Language of document : ECLI:EU:C:2021:279

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

15 april 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen – Verordening (EU) nr. 1151/2012 – Artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea – Artikel 53, lid 2, eerste alinea – Wijziging van een productdossier – Augurken uit het Spreewald (Duitsland), „Spreewälder Gurken (BGA)” – Niet-minimale wijzigingen – Bezwaarprocedure – Bezwaar tegen de wijzigingsaanvraag – Beroep tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd – Begrip ‚rechtmatig belang’”

In zaak C‑53/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 19 december 2019, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2020, in de procedure

Hengstenberg GmbH & Co. KG

tegen

Spreewaldverein eV,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin (rapporteur) en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Spreewaldverein eV, vertegenwoordigd door D. Terheggen, Rechtsanwalt,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Leftheriotou, A. Vasilopoulou en M. Tassopoulou als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en C. Mosser als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Drexel als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis, B. Hofstötter en I. Naglis als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hengstenberg GmbH & Co. KG tegen Spreewaldverein eV – een vereniging van alle producenten van „Spreewälder Gurken (BGA)” (augurken uit het Spreewald, Duitsland), waarvoor een beschermde geografische aanduiding is geregistreerd – betreffende een bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau; hierna: „DPMA”) ingediende aanvraag tot wijziging van het productdossier van voornoemd product.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 2081/92

3        Artikel 7, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB 1992, L 208, blz. 1) luidde:

„Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.”

 Verordening nr. 510/2006

4        Artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2006, L 93, blz. 12) bepaalde:

„Ook elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die in een derde land of in een andere lidstaat dan de lidstaat die de registratieaanvraag heeft ingediend, gevestigd of woonachtig is, kan bezwaar tegen de geplande registratie aantekenen door een met redenen omklede verklaring in te dienen.

[...]”

 Verordening nr. 1151/2012

5        De overwegingen 17 tot en met 20 en 39 van verordening nr. 1151/2012 luiden:

„(17)      Het toepassingsgebied van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen moet beperkt zijn tot producten waarvoor een intrinsiek verband bestaat tussen de kenmerken van het product of levensmiddel en de geografische oorsprong ervan. Dat in de huidige regeling enkel bepaalde soorten chocolade als suikergoedproducten zijn opgenomen, is een anomalie die moet worden rechtgezet.

(18)      Met het beschermen van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen wordt specifiek beoogd landbouwers en producenten te verzekeren van een eerlijke prijs in verhouding tot de kwaliteiten en de kenmerken van een bepaald product, of de productiewijze ervan, en duidelijke informatie te verstrekken over producten met specifieke kenmerken die samenhangen met de geografische oorsprong ervan waardoor consumenten in staat worden gesteld beter geïnformeerde aankoopkeuzen te maken.

(19)      Ervoor zorgen dat de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot in de [Europese] Unie beschermde namen in de gehele Unie op eenvormige wijze worden nageleefd, is een prioriteit die beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt.

(20)      Een Uniekader dat oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen beschermt doordat deze in een register worden opgenomen, is bevorderlijk voor de ontwikkeling van die instrumenten, aangezien de daaruit voortvloeiende uniformere aanpak eerlijke concurrentie tussen de producenten van producten met die vermeldingen garandeert en de producten voor de consument geloofwaardiger maakt. Er moet worden voorzien in de ontwikkeling van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen op het niveau van de Unie en er moet in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) of van bilaterale of multilaterale overeenkomsten worden geijverd voor het creëren van mechanismen ter bescherming van die benamingen en aanduidingen in derde landen, teneinde ertoe bij te dragen dat de kwaliteit van de producten en van hun productiemodel als waardetoevoegende factor worden erkend.

[...]

(39)      Om te voorkomen dat er oneerlijke concurrentievoorwaarden ontstaan, moeten alle producenten, met inbegrip van producenten uit derde landen, de mogelijkheid hebben een geregistreerde naam van een gegarandeerde traditionele specialiteit te gebruiken, op voorwaarde dat het product in kwestie voldoet aan de vereisten van het desbetreffende productdossier en dat de producent is onderworpen aan een controlesysteem. Bij gegarandeerde traditionele specialiteiten die binnen de Unie zijn geproduceerd, moet het Uniesymbool op het etiket worden aangebracht en moet het mogelijk zijn om het te combineren met de vermelding ‚gegarandeerde traditionele specialiteit’.”

6        Artikel 1 van deze verordening, dat als opschrift „Doelstellingen” heeft, bepaalt in lid 1:

„Deze verordening is bedoeld om producenten van landbouwproducten en levensmiddelen behulpzaam te zijn bij het aan afnemers en consumenten kenbaar maken van de productkenmerken en de teelteigenschappen van die producten en levensmiddelen en aldus het volgende te garanderen:

a)      eerlijke concurrentie voor landbouwers en producenten van landbouwproducten en levensmiddelen met waardetoevoegende kenmerken en eigenschappen;

b)      de beschikbaarheid van betrouwbare consumenteninformatie over dergelijke producten;

c)      de eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten, en

d)      de integriteit van de interne markt.

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn erop gericht met kwalitatief hoogwaardige producten geassocieerde landbouw- en verwerkingsactiviteiten en landbouwproductiesystemen te ondersteunen en aldus bij te dragen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen inzake plattelandsontwikkeling.”

7        Artikel 5, lid 2, van die verordening luidt:

„Voor de toepassing van deze verordening is ‚geografische aanduiding’ een naam die een product aanduidt:

a)      dat afkomstig is uit een bepaalde plaats, een bepaalde streek, of een bepaald land;

b)      waarvan een bepaalde kwaliteit, de faam, of een ander kenmerk hoofdzakelijk aan de geografische oorsprong ervan is toe te schrijven, en

c)      waarvan ten minste een van de productiestadia plaatsvindt in het afgebakende geografische gebied.”

8        Artikel 10, lid 1, van diezelfde verordening bepaalt:

„Een met redenen omkleed bezwaarschrift als bedoeld in artikel 51, lid 2, is enkel ontvankelijk indien het door de [Europese] Commissie binnen de in dat lid genoemde termijn wordt ontvangen en het:

a)      aantoont dat niet aan de in artikel 5 en artikel 7, lid 1, bedoelde voorwaarden wordt voldaan;

b)      aantoont dat de registratie van de voorgestelde naam strijdig zou zijn met artikel 6, lid 2, lid 3 of lid 4;

c)      aantoont dat de registratie van de voorgestelde naam schade zou toebrengen aan het bestaan van een geheel of gedeeltelijk identieke naam of van een merk, of aan het bestaan van producten die, te rekenen vanaf de in artikel 50, lid 2, onder a), genoemde datum van bekendmaking, ten minste vijf jaar legaal op de markt zijn, of

d)      elementen bevat op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de naam waarvoor registratie wordt aangevraagd, een soortnaam is.”

9        Artikel 49 van verordening nr. 1151/2012, dat als opschrift „Aanvraag tot registratie van namen” heeft, bepaalt in de leden 2 tot en met 4:

„2.      Indien een aanvraag krachtens de in titel II vastgestelde regeling betrekking heeft op een geografisch gebied in een lidstaat of indien een aanvraag krachtens de in titel III vastgestelde regeling door een in een lidstaat gevestigde groepering wordt opgesteld, wordt de aanvraag gericht tot de autoriteiten van die lidstaat.

De lidstaat onderzoekt de aanvraag op gepaste wijze om te controleren of deze gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van de desbetreffende regeling voldoet.

3.      De lidstaat voorziet als onderdeel van het in lid 2, tweede alinea, van dit artikel bedoelde onderzoek in een nationale bezwaarprocedure die een adequate openbaarmaking van de aanvraag garandeert en voorziet in een redelijke termijn waarbinnen elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die op het grondgebied van de lidstaat is gevestigd of woonachtig is, bezwaar tegen de aanvraag kan aantekenen.

De lidstaat toetst de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften die in het kader van de regeling van titel II of van titel III worden ingediend aan de hand van de in artikel 10, lid 1, respectievelijk artikel 21, lid 1, genoemde criteria.

4.      Indien de lidstaat, na de beoordeling van eventueel ontvangen bezwaarschriften, oordeelt dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan, kan hij een gunstig besluit nemen en bij de Commissie een aanvraagdossier indienen. De lidstaat stelt de Commissie in dat geval in kennis van de ontvankelijke bezwaarschriften welke in ontvangst zijn genomen van natuurlijke of rechtspersonen die de desbetreffende producten legaal op de markt hebben gebracht waarbij zij de desbetreffende benamingen gedurende minstens vijf jaar vóór de in lid 3 bedoelde datum van openbaarmaking onafgebroken hebben gebruikt.

De lidstaat zorgt ervoor dat zijn gunstige besluit openbaar wordt gemaakt en dat elke betrokken natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang de gelegenheid krijgt beroep aan te tekenen.

[...]”

10      Artikel 51 van deze verordening, dat als opschrift „Bezwaarprocedure” heeft, bepaalt in lid 1:

„Binnen drie maanden na de datum van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie kunnen de autoriteiten van een lidstaat of van een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon die een rechtmatig belang heeft en in een derde land is gevestigd, bij de Commissie een aankondiging van bezwaar indienen.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een rechtmatig belang heeft en is gevestigd of woonachtig is in een andere lidstaat dan de lidstaat vanwaar de aanvraag is ingediend, kan, binnen een termijn die de tijdige indiening van een aankondiging van bezwaar uit hoofde van de eerste alinea toelaat, een aankondiging van bezwaar indienen bij de lidstaat waarin hij is gevestigd.

[...]”

11      In artikel 53, leden 1 en 2, van die verordening staat te lezen:

„1.      Een groepering met een rechtmatig belang kan een aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van een productdossier indienen.

Aanvragen bevatten een omschrijving van en toelichting op de verzochte wijzigingen.

2.      Wanneer de wijziging één of meer niet-minimale wijzigingen van het productdossier inhoudt, volgt de wijzigingsaanvraag de procedure van de artikelen 49 tot en met 52.

[...]

Om met betrekking tot de in titel II beschreven kwaliteitsregeling als minimaal te worden beschouwd, kan een wijziging geen wijziging zijn die:

[...]

d)      van invloed is op het afgebakende geografische gebied, [...]

[...]”

 Duits recht

12      De voorwaarden waaronder personen met een „rechtmatig belang” deelnemen aan de registratieprocedure voor beschermde geografische aanduidingen en aan de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van producten met een dergelijke aanduiding, zijn in het Duitse recht neergelegd in § 130, lid 4, tweede volzin, en § 133, tweede volzin, van het Gesetz über den Schutz von Marken und sonstigen Kennzeichen (Markengesetz) (wet inzake de bescherming van merken en andere onderscheidende tekens) van 25 oktober 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 3082) (hierna: „MarkenG”), gelezen in samenhang met § 132, lid 1, van die wet.

13      Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens bepaalt § 130, lid 4, tweede volzin, MarkenG dat elke persoon met een „rechtmatig belang” die op het Duitse grondgebied is gevestigd of woonachtig is, binnen twee maanden na de bekendmaking van de aanvraag tot registratie van een beschermde geografische aanduiding bij het DPMA bezwaar kan aantekenen tegen die aanvraag.

14      Eveneens volgens de door die rechter verstrekte gegevens bepaalt § 132, lid 1, MarkenG, dat verwijst naar artikel 53, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1151/2012, dat § 130, lid 4, tweede volzin, MarkenG mutatis mutandis van toepassing is op aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van producten met een beschermde geografische aanduiding.

15      De verwijzende rechter zet voorts uiteen dat § 133, tweede volzin, juncto § 132, lid 1, MarkenG bepaalt dat wanneer het DPMA krachtens § 130, lid 5, eerste volzin, juncto § 132, lid 1, MarkenG, bij besluit vaststelt dat de aanvraag tot wijziging van het productdossier in overeenstemming is met de voorwaarden van verordening nr. 1151/2012 en met de bepalingen die ter uitvoering van deze verordening zijn vastgesteld, beroep tegen dat besluit kan worden ingesteld door eenieder die binnen de gestelde termijn bezwaar tegen die aanvraag heeft aangetekend of van wie het „rechtmatig belang” door dat besluit, ten gevolge van de overeenkomstig § 130, lid 5, vierde volzin, MarkenG bekendgemaakte wijziging, wordt geraakt.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      De benaming „Spreewälder Gurken (BGA)” is sinds 19 maart 1999 geregistreerd als beschermde geografische aanduiding voor „Groenten, fruit en granen” – in ongewijzigde staat of verwerkt – in het door de Commissie bijgehouden register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

17      Op 18 februari 2012 heeft Spreewaldverein bij het DPMA een aanvraag tot wijziging van het betrokken productdossier ingediend, die betrekking had op een wijziging van de productiemethode van die augurken, meer bepaald door het gebruik van bepaalde voedingsadditieven.

18      Na de bekendmaking van die wijzigingsaanvraag op 22 augustus 2014 heeft Hengstenberg op 16 oktober 2014 bezwaar aangetekend tegen die aanvraag.

19      Bij besluit van 10 september 2015 heeft het DPMA zich op het standpunt gesteld dat de betreffende aanvraag tot wijziging van het productdossier in overeenstemming was met verordening nr. 1151/2012.

20      Hengstenberg heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij het Bundespatentgericht (hoogste federale rechter in octrooizaken, Duitsland). Die rechter heeft dat beroep verworpen op grond dat Hengstenberg geen „rechtmatig belang” in de zin van § 133, tweede volzin, juncto § 132, lid 1, MarkenG had, en het beroep hoe dan ook ongegrond was. Het Bundespatentgericht heeft echter toestemming verleend om tegen zijn beslissing beroep over een rechtsvraag in te stellen bij de verwijzende rechter.

21      Het Bundespatentgericht was van oordeel dat een onderscheid moest worden gemaakt naargelang het bezwaar wordt aangetekend tegen een aanvraag tot registratie van een beschermde geografische aanduiding dan wel tegen een aanvraag tot wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding. In laatstgenoemde situatie hebben personen die niet gevestigd zijn in het betrokken geografische gebied en die de beschermde benaming niet mogen gebruiken, volgens die rechter niet het vereiste „rechtmatige belang”. Noch het verhandelen van producten met een beschermde geografische aanduiding, noch de algemene markt- en mededingingssituatie kan ten grondslag liggen aan een dergelijk „rechtmatig belang”.

22      Het Bundespatentgericht is tot de slotsom gekomen dat de enige personen die door een vermeende waardevermindering van een beschermde geografische aanduiding of een aantasting van de bekendheid of de faam van het product in kwestie ten gevolge van een wijziging van het betrokken productdossier kunnen worden geraakt, de in het geografische gebied van oorsprong gevestigde producenten zijn.

23      Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), waarbij het voormelde beroep tegen het arrest van het Bundespatentgericht is ingesteld, wijst erop dat krachtens de nationale wettelijke regeling ter uitvoering van verordening nr. 1151/2012 een beroep tegen een besluit waarbij wordt vastgesteld dat de aanvraag tot wijziging van het productdossier in overeenstemming is met de voorwaarden van deze verordening, kan worden ingesteld door eenieder die binnen de gestelde termijn bezwaar tegen die wijzigingsaanvraag heeft aangetekend of van wie het „rechtmatige belang” wordt geraakt door het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd.

24      De verwijzende rechter is van oordeel dat het in artikel 49, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012 vervatte begrip „rechtmatig belang”, dat eenieder dient te hebben om beroep te kunnen instellen tegen een besluit waarbij een aanvraag tot niet-minimale wijziging van een productdossier wordt ingewilligd, thans niet wordt gedefinieerd in het Unierecht.

25      Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de nationale rechterlijke instanties over de rechtmatigheid van een aanvraag tot wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding uitspraak dienen te doen op basis van dezelfde toetsingscriteria als die welke worden toegepast voor elke door dezelfde nationale autoriteit vastgestelde definitieve handeling die afbreuk kan doen aan de rechten die derden aan het Unierecht ontlenen.

26      Bijgevolg rijst de vraag of in de procedure voor een aanvraag tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding elke natuurlijke of rechtspersoon die daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het „rechtmatige belang” kan hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen een dergelijke aanvraag of beroep in te stellen tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd, aangezien een dergelijke ruime definitie kan indruisen tegen het vereiste van een „rechtmatig” belang en het onmogelijk maakt het bijbehorende recht om bezwaar en beroep in te stellen voldoende nauwkeurig af te bakenen.

27      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of het begrip „rechtmatig belang” aldus moet worden uitgelegd dat een dergelijk belang enkel toekomt aan marktdeelnemers die producten of levensmiddelen vervaardigen die vergelijkbaar zijn met die waarvoor een beschermde geografische aanduiding is geregistreerd. Voorts is die rechter van oordeel dat om de groep marktdeelnemers met een „rechtmatig belang” te kunnen bepalen, het criterium van de concrete concurrentieverhouding zou kunnen worden toegepast.

28      Anders dan het Bundespatentgericht is de verwijzende rechter van oordeel dat de omstandigheid dat een producent is gevestigd in het betrokken geografische gebied niet moet worden beschouwd als het beslissende criterium om te bepalen of een persoon een rechtmatig belang heeft bij het aantekenen van bezwaar tegen een aanvraag tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding, aangezien ook concurrerende producenten die niet in dat geografische gebied gevestigd zijn, de inachtneming van een dergelijk productdossier moeten kunnen eisen wanneer die niet-minimale wijziging het risico inhoudt dat de kwaliteit en de faam van het product – in strijd met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 – niet meer toe te schrijven is aan de geografische oorsprong van dat product.

29      Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat de bewoordingen zelf van verordening nr. 1151/2012 geen steun bieden voor de opvatting dat het begrip „rechtmatig belang” in het kader van de registratieprocedure voor een beschermde geografische aanduiding anders moet worden uitgelegd dan in het kader van de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding.

30      In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan in de procedure tot niet-minimale wijziging van het productdossier elke natuurlijke of rechtspersoon die daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het ‚rechtmatige belang’ in de zin van artikel 53, lid 2, eerste alinea, juncto artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van [verordening nr. 1151/2012] hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen die aanvraag of om beroep in te stellen tegen het met betrekking tot die aanvraag vastgestelde gunstige besluit?

2)      Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt:

Komt in de procedure tot niet-minimale wijziging van het productdossier een rechtmatig belang in de zin van artikel 53, lid 2, eerste alinea, juncto artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van [verordening nr. 1151/2012] (uitsluitend) toe aan marktdeelnemers die producten of levensmiddelen vervaardigen die vergelijkbaar zijn met die waarvoor een beschermde geografische aanduiding is geregistreerd?

3)      Indien het antwoord op de tweede vraag ontkennend luidt:

a)      Moet ten aanzien van de vereisten die aan het rechtmatige belang in de zin van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van [verordening nr. 1151/2012] worden gesteld, onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de registratieprocedure overeenkomstig artikel 49 tot en met 52 van [verordening nr. 1151/2012] en anderzijds de procedure tot wijziging van het productdossier overeenkomstig artikel 53 van [verordening nr. 1151/2012], en

b)      komt derhalve in de procedure tot niet-minimale wijziging van het productdossier een rechtmatig belang in de zin van artikel 53, lid 2, eerste alinea, juncto artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van [verordening nr. 1151/2012] uitsluitend toe aan de producenten die in het betrokken geografische gebied producten vervaardigen die in overeenstemming zijn met het productdossier, of die een dergelijke productie concreet overwegen, zodat niet in dat geografische gebied gevestigde marktdeelnemers bij voorbaat geen rechtmatig belang kunnen doen gelden?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

31      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „rechtmatig belang” in de zin van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat in de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding elke natuurlijke of rechtspersoon die door de gevraagde wijzigingen daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het „rechtmatige belang” kan hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen de ingediende wijzigingsaanvraag of om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd.

32      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding – zoals de wijzigingsaanvraag in het hoofdgeding – op grond van de verwijzing in artikel 53, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1151/2012 dezelfde procedure geldt als die welke van toepassing is op de registratie van een beschermde geografische aanduiding (zie in die zin arrest van 29 januari 2020, GAEC Jeanningros, C‑785/18, EU:C:2020:46, punt 29), zodat het begrip „rechtmatig belang” in de zin van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd, ongeacht of de ingeleide procedure een procedure voor de registratie van een beschermde geografische aanduiding is dan wel een procedure voor een aanvraag tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding.

33      Wat de uitlegging van het begrip „rechtmatig belang” in de zin van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening betreft, zij opgemerkt dat dit begrip noch in die bepalingen, noch in enige andere bepaling van die verordening wordt gedefinieerd.

34      Vast staat evenwel dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt alsook met de totstandkomingsgeschiedenis van die regeling.

35      Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012 en artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening betreft, blijkt uit deze bepalingen dat „elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang” het recht om bezwaar aan te tekenen en beroep in te stellen kan uitoefenen.

36      Het gebruik van de woorden „rechtmatig belang” geeft weliswaar geen aanwijzing over het criterium dat in aanmerking moet worden genomen om te bepalen welke kring van personen het recht kan uitoefenen om bezwaar aan te tekenen in het kader van de nationale bezwaarprocedure tegen de registratie van een beschermde geografische aanduiding of tegen aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding, maar uit de toevoeging van de woorden „elke natuurlijke of rechtspersoon” aan die bepalingen komt naar voren dat de wetgever deze kring niet in enge zin heeft willen opvatten. Uit die bewoordingen blijkt namelijk duidelijk dat dit „rechtmatige belang” niet enkel is voorbehouden aan marktdeelnemers die producten of levensmiddelen vervaardigen die vergelijkbaar zijn met producten die worden geproduceerd door marktdeelnemers wier producten een beschermde geografische aanduiding hebben, en evenmin enkel is voorbehouden aan laatstgenoemde producenten met uitsluiting van alle andere.

37      Wat in de tweede plaats de context betreft, zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1151/2012 een stelsel van bevoegdheidsverdeling invoert, in die zin dat de Commissie het besluit om een benaming als beschermde geografische aanduiding te registreren met name slechts kan vaststellen indien de betrokken lidstaat bij haar een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend, en dat een dergelijke aanvraag slechts kan worden gedaan indien die lidstaat is nagegaan of zij gerechtvaardigd was. Dat stelsel van bevoegdheidsverdeling is onder meer te verklaren door het feit dat voor de registratie van een beschermde geografische aanduiding moet worden nagegaan of een aantal voorwaarden is vervuld, hetgeen in belangrijke mate een grondige kennis vereist van gegevens die specifiek zijn voor de betrokken lidstaat en die de bevoegde autoriteiten van deze staat het best kunnen controleren (zie in die zin arrest van 29 januari 2020, GAEC Jeanningros, C‑785/18, EU:C:2020:46, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Voorts blijkt uit artikel 49, lid 3 en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012 dat het aan de lidstaat staat om de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift te toetsen aan de in artikel 10, lid 1, van deze verordening genoemde gronden. In dit verband is in artikel 10, lid 1, onder c), bepaald dat een bezwaarschrift ontvankelijk is wanneer het aantoont dat de registratie of wijziging van de voorgestelde naam schade zou toebrengen aan het bestaan van een andere naam of van een ouder merk, of aan het bestaan van producten die, te rekenen vanaf de in artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening genoemde datum, ten minste vijf jaar legaal op de markt zijn.

39      Uit het voorgaande volgt dan ook dat, aangezien het in essentie de taak is van de betrokken lidstaat om de aanvraag tot registratie of tot niet-minimale wijziging van een beschermde geografische aanduiding te controleren, het bijzonder noodzakelijk is om natuurlijke of rechtspersonen die economisch voordeel kunnen halen uit de registratie of de niet-minimale wijziging van het productdossier, dan wel hierdoor juist schade kunnen lijden, ruimschoots de mogelijkheid te bieden om tegen die registratie of wijziging bezwaar aan te tekenen, zodat hun argumenten in de nationale bezwaarprocedure kunnen worden onderzocht.

40      In de derde plaats vindt deze uitlegging steun in de doelstellingen die met verordening nr. 1151/2012 worden nagestreefd.

41      Om te beginnen blijkt uit artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in het licht van de overwegingen 17, 18 en 20 ervan, dat deze verordening tot doel heeft kwaliteitsregelingen in te voeren die ertoe bijdragen dat de kwaliteit van de producten en van hun productiemodel als waardetoevoegende factor worden erkend.

42      Daarnaast blijkt uit artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in het licht van de overwegingen 20 en 39 ervan, dat deze verordening eveneens tot doel heeft te voorkomen dat er oneerlijke concurrentievoorwaarden ontstaan.

43      Voorts moeten de bepalingen van verordening nr. 1151/2012 verhinderen dat er misbruik wordt gemaakt van de beschermde oorsprongsbenamingen en de beschermde geografische aanduidingen, en dit niet alleen in het belang van de afnemers, maar ook in het belang van de producenten die zich inspanningen hebben getroost om de kwaliteiten te waarborgen die worden verwacht van de producten die die aanduidingen rechtmatig hebben (zie naar analogie arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Tevens moet worden opgemerkt dat overweging 19 van die verordening preciseert dat de eenvormige naleving van intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot in de Unie beschermde namen in de gehele Unie, een prioriteit is die beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt. Een dergelijke doelstelling pleit ook voor een ruime uitlegging van het begrip „rechtmatig belang”. Die eenvormige naleving veronderstelt namelijk dat de controle van de voorwaarden voor de registratie van een beschermde geografische aanduiding of voor een niet-minimale wijziging van het productdossier van een product dat een dergelijke bescherming geniet, in de verschillende lidstaten op eenvormige wijze wordt verricht, hetgeen niet strookt met een enge opvatting van het begrip „rechtmatig belang”. Een dergelijke opvatting zou in strijd zijn met de mogelijkheid voor een in een bepaalde lidstaat gevestigde persoon om bij de Commissie bezwaar aan te tekenen tegen een aanvraag tot registratie of tot niet-minimale wijziging die betrekking heeft op een geografische aanduiding die tot het grondgebied van een andere lidstaat behoort.

45      Uit het voorgaande volgt dat de ruime uitlegging van het begrip „rechtmatig belang” het meest geschikt is om die doelstellingen na te streven, aangezien een dergelijke uitlegging waarborgt dat een ruime kring van personen via bezwaar of beroep de instandhouding van de hoge kwaliteit en het productiemodel van specifieke producten kan aanmoedigen en tezelfdertijd de producenten van producten met een geregistreerde benaming belet om een concurrentievoordeel te verkrijgen door na de registratie van een niet-minimale wijziging van het betrokken productdossier de kwaliteitsnormen te verlagen. Voorts is deze uitlegging het meest adequaat om de bevoegde autoriteit in staat te stellen om bij de uitvoering van haar in artikel 49, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012 bedoelde taak met kennis van zaken te bepalen of de aanvraag tot registratie of niet-minimale wijziging aan de gestelde voorwaarden voldoet en na te gaan of de kenmerken van de producten of levensmiddelen inherent zijn aan een grondgebied.

46      Ten slotte kan de aanvraag tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding, overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, onder d), van verordening nr. 1151/2012 betrekking hebben op de afbakening van het geografische gebied waarop de betrokken aanduiding betrekking heeft, zodat de uitlegging dat alleen de in dat geografische gebied gevestigde producenten een „rechtmatig belang” kunnen hebben om tegen die wijziging bezwaar aan te tekenen, de tot dan toe buiten dat geografische gebied gevestigde producenten die weigeren de voorwaarden van het betrokken productdossier na te leven het recht zou ontnemen om bezwaar aan te tekenen tegen een wijziging die een aanzienlijke invloed zou hebben op de wijze waarop hun producten worden vervaardigd.

47      In de vierde plaats vindt die uitlegging steun in de totstandkomingsgeschiedenis van verordening nr. 1151/2012.

48      In dit verband blijkt uit artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 – die is ingetrokken bij verordening nr. 510/2006, welke op haar beurt is ingetrokken bij verordening nr. 1151/2012 – dat „[i]edere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon” het recht had om in de procedure tot registratie van een beschermde geografische aanduiding bij de nationale autoriteiten bezwaar aan te tekenen, waarbij voormelde uitdrukking door het Hof aldus is uitgelegd dat zij ziet op het bestaan van een wettig economisch belang (beschikking van 26 oktober 2000, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, C‑447/98 P, EU:C:2000:586, punt 72).

49      Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 510/2006 bepaalde tevens dat „elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang” het recht had om in de registratieprocedure bij de nationale autoriteiten bezwaar aan te tekenen tegen de registratie van een beschermde geografische aanduiding.

50      Dit begrip is ook vervat in artikel 49, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1151/2012, dat bepaalt dat „[d]e lidstaat voorziet [...] in een nationale bezwaarprocedure die een adequate openbaarmaking van de aanvraag garandeert en voorziet in een redelijke termijn waarbinnen elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die op het grondgebied van de lidstaat is gevestigd of woonachtig is, bezwaar tegen de aanvraag kan aantekenen”.

51      De keuze van dat begrip weerspiegelt de wil van de Uniewetgever om een grote kring van personen in staat te stellen het recht uit te oefenen om bezwaar aan te tekenen in de nationale procedure voor het aantekenen van bezwaar tegen de registratie van een beschermde geografische aanduiding of in de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding.

52      In de vijfde en laatste plaats moet worden benadrukt dat het bestaan van het recht om bezwaar aan te tekenen tegen de registratie van een beschermde geografische aanduiding of tegen een niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een dergelijke aanduiding, per geval moet worden onderzocht aan de hand van de specifieke kenmerken van elke concrete situatie. Om misbruik van dat recht te voorkomen, moet een dergelijk onderzoek het bovendien mogelijk maken concreet na te gaan of het door een natuurlijke of rechtspersoon ingeroepen „rechtmatige belang” niet onwaarschijnlijk of hypothetisch is.

53      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat in de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding elke natuurlijke of rechtspersoon die door de gevraagde wijzigingen daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het „rechtmatige belang” kan hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen de ingediende wijzigingsaanvraag of om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd, voor zover het gevaar dat de belangen van die persoon worden geschaad niet volstrekt onwaarschijnlijk of hypothetisch is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Tweede en derde vraag

54      Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat in de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding elke natuurlijke of rechtspersoon die door de gevraagde wijzigingen daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het „rechtmatige belang” kan hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen de ingediende wijzigingsaanvraag of om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd, voor zover het gevaar dat de belangen van die persoon worden geschaad niet volstrekt onwaarschijnlijk of hypothetisch is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.