) Deze vaststelling mag naar mijn mening echter niet aldus worden uitgelegd dat aan die overweging een autonome normatieve waarde wordt toegekend.

36.      Wat meer in het bijzonder het corrigeren van fouten betreft, zou een uitlegging volgens welke deze mogelijkheid voor de verkrijger van een programma niet contractueel kan worden uitgesloten, een onevenwicht doen ontstaan ten nadele van de auteursrechthebbende. Dit onevenwicht zou des te groter zijn indien het Hof mijn antwoordvoorstel in deze zaak volgt en oordeelt dat aan de verkrijger de mogelijkheid dient te worden geboden het programma met het oog op een dergelijke correctie te decompileren zonder dat vooraf toestemming aan de rechthebbende wordt gevraagd. Hierdoor zou deze rechthebbende immers elke mogelijkheid worden ontnomen om zich tegen die decompilatie te verzetten.(22)

37.      Deze kwestie lijkt mij echter niet van belang in omstandigheden als die van het hoofdgeding. Uit het dossier van de zaak blijkt immers dat de overeenkomst tussen Top System en Selor geen enkele bepaling bevat die Selor verbiedt fouten in de computerprogramma’s van Top System te corrigeren, en in elk geval beroept deze onderneming zich niet op dergelijke bepalingen voor de verwijzende rechter. Selor heeft dus krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 het recht om fouten in de betrokken programma’s te verbeteren.

38.      Derhalve dient thans te worden onderzocht of deze bepaling een verkrijger van een computerprogramma toestaat dit programma te decompileren teneinde fouten erin te verbeteren. Vooreerst zal ik hierbij enige verduidelijking geven over het begrip „decompilatie”.

 Begrip „decompilatie”

39.      Zoals ik reeds heb vermeld(23), moet een computerprogramma dat door de programmeur is geschreven in een voor de mens begrijpelijke programmeertaal, vervolgens worden omgezet in een vorm die voor de computer begrijpelijk is, namelijk machinetaal. Deze bewerking wordt uitgevoerd met behulp van een speciaal programma, de compiler, en wordt „compilatie” genoemd. De versie van het programma in de programmeertaal wordt „broncode” genoemd, en de versie in de machinetaal „objectcode”. Het betreft geen eenvoudige transcriptie van het programma in binaire code, maar een „vertaling” van de op functionele en abstracte wijze in de broncode geformuleerde instructies in concrete instructies voor de componenten van een computerprocessor met een bepaalde architectuur. Bepaalde programma’s die zijn geschreven in een programmeertaal die dichter bij de machinetaal staat (zogenoemde talen „op laag niveau”) worden niet gecompileerd, maar geassembleerd. Dit proces is vergelijkbaar met dat van compilatie en aangezien richtlijn 91/250 geen onderscheid maakt tussen deze twee processen, moet worden aangenomen dat gecompileerde en geassembleerde programma’s uit juridisch oogpunt op dezelfde wijze moeten worden behandeld.

40.      Computerprogramma’s worden normaliter alleen in de vorm van objectcode gedistribueerd. Objectcode is echter niet begrijpelijk voor de mens. Indien de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma kennis wil nemen van de inhoud van het programma om er wijzigingen in aan te brengen, met name om fouten te verbeteren, dient hij derhalve de objectcode waarover hij beschikt, om te zetten in een programmavorm die voor hem begrijpelijk is, en die dus is uitgedrukt in een programmeertaal. Deze verrichting, die „decompilatie” wordt genoemd, bestaat in het reproduceren, uit de in de objectcode geschreven instructies voor de processor, van de functionele instructies van het programma. Decompilatie is dus een soort van reverse engineering, dit wil zeggen een verrichting – toegepast op computerprogramma’s – waarbij vertrekkend van het afgewerkte product de opbouw van een complexe tool wordt achterhaald.

41.      Decompilatie maakt het echter niet mogelijk de oorspronkelijke broncode van het betrokken computerprogramma te reproduceren. Tijdens het compilatieproces gaat bepaalde informatie die is vervat in de broncode maar die niet essentieel is voor de werking van de computerprocessor namelijk verloren, en die informatie kan niet worden gereconstrueerd tijdens het decompilatieproces. Bovendien kan dezelfde broncode na compilatie verschillende resultaten opleveren naargelang de instellingen van de compiler. Het resultaat van de decompilatie vormt dus een derde versie van het programma, die vaak „quasibroncode” wordt genoemd. Hoe dan ook kan een aldus gedecompileerd programma wel opnieuw worden gecompileerd tot een functionerende objectcode.

 Decompilatie als element van het alleenrecht van de auteur

42.      Op de vraag of decompilatie van een computerprogramma valt onder de exclusieve rechten van de auteur zoals die zijn vastgesteld in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250, hebben de belanghebbenden die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, unaniem bevestigend geantwoord. De Commissie heeft in dit verband een gedetailleerd antwoord ingediend. Zij is in wezen van mening dat decompilatie als zodanig niet rechtstreeks onder deze bepalingen valt, maar dat een aantal handelingen die samen het decompilatieproces vormen, zoals het reproduceren en het veranderen van het computerprogramma, duidelijk onder het alleenrecht van de auteur vallen.

43.      Ik ben het daarmee eens.

44.      Volgens artikel 1, lid 2, eerste volzin, van richtlijn 91/250 wordt immers overeenkomstig deze richtlijn bescherming verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vormen de broncode en de objectcode twee uitdrukkingswijzen van eenzelfde computerprogramma en zijn zij beide beschermd.(24) Voor de overgang van de ene vorm naar de andere dient het programma dus gereproduceerd en omgezet te worden.

45.      Decompilatie bestaat erin dat het programma in de vorm van (beschermde) objectcode wordt omgezet in „quasibroncode”. Laatstgenoemde code is een reproductie van het programma dat het resultaat is van de omzetting ervan, waarbij deze omzetting bestaat in de vertaling van de machinetaal in een programmeertaal. Een dergelijke reproductie valt krachtens artikel 4, onder b), van richtlijn 91/250 uitdrukkelijk onder de exclusieve rechten van de auteur van het programma.

46.      Dit wordt overigens bevestigd door de negentiende overweging van deze richtlijn, volgens welke „de ongeoorloofde reproductie, vertaling, bewerking en omzetting van de codevorm waarin een kopie van een computerprogramma ter beschikking wordt gesteld, een inbreuk vormt op de exclusieve rechten van de auteur”.

47.      Een ultieme bevestiging dat decompilatie binnen de werkingssfeer van artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 valt, kan ten slotte worden gevonden in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn. Artikel 6 van de richtlijn, met als opschrift „Decompilatie”, verwijst immers naar „de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 4, onder a) en b),”(25) van de richtlijn. Er wordt dus indirect een definitie gegeven van het begrip „decompilatie” in de zin van richtlijn 91/250, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar de in artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn opgesomde exclusieve rechten van de auteur van een computerprogramma.

48.      Derhalve moet worden geconcludeerd dat decompilatie van een computerprogramma valt onder de in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 bedoelde exclusieve rechten van de auteur van een dergelijk programma.

 Opneming van decompilatie in de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250

49.      De in het vorige punt van deze conclusie gedane vaststelling impliceert dat de vraag of decompilatie onder de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 vastgestelde uitzondering (of, beter gezegd, beperking) valt, bevestigend moet worden beantwoord. Ik ben het op dit punt eens met de Commissie.

50.      Volgens deze bepaling heeft de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma immers het recht alle in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 genoemde handelingen te verrichten wanneer deze handelingen noodzakelijk zijn om dit programma te kunnen gebruiken, onder meer om fouten te verbeteren. Indien decompilatie of de samenstellende handelingen daarvan, zoals het reproduceren en omzetten van de code, binnen het krachtens artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn beschermde gebied vallen, moeten deze handelingen dus logischerwijs ook binnen de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, van die richtlijn vallen.

51.      De door Top System voorgestelde uitlegging van deze bepalingen, volgens welke decompilatie krachtens artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 onder het alleenrecht van de auteur valt, maar uitgesloten is van de in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn neergelegde vrijstelling, kan niet worden aanvaard. Uit de opbouw en de bewoordingen van deze bepalingen blijkt duidelijk dat deze twee uitleggingen niet verenigbaar zijn.

 Belang van artikel 6 van richtlijn 91/250

52.      Top System stelt echter dat artikel 6 van richtlijn 91/250 een andere uitlegging van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn noodzakelijk maakt dan die welke ik hierboven heb voorgesteld. Volgens deze onderneming vormt artikel 6 van de richtlijn immers een soort lex specialis en is het de enige bepaling betreffende decompilatie. Door het feit dat deze bepaling een lex specialis is, zou decompilatie uitgesloten zijn van de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250. Aangezien artikel 6 van deze richtlijn decompilatie alleen toestaat teneinde de compatibiliteit van onafhankelijk gecreëerde computerprogramma’s tot stand te brengen, zou decompilatie die zonder toestemming van de auteursrechthebbende wordt verricht met het doel fouten in een computerprogramma te verbeteren, verboden zijn.

53.      Dit betoog kan evenwel niet slagen.

54.      Zoals ik reeds heb aangegeven, bevat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 immers geen opsomming van de verschillende handelingen waarop deze bepaling betrekking heeft. Deze bepaling beperkt zich ertoe te verwijzen naar artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn, door de in dit artikel 4, onder a) en b), „genoemde handelingen” vrij te stellen van de verplichting om toestemming te verkrijgen van de auteursrechthebbende wanneer deze handelingen noodzakelijk zijn om een computerprogramma te kunnen gebruiken. Bovendien bevat de bepaling geen enkel voorbehoud met betrekking tot artikel 6 van de richtlijn.

55.      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/250 heeft daarentegen betrekking op twee specifieke categorieën van handelingen die binnen de werkingssfeer van artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn vallen, namelijk „de reproductie van de code” en „de vertaling van de codevorm”, wanneer deze handelingen onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, wat een ander doel is dan dat van artikel 5, lid 1, van de richtlijn.

56.      Niets wijst er dus op dat artikel 6 van richtlijn 91/250 een lex specialis is ten opzichte van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn. Deze twee bepalingen hebben een verschillend toepassingsgebied, daar zij betrekking hebben op twee verschillende situaties. Artikel 5, lid 1, betreft handelingen die noodzakelijk zijn om een computerprogramma te kunnen gebruiken, onder meer om fouten te verbeteren, terwijl artikel 6 betrekking heeft op handelingen die nodig zijn om de compatibiliteit van onafhankelijk gecreëerde programma’s tot stand te brengen. Deze twee bepalingen zijn dus onafhankelijk van elkaar en bevinden zich geenszins in een onderlinge verhouding van lex specialis versus lex generalis.

57.      Het argument van Top System dat artikel 6 van richtlijn 91/250 de enige bepaling is die decompilatie van een computerprogramma toestaat, moet dus van de hand worden gewezen.

 Belang van de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 91/250

58.      De conclusie dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 betrekking heeft op de decompilatie van een computerprogramma met het doel fouten te verbeteren, wordt, anders dan Top System stelt, niet ontkracht door wat kan worden geleerd uit de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn.

59.      Ik ben het dus niet eens met de argumenten van Top System, die zij met name in haar antwoord op de vragen van het Hof heeft ontwikkeld en volgens welke uit de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 91/250 blijkt dat decompilatie van een beschermd computerprogramma slechts mogelijk is in de omstandigheden en voor de doeleinden die zijn vastgesteld in artikel 6 van deze richtlijn. Uit de door Top System aangehaalde documenten blijkt immers dat het vanaf het begin van de voorbereidende werkzaamheden duidelijk was dat de in artikel 4, onder a) en b), van de richtlijn vastgestelde exclusieve rechten van de auteur de decompilatie van het beschermde programma omvatten. Aangezien artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 de rechtmatige verkrijger toestaat om alle in artikel 4, onder a) en b), van deze richtlijn genoemde handelingen te verrichten wanneer deze noodzakelijk zijn om het programma te kunnen gebruiken, onder meer om fouten te verbeteren, heeft die bepaling noodzakelijkerwijs ook betrekking op decompilatie. De hele discussie tijdens het wetgevingsproces voor richtlijn 91/250, die ertoe heeft geleid dat aan het oorspronkelijke voorstel van de Commissie het huidige artikel 6 van deze richtlijn is toegevoegd, had betrekking op decompilatie die wordt uitgevoerd buiten het normale gebruik van een computerprogramma en dus buiten het kader van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn. Het betrof namelijk decompilatie teneinde de compatibiliteit van door onafhankelijke auteurs gecreëerde programma’s tot stand te brengen.

60.      Het is dus onjuist om – zoals Top System doet – te stellen dat decompilatie definitief is uitgesloten uit de werkingssfeer van artikel 5 van richtlijn 91/250. Opdat decompilatie buiten de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn zou vallen, moet zij immers ook buiten die van artikel 4, onder a) en b), van de richtlijn vallen, waardoor deze handeling volledig aan de exclusieve rechten van de auteursrechthebbende zou worden onttrokken, bij gebreke van enige andere bepaling die hem tegen decompilatie kan beschermen. Een dergelijke conclusie zou echter absurd zijn.

61.      Uit de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 91/250 blijkt immers alleen dat is afgestapt van het oorspronkelijke idee om de uitzondering voor decompilatie met het oog op het tot stand brengen van compatibiliteit op te nemen in een specifiek lid (verschillend van lid 1) van artikel 5 van deze richtlijn, en dat in de plaats een nieuw, uitgebreider artikel is opgesteld dat aan deze uitzondering is gewijd. Dit doet echter niets af aan de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

62.      Het is juist dat de Raad de reikwijdte van deze nieuwe uitzondering sterk heeft beperkt. Met name is afgestapt van het aanvankelijk door de Commissie voorgestelde idee om decompilatie toe te staan wanneer dat wordt uitgevoerd in het kader van het onderhoud van een nieuw gecreëerd programma dat compatibel is met het gedecompileerde programma. Dit kan naar mijn mening worden verklaard door het feit dat krachtens artikel 9, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 91/250 niet bij overeenkomst van deze uitzondering kan worden afgeweken, anders dan het geval is voor artikel 5, lid 1. Het doel was dus om de auteursrechthebbenden te beschermen tegen misbruik. Dit neemt niet weg dat de decompilatie in dat geval wordt uitgevoerd voor doeleinden die buiten het normale gebruik van het programma vallen.(26)

63.      Ik ben het dan ook eens met de Commissie dat uit de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 91/250 geen andere conclusies kunnen worden getrokken dan die welke voortvloeien uit de letterlijke en systematische uitlegging van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

 Voorstel voor een antwoord

64.      Ik stel derhalve voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat het een rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden.

 Tweede prejudiciële vraag

65.      Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, in het geval dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat het een rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te verbeteren, deze decompilatie moet voldoen aan de in artikel 6 van deze richtlijn gestelde vereisten of aan andere vereisten.

 Toepasselijkheid van de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van richtlijn 91/250

66.      Artikel 6 van richtlijn 91/250 voert een uitzondering op de exclusieve rechten van de houder van de auteursrechten op een computerprogramma in waardoor decompileren van dit programma wordt toegestaan wanneer dat noodzakelijk is om de compatibiliteit van een ander, onafhankelijk gecreëerd, programma met eerstgenoemd programma tot stand te brengen. Deze uitzondering gaat gepaard met een aantal voorwaarden en verboden, die in dezelfde bepaling worden opgesomd.

67.      Volgens mijn analyse(27) is artikel 6 van richtlijn 91/250 autonoom ten opzichte van artikel 5 van deze richtlijn, en met name ten opzichte van lid 1 van laatstgenoemd artikel. De uitzondering waarin artikel 6 van deze richtlijn voorziet, heeft een ander toepassingsgebied en andere doelstellingen dan de uitzondering van artikel 5, lid 1, van de richtlijn en stelt de toegestane handelingen ook op een andere wijze vast.

68.      De in artikel 6 van richtlijn 91/250 gestelde vereisten kunnen dus noch rechtstreeks, noch mutatis mutandis worden toegepast op de uitzondering van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

69.      Dit betekent echter niet dat de toepassing van deze laatste uitzondering aan geen enkel vereiste hoeft te voldoen.

 Andere toepasselijke vereisten

70.      Gelet op de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 zijn bepaalde voorwaarden en beperkingen immers inherent aan de door deze bepaling ingevoerde uitzondering op de exclusieve rechten.(28)

71.      Allereerst komt deze uitzondering alleen ten goede aan de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma. Dit punt blijkt in het hoofdgeding geen problemen op te leveren en daarom hoeft er niet verder op te worden ingegaan.

72.      Vervolgens moeten de verrichte handelingen, in casu de handelingen die samen de decompilatie van een computerprogramma vormen(29), noodzakelijk zijn om dit programma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, meer bepaald om fouten te verbeteren. In verband met deze voorwaarde is het volgende op te merken.

73.      Ten eerste moet het begrip „fout” worden gedefinieerd. Het bestaan zelf van een fout in een computerprogramma kan immers een twistpunt zijn tussen de auteur en de gebruiker van dit programma.(30) Wat uit het oogpunt van de gebruiker van het programma een fout kan zijn, kan uit het oogpunt van de auteur ervan een gewenste functie of eigenschap zijn. Ook al bevat richtlijn 91/250 geen definitie van dit begrip, een dergelijke definitie kan evenwel worden afgeleid uit de bewoordingen en de doelstelling van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

74.      Volgens de bewoordingen van deze bepaling moeten de door de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma verrichte handelingen hem in staat stellen „om [dit programma] te [...] gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren”. Het verbeteren van fouten valt dus onder een gebruik van het programma voor het beoogde doel.

75.      Het doel van het computerprogramma wordt door de auteur ervan vastgesteld of, in voorkomend geval, overeengekomen tussen de leverancier en de verkrijger van het programma bij de aankoop ervan. Een fout is dus een tekortkoming die verhindert dat het programma voor dat doel kan worden gebruikt. Alleen de correctie van dergelijke fouten kan als rechtvaardiging dienen voor handelingen van de gebruiker, waaronder decompilatie, die worden verricht zonder toestemming van de auteursrechthebbende.

76.      Daarentegen vormt een wijziging of verbetering van het programma ten opzichte van het oorspronkelijke doel ervan geenszins een correctie van fouten die dergelijke handelingen rechtvaardigt. Het betreft met name het bijwerken van het programma in het licht van de technologische vooruitgang. Met andere woorden, de technische veroudering van een computerprogramma vormt geen fout in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250.

77.      Aangezien computerprogramma’s niet alleen een categorie van utilitaire werken vormen, maar bovendien behoren tot een sector die een bijzonder snelle technologische ontwikkeling kent, is het immers normaal dat zij mettertijd verouderd raken. Het verhelpen van deze veroudering door de computerprogramma’s bij te werken, en zelfs door ze te vervangen door nieuwe programma’s, maakt deel uit van de normale exploitatie van deze programma’s als auteursrechtelijk beschermde werken en behoort derhalve tot de prerogatieven van de auteursrechthebbenden.

78.      Ten tweede moet de tussenkomst van de gebruiker van het computerprogramma noodzakelijk zijn uit het oogpunt van het beoogde doel. In casu rijst de vraag of en in hoeverre decompilatie van een computerprogramma noodzakelijk is om fouten in dat programma te verbeteren.

79.      Er zijn zeker fouten die – hetzij „manueel” door de gebruiker, hetzij met behulp van speciale software – kunnen worden verbeterd zonder dat toegang moet worden verkregen tot de broncode van het programma. De partijen die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, lijken het er echter over eens te zijn dat, teneinde fouten te verbeteren, meestal wijzigingen moeten worden aangebracht in de programmacode zelf. Aangezien de objectcode onbegrijpelijk is voor de mens, vereist een dergelijk correctie dat toegang wordt verkregen tot de oorspronkelijke broncode of dat de objectcode wordt vertaald in broncode (de zogenoemde „quasibroncode”(31)). Derhalve rijst de volgende vraag: in welke omstandigheden rechtvaardigt deze behoefte de decompilatie van het programma door de rechtmatige verkrijger ervan?

80.      Top System voert aan dat dergelijke gevallen zeer zeldzaam en uitzonderlijk zijn. Volgens deze onderneming is het in de meeste gevallen zo dat ofwel de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma reeds over de broncode beschikt, ofwel de auteursrechthebbende hem daartoe toegang kan verlenen, ofwel de rechthebbende krachtens een onderhoudsovereenkomst de fouten dient te verbeteren.

81.      Ik laat de hypothese buiten beschouwing dat de rechtmatige verkrijger over de niet-gecompileerde of reeds gedecompileerde versie van het programma beschikt en dus toegang heeft tot de broncode. Het is duidelijk dat in een dergelijke situatie decompilatie niet nodig is. Problematischer zijn de verhouding tussen deze verkrijger en de houder van de auteursrechten op het computerprogramma en hun wederzijdse verplichtingen. Het gaat hierbij evenwel niet om de noodzaak tot decompilatie van het programma om fouten te verbeteren, maar om de voorwaarde voor toepassing van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250, namelijk het ontbreken van contractuele bepalingen die zich daartegen verzetten.

82.      Ter herinnering: artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 is van toepassing „[t]enzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is”. Met andere woorden, de koopovereenkomst voor het programma kan het gebruik van het programma, met inbegrip van de correctie van fouten, regelen door de mogelijkheid voor de verkrijger te beperken om met het oog op deze correctie handelingen te verrichten die onder het alleenrecht van de rechthebbende vallen. Deze beperking kan in het uiterste geval een absoluut verbod inhouden op de correctie van fouten door de verkrijger.(32) In dat geval is de uitzondering waarin deze bepaling voorziet niet van toepassing en worden de handelingen van de verkrijger beperkt tot die welke krachtens de overeenkomst zijn toegestaan.

83.      Indien de overeenkomst tussen de partijen geen dergelijke beperking bevat, staat het daarentegen mijns inziens de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma vrij de in artikel 4, onder a) en b), van richtlijn 91/250 genoemde handelingen te verrichten – waaronder het decompileren van het programma – wanneer dit noodzakelijk blijkt, met name om fouten te verbeteren. Deze verkrijger heeft geen andere verplichtingen jegens de houder van de auteursrechten op het programma. Hij hoeft de rechthebbende dus niet te vragen om de fouten te verbeteren, noch hoeft hij toegang te vragen tot de broncode van het programma of zich tot een rechterlijke instantie te wenden opdat deze de rechthebbende gelast een bepaalde handeling te verrichten. Ook al blijken dergelijke verplichtingen niet uit artikel 5, lid 1, van de genoemde richtlijn, mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat decompilatie een moeizaam en duur proces is met een onzekere uitkomst. In de praktijk zullen gebruikers daarom pas in laatste instantie hun toevlucht nemen tot deze techniek.(33)

84.      Het staat uiteraard aan de bevoegde rechter om in het kader van een geding de precieze inhoud van de contractuele rechten en verplichtingen van de partijen bij de koopovereenkomst voor een computerprogramma vast te stellen.

85.      Ook al hoeft voor het verbeteren van een fout dikwijls slechts een uiterst klein fragment van de programmacode van een computer te worden gewijzigd, om dit fragment te vinden kan het nodig zijn een aanzienlijk deel van het programma of zelfs het programma in zijn geheel te decompileren. Een dergelijke decompilatie kan dus niet worden geacht niet noodzakelijk te zijn voor het verbeteren van de fout, aangezien daardoor de correctie onmogelijk zou worden gemaakt en het nuttig effect zou worden ontnomen aan de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250. De rechtmatige verkrijger van het computerprogramma is dus krachtens deze bepaling gerechtigd het programma te decompileren voor zover dit noodzakelijk is om niet alleen een fout stricto sensu te verbeteren, maar ook deze fout en het te wijzigen deel van het programma op te sporen.

86.      Ten slotte moet worden vastgesteld dat in artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 nergens wordt verwezen naar beperkingen op het gebruik van de informatie die wordt verkregen ten gevolge van de decompilatie van een computerprogramma, zoals die welke zijn opgenomen in artikel 6, lid 2, van diezelfde richtlijn. Dit betekent echter niet dat het de rechtmatige verkrijger van een computerprogramma die dit programma heeft gedecompileerd om fouten erin te verbeteren, vrij staat om het resultaat van deze decompilatie vervolgens voor andere doeleinden te gebruiken.

87.      Overeenkomstig artikel 4, onder b), van richtlijn 91/250 valt onder het alleenrecht van de auteur immers niet alleen „het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma”, maar eveneens „de reproductie van het resultaat daarvan”, te weten, in het geval van decompilatie, de broncode die het resultaat is van deze decompilatie. Voor elke reproductie van deze broncode voor andere doeleinden dan het verbeteren van fouten is dus de toestemming van de auteursrechthebbende vereist. Voorts verbiedt artikel 4, onder c), van deze richtlijn de distributie onder het publiek van een kopie van een computerprogramma zonder dat de houder van de auteursrechten op dit programma daartoe zijn toestemming heeft gegeven. Dit verbod geldt eveneens voor kopieën van de broncode die het resultaat is van de decompilatie.

88.      Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/250 wordt daarentegen geen bescherming verleend aan informatie die niet het programma zelf, dat wil zeggen een uitdrukkingswijze ervan, vormt.(34)

89.      Ik stel daarom voor om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 aldus moet worden uitgelegd dat de decompilatie van een computerprogramma die overeenkomstig deze bepaling door een rechtmatige verkrijger wordt verricht om fouten in dit programma te verbeteren, niet onderworpen is aan de in artikel 6 van deze richtlijn neergelegde vereisten. Een dergelijke decompilatie mag echter slechts worden verricht voor zover dit noodzakelijk is voor deze correctie en binnen de grenzen van de contractuele verplichtingen van de verkrijger.

 Conclusie

90.      In het licht van het voorgaande stel ik het Hof voor om de prejudiciële vragen van de cour d’appel de Bruxelles te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s moet aldus worden uitgelegd dat het een rechtmatige verkrijger van een computerprogramma toestaat om dit programma te decompileren wanneer dat noodzakelijk is om fouten te verbeteren die de werking ervan beïnvloeden.

2)      Artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 moet aldus worden uitgelegd dat de decompilatie van een computerprogramma die overeenkomstig deze bepaling door een rechtmatige verkrijger wordt verricht om fouten in dit programma te verbeteren, niet onderworpen is aan de in artikel 6 van deze richtlijn neergelegde vereisten. Een dergelijke decompilatie mag echter slechts worden verricht voor zover dit noodzakelijk is voor deze correctie en binnen de grenzen van de contractuele verplichtingen van de verkrijger.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Zie punt 9 van deze conclusie.


3      Zie artikel 4 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, dat is goedgekeurd te Genève op 20 december 1996.


4      Zie onder meer Markiewicz, R., Ilustrowane prawo autorskie, Wolters Kluwer, Warschau, 2018, blz. 463. Andere auteurs merken computerprogramma’s aan als „geschreven werken zoals bij wet bepaald”; zie Vivant, M., en Bruguière, J.‑M., Droit d’auteur et droits voisins, Dalloz, Parijs, 2015, blz. 183.


5      Zie Janssens, M.‑C., „The Software Directive”, in Stamatoudi, I., en Torremans, P., EU Copyright Law. A Commentary, Edward Elgar Publishing Limited, Cheltenham, 2014, blz. 89‑148, en met name blz. 93.


6      Bing, J., „Copyright protection of computer programs”, in Derclaye, E. (red.), Research Handbook on the Future of EU Copyright, Edward Elgar Publishing Limited, Cheltenham, 2009, blz. 401‑426, en met name blz. 401.


7      Of, nauwkeuriger gezegd, voor een processor met een bepaalde architectuur, aangezien de objectcode-instructies specifiek zijn voor elk type processor en niet kunnen worden uitgevoerd door een ander type.


8      Zie met name Karjala, D. S., „Copyright Protection of Computer Documents, Reverse Engineering and Professor Miller”, University of Dayton Law Review, 1994, deel 19, blz. 975‑1020.


9      Shemtov, N., Beyond the Code. Protection of Non-Textual Features of Software, Oxford University Press, Oxford, 2017, blz. 28. Voor een uitvoeriger bespreking van de tweedeling idee/uitdrukking in het auteursrecht en de toepassing ervan op computerprogramma’s, zie in het bijzonder blz. 102‑127 van dit werk.


10      PB 1991, L 122, blz. 42.


11      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 111, blz. 16).


12      Belgisch Staatsblad, 27 juli 1994, blz. 19315.


13      Namelijk om de compatibiliteit te verzekeren van een computerprogramma dat onafhankelijk van het gedecompileerde programma is gecreëerd.


14      De rechthebbende heeft het recht een aantal handelingen „te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan”.


15      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).


16      Artikel 5 van richtlijn 91/250 heeft als opschrift „Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is”.


17      Zie voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s [COM(88) 816 def.], ingediend door de Commissie op 5 januari 1989.


18      Anders dan artikel 5, lid 3, van richtlijn 91/250, verwijst artikel 5, lid 1, van deze richtlijn niet naar de gebruiker van een kopie van een programma, maar naar de verkrijger van het programma, ongeacht het aantal verkregen kopieën.


19      Voorts zijn gebruiksovereenkomsten voor computerprogramma’s onderworpen aan andere rechtsregels zoals het verbintenissenrecht, het consumentenrecht en het mededingingsrecht. Deze regels beperken de contractuele vrijheid van de partijen en beschermen de verkrijgers van computerprogramma’s tegen misbruik vanwege de houders van de auteursrechten op die programma’s.


20      Arrest van 2 mei 2012 (C‑406/10, EU:C:2012:259, punt 58).


21      Aangezien dit in strijd zou zijn met het doel zelf van een gebruiksovereenkomst voor een computerprogramma.


22      Evenwel kan niet worden uitgesloten dat de decompilatie wordt uitgevoerd voor een onrechtmatig doel dat geen verband houdt met het corrigeren van fouten.


23      Zie punt 5 van deze conclusie.


24      Arrest van 2 mei 2012, SAS Institute (C‑406/10, EU:C:2012:259, punten 37 en 38).


25      Cursivering van mij.


26      Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, staat artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 volgens mij bovendien niet toe dat een computerprogramma wordt gedecompileerd met het oog op het onderhoud van het gedecompileerde programma, behalve voor het verbeteren van fouten in strikte zin (zie de punten 75 en 76 van deze conclusie).


27      Zie met name de punten 52‑56 van deze conclusie.


28      Zie met name Janssens, M.‑C., op. cit., blz. 127.


29      Zie de punten 45‑47 van deze conclusie.


30      In het hoofdgeding ontkent Top System het bestaan van een fout in het betrokken programma, hoewel de verwijzende rechter melding maakt van een deskundigenonderzoek waarbij het bestaan van een dergelijke fout is vastgesteld.


31      Zie punt 41 van deze conclusie.


32      Een dergelijke mogelijkheid bestaat naar mijn mening, ondanks de bewoordingen van de zeventiende overweging van richtlijn 91/250 (zie de punten 31‑34 van deze conclusie).


33      Dit kenmerk van decompilatie wordt door talrijke auteurs benadrukt. Zie onder meer Bing, J., op. cit., blz. 423 en 424.


34      Ik wijs erop dat deze uitlegging naar mijn mening de houder van de auteursrechten op een computerprogramma geen geringere bescherming biedt dan die welke krachtens artikel 6, lid 2, van richtlijn 91/250 wordt geboden in geval van decompilatie die wordt uitgevoerd om de compatibiliteit van onafhankelijk gecreëerde programma’s tot stand te brengen. Gelezen in het licht van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn, kan artikel 6, lid 2, ervan immers alleen aldus worden uitgelegd dat het begrip „informatie” uitsluitend betrekking heeft op de elementen van een computerprogramma die krachtens de richtlijn worden beschermd, namelijk de uitdrukkingswijzen ervan, en niet op de „ideeën en beginselen die [aan deze elementen] ten grondslag liggen”. Voorts herinner ik eraan dat krachtens artikel 9, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 91/250 decompilatie die wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 6 van deze richtlijn niet bij overeenkomst kan worden uitgesloten, in tegenstelling tot decompilatie die wordt verricht om fouten te verbeteren.