Language of document : ECLI:EU:C:2021:470

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

10 juni 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – In een vreemde valuta luidende hypothecaire leenovereenkomsten (Zwitserse frank) – Verjaring – Artikel 4, lid 2 – Eigenlijk voorwerp van de overeenkomst – Bedingen die de kredietnemer blootstellen aan een wisselkoersrisico – Vereisten van begrijpelijkheid en transparantie – Bewijslast – Artikel 3, lid 1 – Aanzienlijke verstoring van het evenwicht – Artikel 5 – Duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van een overeenkomst – Doeltreffendheidsbeginsel”

In de gevoegde zaken C‑776/19 tot en met C‑782/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissingen van 1 en 2 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2019, in de procedures

VB,

WA (C‑776/19),

XZ,

YY (C‑777/19),

ZX (C‑778/19),

DY,

EX (C‑781/19)

tegen

BNP Paribas Personal Finance SA,

en

AV (C‑779/19),

BW,

CX (C‑780/19),

FA (C‑782/19)

tegen

BNP Paribas Personal Finance SA,

Procureur de la République,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: V. Giacobbo, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 oktober 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        VB, WA, DY en EX, vertegenwoordigd door C. Constantin-Vallet, avocat,

–        XZ, YY, ZX, AV, BW, CX en FA, vertegenwoordigd door A.‑V. Benoit, C. Fabre en S. Szames, avocats,

–        BNP Paribas Personal Finance SA, vertegenwoordigd door P. Metais en P. Spinosi, avocats,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, E. de Moustier en E. Toutain als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Valero, N. Ruiz García en M. Van Hoof als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaken zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen waarvan het eerste wordt gevoerd tussen enerzijds VB, WA, XZ, YY, ZX, DY en EX en anderzijds BNP Paribas Personal Finance SA, en het tweede tussen enerzijds AV, BW, CX en FA en anderzijds BNP Paribas Personal Finance en de Procureur de la République (openbaar aanklager, Frankrijk), over het vermeend oneerlijke karakter van bedingen in hypothecaire leenovereenkomsten die zijn opgesteld in vreemde valuta en waarin in het bijzonder is bepaald dat de Zwitserse frank de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de zestiende en de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen:

„Overwegende dat de beoordeling, aan de hand van de vastgestelde algemene criteria, van het oneerlijke karakter van bedingen, met name met betrekking tot beroepsactiviteiten met een openbaar karakter betreffende collectieve diensten waarbij een solidariteit tussen de gebruikers wordt vooropgesteld, moet worden aangevuld met een middel voor de afweging van de onderscheidene belangen die in het geding zijn; dat dit de goede trouw is; dat er bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder moet worden gelet op de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen en of de goederen of diensten op speciale bestelling van de consument zijn verkocht of geleverd; dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen;

[...]

Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4        Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2.      Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.

[...]”

5        Artikel 4 van deze richtlijn luidt:

„1.      Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.      De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

6        In artikel 5 van die richtlijn is bepaald:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. [...]”

7        Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 is verwoord als volgt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

8        Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

 Frans recht

9        Artikel 2224 van de code civil (burgerlijk wetboek) luidt:

„Persoonlijke of zakelijke rechtsvorderingen verjaren vijf jaar na de dag waarop de rechthebbende de feiten die hem zijn recht hadden kunnen doen uitoefenen, kende of had behoren te kennen.”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

10      In 2008 en 2009 hebben VB, WA, XZ, YY, ZX, DY, EX, AV, BW, CX en FA (hierna: „verzoekers in de hoofdgedingen”) elk bij BNP Paribas Personal Finance een hypothecaire leenovereenkomst gesloten die in een vreemde valuta was opgesteld en „Helvet Immo” werd genoemd. Deze hoofdzakelijk via tussenpersonen verkochte overeenkomsten zijn gesloten met het oog op de aankoop van onroerende zaken of aandelen in vastgoedvennootschappen voor bedragen die variëren tussen 48 000 en 426 000 Zwitserse frank (CHF) – dit wil zeggen tussen circa 44 000 en 389 000 EUR –, en met looptijden van tussen 22 en 25 jaar.

11      Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat deze overeenkomsten contractuele bedingen bevatten volgens welke:

–        de betrokken kredieten waren gefinancierd via leningen die waren afgesloten in Zwitserse franken en deze kredieten zowel in Zwitserse franken (rekenmunt) als in euro’s (betaalmunt) werden beheerd;

–        wat de wisseltransacties betreft, de betalingen uit hoofde van deze leningen alleen in euro’s konden worden verricht voor een aflossing in Zwitserse franken;

–        de te verrichten wisseltransacties waren opgesomd in de leenovereenkomsten van het hoofdgeding en de kredietgever bij verzuim van de kredietnemer de Zwitserse frank eenzijdig kon vervangen door de euro;

–        aangezien de aflossing afhankelijk was van de ontwikkeling van de wisselkoers euro/Zwitserse frank, deze minder snel zou verlopen indien de wisseltransactie resulteerde in een lager bedrag dan de termijnaflossing in Zwitserse franken, en het eventuele niet-afgeloste deel van het kapitaal in het debetsaldo zou worden opgenomen. In het tegenovergestelde geval zou de aflossing van de lening sneller verlopen;

–        de betalingen zouden worden verhoogd indien bij handhaving van het bedrag van die betalingen in euro’s het totale saldo niet binnen de aanvankelijke looptijd van de lening plus vijf jaar met de termijnbetalingen kon worden afgelost. Indien aan het einde van het vijfde verlengingsjaar een debetsaldo resteerde, zouden de betalingen tot de volledige vereffening worden voortgezet.

–        de aanvankelijk overeengekomen vaste rentevoet om de vijf jaar kon worden herzien volgens een vooraf vastgestelde formule en de kredietnemer bij die gelegenheid ervoor kon opteren over te schakelen op de euro als rekenmunt, waarbij hij ofwel een nieuwe, hogere vaste rentevoet ofwel een variabele rentevoet kon kiezen.

12      Voor verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C‑776/19, C‑778/19, C‑779/19 en C‑780/19 waren bij de offerte voor de lening twee becijferde simulaties gevoegd, die de invloed van wisselkoersschommelingen op het bedrag en de looptijd van de lening aantoonden. De eerste simulatie toonde het effect van een stijging of daling van de rentevoet met twee procentpunten vanaf de 61e aflossingstermijn op het bedrag van de betalingen, de looptijd, en de totale kosten van het krediet. De tweede simulatie had als titel „Informatie over de wisseltransacties die in het kader van het beheer van uw krediet zullen worden verricht” en simuleerde de schommelingen van diezelfde gegevens voor het geval de euro in waarde zou stijgen ten opzichte van de Zwitserse frank (in zaak C‑776/19: 1 EUR voor 1,5896 CHF; in zaak C‑778/19: 1 EUR voor 1,57 CHF; in zaak C‑779/19: 1 EUR voor 1,59 CHF; in zaak C‑780/19: 1 EUR voor 1,66 CHF) en voor het geval de euro in waarde zou dalen (in zaak C‑776/19: 1 EUR voor 1,4296 CHF; in zaak C‑778/19: 1 EUR voor 1,41 CHF; in zaak C‑779/19: 1 EUR voor 1,43 CHF; in zaak C‑780/19: 1 EUR voor 1,5 CHF).

13      Verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C‑777/19, C‑781/19 en C‑782/19 hebben van de kredietgever geen simulatie ontvangen.

14      Verzoekers in de hoofdgedingen hebben moeilijkheden ondervonden bij de terugbetaling van de door hen aangegane hypothecaire lening doordat de wisselkoersen zich sinds de sluiting van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde overeenkomsten ongunstig hebben ontwikkeld. Bijgevolg hebben verzoekers in de jaren 2015 tot 2018 elk voor zich BNP Paribas Personal Finance gedagvaard voor de verwijzende rechter en zich daarbij met name beroepen op het oneerlijke karakter van de bedingen waarbij het in de „Helvet Immo”-overeenkomsten opgenomen financiële mechanisme was ingesteld.

15      Bovendien is BNP Paribas Personal Finance na een gerechtelijk onderzoek op 29 augustus 2017 voor de tribunal correctionnel (rechter in eerste aanleg, bevoegd voor bepaalde strafzaken, Frankrijk) gedaagd wegens misleidende handelspraktijken. Bij vonnis van 26 februari 2020 heeft de 13e strafkamer van de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) deze bankinstelling veroordeeld voor misleidende handelspraktijken. Volgens de informatie die partijen in de hoofdgedingen ter terechtzitting van het Hof hebben verstrekt, heeft BNP Paribas Personal Finance hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, dat dus niet definitief is.

16      Voor de verwijzende rechter betogen verzoekers in de hoofdgedingen met name dat de bedingen waarbij het in de betrokken leenovereenkomsten opgenomen financiële mechanisme is ingesteld, oneerlijk zijn. BNP Paribas Personal Finance van haar kant stelt dat de vorderingen waarin verzoekers in de hoofdgedingen het oneerlijke karakter van die contractuele bedingen aanvoeren, verjaard en in elk geval ongegrond zijn.

17      Wat ten eerste de verjaring van de door verzoekers in de hoofdgedingen ingediende vorderingen betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de toepassing van de verjaringstermijn van vijf jaar krachtens artikel 2224 van het burgerlijk wetboek tot vaststelling van de verjaring van deze vorderingen zou leiden. Deze termijn begint volgens de nationale rechtspraak te lopen vanaf de datum waarop de offerte voor de lening is aanvaard.

18      In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of het met het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar is dat die verjaringstermijn wordt opgeworpen tegen vorderingen die zijn ingesteld door consumenten om rechten die zij aan richtlijn 93/13 ontlenen te doen gelden. Aangezien het mogelijk is dat de wisselkoers gedurende de eerste jaren van de overeenkomst stabiel blijft en pas later tijdens de looptijd van die overeenkomst verslechtert, valt volgens deze rechter niet uit te sluiten dat de kredietnemers hun rechten niet zullen kunnen afdwingen.

19      Wat ten tweede het onderzoek van het oneerlijke karakter van de bedingen van de overeenkomst betreft, wijst de verwijzende rechter erop dat de leenovereenkomsten in de hoofdgedingen meerdere bedingen bevatten die deel uitmaken van een mechanisme voor omrekening van vreemde valuta, die tot gevolg hebben dat het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen.

20      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in het bijzonder af of deze contractuele bedingen, wegens het feit dat zij betrekking hebben op het wisselkoersrisico, moeten worden geacht deel uit te maken van het eigenlijke voorwerp van de leenovereenkomsten in de hoofdgedingen en als zodanig niet als oneerlijk kunnen worden aangemerkt mits zij duidelijk en begrijpelijk zijn. In dit verband rijst ook de vraag naar de gevolgen voor de kwalificatie van die contractuele bedingen van een ander in de leenovereenkomsten van de hoofdgedingen vervat beding, op grond waarvan de kredietnemer op vooraf bepaalde data een optie tot omzetting in euro’s kan uitoefenen.

21      Met betrekking tot de factoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een beding van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is en of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de contractuele rechten en verplichtingen van de partijen bij die overeenkomst, merkt de verwijzende rechter op dat verzoekers in de hoofdgedingen zijn ingelicht over het effect van schommelingen in de wisselkoers euro/Zwitserse frank op de kosten van de betrokken lening. In de leenovereenkomsten in de hoofdgedingen wordt echter nergens het wisselkoersrisico vermeld.

22      De verwijzende rechter benadrukt bovendien dat de contractuele bedingen als in de hoofdgedingen in de nationale rechtspraak als duidelijk en begrijpelijk zijn aangemerkt, met name omdat de kredietnemers waren ingelicht over de wisseltransacties die tijdens de duur van de betrokken leenovereenkomst werden verricht en over het effect van de schommelingen in de wisselkoers euro/Zwitserse frank op de looptijd van die overeenkomst en op de aflossingen ter voldoening van het rekeningsaldo.

23      Aangezien de verkoper over meer middelen beschikt dan de consument om te anticiperen op de economische ontwikkelingen en het wisselkoersrisico, vraagt de verwijzende rechter zich in dit verband af welke specifieke informatie over het wisselkoersrisico moet worden verstrekt aan een kredietnemer die niet op de hoogte is van de economische prognoses die van invloed kunnen zijn op de evolutie van de wisselkoers betaalmunt/rekenmunt en op de daaraan verbonden risico’s. Dienaangaande rijst ook de vraag wie dient te bewijzen dat een beding van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is, aangezien in de hoofdgedingen wordt betwist dat bepaalde informatie is verstrekt.

24      Tegen deze achtergrond heeft de tribunal de grande instance de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich in [zaken als] in de hoofdgedingen tegen toepassing van de verjaringsregels in de volgende gevallen: (a) bij de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding, (b) bij eventuele terugbetalingen, (c) wanneer de consument de verzoeker is en (d) wanneer de consument de verweerder is, ook bij een tegenvordering?

2)      Indien de eerste vraag geheel of ten dele ontkennend wordt beantwoord, verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich dan in gevallen als in de hoofdgedingen tegen toepassing van nationale rechtspraak waarin is verklaard dat de verjaringstermijn ingaat op de datum van aanvaarding van de offerte voor de lening, in plaats van op de datum waarop ernstige financiële problemen zijn ontstaan?

3)      Vallen bedingen als aan de orde in [de hoofdgedingen], waarin in het bijzonder is vastgelegd dat de Zwitserse frank de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, wat tot gevolg heeft dat het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, onder het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 wanneer het bedrag van de wisselkosten niet wordt betwist en er bedingen zijn opgenomen waarin is bepaald dat de kredietnemer er op gezette tijden voor kan kiezen de lening volgens een vooraf vastgestelde formule in euro’s om te zetten?

4)      Verzet richtlijn [93/13], uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, zich tegen nationale rechtspraak op grond waarvan een beding of een geheel van bedingen als in de hoofdgedingen op de volgende gronden ‚duidelijk en begrijpelijk’ in de zin van de richtlijn wordt geacht:

–        in de voorafgaande offerte voor de lening worden de wisseltransacties die tijdens de looptijd van de lening worden verricht, gedetailleerd uiteengezet en wordt verduidelijkt dat op wisseltransacties tussen de euro en de Zwitserse frank de wisselkoers wordt toegepast die twee werkdagen vóór de datum van de gebeurtenis op basis waarvan de transactie wordt verricht, is vastgesteld, en op de website van de Europese Centrale Bank wordt gepubliceerd;

–        in de offerte staat vermeld dat de kredietnemer de voor de werking en aflossing van het krediet noodzakelijke wisseltransacties van Zwitserse franken naar euro’s en van euro’s naar Zwitserse franken aanvaardt, en dat de kredietverlener het saldo van de maandelijkse aflossingen in euro’s na betaling van de extra kosten van de lening in Zwitserse franken omzet;

–        in de offerte is aangegeven dat, indien de wisseltransactie in een bedrag resulteert dat lager is dan de verschuldigde termijnaflossing in Zwitserse franken, het kapitaal minder snel wordt afgelost, elk deel van het kapitaal dat niet uit hoofde van een termijnbetaling is afgelost in het debetsaldo van de rekening in Zwitserse franken wordt opgenomen, en wordt verduidelijkt dat de kapitaalaflossing van de lening zal veranderen naargelang van de schommelingen van de wisselkoers die op de maandelijkse aflossingen wordt toegepast, zowel naar boven als naar beneden, en dat deze verandering tot een langere of kortere aflossingstermijn voor de lening en, in voorkomend geval, tot een wijziging van de totale aflossingskosten kan leiden;

–        in de artikelen ‚interne rekening in euro’s’ en ‚interne rekening in Zwitserse franken’ wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de transacties die bij elke termijnbetaling worden verricht met de af- en bijschrijvingen per rekening, en in de overeenkomst wordt de concrete werking van het mechanisme voor omrekening van de vreemde valuta op transparante wijze uiteengezet;

–        en in het aanbod wordt met name het ‚wisselkoersrisico’, dat op de kredietnemer rust aangezien er geen inkomsten in de rekenmunt worden ontvangen, niet uitdrukkelijk vermeld, evenmin als het ‚renterisico’?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord, verzet richtlijn [93/13], uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffendheid van het [Unierecht], zich dan tegen nationale rechtspraak waarin wordt verklaard dat een beding of een geheel van bedingen als in de hoofdgedingen ‚duidelijk en begrijpelijk’ is in de zin van de richtlijn, wanneer in een overeenkomst met een aanvankelijke looptijd van [22 tot 25 jaar], naast de in de vierde vraag genoemde elementen, enkel een simulatie is opgenomen van een daling van [5 à 6 %] van de betaalmunt ten opzichte van de rekenmunt, en daarin verder geen termen als ‚risico’ of ‚moeilijkheid’ voorkomen?

6)      Rust de bewijslast voor de ‚duidelijke en begrijpelijke’ formulering van een beding in de zin van richtlijn 93/13, met inbegrip van de omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op de verkoper of op de consument?

7)      Indien de bewijslast voor de duidelijkheid en begrijpelijkheid van de formulering van het beding op de verkoper rust, verzet richtlijn 93/13 zich dan tegen nationale rechtspraak waarin wordt verklaard dat het, wanneer er sprake is van documenten betreffende verkooptechnieken, aan de kredietnemers staat om ten eerste te bewijzen dat zij de in die documenten vervatte informatie hebben ontvangen, en ten tweede dat de bank die documenten aan hen heeft doen toekomen, of vereist deze richtlijn daarentegen dat deze elementen een vermoeden opleveren dat de in deze documenten vervatte informatie, ook mondeling, aan de kredietnemers is verstrekt, welk vermoeden de verkoper, die verantwoordelijk is voor de informatie die de door hem gekozen tussenpersonen verstrekken, moet weerleggen?

8)      Kan er sprake zijn van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in een overeenkomst als die in de hoofdgedingen, waarin beide partijen een wisselkoersrisico lopen, wanneer ten eerste de verkoper over betere middelen dan de consument beschikt om te anticiperen op het wisselkoersrisico en, ten tweede, het door de verkoper gedragen risico aan een bovengrens is gebonden, terwijl dit laatste bij de consument niet het geval is?”

25      Bij beslissing van de president van het Hof van 19 november 2019 zijn de zaken C‑776/19 tot en met C‑782/19 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

26      Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor een vordering van een consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en die consument, of tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van die richtlijn, een verjaringstermijn van vijf jaar geldt die begint te lopen vanaf de dag waarop de offerte voor de lening is aanvaard.

27      In dit verband zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak, bij ontbreken van specifieke Unieregelgeving ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde zijn van die staten. Die nadere regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Wat de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel betreft – het enige beginsel waarnaar in casu wordt verwezen – moet erop worden gewezen dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (zie met name arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Voorts heeft het Hof verklaard dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen – met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 –, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat onder meer geldt voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Sziber, C‑483/16, EU:C:2018:367, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Wat betreft het onderzoek van de kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verjaringstermijn, heeft het Hof benadrukt dat dit onderzoek betrekking moet hebben op de duur van een dergelijke termijn en de wijze waarop deze termijn moet worden toegepast, waaronder ook begrepen de wijze waarop deze termijn ingaat (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Wat betreft ten eerste de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van door consumenten ingestelde vorderingen tot handhaving van de rechten die zij aan richtlijn 93/13 ontlenen, moet erop worden gewezen dat volgens de rechtspraak van het Hof redelijke beroepstermijnen die op straffe van verval van recht in het belang van de rechtszekerheid zijn vastgesteld, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken, indien dergelijke termijnen materieel toereikend zijn, zodat de consument zich kan voorbereiden en een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen (zie met name arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Het Hof heeft namelijk erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is en dat in het belang van de rechtszekerheid vastgestelde redelijke beroepstermijnen, die gelden op straffe van verval van recht, verenigbaar zijn met het Unierecht (zie met name arresten van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 56, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Het Hof heeft, de nadruk leggend op de door richtlijn 93/13 aan de consument verstrekte bescherming, evenwel voor recht verklaard dat deze richtlijn zich verzet tegen nationale regelgeving die de nationale rechter verbiedt om na het verstrijken van een vervaltermijn vast te stellen dat een in een consumentenovereenkomst opgenomen beding oneerlijk is (zie in die zin arresten van 21 november 2002, Cofidis, C‑473/00, EU:C:2002:705, punt 38, en 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 55).

34      In casu heeft het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking op twee verschillende situaties, te weten, ten eerste, de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van door een consument ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst, en ten tweede, de tegenwerping van die termijn in het kader van een door die consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die in het kader van de uitvoering van een kredietovereenkomst onverschuldigd zijn betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13.

35      Aangaande ten eerste de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van een door een consument ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument, moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat oneerlijke bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de consument niet binden.

36      In de tweede plaats verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten, gezien de aard en het gewicht van het openbare belang van de bescherming van consumenten – zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan – om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en consumenten. Hiertoe dienen de nationale rechters oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punten 52 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      In de derde plaats volgt uit de rechtspraak dat een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding in beginsel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg moet hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld, zodat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, er in beginsel toe leidt dat die bedragen moeten worden terugbetaald (zie in die zin arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 61 en 62, en 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 54).

38      In deze context moet worden vastgesteld dat de consument, met name om te garanderen dat de rechten die hij aan richtlijn 93/13 ontleent doeltreffend worden beschermd, het oneerlijke karakter van een contractueel beding te allen tijde moet kunnen aanvoeren, niet alleen als verweermiddel, maar ook om een contractueel beding als oneerlijk te laten aanmerken door de rechter, zodat er geen verjaringstermijn kan gelden voor de vordering van de consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument.

39      Aangaande ten tweede de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die in het kader van de uitvoering van een kredietovereenkomst onverschuldigd zijn betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13, volstaat het eraan te herinneren dat het Hof reeds voor recht heeft verklaard dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van deze richtlijn zich niet verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat de vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst niet verjaart, maar die wel een verjaringstermijn stelt voor het instellen van de vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd (zie in die zin arresten van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 58, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 84).

40      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van vorderingen tot teruggave die consumenten instellen om rechten af te dwingen die zij ontlenen aan richtlijn 93/13, op zich niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel, voor zover de toepassing ervan het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om de door deze richtlijn verleende rechten uit te oefenen.

41      Wat ten tweede de duur betreft van de verjaringstermijn die geldt voor een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die in het kader van de uitvoering van een kredietovereenkomst onverschuldigd zijn betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13, zij eraan herinnerd dat het Hof zich reeds heeft kunnen uitspreken over de verenigbaarheid met het doeltreffendheidsbeginsel van verjaringstermijnen die vergelijkbaar zijn met die van het hoofdgeding, met een duur van drie en van vijf jaar, en die waren tegengeworpen aan vorderingen tot terugbetaling van de bedragen die uit hoofde van een oneerlijk bevonden beding waren betaald. Volgens het Hof zijn deze verjaringstermijnen in beginsel toereikend voor de voorbereiding en de instelling van een doeltreffend rechtsmiddel, voor zover deze van tevoren vaststaan en bekend zijn. Een duur van drie tot vijf jaar is op zich dus niet onverenigbaar met het doeltreffendheidsbeginsel (zie in die zin arresten van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punten 62 en 64, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat een verjaringstermijn van vijf jaar als in de hoofdgedingen, die wordt tegengeworpen aan een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13 – voor zover deze termijn van tevoren vaststaat en bekend is – niet van dien aard lijkt dat deze de uitoefening van de door richtlijn 93/13 verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Een dergelijke termijn is namelijk in beginsel materieel toereikend om de consument in staat te stellen een doeltreffend rechtsmiddel voor te bereiden en in te stellen om de rechten af te dwingen die hij aan deze richtlijn ontleent, met name in de vorm van vorderingen tot terugbetaling die zijn gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst.

43      Wat ten derde het vertrekpunt van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde verjaringstermijn betreft, bestaat er evenwel een niet te verwaarlozen gevaar dat de consument zich tijdens deze termijn niet zal kunnen beroepen op de rechten die richtlijn 93/13 hem toekent (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte toelichtingen blijkt namelijk dat de in artikel 2224 van het burgerlijk wetboek bepaalde verjaringstermijn volgens de rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties ingaat op de datum waarop de betrokken offerte voor de lening wordt aanvaard.

45      In dit verband moet er rekening mee worden gehouden dat de consument zich ten opzichte van de verkoper in een ondergeschikte positie bevindt, zowel wat zijn mogelijkheid tot onderhandelen betreft als met betrekking tot de informatie waarover hij beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo is het van belang eraan te herinneren dat de consument zich mogelijk niet bewust is van het oneerlijke karakter van een beding in een hypothecaire leenovereenkomst of de omvang van zijn uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten niet ten volle beseft (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Opgemerkt zij dat een verjaringstermijn slechts verenigbaar kan zijn met het doeltreffendheidsbeginsel wanneer de consument kennis heeft kunnen nemen van zijn rechten voordat deze termijn begint te lopen of is verstreken (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 45; 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 67, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 91).

47      De tegenwerping van een verjaringstermijn van vijf jaar als in de hoofdgedingen in het kader van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van de bedragen die hij onterecht heeft betaald op grond van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13 – die begint te lopen vanaf de datum waarop de offerte voor de lening is aanvaard – kan deze consument geen doeltreffende bescherming waarborgen, aangezien deze termijn kan zijn verstreken nog vóór de consument zich er rekenschap van heeft kunnen geven dat de overeenkomst in kwestie een oneerlijk beding bevat Die verjaringstermijn maakt de uitoefening van de door richtlijn 93/13 aan deze consument verleende rechten dus uiterst moeilijk en schendt derhalve het doeltreffendheidsbeginsel (zie naar analogie arresten van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punten 67 en 75, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 91).

48      Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor een vordering van een consument:

–        tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een tussen een verkoper en die consument gesloten overeenkomst een verjaringstermijn geldt;

–        tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van dergelijke oneerlijke bedingen, een verjaringstermijn van vijf jaar geldt die begint te lopen vanaf de dag waarop de offerte voor de lening is aanvaard, zodat de consument op dat tijdstip mogelijkerwijs niet op de hoogte was van al zijn rechten uit hoofde van deze richtlijn.

 Derde vraag

49      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van deze bepaling ook ziet op de bedingen van de leenovereenkomst waarin is bepaald dat de buitenlandse valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen.

50      Volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 heeft de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van deze overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De rechter kan het oneerlijke karakter van een beding dat betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst dus enkel toetsen indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is.

51      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de categorie bedingen van een overeenkomst die onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, die bedingen omvat welke de kern van de prestaties van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder dat begrip vallen (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde leenovereenkomsten, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan, te onderzoeken of de in de derde vraag bedoelde bedingen een wezenlijk onderdeel zijn van de prestatie van de kredietnemer, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever geleende bedrag (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Het staat evenwel aan het Hof om op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 de criteria aan te duiden die van toepassing zijn bij een dergelijk onderzoek (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 33).

55      In dit verband heeft het Hof met betrekking tot leenovereenkomsten in vreemde valuta die in nationale valuta moeten worden terugbetaald, verklaard dat de uitsluiting van de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen betreffende de gelijkwaardigheid van de prijs of vergoeding enerzijds en de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten anderzijds, niet kan worden toegepast op bedingen die met het oog op de berekening van de aflossingen enkel de wisselkoers bepalen van de vreemde valuta waarin de leenovereenkomst is opgesteld, zonder dat bij die berekening door de kredietverlener een wisseldienst wordt verstrekt, en die dus geen „vergoeding” impliceren, waarvan de gelijkwaardigheid als tegenprestatie voor een door de kredietverlener verrichte prestatie krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 niet mag worden beoordeeld op het oneerlijke karakter ervan (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 58).

56      Zonder deze vaststelling te beperken tot in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten die in dezelfde valuta moeten worden terugbetaald, heeft het Hof daar echter aan toegevoegd dat de bedingen van de overeenkomst inzake het wisselkoersrisico het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst bepalen (zie met name arresten van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 48).

57      In dat verband moet worden opgemerkt dat een kredietovereenkomst inhoudt dat de kredietgever zich, in de eerste plaats, ertoe verbindt aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en dat de kredietnemer zich op zijn beurt eerst en vooral ertoe verplicht om dit geldbedrag, in het algemeen met rente, in afgesproken termijnen terug te betalen. De wezenlijke prestaties van een dergelijke overeenkomst hebben dus betrekking op een geldbedrag dat moet worden bepaald aan de hand van de daarin vastgelegde valuta van de betaling en de terugbetaling. Het feit dat een krediet in een bepaalde valuta moet worden terugbetaald heeft dus in beginsel geen betrekking op een aanvullende betalingsmodaliteit, maar op de aard zelf van de verplichting van de schuldenaar, en het vormt derhalve een wezenlijk onderdeel van een leenovereenkomst (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 38).

58      Het staat dus aan de verwijzende rechter om aan de hand van de in de punten 55 tot en met 57 hierboven geformuleerde criteria te beoordelen of de bedingen van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde overeenkomsten – volgens welke de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is en het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen – verband houden met de aard zelf van de verplichting van de schuldenaar om het hem door de kredietverlener verstrekte bedrag terug te betalen, ongeacht of de consument ook de wisselkosten betwist.

59      Voorts is het van belang te verduidelijken dat de omstandigheid dat er in een leenovereenkomst die in vreemde valuta is opgesteld een ander beding is opgenomen waarin is bepaald dat de kredietnemer er op vooraf bepaalde data voor kan kiezen de lening volgens een van tevoren vastgestelde formule in euro’s om te zetten, niet betekent dat de bedingen betreffende het wisselkoersrisico daardoor aanvullend worden. Het feit dat partijen de mogelijkheid hebben om op bepaalde tijdstippen een van de essentiële bedingen van de overeenkomst te wijzigen, biedt de kredietnemer namelijk de mogelijkheid om de voorwaarden van zijn lening ex nunc te wijzigen, zonder dat het bestaan van een dergelijke mogelijkheid enig rechtstreeks gevolg heeft voor de beoordeling van de voornaamste prestatie die kenmerkend is voor de betrokken overeenkomst.

60      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat bedingen van de leenovereenkomst waarin is bepaald dat de buitenlandse valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, onder die bepaling vallen wanneer deze bedingen een essentieel element vastleggen dat kenmerkend is voor die overeenkomst.

 Vierde en vijfde vraag

61      Met zijn vierde en vijfde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een in een vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst waarin wordt bepaald dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is en waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, wanneer de verkoper de consument heeft ingelicht over de gevolgen voor diens financiële verplichtingen van een eventuele stijging of daling in waarde van de euro ten opzichte van de vreemde valuta waarin de lening is uitgedrukt.

62      Volgens vaste rechtspraak inzake het transparantievereiste is het voor een consument van wezenlijk belang dat hij, vóór sluiting van de overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van de overeenkomst. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      Hieruit volgt dat het feit dat bedingen van overeenkomsten formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om te voldoen aan het vereiste van transparantie van die bedingen dat voortvloeit uit artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13. Het vereiste dat bedingen van overeenkomsten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en derhalve transparant zijn, zoals neergelegd in die richtlijn, moet ruim worden opgevat, aangezien het door die richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan de verkoper beschikt (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64      Bijgevolg moet dit vereiste aldus worden begrepen dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument formeel en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat wordt gesteld om de concrete werking van dit beding te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Dit houdt met name in dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft en, in voorkomend geval, de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen op een transparante wijze moeten worden uiteengezet, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten (zie in die zin arrest van 27 januari 2021, Dexia Nederland, C‑229/19 en C‑289/19, EU:C:2021:68, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      De vraag of in casu aan het transparantievereiste is voldaan moet door de verwijzende rechter worden onderzocht in het licht van alle relevante feiten, waaronder de reclame en de informatie die bij de onderhandelingen over de leenovereenkomsten in de hoofdgedingen zijn verstrekt, niet alleen door de kredietgever zelf, maar ook door elke andere persoon die namens deze verkoper heeft deelgenomen aan de verkoop van de leningen in kwestie.

67      Meer in het bijzonder staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de leenovereenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of in de betrokken zaak aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. Een beslissende rol bij die beoordeling spelen de vraag of de bedingen van die overeenkomst duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, zodat een gemiddelde consument, zoals beschreven in punt 64 van het onderhavige arrest, aan de hand daarvan die kosten kan ramen en voorts de omstandigheid dat de kredietovereenkomst niet de gegevens bevat die, gelet op de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft, essentieel worden geacht (zie in die zin arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      In casu merkt de verwijzende rechter op dat verzoekers in de hoofdgedingen vóór het aangaan van hun leningen informatie hebben ontvangen over de gevolgen van de schommelingen in de wisselkoers euro/Zwitserse frank voor de looptijd van die overeenkomst en voor de aflossingen ter voldoening van het rekeningsaldo. Het wisselkoersrisico werd echter nergens vermeld.

69      Met betrekking tot in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten als in de hoofdgedingen moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat alle informatie die de verkoper verstrekt om de consument in te lichten over de werking van het mechanisme voor het omwisselen van valuta en het daaraan verbonden risico, relevant is voor die beoordeling. Van bijzonder belang zijn de toelichtingen over de risico’s die de kredietnemer loopt ingeval het wettig betaalmiddel van de lidstaat waar de kredietnemer is gevestigd aanzienlijk in waarde daalt en ingeval de buitenlandse rentevoet stijgt.

70      Zoals het Europees Comité voor systeemrisico’s heeft benadrukt in zijn aanbeveling ESRB/2011/1 van 21 september 2011 inzake kredietverlening in vreemde valuta (PB 2011, C 342, blz. 1), moeten financiële instellingen kredietnemers voldoende informatie verschaffen die hen in staat stelt goed geïnformeerde en prudente beslissingen te nemen en die ten minste het effect op periodieke betalingen omvat van een scherpe waardevermindering van het wettig betaalmiddel van de lidstaat waar een kredietnemer is gevestigd, en van een toename van de buitenlandse rentevoet (Aanbeveling A – Risicobewustzijn van kredietnemers, punt 1) (arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71      Het Hof heeft in het bijzonder opgemerkt dat de kredietnemer duidelijk moet worden geïnformeerd over het feit dat hij zich met de ondertekening van een in vreemde valuta luidende kredietovereenkomst blootstelt aan een wisselkoersrisico dat mogelijkerwijs economisch gezien een zware last kan worden ingeval de valuta waarin hij zijn inkomsten ontvangt in waarde daalt. Voorts moet de verkoper uitleg geven over de mogelijke wisselkoersschommelingen en de risico’s die inherent zijn aan het aangaan van een dergelijke overeenkomst (zie in die zin arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Hieruit volgt dat slechts aan het transparantievereiste wordt voldaan indien de door de verkoper verstrekte informatie een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument niet alleen in staat stelt om te begrijpen dat de wijzigingen in de tussen de rekenmunt en de betaalmunt geldende wisselkoers, afhankelijk van de schommelingen ervan, negatieve gevolgen kunnen hebben voor zijn financiële verplichtingen, maar ook om bij het aangaan van een lening in vreemde valuta te begrijpen aan welk reëel risico hij gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst is blootgesteld ingeval de munt waarin hij zijn inkomsten ontvangt aanzienlijk daalt ten opzichte van de rekenmunt.

73      In dit verband is het van belang erop te wijzen dat becijferde simulaties, zoals die welke zijn opgenomen in sommige kredietaanbiedingen in de hoofdgedingen, nuttige informatie kunnen vormen indien zij zijn gebaseerd op voldoende en juiste gegevens, en indien zij objectieve beoordelingen bevatten die op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument worden meegedeeld. Alleen onder die voorwaarden kunnen becijferde simulaties de verkoper in staat stellen de aandacht van deze consument te vestigen op het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van de betrokken contractuele bedingen. Zoals alle andere informatie die de verkoper verschaft over de omvang van de door de consument aangegane verbintenis moet de becijferde simulatie deze consument helpen begrijpen wat de werkelijke omvang is van het risico dat er zich op lange termijn wisselkoersschommelingen voordoen, en dus van de risico’s die inherent zijn aan het sluiten van een in vreemde valuta luidende kredietovereenkomst.

74      In het kader van een leenovereenkomst in vreemde valuta die de consument blootstelt aan een wisselkoersrisico kan dus niet worden voldaan aan het transparantievereiste door deze consument informatie te verstrekken – ook al is deze uitgebreid – indien die informatie is gebaseerd op de veronderstelling dat de tussen de rekenmunt en de betaalmunt geldende wisselkoers tijdens de hele looptijd van die overeenkomst stabiel zal blijven. Dit is met name het geval wanneer de verkoper de consument niet heeft gewaarschuwd voor de weerslag die de economische context kan hebben op de wisselkoersschommelingen, zodat de consument niet in staat is gesteld concreet te begrijpen welke mogelijk ernstige gevolgen het aangaan van een in vreemde valuta luidende lening voor zijn financiële situatie kan hebben.

75      In de tweede plaats is ook het soort taal dat de financiële instelling in de precontractuele en contractuele documenten hanteert een relevante factor voor de in punt 67 hierboven bedoelde beoordeling. Dat niet is voldaan aan het transparantievereiste van met name artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 blijkt in het bijzonder uit het ontbreken van bewoordingen of toelichtingen waarin de kredietnemer er uitdrukkelijk voor wordt gewaarschuwd dat er bijzondere risico’s zijn aan in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten.

76      In de derde en laatste plaats moet, gelet op de in punt 15 hierboven vermelde feiten, in herinnering worden gebracht dat de kwalificatie van een handelspraktijk als oneerlijk – waarover partijen in de hoofdgedingen ter terechtzitting voor het Hof hun standpunten hebben uitgewisseld – ook mogelijk een van de elementen is die de nationale rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen in een consumentenovereenkomst (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 43).

77      Dat element volstaat echter als zodanig niet om vast te stellen dat niet is voldaan aan het uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 voortvloeiende vereiste van transparantie, aangezien deze vraag moet worden onderzocht tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het betrokken geval (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      Gelet op een en ander moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een in een vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst waarin wordt bepaald dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is en waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, wanneer de verkoper de consument toereikende en juiste informatie heeft verstrekt die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt te begrijpen hoe het financiële mechanisme in kwestie concreet werkt en aldus het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van die bedingen voor zijn financiële verplichtingen tijdens de hele looptijd van die overeenkomst in te schatten.

 Zesde en zevende vraag

79      Met zijn zesde en zevende vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op de consument rust en of dit ook het geval is voor de verschaffing van informatie vervat in documenten betreffende de verkooptechnieken die worden gehanteerd door de verkoper of door een andere persoon die in naam van die verkoper heeft deelgenomen aan de verkoop van de leningen in kwestie.

80      In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 93/13 niets bepaalt over de vraag wie moet bewijzen of een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is in de zin van artikel 4, lid 2, van die richtlijn.

81      Zoals blijkt uit de in punt 27 hierboven aangehaalde rechtspraak, zijn dergelijke nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten, met dien verstande dat deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en niet van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).

82      In zoverre moet worden opgemerkt dat richtlijn 93/13 met name beoogt de consument te beschermen teneinde de asymmetrie tussen de positie van de verkoper en die van de consument in de contractuele verhouding te herstellen. Deze asymmetrie vloeit voort uit de ondergeschikte positie waarin de consument zich ten opzichte van de verkoper bevindt, zowel wat zijn mogelijkheid tot onderhandelen betreft als met betrekking tot de informatie waarover hij beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen, zoals in punt 45 van dit arrest in herinnering is gebracht.

83      Zoals reeds in punt 78 van dit arrest is vastgesteld, is slechts aan het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 voldaan indien de verkoper de consument voldoende en juiste informatie verschaft die hem in staat stelt het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van contractuele bedingen voor zijn financiële verplichtingen in te schatten.

84      In dit verband zij erop gewezen dat de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel en de verwezenlijking van de aan richtlijn 93/13 ten grondslag liggende doelstelling om de consument te beschermen door de asymmetrie tussen de positie van de verkoper en die van de consument te herstellen, niet kunnen worden gewaarborgd mocht de bewijslast dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is in de zin van artikel 4, lid 2, van die richtlijn, op de consument rusten.

85      Zoals de Franse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben verklaard, kan de doeltreffende uitoefening van de door richtlijn 93/13 verleende rechten namelijk niet worden gewaarborgd indien de consument een negatief feit moet bewijzen, namelijk dat de verkoper hem niet alle informatie heeft verstrekt die nodig is om te voldoen aan het transparantievereiste, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

86      De doeltreffende uitoefening van de door richtlijn 93/13 verleende rechten moet juist worden geacht te zijn verzekerd wanneer de verkoper voor de rechter in beginsel moet aantonen dat hij zijn precontractuele en contractuele verplichtingen naar behoren is nagekomen, met name in verband met het vereiste van transparantie van bedingen van de overeenkomst, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13. Op die manier kan de bescherming van de consument worden gewaarborgd zonder dat al te veel afbreuk wordt gedaan aan het recht van de verkoper op een eerlijk proces (zie naar analogie arrest van 18 december 2014, CA Consumer Finance, C‑449/13, EU:C:2014:2464, punt 28).

87      In dit verband moet met betrekking tot de in de zevende vraag specifiek bedoelde „documenten betreffende verkooptechnieken” bovendien worden opgemerkt dat de verplichting van de verkoper om aan te tonen dat hij zijn precontractuele en contractuele verplichtingen naar behoren is nagekomen, ook moet zien op het bewijs dat de in dergelijke documenten vervatte informatie aan de consument is meegedeeld door de verkoper of door elke andere persoon die namens die verkoper heeft deelgenomen aan de verkoop van de leningen in kwestie. Dit is met name het geval wanneer wordt aangenomen dat deze documenten nuttig kunnen zijn om te beoordelen of een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

88      Zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, is het uiteindelijk aan de verkoper om de controle over de distributiekanalen van zijn producten uit te oefenen, of het nu gaat om de keuze van de tussenpersonen dan wel om de commerciële communicatie met de consument. Hij moet dus kunnen aantonen dat de betrokken documenten niet zijn gebruikt of niet meer werden gebruikt op de datum van sluiting van de overeenkomst, als bewijs dat hij naar behoren heeft voldaan aan zijn precontractuele en contractuele verplichtingen die met name betrekking hebben op het vereiste van transparantie van de bedingen van de overeenkomst.

89      Uit het voorgaande volgt dat op de zesde en de zevende vraag moet worden geantwoord dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op de consument rust.

 Achtste vraag

90      Met zijn achtste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat bedingen in een leenovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, en die tot gevolg hebben dat het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, aangezien de verkoper over betere middelen dan de consument beschikt om te anticiperen op het wisselkoersrisico en voorts het door deze verkoper gedragen risico aan een bovengrens is gebonden terwijl dat voor het door de consument gedragen risico niet het geval is.

91      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 een beding in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

92      Voorts zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak de bevoegdheid van het Hof betrekking heeft op de uitlegging van de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan deze richtlijn, en met name bij het onderzoek of een beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om zich in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen waarmee de verwijzende rechter geacht wordt rekening te houden bij de beoordeling of het betrokken beding oneerlijk is (zie in die zin arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93      Wat de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding betreft, staat het aan de nationale rechter om rekening houdend met de criteria van artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betreffende geval te bepalen of een dergelijk beding voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie (zie met name arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94      De door artikel 5 van richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding is dan ook een van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de door de nationale rechter krachtens artikel 3, lid 1, van die richtlijn uit te voeren beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95      In casu bepalen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele bedingen die zijn opgenomen in leenovereenkomsten in vreemde valuta dat beide partijen een wisselkoersrisico lopen, maar dat het door de verkoper – in casu de bankinstelling – gedragen risico gebonden is aan een bovengrens, terwijl dat voor het door de consument gedragen risico niet het geval is. Derhalve komt het wisselkoersrisico in geval van een scherpe waardevermindering van de nationale munt ten opzichte van de vreemde valuta, ingevolge die bedingen ten laste van de consument.

96      In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter in het kader van in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten als in de hoofdgedingen – in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding en met name rekening houdend met de deskundigheid en de kennis van de verkoper met betrekking tot de mogelijke wisselkoersschommelingen en de risico’s die inherent zijn aan het aangaan van een lening in vreemde valuta – in de eerste plaats moet nagaan of het vereiste van goede trouw is nageleefd en in de tweede plaats of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 56).

97      Wat het vereiste van goede trouw betreft, moet worden opgemerkt dat er blijkens de zestiende overweging van richtlijn 93/13 bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en met de vraag of de consument er op enigerlei wijze toe is aangezet zijn instemming met het betrokken beding te betuigen.

98      Wat betreft de vraag of een beding in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, moet de nationale rechter nagaan of de verkoper, bij een eerlijke en billijke handelwijze jegens de consument, redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat de consument dat beding zou aanvaarden indien daarover was onderhandeld (zie met name arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99      Om te beoordelen of de bedingen van een overeenkomst als die in de hoofdgedingen het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de leenovereenkomst waarin die bedingen zijn opgenomen, aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, moet dus rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarvan de professionele kredietgever bij de sluiting van die overeenkomst op de hoogte kon zijn, met name gelet op zijn deskundigheid inzake mogelijke wisselkoersschommelingen en de aan het aangaan van een dergelijke lening inherente risico’s die van invloed konden zijn op de latere uitvoering van de lening en de rechtspositie van de consument.

100    Gelet op de kennis en de betere middelen waarover de verkoper beschikt om te anticiperen op het wisselkoersrisico – dat zich op elk moment tijdens de looptijd van de overeenkomst kan voordoen – en het niet aan een bovengrens gebonden risico van wisselkoersschommelingen dat ingevolge contractuele bedingen als in de hoofdgedingen bij de consument komt te liggen, moet worden geoordeeld dat dergelijke bedingen het evenwicht tussen de uit de betrokken kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument.

101    Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijken de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde contractuele bedingen, voor zover de verkoper het transparantievereiste jegens de consument niet in acht heeft genomen, deze consument namelijk een risico te laten dragen dat niet in verhouding staat tot de verrichte diensten en het bedrag van de ontvangen lening, aangezien de toepassing van die bedingen ertoe leidt dat de consument de kosten van de evolutie van wisselkoersen op termijn moet dragen. Afhankelijk van deze evolutie kan deze consument in een situatie terechtkomen waarin het in de betaalmunt, in casu in euro, uitstaande bedrag aanzienlijk hoger is dan het aanvankelijk geleende bedrag en voorts de aflossingen nagenoeg uitsluitend hebben gediend tot voldoening van de rente. Dit is met name het geval wanneer deze verhoging van het uitstaande kapitaal in nationale valuta niet wordt gecompenseerd door een verschil in rentevoet tussen de vreemde valuta en de nationale valuta, met dien verstande dat het bestaan van dat verschil voor de kredietnemer het voornaamste voordeel is van een lening in vreemde valuta.

102    In dergelijke omstandigheden kan, met name gelet op het uit artikel 5 van richtlijn 93/13 voortvloeiende transparantievereiste, niet worden aangenomen dat de verkoper, bij een transparante handelwijze jegens de consument, er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument dergelijke bedingen zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie naar analogie arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 96). Niettemin staat het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

103    Gelet op een en ander dient op de achtste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat bedingen in een leenovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, en die tot gevolg hebben dat het niet aan een bovengrens gebonden wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument, aangezien de verkoper er met inachtneming van het transparantievereiste ten aanzien van de consument niet redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een uit dergelijke bedingen voortvloeiend onevenredig wisselkoersrisico zou aanvaarden nadat daarover afzonderlijk was onderhandeld.

 Kosten

104    Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor een vordering van een consument:

–        tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een tussen een verkoper en die consument gesloten overeenkomst een verjaringstermijn geldt;

–        tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van dergelijke oneerlijke bedingen, een verjaringstermijn van vijf jaar geldt die begint te lopen vanaf de dag waarop de offerte voor de lening is aanvaard, zodat de consument op dat tijdstip mogelijkerwijs niet op de hoogte was van al zijn rechten uit hoofde van deze richtlijn.

2)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bedingen van de leenovereenkomst waarin is bepaald dat de buitenlandse valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, onder die bepaling vallen wanneer deze bedingen een essentieel element vastleggen dat kenmerkend is voor die overeenkomst.

3)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een in een vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst waarin wordt bepaald dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is en waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, wanneer de verkoper de consument voldoende en juiste informatie heeft verstrekt die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt te begrijpen hoe het financiële mechanisme in kwestie concreet werkt en aldus het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van die bedingen voor zijn financiële verplichtingen tijdens de hele looptijd van die overeenkomst in te schatten.

4)      Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op de consument rust.

5)      Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bedingen in een leenovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, en die tot gevolg hebben dat het niet aan een bovengrens gebonden wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument, aangezien de verkoper er met inachtneming van het transparantievereiste ten aanzien van de consument niet redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een uit dergelijke bedingen voortvloeiend onevenredig wisselkoersrisico zou aanvaarden nadat daarover afzonderlijk was onderhandeld.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.