Language of document : ECLI:EU:C:2021:742

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

16 september 2021(*)

„Prejudiciële verwijzing – Zelfstandige handelsagenten – Richtlijn 86/653/EEG – Artikel 1, lid 2 – Begrip ‚handelsagent’ – Elektronische levering van computersoftware aan klanten – Verlening van een permanente gebruikslicentie – Begrippen ‚verkoop’ en ‚goederen’”

In zaak C‑410/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 22 mei 2019, ingekomen bij het Hof op 27 mei 2019, in de procedure

The Software Incubator Ltd

tegen

Computer Associates (UK) Ltd,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        The Software Incubator Ltd, vertegenwoordigd door O. Segal, QC, en E. Meleagros, solicitor,

–        Computer Associates (UK) Ltd, vertegenwoordigd door J. Dhillon, QC, D. Heaton, barrister, en C. Hopkins en J. Mash, solicitors,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati en L. Malferrari als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB 1986, L 382, blz. 17).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen The Software Incubator Ltd en Computer Associates (UK) Ltd (hierna: „Computer Associates”) over de betaling van een vergoeding wegens de beëindiging van de overeenkomst tussen deze twee vennootschappen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Terugtrekkingsakkoord

3        Bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 1; hierna: „Terugtrekkingsakkoord”) heeft de Raad van de Europese Unie namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie goedkeuring verleend aan het Terugtrekkingsakkoord, dat aan dat besluit is gehecht.

4        Artikel 86 van het Terugtrekkingsakkoord, met als opschrift „Bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangige zaken”, bepaalt in de leden 2 en 3:

„2.      Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingediend.

3.      Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden procedures geacht bij het Hof van Justitie van de Europese Unie te zijn ingesteld en worden verzoeken om een prejudiciële beslissing geacht te zijn ingediend op het tijdstip dat de indiening van de procesinleiding is geregistreerd ter griffie van het Hof van Justitie [...].”

5        Overeenkomstig artikel 126 van het Terugtrekkingsakkoord is de overgangsperiode ingegaan op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord en geëindigd op 31 december 2020.

 Richtlijn 86/653

6        De tweede en de derde overweging van richtlijn 86/653 luiden als volgt:

„Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de [Europese Unie] de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;

Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie;”

7        Artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.

2.      Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.

3.      In de zin van deze richtlijn is een handelsagent in het bijzonder niet:

–        een bestuurder van vennootschap of maatschap die de bevoegdheid heeft als orgaan van de vennootschap of maatschap namens deze op te treden;

–        een vennoot die handelt namens zijn medevennoten;

–        een bewindvoerder, een vereffenaar of een curator.”

8        Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing:

–        op handelsagenten wier werkzaamheden niet worden beloond;

–        op handelsagenten voor zover zij werkzaam zijn op handelsbeurzen of op grondstoffenmarkten;

–        op de instelling welke als ‚Crown Agents for Overseas Governments and Administrations’ bekendstaat, zoals die in het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van de wet van 1979 op de ‚Crown Agents’ is opgericht, of op dochterinstellingen hiervan.”

9        In artikel 3 van dezelfde richtlijn is bepaald:

„1.      De handelsagent dient in de uitoefening van zijn bezigheden te waken over de belangen van de principaal en loyaal en te goeder trouw te handelen.

2.      In het bijzonder moet de handelsagent:

a)      zich naar behoren wijden aan de onderhandelingen over en, in voorkomend geval, aan het sluiten van de transacties waarmede hij wordt belast;

b)      aan de principaal alle nodige inlichtingen verschaffen, waarover hij beschikt;

c)      de redelijke instructies opvolgen die de principaal hem geeft.”

10      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 86/653 bepaalt het volgende:

„In het bijzonder dient de principaal:

a)       aan de handelsagent de nodige documentatie ter beschikking te stellen die betrekking heeft op de betrokken goederen;

b)      aan de handelsagent alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van de agentuurovereenkomst, in het bijzonder de handelsagent binnen een redelijke termijn te waarschuwen wanneer hij voorziet dat het aantal handelstransacties aanzienlijk geringer zal zijn dan die welke de handelsagent normaliter had kunnen verwachten.”

11      Artikel 6, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

„Bij gebreke van een overeenkomst ter zake tussen de partijen en onverminderd de toepassing van de dwingende bepalingen van de lidstaten inzake beloningen, heeft de handelsagent recht op een beloning overeenkomstig de in de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht geldende gebruiken bij de vertegenwoordiging van de goederen waarop de agentuurovereenkomst betrekking heeft. Bij het ontbreken van dergelijke gebruiken heeft de handelsagent recht op een redelijke beloning waarbij rekening wordt gehouden met alle op de transactie betrekking hebbende elementen.”

 Recht van het Verenigd Koninkrijk

12      Richtlijn 86/653 is in het recht van het Verenigd Koninkrijk omgezet bij de Commercial Agents (Council Directive) Regulations 1993 (Statutory Instruments 1993/3053) (regelingen van 1993 tot uitvoering van een richtlijn van de Raad betreffende de handelsagenten) (hierna: „Regulations 1993”). Regulation 2, lid 1, van de Regulations 1993 bepaalt:

„In deze regelingen wordt verstaan onder:

‚handelsagent’: een zelfstandige tussenpersoon die permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander (de ‚principaal’) of om voor rekening en in naam van die principaal de verkoop of aankoop van goederen tot stand te brengen en af te sluiten; [...]:

[...]

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Computer Associates is een onderneming die software voor de automatisering van dienstentoepassingen bij het uitrollen en beheren van applicaties via een datacentrum (hierna: „betrokken software”) op de markt brengt. Deze software wordt gebruikt om het uitrollen en upgraden van andere softwaretoepassingen in de verschillende operationele omgevingen van grote bedrijven, zoals banken en verzekeringsmaatschappijen, automatisch te coördineren en te implementeren, zodat de onderliggende toepassingen volledig geïntegreerd zijn in de softwarebedrijfsomgeving.

14      Computer Associates verleende haar klanten langs elektronische weg licenties voor het gebruik van de betrokken software op een bepaald grondgebied en voor een toegestaan aantal eindgebruikers.

15      Aan de licentieverlening voor deze software was de voorwaarde verbonden dat de klant een aantal verplichtingen zou naleven, met name dat hij zich geen toegang zou verschaffen tot een deel van de software waarvoor hij geen toestemming had en dat hij de software niet zou decompileren of wijzigen, verhuren, toewijzen aan een derde, overdragen of sublicentiëren.

16      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt dat de licentie voor het gebruik van de betrokken software ofwel permanent was, ofwel voor een bepaalde tijd kon worden verleend. In geval van beëindiging van de overeenkomst wegens een aan de andere partij te wijten wezenlijke niet-nakoming van de overeenkomst of wegens haar insolventie, moest deze software aan Computer Associates worden teruggegeven dan wel door de klant worden verwijderd of vernietigd. In de praktijk werden de meeste licenties evenwel voor onbepaalde tijd verleend. Computer Associates behield in dit verband alle rechten, te weten met name auteursrechten, titels, octrooien, het recht op de handelsmerken en de andere vermogensrechtelijke belangen in verband met die software.

17      Op 25 maart 2013 heeft Computer Associates een overeenkomst gesloten met The Software Incubator. Volgens clausule 2.1 van deze overeenkomst handelde laatstgenoemde vennootschap voor rekening van Computer Associates teneinde potentiële klanten in het Verenigd Koninkrijk en Ierland te benaderen om „[de betrokken software] te promoten, in de handel te brengen en te verkopen”. Volgens die overeenkomst beperkten de verplichtingen van The Software Incubator zich tot de promotie en het in de handel brengen van die software. The Software Incubator had geen enkele bevoegdheid om de eigendom van die software over te dragen.

18      Bij brief van 9 oktober 2013 heeft Computer Associates de overeenkomst met The Software Incubator beëindigd.

19      The Software Incubator heeft op grond van de nationale regeling tot omzetting van richtlijn 86/653 tegen Computer Associates een vordering tot schadevordering ingesteld bij de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (hoogste rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench, Verenigd Koninkrijk). Computer Associates heeft de kwalificatie van haar verhouding met The Software Incubator als handelsagentuurovereenkomst betwist door aan te voeren dat de elektronische levering van computersoftware aan een klant gepaard gaande met de verlening van een permanente licentie voor het gebruik van die software, geen „verkoop van goederen” in de zin van artikel 1, lid 2, van die richtlijn vormt.

20      Bij vonnis van 1 juli 2016 heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division, het verzoek van The Software Incubator toegewezen en deze vennootschap een bedrag van 475 000 GBP (ongeveer 531 100 EUR) als schadevergoeding toegekend. Deze rechter heeft geoordeeld dat, in deze context, de „verkoop van goederen” in de zin van de Regulations 1993 naar een autonome definitie verwijst die de levering van software moet omvatten.

21      Computer Associates heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (hoogste rechter in burgerlijke zaken in Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk). Bij beslissing van 19 maart 2018 heeft die rechter geoordeeld dat software die elektronisch geleverd wordt aan een klant geen „goed” vormt in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653, zoals uitgelegd door het Hof. Hij is tot de conclusie gekomen dat Software Incubator niet de hoedanigheid van „handelsagent” in de zin van deze bepaling had, en heeft haar verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

22      The Software Incubator is tegen deze beslissing opgekomen bij de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk).

23      Die rechterlijke instantie verzoekt het Hof om een uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653, hetgeen voor hem noodzakelijk is om te bepalen of het begrip „handelsagent” die belast is met het tot stand brengen van de „verkoop van goederen” toepassing vindt wanneer computersoftware die op grond van een permanente licentie zal worden gebruikt, elektronisch aan de klant wordt geleverd.

24      In deze omstandigheden heeft de Supreme Court of the United Kingdom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Wanneer een kopie van computersoftware elektronisch, en niet via een materiële drager, aan de klanten van een principaal wordt geleverd, valt die kopie dan onder ‚goederen’ volgens de betekenis van dat begrip zoals vervat in de definitie van een handelsagent in artikel 1, lid 2, van [richtlijn 86/653]?

2)      Wanneer computersoftware aan de klanten van een principaal wordt geleverd door de klanten een licentie van onbepaalde tijd voor het gebruik van een kopie van die computersoftware toe te kennen, valt dat dan onder ‚verkoop van goederen’ in de zin van dat begrip zoals dat voorkomt in de definitie van een handelsagent in artikel 1, lid 2, van [richtlijn 86/653]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

25      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat uit artikel 86, lid 2, van het op 1 februari 2020 in werking getreden Terugtrekkingsakkoord volgt dat het Hof bevoegd blijft om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die zijn ingediend vóór het einde van de overgangsperiode die is vastgesteld op 31 december 2020, wat het geval is met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.

26      Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het in artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 bedoelde begrip „verkoop van goederen” aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking kan hebben op de elektronische levering van computersoftware aan een klant tegen betaling van een prijs, wanneer deze levering gepaard gaat met het verlenen van een permanente licentie voor het gebruik van die software.

27      Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 86/653 is een „handelsagent” in de zin van die richtlijn eenieder die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander – de „principaal” – of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.

28      Die bepaling noemt drie noodzakelijke en voldoende voorwaarden om als „handelsagent” te kunnen worden aangemerkt. Ten eerste moet de betrokkene een zelfstandige tussenpersoon zijn. Ten tweede moet hij op basis van een overeenkomst permanent met de principaal verbonden zijn. Ten derde moet de betrokkene een activiteit uitoefenen die bestaat in hetzij het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor de principaal hetzij het tot stand brengen en sluiten van deze transacties in naam en voor rekening van de principaal (arrest van 21 november 2018, Zako, C‑452/17, EU:C:2018:935, punt 23).

29      In casu is enkel de derde voorwaarde, voor zover deze betrekking heeft op het tot stand brengen van de „verkoop van goederen” voor de principaal, aan de orde. In dit verband moet worden vastgesteld dat richtlijn 86/653 het begrip „verkoop van goederen” niet definieert en geen verwijzing bevat naar het nationale recht met betrekking tot de betekenis die aan dit begrip moet worden gegeven.

30      In deze omstandigheden moet het begrip „verkoop van goederen”, gelet op het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel, in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd. Dit begrip is aldus een autonoom begrip van het Unierecht waarvan de draagwijdte niet kan worden vastgesteld aan de hand van de bekende begrippen van het recht van de lidstaten of van op nationaal niveau gehanteerde kwalificaties [zie naar analogie arrest van 9 juli 2020, RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand), C‑199/19, EU:C:2020:548, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31      In dit verband zij eraan herinnerd dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, moeten worden bepaald in overeenstemming met de betekenis die deze begrippen gewoonlijk hebben in de omgangstaal, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 4 juni 2020, Trendsetteuse, C‑828/18, EU:C:2020:438, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Aan de hand van die elementen moet worden bepaald of het in artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 vermelde begrip „verkoop van goederen” betrekking kan hebben op de elektronische levering van computersoftware aan een klant tegen betaling van een prijs, wanneer deze levering gepaard gaat met het verlenen van een permanente licentie voor het gebruik van die software.

33      Wat de bewoordingen van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat deze op algemene wijze verwijzen naar het begrip „verkoop van goederen”, zonder de woorden „verkoop” of „goederen” te definiëren, die overigens in geen enkele andere bepaling van deze richtlijn zijn gedefinieerd.

34      Wat in de eerste plaats het woord „goederen” betreft, moet volgens rechtspraak van het Hof dit woord worden uitgelegd als waren die op geld waardeerbaar zijn en als zodanig het voorwerp van handelstransacties kunnen vormen (zie in die zin arrest van 26 oktober 2006, Commissie/Griekenland, C‑65/05, EU:C:2006:673, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Hieruit volgt dat dit woord, wegens zijn algemene definitie, betrekking kan hebben op computersoftware, zoals de betrokken software, aangezien deze een commerciële waarde heeft en het voorwerp kan uitmaken van een handelstransactie.

36      Bovendien moet worden opgemerkt dat software als een „goed” kan worden aangemerkt, ongeacht of het op een materiële drager of, zoals in casu, elektronisch wordt verstrekt via een download.

37      Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wijst het gebruik van het woord „goederen” in de verschillende taalversies van richtlijn 86/653 niet op enig onderscheid naargelang het materiële of immateriële karakter van het betrokken goed.

38      Daarnaast heeft het Hof reeds geoordeeld dat economisch gezien de verkoop van een computerprogramma op cd-rom of dvd en de verkoop van een computerprogramma door download van internet vergelijkbaar zijn, aangezien de online overdracht functioneel gelijkwaardig is aan de overhandiging van een materiële drager (arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 61).

39      Bijgevolg kan het woord „goederen” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 betrekking hebben op computersoftware, ongeacht de wijze waarop deze software wordt geleverd.

40      In de tweede plaats is volgens een algemeen aanvaarde definitie „verkoop” een overeenkomst waarbij een persoon tegen betaling van een prijs zijn eigendomsrechten op een hem toebehorende lichamelijke of onlichamelijke zaak aan een ander overdraagt (arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 42).

41      In het bijzondere geval van de verkoop van een kopie van computersoftware, heeft het Hof geoordeeld dat het downloaden van een kopie van een computerprogramma en het sluiten van een licentieovereenkomst voor het gebruik van die kopie een ondeelbaar geheel vormen. Het downloaden van een kopie van een computerprogramma is immers zinloos indien die kopie door de bezitter ervan niet kan worden gebruikt. Voor de kwalificatie rechtens moeten die twee transacties dus samen worden onderzocht (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 44).

42      Zo heeft het Hof geoordeeld dat de beschikbaarstelling van een kopie van computersoftware via een download en de sluiting van een licentieovereenkomst voor het gebruik ervan, die deze kopie duurzaam bruikbaar moet maken voor de klanten tegen betaling van een prijs waarmee de houder van het auteursrecht een vergoeding moet kunnen verkrijgen die overeenstemt met de economische waarde van de kopie van het hem toebehorende werk, de overdracht van het intellectueel eigendomsrecht van die kopie impliceren (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punten 45 en 46).

43      Gelet op de bewoordingen van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 moet bijgevolg worden geoordeeld dat de elektronische levering van computersoftware aan een klant tegen betaling van een prijs, wanneer deze levering gepaard gaat met het verlenen van een permanente licentie voor het gebruik van die software, kan vallen onder het begrip „verkoop van goederen” in de zin van die bepaling.

44      Deze uitlegging wordt bevestigd door de context van deze bepaling.

45      Artikel 1, lid 3, en artikel 2 van richtlijn 86/653 voorzien immers in een aantal welomschreven gevallen die van het begrip „handelsagent” respectievelijk van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten (arrest van 21 november 2018, Zako, C‑452/17, EU:C:2018:935, punt 40).

46      Geen van deze uitsluitingen ziet echter op de aard van de „verkoop van goederen” waarop de activiteit van de in artikel 1, lid 2, van die richtlijn bedoelde „handelsagent” betrekking heeft.

47      Zoals de advocaat-generaal in de punten 66 en 67 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, staat een „verkoop van goederen” van het soort als omschreven in punt 43 van het onderhavige arrest er bovendien niet aan in de weg dat de rechten en verplichtingen die respectievelijk op de handelsagent en de principaal rusten overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn 86/653 worden uitgevoerd en dat de handelsagent een vergoeding ontvangt die in overeenstemming is met artikel 6 van die richtlijn.

48      Ten slotte vindt deze uitlegging steun in de doelstellingen van richtlijn 86/653, die blijkens de tweede en de derde overweging beoogt de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen te beschermen, de zekerheid in het handelsverkeer te bevorderen en het goederenverkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken door onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten op het gebied van de handelsvertegenwoordiging (zie in die zin arrest van 21 november 2008, Zako, C‑452/17, EU:C:2018:935, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      In dit verband zou afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van de door richtlijn 86/653 geboden bescherming indien de levering van software onder de in punt 43 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarden zou moeten worden uitgesloten van het begrip „verkoop van goederen” in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn.

50      Deze uitlegging van die bepaling zou immers personen die met moderne technologische middelen taken vervullen die vergelijkbaar zijn met die van handelsagenten, wier taak erin bestaat – met name door marktonderzoek en klantenwerving – materiële goederen te verkopen, van de bescherming van die richtlijn uitsluiten.

51      Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat het in artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 bedoelde begrip „verkoop van goederen” aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking kan hebben op de elektronische levering van computersoftware aan een klant tegen betaling van een prijs, wanneer deze levering gepaard gaat met het verlenen van een permanente licentie voor het gebruik van die software.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Het in artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten bedoelde begrip „verkoop van goederen” moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking kan hebben op de elektronische levering van computersoftware aan een klant tegen betaling van een prijs, wanneer deze levering gepaard gaat met het verlenen van een permanente licentie voor het gebruik van die software.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.