Language of document : ECLI:EU:C:2021:469

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

10 juni 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – In vreemde valuta luidende hypothecaire leenovereenkomst (Zwitserse frank) – Artikel 4, lid 2 – Eigenlijk voorwerp van de overeenkomst – Bedingen die de kredietnemer blootstellen aan een wisselkoersrisico – Vereisten van begrijpelijkheid en transparantie – Artikel 3, lid 1 – Aanzienlijke verstoring van het evenwicht – Artikel 5 – Duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van een overeenkomst”

In zaak C‑609/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal d’instance de Lagny-sur-Marne (rechter in eerste aanleg Lagny-sur-Marne, Frankrijk) bij beslissing van 2 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 13 augustus 2019, in de procedure

BNP Paribas Personal Finance SA

tegen

VE,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: V. Giacobbo, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 oktober 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        BNP Paribas Personal Finance SA, vertegenwoordigd door P. Metais en P. Spinosi, avocats,

–        VE, vertegenwoordigd door C. Constantin-Vallet en M. Le Bot, avocats,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en E. Toutain als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Valero, N. Ruiz García en M. Van Hoof als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BNP Paribas Personal Finance SA en VE over het beweerdelijk oneerlijke karakter van de bedingen in de tussen deze twee partijen in het hoofdgeding gesloten hypothecaire leenovereenkomst in vreemde valuta, die met name bepalen dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van de overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd.

 Toepasselijke bepalingen

3        In de zestiende overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen:

„Overwegende dat de beoordeling, aan de hand van de vastgestelde algemene criteria, van het oneerlijke karakter van bedingen, met name met betrekking tot beroepsactiviteiten met een openbaar karakter betreffende collectieve diensten waarbij een solidariteit tussen de gebruikers wordt vooropgesteld, moet worden aangevuld met een middel voor de afweging van de onderscheidene belangen die in het geding zijn; dat dit de goede trouw is; dat er bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder moet worden gelet op de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen en of de goederen of diensten op speciale bestelling van de consument zijn verkocht of geleverd; dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen”.

4        Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:

„Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of [de Europese Unie] partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”

5        Artikel 3 van die richtlijn is geformuleerd als volgt:

„1.      Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2.      Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.

[...]”

6        Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.      De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

7        Artikel 5 van richtlijn 93/13 luidt:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Bij notariële akte van 10 maart 2009 hebben VE en zijn echtgenote een onroerende zaak gekocht en daartoe bij BNP Paribas Personal Finance een in vreemde valuta luidende hypothecaire leenovereenkomst met de naam „Helvet Immo” gesloten.

9        Deze overeenkomst voorzag in een lening tegen een rentevoet van 4,95 %, die in beginsel diende te worden terugbetaald in 276 vaste termijnen, was uitgedrukt in Zwitserse franken (CHF) en moest worden terugbetaald in euro’s. Op de datum van sluiting van de overeenkomst bedroeg de lening 143 421,53 EUR of 216 566,51 CHF.

10      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat volgens deze overeenkomst de lening werd afgelost door vaste maandelijkse betalingen in euro’s, die voor de betaling van de rente en de aflossing van het kapitaal werden omgerekend in Zwitserse franken. De aan het krediet verbonden kosten, zoals de verzekering, werden in euro’s aangerekend.

11      In het bijzonder bevatte de overeenkomst in het hoofdgeding bedingen op grond waarvan:

–        de looptijd van het krediet met vijf jaar zou worden verlengd en de in euro’s te betalen termijnen met voorrang zouden worden aangewend voor de betaling van de rente wanneer de kosten van het krediet voor de kredietnemer zouden stijgen ten gevolge van de ontwikkeling van de wisselkoers;

–        de maandelijkse bedragen in euro’s zouden worden verhoogd indien de handhaving van het bedrag van de betaling in euro’s niet zou volstaan om het volledige schuldsaldo van de rekening te voldoen over de met vijf jaar verlengde resterende looptijd.

12      Na wanbetaling is de leenovereenkomst langs gerechtelijke weg voortijdig beëindigd en heeft de executierechter van de tribunal de grande instance de Libourne (rechter in eerste aanleg Libourne, Frankrijk) op 16 januari 2015 de gedwongen verkoop van de betrokken onroerende zaak gelast.

13      Bij verzoekschrift van 12 januari 2017 heeft BNP Paribas Personal Finance de verwijzende rechter verzocht om toestemming om beslag te leggen op het salaris van VE, meer bepaald voor een bedrag van 234 182,61 EUR: 185 695,26 EUR voor de hoofdsom en 48 487,35 EUR voor de rente, kosten en bijkomende bedragen.

14      Voor deze rechter voert BNP Paribas Personal Finance aan dat de vorderingen waarin VE stelt dat bepaalde bedingen van de leenovereenkomst in het hoofdgeding oneerlijk zijn, niet-ontvankelijk zijn wegens verjaring en in elk geval ongegrond zijn. Deze bank betoogt met name dat VE is ingelicht over de schommelingen in de wisselkoers en over de gevolgen die deze hebben voor de aflossing van de lening in het hoofdgeding.

15      VE meent door BNP Paribas Personal Finance te zijn misleid wat betreft de aard van de leenovereenkomst in het hoofdgeding, aangezien deze overeenkomst hem heeft blootgesteld aan een onbegrensd wisselkoersrisico. Meer in het bijzonder vordert VE nietigverklaring van deze overeenkomst en afwijzing van het verzoek van deze bankinstelling om beslag te leggen op zijn salaris. Subsidiair betoogt hij dat het bedrag van de schuldvordering moet worden verlaagd omdat een impliciet indexeringsbeding, de bedingen inzake de rekenmunt en de betaalmunt, het aflossingsbeding en het koopoptiebeding in die overeenkomst oneerlijk zijn en daarin nergens melding wordt gemaakt van een „wisselkoersrisico”.

16      De verwijzende rechter merkt op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leenovereenkomst verschillende bedingen bevat die deel uitmaken van een mechanisme voor het omrekenen van valuta en tot gevolg hebben dat het wisselkoersrisico in de door de consument verrichte maandelijkse betalingen wordt opgenomen. Deze bedingen hebben betrekking op de regels inzake de aanwending van de termijnbetalingen voor de betaling van de rente, de werking van de rekening in Zwitserse franken (rekenmunt) en van de rekening in euro’s (betaalmunt), alsmede op de verlenging van de looptijd van de lening met vijf jaar.

17      In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af over welke beoordelingsmarge hij beschikt om de bedingen van de leenovereenkomst in het hoofdgeding te onderzoeken. Zijn vraag is in het bijzonder of deze dienen te worden beschouwd als een ondeelbaar geheel dat het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst uitmaakt en uit dien hoofde niet als oneerlijk kunnen worden aangemerkt aangezien zij duidelijk en begrijpelijk zijn, dan wel of daarentegen moet worden aangenomen dat deze bedingen afzonderlijk als oneerlijk kunnen worden beschouwd, met uitzondering van, blijkens de rechtspraak van het Hof, het beding betreffende de terugbetaling van de lening in vreemde valuta.

18      Wat betreft de criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een beding van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is, merkt de verwijzende rechter op dat VE vóór het aangaan van de lening in het hoofdgeding een grote hoeveelheid informatie heeft ontvangen, waarin met name de nadruk werd gelegd op de stabiliteit van de wisselkoers euro/Zwitserse frank. Het wisselkoersrisico zoals dat voortvloeit uit het samenspel van verschillende bedingen van de leenovereenkomst in het hoofdgeding, wordt nergens in die overeenkomst genoemd.

19      De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat hij het kredietaanbod volgens de nationale wetgeving en rechtspraak objectief moet beoordelen en bijvoorbeeld als referentie moet uitgaan van becijferde simulaties die het effect van een wijziging van de wisselkoers tussen de euro en de vreemde valuta op de kosten van de betrokken lening weergeven. In dit verband vraagt deze rechter zich af wat de draagwijdte is van het begrip „transparantie”, zoals uitgelegd door het Hof, en welke informatie er moet worden verstrekt aan een kredietnemer die niet op de hoogte is van de economische prognoses die mogelijk gevolgen hebben voor de ontwikkeling van die wisselkoersen en voor de daaraan verbonden risico’s. In zoverre rijst ook de vraag of de verkoper wel te goeder trouw was, gelet op zijn kennis van zaken wat betreft het analyseren van bepaalde voorzienbare ontwikkelingen.

20      Tegen deze achtergrond heeft de tribunal d’instance de Lagny-sur-Marne (rechter in eerste aanleg Lagny-sur-Marne, Frankrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het eigenlijke voorwerp van een lening in vreemde valuta die moet worden terugbetaald in nationale valuta, wordt gevormd door – niet afzonderlijk beschouwbare – bedingen tot vaststelling van terugbetalingen in vaste termijnen die met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en die voorzien in de verlenging van de looptijd van de overeenkomst en de verhoging van de aflossingen ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, welk saldo aanzienlijk kan stijgen ten gevolge van de schommelingen in de wisselkoers?

2)      Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat bedingen waarin vaste termijnbetalingen zijn vastgesteld die met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en die voorzien in [de] verlenging van de looptijd [van de overeenkomst] en de verhoging van de betalingen ter voldoening van het schuldsaldo van de rekening, dat aanzienlijk kan stijgen als gevolg van schommelingen in de wisselkoers, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst aanzienlijk verstoren, met name doordat zij de consument aan een onevenredig wisselkoersrisico blootstellen?

3)      Moet artikel 4 van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het duidelijke en begrijpelijke karakter van de bedingen van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst die in nationale valuta moet worden terugbetaald, moet worden beoordeeld met inaanmerkingneming, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, van de voorzienbare economische context, in casu de gevolgen van de economische problemen in de jaren 2007 tot en met 2009 voor de schommelingen in de wisselkoersen, rekening houdend met de deskundigheid en kennis van de professionele kredietverstrekker en zijn goede trouw?

4)      Moet artikel 4 van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het duidelijke en begrijpelijke karakter van de bedingen van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst die in nationale valuta moet worden terugbetaald, wordt beoordeeld door na te gaan of de kredietgever, die over professionele deskundigheid en kennis beschikt, aan de consument louter objectieve en abstracte – waaronder becijferde – inlichtingen heeft verstrekt, die geen rekening houden met de economische context die van invloed kan zijn op de schommelingen in de wisselkoersen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van die bepaling mede ziet op de bedingen van de leenovereenkomst die bepalen dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van de overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd.

22      BNP Paribas Personal Finance betoogt dat het beding dat bepaalt dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente, krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 niet aan deze richtlijn kan worden onderworpen. Dit beding weerspiegelt in feite de bepalingen van artikel 1343‑1 van de code civil (Frans burgerlijk wetboek) en is standaard van toepassing tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer geen andere regeling is overeengekomen.

23      Wanneer bij een rechter van een lidstaat een geding aanhangig wordt gemaakt over een vermeend oneerlijk contractueel beding waarin een nationale bepaling van aanvullend recht is overgenomen, dient hij eerst de gevolgen van de in artikel 1, lid 2, richtlijn 93/13 bedoelde uitsluiting van de werkingssfeer van deze richtlijn te onderzoeken, en niet de gevolgen van de in artikel 4, lid 2, ervan opgenomen uitzondering op de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen (beschikking van 14 april 2021, Credit Europe Ipotecar IFN e.a., C‑364/19, EU:C:2021:306, punt 42).

24      Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 zijn contractuele bedingen waarin „dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen” zijn overgenomen, uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.

25      Dienaangaande heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat onder deze uitdrukking niet alleen de bepalingen van nationaal recht vallen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn, maar ook de bepalingen van aanvullend recht, dat wil zeggen de bepalingen die standaard van toepassing zijn wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen (zie in die zin arresten van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C‑779/18, EU:C:2020:236, punten 50‑53, en 9 juli 2020, Banca Transilvania, C‑81/19, EU:C:2020:532, punten 23‑25 en 28).

26      Hieruit volgt dat het aan de verwijzende rechter is om eerst na te gaan – alvorens de gevolgen te onderzoeken van de in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 bedoelde uitzondering op de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen – of het beding dat bepaalt dat vaste termijnbetalingen bij voorrang worden aangewend voor betaling van de rente, op grond van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 van de werkingssfeer van deze richtlijn is uitgesloten.

27      Na deze verduidelijking moet met betrekking tot het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, waarop de eerste vraag betrekking heeft, worden opgemerkt dat volgens die bepaling de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen in een overeenkomst geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De rechter kan dus enkel nagaan of een beding dat betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst oneerlijk is, indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is.

28      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de categorie bedingen van een overeenkomst die onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, die bedingen omvat welke de kern van de prestaties van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder dat begrip vallen (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de leenovereenkomst in het hoofdgeding, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan, te onderzoeken of het in de eerste vraag bedoelde beding een wezenlijk onderdeel is van de prestatie van de kredietnemer, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever geleende bedrag (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Het staat evenwel aan het Hof om op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 de criteria aan te duiden die van toepassing zijn bij een dergelijk onderzoek (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 33).

32      In dit verband heeft het Hof met betrekking tot leenovereenkomsten in vreemde valuta die in nationale valuta moeten worden terugbetaald, verklaard dat de uitsluiting van de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen betreffende de gelijkwaardigheid van de prijs en de vergoeding enerzijds en de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten anderzijds, niet kan worden toegepast op bedingen die met het oog op de berekening van de aflossingen enkel de wisselkoers bepalen van de vreemde valuta waarin de leenovereenkomst is opgesteld, zonder dat bij die berekening door de kredietverlener een wisseldienst wordt verstrekt, en die dus geen „vergoeding” impliceren, waarvan de gelijkwaardigheid als tegenprestatie voor een door de kredietverlener verrichte prestatie krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 niet mag worden beoordeeld op het oneerlijke karakter ervan (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 58).

33      Het Hof heeft echter ook verduidelijkt – doch niet alleen voor overeenkomsten betreffende een lening in vreemde valuta die moet worden terugbetaald in nationale valuta – dat de contractuele bedingen inzake het wisselkoersrisico het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst bepalen (zie met name arresten van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 48).

34      In casu hebben de bedingen van de kredietovereenkomst in het hoofdgeding – die deel uitmaken van een mechanisme voor het omwisselen van valuta – tot gevolg dat het wisselkoersrisico wordt opgenomen in de maandelijkse afbetalingen van de kredietnemer. De in de eerste vraag bedoelde bedingen hebben betrekking op de regels inzake de aanwending van de termijnbetalingen voor de betaling van de rente, de werking van de rekening in Zwitserse franken (rekenmunt) en van de rekening in euro’s (betaalmunt), alsmede op de verlenging van de looptijd van de lening met vijf jaar.

35      Een kredietovereenkomst houdt in dat de kredietgever zich, in de eerste plaats, ertoe verbindt aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en dat de kredietnemer zich op zijn beurt eerst en vooral ertoe verplicht om dit geldbedrag, in het algemeen met rente, in afgesproken termijnen terug te betalen. De wezenlijke prestaties van een dergelijke overeenkomst hebben dus betrekking op een geldbedrag dat moet worden bepaald aan de hand van de in die overeenkomst vastgelegde valuta van de betaling en de terugbetaling. Het feit dat een krediet in een bepaalde valuta moet worden terugbetaald heeft dus in beginsel geen betrekking op een aanvullende betalingsmodaliteit, maar op de aard zelf van de verplichting van de schuldenaar, en vormt derhalve een wezenlijk onderdeel van een leenovereenkomst (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 38).

36      Hoewel de in de eerste vraag bedoelde contractuele bedingen deel uitmaken van het financiële mechanisme dat uitdrukking geeft aan het wisselkoersrisico dat kenmerkend is voor een lening in vreemde valuta die moet worden terugbetaald in nationale valuta, houden zij geen rechtstreeks verband met het geleende bedrag of met de over de lening terug te betalen rente, noch met de vaststelling van de rekenmunt en de betaalmunt. Deze bedingen regelen namelijk de gevolgen van een veranderende wisselkoers door de op basis van de schommelingen in de wisselkoers toepasselijke terugbetalingsregels te specificeren, zodat zij kunnen worden beschouwd als aanvullende betalingsmodaliteiten die geen deel uitmaken van het „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

37      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt echter dat de bedingen betreffende de voorwaarden voor de terugbetaling van de lening in het hoofdgeding een concretisering zijn van het wisselkoersrisico dat voortvloeit uit schommelingen in de wisselkoers tussen de rekenmunt en de betaalmunt en de daaraan verbonden rentevoet, die kenmerkend is voor die lening.

38      Het is dus aan de verwijzende rechter om aan de hand van de in de punten 32 tot en met 37 hierboven geformuleerde criteria te beoordelen of de bedingen van de overeenkomst in het hoofdgeding, waarin is bepaald dat vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd – en die dus een concretisering zijn van het wisselkoersrisico –, betrekking hebben op de aard zelf van de verplichting van de schuldenaar om het door de kredietverstrekker ter beschikking gestelde bedrag terug te betalen.

39      Gelet op al deze overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de bedingen van de leenovereenkomst die bepalen dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd, onder deze bepaling vallen wanneer deze bedingen een wezenlijk kenmerk van die overeenkomst vastleggen.

 Derde en vierde vraag

40      Met zijn derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht vóór de tweede vraag, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst – waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd – wanneer de verkoper de consument objectieve en abstracte inlichtingen heeft verstrekt over de gevolgen van een stijging of daling in waarde van de euro ten opzichte van de buitenlandse valuta voor de financiële verplichtingen van deze consument, maar deze consument evenwel niet heeft ingelicht over de economische context die van invloed kan zijn op de schommelingen in de wisselkoersen.

41      Volgens vaste rechtspraak inzake het transparantievereiste is het voor een consument van wezenlijk belang dat hij, vóór sluiting van de overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van de overeenkomst. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Hieruit volgt dat het feit dat bedingen van overeenkomsten formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om te voldoen aan het vereiste van transparantie van die bedingen dat voortvloeit uit artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13. Het vereiste dat bedingen van overeenkomsten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en derhalve transparant zijn, zoals neergelegd in die richtlijn, moet ruim worden opgevat, aangezien het door die richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan de verkoper beschikt (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      Bijgevolg moet dit vereiste aldus worden begrepen dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument formeel en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat wordt gesteld om de concrete werking van de berekeningswijze van dit beding te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten (arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Dit houdt met name in dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft en, in voorkomend geval, de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen op een transparante wijze moeten worden uiteengezet, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten (zie in die zin arrest van 27 januari 2021, Dexia Nederland, C‑229/19 en C‑289/19, EU:C:2021:68, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      De vraag of in casu aan het transparantievereiste is voldaan moet door de verwijzende rechter worden onderzocht in het licht van alle relevante feiten, waaronder de reclame en de inlichtingen die tijdens het onderhandelen van de leenovereenkomst in het hoofdgeding zijn verstrekt, niet alleen door de kredietgever zelf, maar ook door elke andere persoon die namens deze verkoper heeft deelgenomen aan de verkoop van de lening in kwestie.

46      Meer in het bijzonder staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of in de betrokken zaak aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. Een beslissende rol bij die beoordeling spelen de vraag of de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, zodat een gemiddelde consument, zoals beschreven in punt 43 van het onderhavige arrest, aan de hand daarvan die kosten kan ramen en voorts de omstandigheid dat de kredietovereenkomst niet de gegevens bevat die, gelet op de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft, essentieel worden geacht (zie in die zin arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      In casu merkt de verwijzende rechter op dat VE vóór het aangaan van de lening in het hoofdgeding een aanzienlijke hoeveelheid informatie had ontvangen. Hij voegt daar evenwel aan toe dat deze informatie gebaseerd was op de veronderstelling dat de wisselkoers euro/Zwitserse frank stabiel zou blijven. Het wisselkoersrisico werd echter nergens vermeld.

48      Met betrekking tot in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten als in het hoofdgeding moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat alle informatie die de verkoper verstrekt om de consument in te lichten over de werking van het mechanisme voor het omwisselen van valuta en het daaraan verbonden risico, relevant is voor genoemde beoordeling. Van bijzonder belang zijn de toelichtingen over de risico’s die de kredietnemer loopt ingeval het wettig betaalmiddel van de lidstaat waar de kredietnemer is gevestigd aanzienlijk in waarde daalt en de buitenlandse rentevoet stijgt.

49      Zoals het Europees Comité voor systeemrisico’s in herinnering heeft gebracht in zijn aanbeveling ESRB/2011/1 van 21 september 2011 inzake kredietverlening in vreemde valuta (PB 2011, C 342, blz. 1), moeten financiële instellingen kredietnemers voldoende informatie verschaffen die hen in staat stelt goed geïnformeerde en prudente beslissingen te nemen en die ten minste het effect op periodieke betalingen omvat van een scherpe waardevermindering van het wettig betaalmiddel van de lidstaat waar een kredietnemer is gevestigd, en van een toename van de buitenlandse rentevoet (Aanbeveling A – Risicobewustzijn van kredietnemers, punt 1) (arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Het Hof heeft in het bijzonder opgemerkt dat de kredietnemer duidelijk moet worden geïnformeerd over het feit dat hij zich met de sluiting van een in vreemde valuta luidende kredietovereenkomst blootstelt aan een wisselkoersrisico dat mogelijkerwijs economisch gezien een zware last kan worden ingeval de waarde van de valuta waarin hij zijn inkomsten ontvangt daalt. Voorts moet de verkoper uitleg geven over de mogelijke wisselkoersschommelingen en de risico’s die inherent zijn aan het aangaan van een lening in vreemde valuta (zie in die zin arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Hieruit volgt dat de verkoper slechts aan het transparantievereiste kan voldoen door informatie te verschaffen die een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt om niet alleen te begrijpen dat de ontwikkeling van de tussen de rekenmunt en de betaalmunt geldende wisselkoers, afhankelijk van de schommelingen in die wisselkoers, negatieve gevolgen kan hebben voor zijn financiële verplichtingen, maar ook dat hij bij de sluiting van een lening in vreemde valuta gedurende de hele looptijd van de overeenkomst een reëel risico loopt ingeval de munt waarin hij zijn inkomsten ontvangt scherpt daalt ten opzichte van de rekenmunt.

52      In dit verband is het van belang erop te wijzen dat de door de verwijzende rechter aangehaalde becijferde simulaties nuttige informatie kunnen vormen indien zij zijn gebaseerd op toereikende en juiste gegevens en indien zij objectieve beoordelingen bevatten die op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument worden meegedeeld. Alleen onder die voorwaarden kan de verkoper met dergelijke simulaties de consument attent maken op het risico dat de betrokken contractuele bedingen – mogelijk aanzienlijk – negatieve economische gevolgen hebben. Zoals alle andere informatie die de verkoper verstrekt over de omvang van de door de consument aangegane verbintenis, moeten de becijferde simulaties deze consument helpen begrijpen wat de werkelijke omvang is van het langetermijnrisico in verband met mogelijke wisselkoersschommelingen en dus van de risico’s die inherent zijn aan het sluiten van een kredietovereenkomst in vreemde valuta.

53      In het kader van een leenovereenkomst in vreemde valuta die de consument blootstelt aan een wisselkoersrisico kan dus niet worden voldaan aan het transparantievereiste door deze consument informatie te verstrekken – ook al is deze uitgebreid – indien die informatie is gebaseerd op de veronderstelling dat de tussen de rekenmunt en de betaalmunt geldende wisselkoers tijdens de hele looptijd van die overeenkomst stabiel zal blijven. Dit is met name het geval wanneer de verkoper de consument niet heeft gewaarschuwd voor de weerslag die de economische context kan hebben op de wisselkoersschommelingen, zodat de consument niet in staat is gesteld concreet te begrijpen welke mogelijk ernstige gevolgen het aangaan van een in vreemde valuta luidende lening voor zijn financiële situatie kan hebben.

54      In de tweede plaats is ook het soort taal dat de financiële instelling in de precontractuele en contractuele documenten heeft gebruikt een relevante factor voor de in punt 46 van dit arrest bedoelde beoordeling. Dat niet is voldaan aan het transparantievereiste van met name artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, blijkt in het bijzonder uit het ontbreken van bewoordingen of toelichtingen waarin de kredietnemer uitdrukkelijk wordt gewaarschuwd voor de bijzondere risico’s die verbonden zijn aan in vreemde valuta luidende leenovereenkomsten.

55      In de derde en laatste plaats zij eraan herinnerd dat de kwalificatie van een handelspraktijk als oneerlijk – waarover partijen in het hoofdgeding tijdens de terechtzitting voor het Hof hun standpunten hebben uitgewisseld – ook mogelijk een van de elementen is die de bevoegde rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen in een consumentenovereenkomst (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 43).

56      Dat element volstaat echter als zodanig niet om vast te stellen dat niet is voldaan aan het uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 voortvloeiende vereiste van transparantie, aangezien deze vraag moet worden onderzocht tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het betrokken geval (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      Gelet op een en ander moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst – waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd – wanneer de verkoper de consument toereikende en juiste gegevens heeft verstrekt die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt te begrijpen hoe het financiële mechanisme in kwestie concreet werkt en aldus het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van die bedingen voor zijn financiële verplichtingen tijdens de hele looptijd van die overeenkomst in te schatten.

 Tweede vraag

58      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de bedingen van een leenovereenkomst waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening – dat aanzienlijk kan stijgen als gevolg van schommelingen in de wisselkoers tussen de rekenmunt en de betaalmunt –, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument doordat deze bedingen hem aan een onevenredig wisselkoersrisico blootstellen.

59      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 een beding in een consumentenovereenkomst waarover niet is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

60      Voorts zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak de bevoegdheid van het Hof betrekking heeft op de uitlegging van de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan deze richtlijn, en met name bij de toetsing of een beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om zich in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen waarmee de verwijzende rechter geacht wordt rekening te houden bij de beoordeling of het betrokken beding oneerlijk is (zie in die zin arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Wat de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding betreft, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de criteria van artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betreffende geval te bepalen of een dergelijk beding voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie (zie met name arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62      De door artikel 5 van richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding is dan ook een van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de door de nationale rechter krachtens artikel 3, lid 1, van die richtlijn uit te voeren beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      In casu bepalen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele bedingen, die zijn opgenomen in een in vreemde valuta luidende kredietovereenkomst, dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat de looptijd van de overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de aflossingen wordt verhoogd ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, dat aanzienlijk kan stijgen als gevolg van schommelingen in de wisselkoers tussen de rekenmunt en de betaalmunt. Derhalve leggen deze bedingen het wisselkoersrisico bij de consument ingeval de nationale valuta sterk in waarde daalt ten opzichte van de vreemde valuta

64      In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter in het kader van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst als in het hoofdgeding – in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding en met name rekening houdend met de deskundigheid en de kennis van de verkoper, met betrekking tot de mogelijke wisselkoersschommelingen en de risico’s die inherent zijn aan het aangaan van een lening in vreemde valuta – in de eerste plaats moet nagaan of het vereiste van goede trouw is nageleefd en in de tweede plaats of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 56).

65      Wat het vereiste van goede trouw betreft, moet voor de beoordeling daarvan blijkens de zestiende overweging van richtlijn 93/13 met name rekening worden gehouden met de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en met de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet zijn instemming met het beding in kwestie te betuigen.

66      Om te bepalen of een beding in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, moet de nationale rechter nagaan of de verkoper, bij een eerlijke en billijke handelwijze jegens de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument dat beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie met name arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67      Om te beoordelen of de bedingen van een overeenkomst als die in het hoofdgeding leiden tot een aanzienlijke, voor de consument nadelige verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de leenovereenkomst die deze bedingen bevat, moet dus rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarvan de professionele kredietgever op het moment van sluiting van die overeenkomst op de hoogte kon zijn, met name gelet op zijn deskundigheid ten aanzien van mogelijke wisselkoersschommelingen en de aan het aangaan van een dergelijke lening inherente risico’s die van invloed konden zijn op de latere uitvoering van de lening en de rechtspositie van de consument.

68      Gelet op de kennis die de verkoper heeft van de voorzienbare economische context die mogelijk van invloed is op de wisselkoersschommelingen, het grotere vermogen van deze verkoper om te anticiperen op het wisselkoersrisico – dat zich op elk moment tijdens de looptijd van de overeenkomst kan voordoen – en het aanzienlijke risico van wisselkoersschommelingen dat de contractuele bedingen als in het hoofdgeding bij de consument leggen, moet worden geoordeeld dat dergelijke bedingen het evenwicht tussen de uit de betrokken leenovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument.

69      Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, lijken de contractuele bedingen in het hoofdgeding, voor zover de verkoper het transparantievereiste jegens de consument niet in acht heeft genomen, deze consument namelijk een risico te laten dragen dat niet in verhouding staat tot de verrichte prestaties en het bedrag van de ontvangen lening, aangezien de toepassing van die bedingen tot gevolg heeft dat de consument de kosten van de evolutie van de wisselkoersen op termijn moet dragen. Afhankelijk van deze evolutie kan deze consument in een situatie terechtkomen waarin het in de betaalmunt, in casu in euro’s, uitstaande bedrag aanzienlijk hoger is dan het oorspronkelijk geleende bedrag, en voorts de aflossingen nagenoeg uitsluitend hebben gediend ter afbetaling van de rente. Dit is met name het geval wanneer de verhoging van het in nationale valuta uitstaande kapitaal niet wordt gecompenseerd door het verschil tussen de rentevoet van de vreemde valuta en die van de nationale valuta, met dien verstande dat het bestaan van een dergelijk verschil voor de kredietnemer het voornaamste voordeel is van een lening in vreemde valuta.

70      In dergelijke omstandigheden kan, gelet op met name het uit artikel 5 van richtlijn 93/13 voortvloeiende transparantievereiste, niet worden aangenomen dat de verkoper, bij een transparante handelwijze jegens de consument, er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument dergelijke bedingen zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie naar analogie arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C‑84/19, C‑222/19 en C‑252/19, EU:C:2020:631, punt 96). Niettemin staat het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

71      Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de bedingen van een leenovereenkomst waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat ter betaling van het schuldsaldo van de rekening – dat aanzienlijk kan stijgen als gevolg van schommelingen in de wisselkoers tussen de rekenmunt en de betaalmunt – de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, wanneer de verkoper met inachtneming van het vereiste van transparantie jegens de consument niet redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat de consument een – uit dergelijke bedingen voortvloeiend – onevenredig groot wisselkoersrisico zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.

 Kosten

72      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat de bedingen van de leenovereenkomst die bepalen dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd, onder deze bepaling vallen wanneer deze bedingen een wezenlijk kenmerk van die overeenkomst vastleggen.

2)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een in vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst – waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat, ter betaling van het schuldsaldo van de rekening, de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd – wanneer de verkoper de consument toereikende en juiste gegevens heeft verstrekt die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt te begrijpen hoe het financiële mechanisme in kwestie concreet werkt en aldus het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van die bedingen voor zijn financiële verplichtingen tijdens de hele looptijd van die overeenkomst in te schatten.

3)      Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat de bedingen van een leenovereenkomst waarin is bepaald dat de vaste termijnbetalingen met voorrang worden aangewend voor de betaling van de rente en dat ter betaling van het schuldsaldo van de rekening – dat aanzienlijk kan stijgen als gevolg van schommelingen in de wisselkoers tussen de rekenmunt en de betaalmunt – de looptijd van deze overeenkomst wordt verlengd en het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt verhoogd, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, wanneer de verkoper met inachtneming van het vereiste van transparantie jegens de consument niet redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat de consument een – uit dergelijke bedingen voortvloeiend – onevenredig groot wisselkoersrisico zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.