Language of document : ECLI:EU:T:2021:410

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

7 juli 2021 (*)

„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Iran – Lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent”

In zaak T‑692/15 RENV,

HTTS Hanseatic Trade Trust & Shipping GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Schlingmann, advocaat,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix en M. Bishop als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Tricot, C. Hödlmayr, J. Roberti di Sarsina en M. Kellerbauer als gemachtigden,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens de artikelen 268 en 340 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van de plaatsing van haar naam, bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2010, L 195, blz. 25), op de lijst in bijlage V bij verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1), en voorts, bij verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), op de lijst in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, M. Jaeger en O. Porchia (rapporteur), rechters,

griffier: B. Lefebvre, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 november 2020,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding en procesverloop voor terugverwijzing

1        HTTS Hanseatic Trade Trust & Shipping GmbH (hierna: „verzoekster”), opgericht in 2009 door Naser Bateni, is een vennootschap naar Duits recht die optreedt als scheepsagent en technisch scheepsbeheerder.

2        De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die zijn genomen om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens te staken. Meer in het bijzonder betreft zij de maatregelen tegen de scheepvaartmaatschappij Islamic Republic of Iran Shipping Lines (hierna: „IRISL”) en de natuurlijke of rechtspersonen die banden zouden hebben met die maatschappij, waaronder met name, volgens de Raad van de Europese Unie, IRISL Europe, verzoekster en twee andere scheepvaartmaatschappijen, Hafize Darya Shipping Lines (hierna: „HDSL”) en Safiran Pyam Darya Shipping Lines (hierna: „SAPID”).

3        Bij besluit 2010/413/GBVB van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39) heeft de Raad de naam van verzoekster geplaatst op de lijst van entiteiten die bijdragen tot de nucleaire proliferatie die is opgenomen in bijlage II bij dat besluit. Dientengevolge is verzoeksters naam bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 25) geplaatst op de lijst in bijlage V bij verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1). Besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 berustten, voor zover daarbij verzoeksters naam voor het eerst op de lijst is geplaatst (hierna: „eerste plaatsing”), op het feit dat die vennootschap „namens HDSL in Europa [optrad]”. Tegen die plaatsing is geen beroep tot nietigverklaring ingesteld.

4        Op 25 oktober 2010 heeft de Raad verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1) vastgesteld. Bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010 bevatte de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden krachtens artikel 16, lid 2, van die verordening waren bevroren. Uit de betrokken verordening, waarbij verzoekster op die lijst is geplaatst (hierna: „tweede plaatsing”), blijkt dat de tegen die onderneming in aanmerking genomen reden was dat zij „[werd] gecontroleerd door [of] [...] in Europa [optrad] namens IRISL”. Verzoekster is tegen die tweede plaatsing opgekomen bij het Gerecht.

5        Bij arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), heeft het Gerecht de tweede plaatsing nietig verklaard, maar de gevolgen van verordening nr. 961/2010, voor zover deze betrekking had op verzoekster, gehandhaafd tot en met 7 februari 2012.

6        Na het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), heeft de Raad verzoeksters naam opnieuw op een lijst geplaatst, namelijk om te beginnen op 23 januari 2012, bij besluit 2012/35/GBVB houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB 2012, L 19, blz. 22), om de volgende redenen: „[o]nder zeggenschap van [...] IRISL [of] handelend namens IRISL. [Verzoekster] staat geregistreerd op hetzelfde adres als IRISL Europe GmbH in Hamburg [(Duitsland)], waarvan de zaakvoerder, Naser [Bateni], eerder in dienst was bij IRISL.” Bijgevolg is verzoeksters naam om die redenen bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 54/2012 van de Raad van 23 januari 2012 houdende uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 19, blz. 1) geplaatst op de lijst in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010.

7        Vervolgens is verzoeksters naam op 23 maart 2012 geplaatst op de lijst in verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1). Die door verzoekster bij het Gerecht betwiste plaatsing is nietig verklaard bij het arrest van 12 juni 2013, HTTS/Raad (T‑128/12 en T‑182/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:312).

8        Ten slotte is verzoeksters naam op 15 november 2013 bij besluit 2013/661/GBVB houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB 2013, L 306, blz. 18), en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2013 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 (PB 2013, L 306, blz. 3) opnieuw op een lijst geplaatst. Verzoekster heeft die plaatsing betwist bij het Gerecht, dat die plaatsing bij arrest van 18 september 2015, HTTS en Bateni/Raad (T‑45/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:650), nietig heeft verklaard.

9        Ondertussen heeft het Gerecht bij arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), de plaatsing van de naam van IRISL en van andere scheepvaartmaatschappijen, waaronder HDSL en SAPID, op de hen betreffende lijsten nietig verklaard, omdat de door de Raad aangevoerde elementen niet rechtvaardigden dat de naam van IRISL op een lijst werd geplaatst en bijgevolg evenmin konden rechtvaardigen dat beperkende maatregelen werden vastgesteld en gehandhaafd tegen de andere scheepvaartmaatschappijen die wegens hun banden met IRISL op de lijsten waren geplaatst.

10      Bij schrijven van 23 juli 2015 heeft verzoekster de Raad verzocht om vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden door de eerste en de navolgende plaatsingen van haar naam op de lijsten van personen die banden hebben met de activiteiten van IRISL. Bij brief van 16 oktober 2015 heeft de Raad dat verzoek afgewezen.

11      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 november 2015, heeft verzoekster beroep ingesteld waarbij zij erom verzocht:

–        de Raad te veroordelen tot betaling aan haar van een vergoeding ten bedrage van 2 513 221,50 EUR voor materiële en immateriële schade die zij heeft geleden door de plaatsing van haar naam op de lijsten van personen, entiteiten en lichamen in bijlage V bij verordening nr. 423/2007 en in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010 (hierna samen: „litigieuze lijsten”);

–        de Raad te veroordelen tot betaling, met ingang van 17 oktober 2015, van een vertragingsrente die 2 procentpunten hoger ligt dan de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringstransacties vastgestelde rente, en

–        de Raad te verwijzen in de kosten.

12      Dat beroep is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T‑692/15.

13      De Raad heeft verzocht het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren, en verzoekster te verwijzen in de kosten.

14      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 april 2016, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beslissing van 13 mei 2016 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht dat verzoek overeenkomstig artikel 144, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ingewilligd.

15      De sluiting van de schriftelijke behandeling is op 30 augustus 2016 aan partijen betekend. Geen van de partijen heeft, zoals is voorgeschreven bij artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, een verzoek tot vaststelling van een terechtzitting ingediend binnen de termijn van drie weken na die betekening.

16      Bij beslissing van de president van het Gerecht van 5 oktober 2016 is de zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die lid is van de Derde kamer.

17      Bij beslissing van 8 juni 2017, die de dag daarna aan partijen is betekend, heeft het Gerecht, dat zich door de stukken van het dossier voldoende voorgelicht achtte en gelet op het feit dat partijen niet om een mondelinge behandeling hadden verzocht, beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.

18      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juni 2017, heeft verzoekster evenwel om een terechtzitting gevraagd, met name vanwege de uitspraak van het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), en heeft zij het Gerecht verzocht om in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang haar directeur en enige vennoot, Bateni, te horen over in het bijzonder de omvang van de materiële en immateriële schade die zij stelde te hebben geleden.

19      Bij beslissing van 20 juni 2017 heeft het Gerecht in de eerste plaats zijn beslissing van 8 juni 2017 bevestigd. Wat verzoeksters verzoek tot het houden van een terechtzitting betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat dit verzoek buiten de gestelde termijn was ingediend en vastgesteld dat er geen nieuwe elementen waren die in voorkomend geval het houden van een dergelijke terechtzitting konden rechtvaardigen. Het was in dat verband van oordeel dat het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), slechts het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), had bevestigd en derhalve niet kon rechtvaardigen dat de mondelinge behandeling werd geopend. In de tweede plaats heeft het Gerecht het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang betreffende het horen van Bateni niet ingewilligd, omdat het zich reeds voldoende voorgelicht achtte door de stukken van het dossier en door de relevante rechtspraak inzake de raming van de schade die voortvloeit uit een onrechtmatige beperkende maatregel.

20      Bij arrest van 13 december 2017, HTTS/Raad (T‑692/15, EU:T:2017:890; hierna: „oorspronkelijk arrest”), heeft het Gerecht het door verzoekster ingestelde beroep tot schadevergoeding verworpen en verzoekster verwezen in de kosten. Het heeft het eerste en het tweede middel van verzoekster afgewezen, te weten respectievelijk niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van de materiële voorwaarden voor plaatsing van haar naam op de litigieuze lijsten.

21      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 februari 2018, heeft verzoekster tegen het oorspronkelijke arrest hogere voorziening ingesteld, die is ingeschreven onder zaaknummer C‑123/18 P. Bij arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad (C‑123/18 P, EU:C:2019:694; hierna: „arrest in hogere voorziening”), heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd en de zaak overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar het Gerecht terugverwezen en de beslissing over de kosten aangehouden.

22      Zoals blijkt uit de punten 51 en 56 tot en met 86 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof in essentie geoordeeld dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 49 en 50 van het oorspronkelijke arrest te oordelen dat de Raad zich kon beroepen op relevante gegevens die bij de plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten niet in aanmerking waren genomen, en met name, door in punt 60 van dat arrest te oordelen dat uit een reeks gegevens die in punt 59 van dat arrest waren vermeld, volgde dat de Raad geen voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel van de Unie had begaan bij de beoordeling van de reikwijdte van de handelsbetrekkingen tussen verzoekster en IRISL, aangezien de Raad op het tijdstip van de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten niet op de hoogte was van die gegevens die aantoonden dat verzoekster een „onderneming in eigendom of onder zeggenschap” van IRISL was.

 Procesverloop en conclusies van partijen na terugverwijzing

23      De naar het Gerecht terugverwezen zaak is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder zaaknummer T‑692/15 RENV en op 19 september 2019 overeenkomstig artikel 216, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de Eerste kamer.

24      Partijen is overeenkomstig artikel 217, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verzocht hun opmerkingen in te dienen over de conclusies die uit het arrest in hogere voorziening moeten worden getrokken voor de onderhavige procedure. Zij hebben hun opmerkingen binnen de gestelde termijn ingediend.

25      In haar op 11 november 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen heeft verzoekster een standpunt ingenomen over de gevolgen van het arrest in hogere voorziening voor de onderhavige zaak. Dienaangaande handhaaft zij de vorderingen die zij heeft geformuleerd in het inleidende verzoekschrift, strekkende tot veroordeling van de Raad tot betaling aan haar van een vergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade.

26      In zijn op 19 november 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen verzoekt de Raad het Gerecht:

–        het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in ieder geval volledig ongegrond te verklaren, en

–        verzoekster te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Gerecht in de zaken T‑692/15 en T‑692/15 RENV en in de kosten van de hogere voorziening bij het Hof in zaak C‑123/18 P.

27      In haar op 19 november 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen verzoekt de Commissie het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

28      Verzoekster en de Raad hebben op respectievelijk 29 en 30 januari 2020 verzocht om een terechtzitting.

29      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht die verzoeken ingewilligd en de mondelinge behandeling geopend.

30      Bij beslissing van 30 juni 2020 heeft de president van de Eerste kamer, partijen gehoord, krachtens artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering besloten om de onderhavige zaak voor de mondelinge behandeling te voegen met zaak T‑455/17, Bateni/Raad.

31      Nadat de terechtzitting wegens de gezondheidscrisis in verband met COVID-19 verschillende keren was uitgesteld, hebben partijen ter terechtzitting van 20 november 2020, die met instemming van verzoekster per videoconferentie heeft plaatsgevonden, pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

 In rechte

 Middel van niet-ontvankelijkheid inzake de verjaring van verzoeksters vordering tot schadevergoeding

32      In zijn dupliek in het kader van de oorspronkelijke procedure voert de Raad aan dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is omdat de verjaringstermijn van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is verstreken.

33      De Raad betoogt in dit verband dat het op 25 november 2015 door verzoekster ingestelde beroep is gebaseerd op handelingen die meer dan vijf jaar eerder zijn vastgesteld, namelijk op 26 juli 2010 (uitvoeringsverordening nr. 668/2010) en 25 oktober 2010 (verordening nr. 961/2010).

34      De Raad is van mening dat het beroep in elk geval gedeeltelijk niet-ontvankelijk is wegens de verjaring van verzoeksters recht om een schadevergoeding te vorderen met betrekking tot de schade die zij stelt te hebben geleden voor 25 november 2010, te weten vijf jaar vóór de instelling van het beroep tot schadevergoeding bij het Gerecht op 25 november 2015.

35      Bovendien handhaaft de Raad dat argument in zijn op 19 november 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen door te verklaren dat „[a]angezien de in het kader van het beroep aangevoerde rechten gedeeltelijk zijn verjaard, [...] het arrest van 10 september 2019 [...] geen enkele invloed [heeft] op [zijn] argument dat het Gerecht gedeeltelijk onbevoegd is”.

36      Ter terechtzitting heeft verzoekster, die was verzocht om ten aanzien van dat argument een standpunt in te nemen, eraan herinnerd dat zij de Raad vóór de gerechtelijke procedure binnen de termijn van vijf jaar om schadevergoeding had verzocht.

37      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, bepaalt dat de vorderingen tegen de Europese Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven, verjaren. De verjaring wordt gestuit hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel 263 VWEU, en is artikel 265, tweede alinea, VWEU van overeenkomstige toepassing.

38      Voorts is de termijn van twee maanden van artikel 263 VWEU van toepassing ingeval de persoon die het verzoek heeft gedaan een afwijzende beslissing op het voorafgaand verzoek bij de bevoegde instelling ontvangt en is de termijn van twee maanden van artikel 265, tweede alinea, VWEU van toepassing ingeval de betrokken instelling binnen twee maanden vanaf dit verzoek geen standpunt heeft bepaald [zie in die zin beschikking van 4 mei 2005, Holcim (Frankrijk)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punt 38, en arrest van 21 juli 2016, Nutria/Commissie, T‑832/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:428, punt 36].

39      In casu is de eerste plaatsing op 27 juli 2010 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en heeft verzoekster de Raad op 23 juli 2015 per fax verzocht om schadevergoeding. Na het verstrijken van de termijn van twee maanden, hetgeen als stilzwijgende afwijzing van dat verzoek geldt, heeft de Raad die stilzwijgende afwijzing ingetrokken door dat verzoek bij brief van 16 oktober 2015 af te wijzen (zie naar analogie arrest van 11 juni 2019, Frank/Commissie, T‑478/16, EU:T:2019:399, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien verzoekster haar beroep tot schadevergoeding op 25 november 2015 heeft ingesteld, heeft zij dit gedaan binnen twee maanden na ontvangst van de brief van de Raad waarbij deze laatste haar verzoek afwees (zie in die zin arrest van 16 april 1997, Hartmann/Raad en Commissie, T‑20/94, EU:T:1997:55, punt 134).

40      In casu kan de verjaringstermijn dus worden geacht te zijn gestuit op 23 juli 2015, dat wil zeggen minder dan vijf jaar na 27 juli 2010, zodat het onderhavige beroep ontvankelijk moet worden geacht.

 Middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht

41      Verzoekster betoogt in essentie dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie is ingetreden, aangezien verzoeksters naam in strijd met de motiveringsplicht op de litigieuze lijsten is geplaatst.

42      In herinnering dient te worden gebracht dat het Gerecht overeenkomstig artikel 61, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, indien de zaak wordt verwezen, is gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen.

43      Zoals de Raad en de Commissie benadrukken en verzoekster ter terechtzitting heeft erkend, is in het arrest in hogere voorziening immers de slotsom van punt 88 van het oorspronkelijke arrest bevestigd dat de niet-nakoming van de motiveringsplicht in beginsel niet kan resulteren in de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, waarbij het Hof voorts erop heeft gewezen dat, zelfs indien verzoekster bewijzen zou hebben overgelegd waaruit bleek dat uitvoeringsverordening nr. 668/2010 onrechtmatig was wegens een motiveringsgebrek, haar grieven hoe dan ook niet konden leiden tot de vaststelling dat er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het recht van de Unie die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kon leiden (zie in die zin arrest in hogere voorziening, punten 102 en 103).

44      Om dezelfde redenen moet het middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht worden afgewezen.

 Middel inzake een voldoende gekwalificeerde schending van de materiële voorwaarden voor plaatsing op de litigieuze lijsten

45      Ter onderbouwing van dit middel voert verzoekster twee grieven aan. Met de eerste grief voert zij aan dat de Raad niet op basis van toereikende bewijselementen heeft aangetoond dat zij onder controle stond van IRISL. Met de tweede grief betoogt zij dat de reden op grond waarvan haar naam op de litigieuze lijsten werd geplaatst, te weten de betrokkenheid van IRISL en HDSL bij nucleaire proliferatie, gelet op het arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), onjuist was.

46      Voorts stelt verzoekster in essentie dat uitvoeringsverordening nr. 668/2010 onrechtmatig is. Hoewel het Hof van oordeel is dat de nietigverklaring van verordening nr. 961/2010, voor zover deze verzoekster betreft, niet automatisch de nietigverklaring van die uitvoeringsverordening met zich brengt, zijn die teksten volgens verzoekster op een ontoereikende feitelijke grondslag vastgesteld en zijn zij dus nietig. Verzoekster is dan ook van mening dat, indien er ten tijde van de tweede plaatsing onvoldoende bewijzen waren om haar naam op een lijst te kunnen plaatsen, dit a fortiori voor de eerste plaatsing moet gelden.

47      Wat de eerste grief betreft, betoogt verzoekster dat de eerste en de tweede plaatsing (hierna samen: „litigieuze plaatsingen”), die respectievelijk zijn gemotiveerd met de vermelding dat zij „namens HDSL in Europa [optreedt]” en „[wordt] gecontroleerd door [of] [...] in Europa [optreedt] namens IRISL”, op geen enkele feitelijke grondslag waren gebaseerd, aangezien met name de Raad ter terechtzitting van het Hof van 5 maart 2019 heeft erkend dat hij op de datum van die plaatsingen niet beschikte over de in punt 59 van het oorspronkelijke arrest bedoelde informatie en dat hij die informatie niet had gebruikt bij het onderzoek van de zaak.

48      Wat de tweede grief betreft, betoogt verzoekster dat de schending door de Raad des te belangrijker is, aangezien de gronden waarop haar naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, namelijk de betrokkenheid van IRISL en HDSL bij nucleaire proliferatie, reeds gelet op het arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), onjuist waren, zodat de litigieuze plaatsingen op een „dubbele fout” berusten. Zij stelt dat IRISL en HDSL niet betrokken waren bij nucleaire proliferatie en voorts dat er tussen haar en die vennootschappen geen enkele band bestond die hen in staat stelde haar economische beslissingen te beïnvloeden.

49      De Raad en de Commissie betwisten alle grieven van verzoekster.

 Overzicht van de rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie

50      In herinnering dient te worden gebracht dat de schadevordering een zelfstandige beroepsweg is, die niet strekt tot opheffing van een bepaalde maatregel, maar tot vergoeding van de door een instelling veroorzaakte schade (zie in die zin arrest van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad, 5/71, EU:C:1971:116, punt 3) en dat de vordering tot nietigverklaring geen voorafgaande voorwaarde is om bij het Gerecht een beroep tot schadevergoeding te kunnen instellen.

51      Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie in die zin arrest van 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C‑221/10 P, EU:C:2012:216, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest in hogere voorziening, punt 32).

52      Volgens vaste rechtspraak zijn de voorwaarden voor het intreden van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU, cumulatief (zie in die zin arrest van 7 december 2010, Fahas/Raad, T‑49/07, EU:T:2010:499, punt 93, en beschikking van 17 februari 2012, Dagher/Raad, T‑218/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:82, punt 34). Daaruit vloeit voort dat wanneer aan een van die voorwaarden niet is voldaan, het beroep in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere voorwaarden (zie in die zin arresten van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 14, en 26 oktober 2011, Dufour/ECB, T‑436/09, EU:T:2011:634, punt 193).

53      Uit vaste rechtspraak vloeit voort dat de vaststelling van de onrechtmatigheid van een rechtshandeling van de Unie, in het kader van bijvoorbeeld een beroep tot nietigverklaring, niet volstaat – hoe betreurenswaardig deze vaststelling ook moge zijn – voor het oordeel dat de Unie automatisch niet-contractueel aansprakelijk is omdat een van haar instellingen onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de rechtspraak is immers enkel aan die voorwaarde voldaan wanneer de verzoekende partij aantoont dat de betrokken instelling niet louter een onrechtmatigheid heeft begaan, maar een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die tot doel had om particulieren rechten toe te kennen (zie arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Daarnaast heeft het bewijs van een voldoende gekwalificeerde schending tot doel, met name op het gebied van de beperkende maatregelen, te voorkomen dat de taak die de betrokken instelling in het algemeen belang van de Unie en haar lidstaten dient uit te voeren, wordt belemmerd door het risico dat die instelling uiteindelijk de schade dient te vergoeden die de door haar handelingen geraakte personen eventueel zouden kunnen lijden, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat de materiële of immateriële consequenties van schendingen die de betrokken instelling op flagrante en onverschoonbare wijze mocht hebben gepleegd, voor rekening van deze particulieren komen (zie arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Immers kan de ruimere doelstelling om overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie de internationale vrede en veiligheid in stand te houden – zelfs aanzienlijke – negatieve gevolgen rechtvaardigen die voor bepaalde marktdeelnemers voortvloeien uit besluiten tot uitvoering van handelingen die de Unie heeft vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van deze hoofddoelstelling (zie arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punt 50).

 Overzicht van de in het arrest in hogere voorziening geformuleerde beginselen

56      In punt 33 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof in herinnering gebracht dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, wanneer zij een kennelijke en ernstige overschrijding door de betrokken instelling van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid impliceert, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de instelling van de Unie laat.

57      In dit verband heeft het Hof er in de eerste plaats, in punt 34 van het arrest in hogere voorziening, op gewezen dat het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel van de Unie volgt uit de noodzaak een afweging te maken tussen de bescherming van particulieren tegen onrechtmatige handelingen van de instellingen en de handelingsvrijheid die aan deze instellingen moet worden gelaten om daadkrachtig te kunnen optreden, en dat die afweging des te belangrijker is op het gebied van beperkende maatregelen waar de belemmeringen die de Raad ondervindt op het vlak van de beschikbaarheid van informatie de beoordeling die hij moet verrichten vaak bijzonder moeilijk maken.

58      In de tweede plaats heeft het Hof in punt 43 van het arrest in hogere voorziening aangegeven dat alleen de vaststelling van een onregelmatigheid die een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid in vergelijkbare omstandigheden niet zou hebben begaan, kan leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

59      In de derde plaats heeft het Hof in de punten 44 en 46 van het arrest in hogere voorziening geoordeeld dat de in punt 56 hierboven genoemde parameters die in aanmerking moeten worden genomen wanneer wordt beoordeeld of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel van de Unie, alle betrekking hadden op de datum waarop de betrokken instelling het besluit had vastgesteld of de gedraging had gesteld en dat daaruit volgde dat het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel van de Unie noodzakelijkerwijze moest worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden waarin de instelling op die specifieke datum had gehandeld.

60      In de vierde plaats heeft het Hof in punt 41 van het arrest in hogere voorziening vastgesteld dat, aangezien de tweede plaatsing nietig was verklaard bij het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), dat in kracht van gewijsde was gegaan, wat verordening nr. 961/2010 betreft was voldaan aan het eerste aspect van de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, te weten een schending van een rechtsregel van de Unie die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

61      In de vijfde plaats heeft het Hof in de punten 99 en 100 van het arrest in hogere voorziening verklaard dat uit het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), waarin het Gerecht had geoordeeld dat er sprake was van een motiveringsgebrek, niet kon worden afgeleid dat uitvoeringsverordening nr. 668/2010 eveneens moest worden geacht onrechtmatig te zijn wegens hetzelfde gebrek en dat verzoekster, die de rechtmatigheid van de eerste plaatsing niet met een beroep tot nietigverklaring had betwist, moest bewijzen dat die uitvoeringsverordening onrechtmatig was, aangezien de handelingen van de instellingen van de Unie in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn en rechtsgevolgen in het leven te roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard.

62      In de zesde plaats heeft het Hof, wat met name de plaatsingscriteria betreft die volgens verzoekster in casu ernstig en kennelijk zijn geschonden, in punt 69 van het arrest in hogere voorziening aangegeven dat het gebruik van de termen „in eigendom” of „onder zeggenschap”, te weten de plaatsingscriteria die zijn opgenomen in verordeningen nr. 423/2007 en nr. 961/2010 en op basis waarvan de litigieuze plaatsingen zijn verricht, beantwoordde aan de noodzaak de Raad in staat te stellen doeltreffend op te treden tegen alle personen, entiteiten of lichamen die banden hadden met ondernemingen die betrokken waren bij nucleaire proliferatie. Volgens het Hof betekende dit dat de eigendom of zeggenschap direct of indirect kan zijn. Indien deze band uitsluitend op basis van de directe eigendom of zeggenschap van dergelijke personen zou worden vastgesteld, zouden de maatregelen namelijk kunnen worden omzeild door tal van mogelijke vormen van contractuele of feitelijke zeggenschap, waarbij een onderneming even uitgebreide mogelijkheden zou krijgen om invloed over andere entiteiten uit te oefenen als in geval van directe eigendom of zeggenschap.

63      In punt 70 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof er derhalve op gewezen dat het begrip „onderneming in eigendom of onder zeggenschap”, zoals het Gerecht dit in het oorspronkelijke arrest in herinnering had gebracht, op het gebied van beperkende maatregelen niet dezelfde strekking had als die welke in het algemeen in het vennootschapsrecht wordt bedoeld wanneer het erom gaat de zakelijke verantwoordelijkheid vast te stellen van een vennootschap die juridisch onder het besluitvormend toezicht van een andere economische entiteit staat.

64      Aldus heeft het Hof in punt 75 van het arrest in hogere voorziening bevestigd dat een onderneming kon worden aangemerkt als een „onderneming die eigendom is of onder zeggenschap staat van een andere entiteit” indien laatstgenoemde entiteit zich in een situatie bevond waarin zij in staat was de keuzes van de betrokken onderneming te beïnvloeden, zelfs wanneer er tussen beide economische entiteiten geen juridische band of band in de vorm van eigendom of deelneming in het kapitaal bestond.

65      Ten slotte heeft het Hof in de punten 77 tot en met 79 van het arrest in hogere voorziening vastgesteld dat voor de vaststelling van maatregelen het handelen onder zeggenschap van een persoon of entiteit moest worden gelijkgesteld met het optreden namens die persoon of entiteit. Het heeft erop gewezen dat die conclusie werd ondersteund door de analyse van het doel van artikel 16, lid 2, onder d), van verordening nr. 961/2010, dat was bedoeld om de Raad in staat te stellen doeltreffende maatregelen te nemen tegen personen die betrokken waren bij nucleaire proliferatie en te voorkomen dat dergelijke maatregelen werden omzeild. Voorts heeft het verklaard dat die conclusie ook steun vond in de analyse van de context van die bepaling.

 Beoordeling door het Gerecht

66      In het licht van de in de punten 50 tot en met 65 hierboven uiteengezette beginselen moet worden nagegaan of in casu is voldaan aan de voorwaarden voor het intreden van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en met name of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

67      Om te beginnen heeft het Hof, gelet op hetgeen in punt 60 hierboven in herinnering is gebracht, wat de tweede plaatsing betreft – voor zover deze nietig is verklaard bij het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), dat in kracht van gewijsde is gegaan – erkend dat wat verordening nr. 961/2010 betreft was voldaan aan het eerste aspect van de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, te weten een schending van een rechtsregel van de Unie die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

68      Daarentegen moet met betrekking tot de eerste plaatsing worden vastgesteld dat, zoals in punt 61 hierboven in herinnering is gebracht, uit het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), waarin is geoordeeld dat er sprake was van een motiveringsgebrek, niet kon worden afgeleid dat uitvoeringsverordening nr. 668/2010 eveneens moest worden geacht onrechtmatig te zijn wegens hetzelfde gebrek en dat verzoekster, die de rechtmatigheid van de eerste plaatsing niet met een beroep tot nietigverklaring had betwist, moest bewijzen dat die uitvoeringsverordening onrechtmatig was, aangezien de handelingen van de instellingen van de Unie in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn.

69      Zelfs gesteld dat de eerste plaatsing onrechtmatig is, moet voor die plaatsing en voor de tweede plaatsing in ieder geval worden onderzocht of op basis van de door verzoekster aangevoerde en in de punten 47 en 48 hierboven in herinnering gebrachte gegevens kan worden aangetoond dat die plaatsingen een voldoende gekwalificeerde schending vormen van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

–       Eerste grief: de Raad heeft geen feitelijke gegevens verstrekt die de conclusie staven dat verzoekster onder zeggenschap van IRISL stond

70      Verzoekster betoogt in essentie dat de Raad de materiële plaatsingsvoorwaarden ernstig en kennelijk heeft geschonden door te verklaren dat verzoekster onder zeggenschap van IRISL stond of namens IRISL optrad, zonder daarvoor over bewijs te beschikken.

71      Ten eerste voert verzoekster aan dat de Raad bij de litigieuze plaatsingen niet heeft onderzocht wat de aard van de zeggenschap van IRISL over haar was, over geen enkel bewijs beschikte en op aanwijzingen van de lidstaten had gehandeld. Volgens haar heeft het Gerecht die handelwijze in het arrest van 12 juni 2013, HTTS/Raad (T‑128/12 en T‑182/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:312), als een „kennelijke beoordelingsfout” aangemerkt. Voorts betwist verzoekster de handelwijze van de Raad na de nietigverklaring van de tweede plaatsing, die erin bestond haar opnieuw op een lijst te plaatsen met een licht gewijzigde motivering. Zij komt tot de slotsom dat de Raad de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid ernstig en kennelijk heeft overschreden en de materiële plaatsingsvoorwaarden op flagrante wijze heeft geschonden.

72      Ten tweede betoogt verzoekster, met name op basis van het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), dat de Raad geen enkele beoordelingsmarge had met betrekking tot de verplichting om de gegrondheid van de litigieuze plaatsingen aan te tonen en dat hij, net als in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, een ernstige en kennelijke schending heeft begaan door tot die plaatsingen over te gaan zonder over enige informatie of bewijs te beschikken. Voorts stelt zij dat de Raad zich ter rechtvaardiging van een dergelijke handelswijze niet kon beroepen op de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, noch op de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de regels van de Unie op dat gebied, aangezien die ingewikkeldheid en moeilijkheden, gelet op het flagrante karakter van de schending, niet de oorzaak van die schending waren.

73      Aldus moet in het licht van het arrest in hogere voorziening worden nagegaan of de Raad op de datum van de litigieuze plaatsingen, uitsluitend gelet op de bewijselementen waarover die instelling op dat precieze moment beschikte, de materiële plaatsingsvoorwaarden op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden.

74      Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de Raad de betrokken plaatsingen, zonder over enig bewijs te beschikken, op basis van aanwijzingen van de lidstaten heeft verricht, zij erop gewezen dat de Raad ter terechtzitting de inhoud heeft gepreciseerd van de verklaring die hij ter terechtzitting van het Hof van 5 maart 2019 had afgelegd, volgens welke hij op de datum van die plaatsingen niet in het bezit was van de in punt 59 van het oorspronkelijke arrest bedoelde informatie, door aan te geven dat hij niet over alle informatie beschikte.

75      Met name wat de eerste plaatsing betreft, heeft de Raad verklaard dat deze was gebaseerd op het feit dat verzoekster was gevestigd te Hamburg (Duitsland), Schottweg 7, en dat IRISL Europe, de Europese dochteronderneming van IRISL, was gevestigd te Hamburg, Schottweg 5. Zoals de Raad betoogt, beschikte hij ten tijde van genoemde plaatsing wel degelijk over die informatie betreffende het adres van verzoekster en van IRISL Europe, zoals blijkt uit de identificatiegegevens betreffende de ondernemingen die zijn geplaatst op de lijst in bijlage V bij verordening nr. 423/2007, in de versie die voortvloeit uit de bijlage, deel III, punt 1, onder d) en j), bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010.

76      Voorts heeft de Raad aangevoerd dat hij beschikte over resoluties 1803 (2008) en 1929 (2010) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 3 maart 2008 en 9 juni 2010 over IRISL, alsmede over het verslag van het Sanctiecomité van die Veiligheidsraad, waarin drie kennelijke schendingen door IRISL van het bij resolutie 1747 (2007) van die Veiligheidsraad van 24 maart 2007 ingestelde wapenembargo werden vastgesteld. Ten eerste volgt het bewijs dat die documenten wel degelijk in het bezit van de Raad waren, zoals de Raad terecht aangeeft, uit het feit dat ernaar wordt verwezen in de motivering betreffende de plaatsing van IRISL op de lijst in bijlage II, deel III, bij besluit 2010/413, alsook op die in de bijlage, deel III, bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010.

77      Ten tweede is niet ter discussie gesteld dat de drie schendingen van het wapenembargo die in dat verslag van het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waren vastgesteld zich werkelijk hadden voorgedaan, en is evenmin de inhoud van dat verslag betwist, voor zover daaruit bleek dat IRISL activiteiten had aangevangen om de vastgestelde maatregelen te omzeilen door haar activiteiten aan andere ondernemingen over te dragen en dat haar zetel in Europa dicht bij die van verzoekster lag. Zoals de Raad in essentie heeft opgemerkt, waren dat aanwijzingen voor de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten, aangezien die plaatsing het rechtstreekse gevolg was van de plaatsing van zowel IRISL als HDSL op die lijsten, met dien verstande dat de naam van deze laatste onderneming waarvoor verzoekster optrad, was opgenomen op de lijst in bijlage II, deel III, bij besluit 2010/413 en in de bijlage, deel III, bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010, omdat HDSL zelf namens IRISL optrad.

78      Ook zij erop gewezen dat verzoekster de geografische nabijheid van de zetel van IRISL Europe en die van verzoekster niet heeft betwist. Verzoekster heeft ter terechtzitting met betrekking tot die nabijheid zelfs erkend dat zij ten tijde van de litigieuze plaatsingen, en dus ook ten tijde van de eerste plaatsing, een beroep kon doen op de werknemers van IRISL Europe, die een deel van haar personeel ter beschikking van verzoekster had gesteld.

79      Met betrekking tot de tweede plaatsing heeft de Raad aangevoerd dat deze ook was gebaseerd op precieze en niet-betwiste omstandigheden, die door verzoekster waren erkend in twee brieven, van 10 en 13 september 2010, waarbij zij de Raad had verzocht het besluit om haar naam op de litigieuze lijsten te plaatsen, te heroverwegen. Zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, blijkt uit die brieven dat verzoekster ten tijde van de litigieuze plaatsingen optrad als scheepsagent namens HDSL, die werd geacht nauwe banden te hebben met IRISL, aangezien de naam van HDSL op 26 juli 2010 ook was geplaatst op de lijsten van entiteiten die ervan werden verdacht de nucleaire proliferatie in Iran te faciliteren, op grond dat zij „namens IRISL [optrad] [aangezien zij] [...] containeroperaties [uitvoerde] met gebruikmaking van vaartuigen van IRISL”, en dat Bateni tot in 2008, voordat hij naar Europe verhuisde en verzoekster oprichtte, directeur was geweest van IRISL.

80      Wat de litigieuze plaatsingen betreft, moet daaraan worden toegevoegd dat er, zoals de Raad ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, ten tijde van de vaststelling ervan openbare informatiebronnen bestonden, met name een artikel in de New York Times van 7 juni 2010, met de titel „Companies Linked to IRISL”, dat een lijst bevatte van 66 vennootschappen, waaronder verzoekster en HDSL, die banden hadden met IRISL en waaraan IRISL schepen zou hebben overgedragen.

81      Wat de tweede plaatsing betreft, zij er voorts op gewezen dat de in punt 79 hierboven genoemde brieven van 10 en 13 september 2010 tot de Raad zelf waren gericht en niet wordt betwist dat hij deze had ontvangen toen hij tot die plaatsing overging. Bovendien wordt naar die brieven verwezen in het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), en heeft het Gerecht deze dus in aanmerking genomen in het kader van de procedure die tot dat arrest heeft geleid.

82      Voorts moet worden benadrukt dat het Gerecht bij het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), de tweede plaatsing weliswaar nietig heeft verklaard, maar dat het de gevolgen van die nietigverklaring in de tijd heeft opgeschort, aangezien het in de punten 41 tot en met 43 van dat arrest heeft aangegeven dat niet kon worden uitgesloten dat ten gronde de oplegging van beperkende maatregelen aan verzoekster toch gerechtvaardigd kon blijken te zijn. Het Gerecht heeft aldus erkend dat, zelfs indien de tweede plaatsing nietig moest worden verklaard wegens niet-nakoming van de motiveringsplicht, een nietigverklaring van die verordening met onmiddellijke ingang op ernstige en onomkeerbare wijze afbreuk kon doen aan de doeltreffendheid van de beperkende maatregelen die deze verordening aan de Islamitische Republiek Iran had opgelegd, aangezien op basis van de gegevens waarover de Raad beschikte, de twijfel bestond of de plaatsing van verzoeksters naam op de betwiste lijsten gegrond was.

83      Met betrekking tot verzoeksters argument dat het Gerecht de handelwijze van de Raad in het arrest van 12 juni 2013, HTTS/Raad (T‑128/12 en T‑182/12 niet gepubliceerd, EU:T:2013:312), als een „kennelijke beoordelingsfout” had aangemerkt, moet op het volgende worden gewezen.

84      Ten eerste moet, zoals de Raad opmerkt, de kennelijke beoordelingsfout als middel dat wordt aangevoerd tot onderbouwing van een beroep tot nietigverklaring worden onderscheiden van de kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid, welke overschrijding in het kader van een beroep tot schadevergoeding wordt ingeroepen om vast te stellen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

85      In een dergelijke context kan op basis van de door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat het Gerecht in het arrest van 12 juni 2013, HTTS/Raad (T‑128/12 en T‑182/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:312), ook heeft geoordeeld dat de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in verordening nr. 267/2012 op 23 maart 2012 – die was gebaseerd op dezelfde gronden als de tweede plaatsing – onrechtmatig was wegens het bestaan van een kennelijke beoordelingsfout, niet automatisch en zoals verzoekster suggereert, tot de slotsom worden gekomen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van de materiële plaatsingsvoorwaarden door de Raad.

86      Ten tweede moeten de parameters die in aanmerking dienen te worden genomen wanneer wordt beoordeeld of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, zoals blijkt uit punt 44 van het arrest in hogere voorziening, in ieder geval alle betrekking hebben op de datum waarop de betrokken instelling het besluit heeft vastgesteld of op de datum van de gedraging van die instelling.

87      Aldus kunnen verzoeksters argumenten met betrekking tot het arrest van 12 juni 2013, HTTS/Raad (T‑128/12 en T‑182/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:312), betreffende de plaatsing van haar naam op de lijst in verordening nr. 267/2012 op 23 maart 2012, dus na de tweede plaatsing, niet in aanmerking worden genomen als gegevens die beschikbaar waren op de datum van die tweede plaatsing, om te beoordelen of er, wat die tweede plaatsing betreft, sprake is van een ernstige en kennelijke schending door de Raad van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

88      Wat verzoeksters argument betreft dat de handelwijze van de Raad in de onderhavige zaak identiek was aan die in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), zij eraan herinnerd dat het feit dat het Gerecht in dat arrest heeft geoordeeld dat de Raad een onrechtmatigheid had begaan, terwijl hij niet over een beoordelingsmarge beschikte, voortvloeide uit de omstandigheid dat hij op de datum van de vaststelling van de betrokken maatregelen niet beschikte over informatie of bewijzen tot staving van de redenen voor de vaststelling van die beperkende maatregelen ten aanzien van de verzoekende partij en dat hij derhalve een verplichting niet was nagekomen die op de datum van de vaststelling van de betrokken bepalingen reeds volgde uit vaste rechtspraak van het Hof en ten aanzien waarvan de Raad geen beoordelingsmarge had (zie in die zin arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89      In de onderhavige zaak is de nakoming door de Raad van de verplichting om bewijzen over te leggen ter onderbouwing van de plaatsingen van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten echter niet aan de orde. In casu moet immers worden nagegaan of de Raad, door over te gaan tot de litigieuze plaatsingen op basis van de bewijzen waarover hij op de datum van die plaatsingen beschikte, met name die welke in de punten 74 tot en met 81 hierboven zijn genoemd, een voldoende gekwalificeerde schending heeft begaan die kan leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. In dit verband moet rekening worden gehouden met de marge waarover de Raad beschikte bij de beoordeling van de ter onderbouwing van de beperkende maatregelen gebruikte aanwijzingen.

90      In die context zij erop gewezen dat, hoewel uit het arrest van 7 december 2011, HTTS/Raad (T‑562/10, EU:T:2011:716), blijkt dat het Gerecht de tweede plaatsing nietig heeft verklaard wegens ontoereikende motivering, het duidelijk is dat op de datum van de litigieuze plaatsingen het begrip onderneming „die eigendom is of onder zeggenschap staat van een andere entiteit”, wat de beperkende maatregelen betreft, de Raad een beoordelingsmarge liet.

91      Voorts heeft het Hof in het arrest in hogere voorziening de inhoud van de termen „in eigendom” en „onder zeggenschap” weliswaar gepreciseerd, maar zij er op gewezen dat het in punt 70 van dat arrest heeft bevestigd wat het Gerecht in het oorspronkelijke arrest in herinnering had gebracht, namelijk dat het begrip „onderneming in eigendom of onder zeggenschap” op het gebied van beperkende maatregelen niet dezelfde strekking had als die welke in het algemeen in het vennootschapsrecht wordt bedoeld wanneer het erom gaat de zakelijke verantwoordelijkheid vast te stellen van een vennootschap die juridisch onder het besluitvormend toezicht van een andere economische entiteit staat. Zoals in essentie blijkt uit de punten 74 en 75 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof, wat beperkende maatregelen betreft, er de voorkeur aan gegeven het begrip „zeggenschap” ruim te omschrijven en heeft het geen strikte definitie gegeven van de begrippen „in eigendom” en „onder zeggenschap”.

92      Bijgevolg dient in navolging van de Raad en de Commissie te worden aangenomen dat er op de datum van de litigieuze plaatsingen onzekerheid kon bestaan over de precieze inhoud van het begrip „onderneming die eigendom is of onder zeggenschap staat van een andere entiteit” en dat de Raad dus over een zekere marge beschikte bij de beoordeling van de gegevens aan de hand waarvan kon worden aangetoond dat verzoekster eigendom was van of onder zeggenschap stond van een onderneming die betrokken was bij, direct verband hield met of steun bood aan de nucleaire activiteiten van Iran.

93      Uit een en ander volgt dat, anders dan verzoekster in het kader van haar eerste grief aanvoert, de Raad gegevens heeft verstrekt op grond waarvan volgens hem op de datum de eerste én de tweede plaatsing de aard van de banden tussen verzoekster en IRISL kon worden aangetoond.

94      In die omstandigheden kan, zelfs gesteld dat de Raad bij de litigieuze plaatsingen een beoordelingsfout had gemaakt door zich op de aangevoerde omstandigheden te baseren, niet worden geoordeeld dat die fout flagrant en onverschoonbaar was en dat een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid die fout in soortgelijke omstandigheden niet zou hebben begaan (zie naar analogie arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punt 73).

95      Daaruit volgt dat de eerste grief, ontleend aan het feit dat de Raad niet op basis van toereikende bewijselementen heeft vastgesteld dat verzoekster onder zeggenschap van IRISL stond, moet worden afgewezen.

–       Tweede grief: de plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten wegens betrokkenheid van IRISL en HDSL bij nucleaire proliferatie is onjuist

96      Ten eerste betoogt verzoekster dat de schending door de Raad des te belangrijker is aangezien de grond waarop haar naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, namelijk de betrokkenheid van IRISL en HDSL bij nucleaire proliferatie, reeds gelet op het arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), onjuist was. Ten tweede voert zij aan dat uitvoeringsverordening nr. 668/2010 en verordening nr. 961/2010 op een „dubbele fout” berusten, omdat IRISL en HDSL niet betrokken waren bij nucleaire proliferatie en er tussen haar en die entiteiten geen enkele band bestond die hen in staat stelde haar economische beslissingen te beïnvloeden.

97      Met haar eerste argument betoogt verzoekster in essentie dat na de nietigverklaring bij het arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), van de plaatsingen van de namen van IRISL, SAPID en HDSL de litigieuze plaatsingen onrechtmatig zijn, aangezien uit dat arrest voortvloeit dat IRISL en HDSL niet betrokken waren bij nucleaire proliferatie.

98      Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak, de nietigverklaring van de plaatsing van de naam van IRISL op de litigieuze lijsten op zich niet kan worden beschouwd als voldoende om aan te tonen dat de litigieuze plaatsingen een voldoende gekwalificeerde schending vormden die kan leiden tot de aansprakelijkheid van de Unie.

99      In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat in casu, zoals blijkt uit punt 46 van het arrest in hogere voorziening, de rechtmatigheid van de bestreden handelingen moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie zoals die bestonden op de datum waarop die handeling is vastgesteld, en dat op het moment van de litigieuze plaatsingen, de plaatsingen van de namen van IRISL, SAPID en HDSL op de lijsten van entiteiten die ervan worden beschuldigd de nucleaire proliferatie in Iran te bevorderen, nog niet nietig waren verklaard. Overeenkomstig hetgeen in punt 61 hierboven in herinnering is gebracht, werden die plaatsingen vermoed rechtmatig te zijn en waren zij volledig van kracht.

100    In ieder geval moet worden vastgesteld dat, zoals het Hof heeft opgemerkt in punt 48 van het arrest van 31 januari 2019, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (C‑225/17 P, EU:C:2019:82), het Gerecht in het arrest van 16 september 2013, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (T‑489/10, EU:T:2013:453), niet in twijfel heeft getrokken dat de drie schendingen van het bij resolutie 1747 (2007) ingestelde wapenembargo hebben plaatsgevonden. In dat arrest heeft het Gerecht in punt 66 geoordeeld dat „[leek] te kunnen worden aangenomen dat de betrokkenheid van IRISL bij drie incidenten die verband [hielden] met het vervoer van militair materieel in strijd met het verbod van punt 5 van resolutie 1747 (2007) de kans [vergrootte] dat zij tevens betrokken [was geweest] bij incidenten die verband [hielden] met het vervoer van met de nucleaire proliferatie verband houdend materieel”.

101    Uit de nietigverklaring van de plaatsing van de namen van IRISL, SAPID en HDSL na de litigieuze plaatsingen vloeit dus niet voort dat er sprake is van een schending door de Raad van de materiële plaatsingsvoorwaarden waardoor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie is ingetreden. Derhalve kan verzoeksters eerste argument niet worden aangenomen.

102    Met betrekking tot het tweede argument, te weten dat er geen band bestaat tussen IRISL en HDSL enerzijds en verzoekster anderzijds, die IRISL en HDSL in staat stelt de economische beslissingen van verzoekster te beïnvloeden, verwijst de Raad naar de argumenten die reeds in het kader van verzoeksters eerste grief zijn geanalyseerd, en dat argument moet om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 70 tot en met 95 hierboven worden afgewezen.

103    In die omstandigheden kan niet aan de Raad worden verweten dat hij door de litigieuze plaatsingen van verzoekster op een lijst te baseren op de tussen haar en IRISL bestaande banden een fout heeft begaan die in vergelijkbare omstandigheden niet zou zijn begaan door een voorzichtige en zorgvuldige overheid, waaraan de Verdragen specifieke bevoegdheden toekennen, zoals die met betrekking tot de vaststelling van beperkende maatregelen die noodzakelijk worden geacht in het kader van het optreden van de Unie dat beoogt het handhaven van de internationale vrede en veiligheid te waarborgen (zie naar analogie arrest van 5 juni 2019, Bank Saderat/Raad, T‑433/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:374, punten 73 en 74).

104    Bijgevolg moet verzoeksters tweede grief, waarmee zij aanvoert dat de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijsten op grond van de betrokkenheid van IRISL en HDSL aan nucleaire proliferatie onjuist is, worden afgewezen.

105    Aangezien de twee door verzoekster aangevoerde grieven zijn afgewezen, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat het nodig is te onderzoeken of aan de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Unie is voldaan.

 Kosten

106    Overeenkomstig artikel 219 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht in beslissingen die na vernietiging en terugverwijzing zijn gegeven, over de proceskosten van de bij deze rechterlijke instantie ingeleide procedures en van de procedure in hogere voorziening bij het Hof. Aangezien het Hof in het arrest in hogere voorziening het oorspronkelijke arrest heeft vernietigd en de beslissing omtrent de kosten heeft aangehouden, staat het aan het Gerecht om in het onderhavige arrest te beslissen over alle kosten betreffende de procedures bij het Gerecht en over de kosten van de procedure in hogere voorziening in zaak C‑123/18 P.

107    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

108    Voorts kan het Gerecht volgens artikel 135, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij, behalve in haar eigen kosten, slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij of daarin zelfs niet dient te worden verwezen.

109    Ten slotte dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, hun eigen kosten.

110    Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Raad in verband met de onderhavige procedure en de procedure in zaak T‑692/15.

111    Wat de kosten van verzoekster en de Raad in verband met de procedure in hogere voorziening bij het Hof betreft, is het Gerecht van oordeel dat het, aangezien het Hof bij het arrest in hogere voorziening de door verzoekster ingestelde hogere voorziening heeft toegewezen, billijk is om elk van die partijen in haar eigen kosten van die procedure te verwijzen.

112    De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      HTTS Hanseatic Trade Trust & Shipping GmbH zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Uniebetreffende de onderhavige procedure en de procedure in zaak T692/15.

3)      Elke partij zal haar eigen kosten dragen betreffende procedure C123/18 P.

4)      De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen betreffende de onderhavige procedure, de procedure in zaak T692/15 en de procedure in zaak C123/18 P.

Kanninen

Jaeger

Porchia

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 juli 2021.

ondertekeningen


Inhoud


Voorgeschiedenis van het geding en procesverloop voor terugverwijzing

Procesverloop en conclusies van partijen na terugverwijzing

In rechte

Middel van niet-ontvankelijkheid inzake de verjaring van verzoeksters vordering tot schadevergoeding

Middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht

Middel inzake een voldoende gekwalificeerde schending van de materiële voorwaarden voor plaatsing op de litigieuze lijsten

Overzicht van de rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie

Overzicht van de in het arrest in hogere voorziening geformuleerde beginselen

Beoordeling door het Gerecht

– Eerste grief: de Raad heeft geen feitelijke gegevens verstrekt die de conclusie staven dat verzoekster onder zeggenschap van IRISL stond

– Tweede grief: de plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten wegens betrokkenheid van IRISL en HDSL bij nucleaire proliferatie is onjuist

Kosten


*      Procestaal: Duits.