Language of document : ECLI:EU:C:2021:849

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

14 oktober 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Communautair kwekersrecht – Verordening (EG) nr. 2100/94 – Artikel 96 – Berekening van de verjaringstermijn van de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 voorzien– Tijdstip waarop die termijn aanvangt – Tijdstip van verlening van het communautaire kwekersrecht en tijdstip waarop kennis is gekregen van de handeling en van de identiteit van de overtreder – Tijdstip waarop de betrokken gedraging is beëindigd – Opeenvolgende handelingen – Voortdurende handelingen – Beperking tot handelingen die meer dan drie jaar geleden zijn verricht”

In zaak C‑186/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 7 maart 2018, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2018, in de procedure

José Cánovas Pardo SL

tegen

Club de Variedades Vegetales Protegidas,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: I Ziemele (rapporteur), president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, T. von Danwitz en A. Kumin, rechters,

advocaat generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        José Cánovas Pardo SL, vertegenwoordigd door V. Venturini Medina, procurador, en A. Scasso Veganzones, abogada,

–        Club de Variedades Vegetales Protegidas, vertegenwoordigd door P. Tent Alonso, V. Gigante Pérez, I. Pérez-Cabrero Ferrández en G. Navarro Pérez, abogados,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers, I. Galindo Martín en G. Koleva als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 april 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 96 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB 1994, L 227, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen José Cánovas Pardo SL (hierna: „Pardo”) en Club de Variedades Vegetales Protegidas (hierna: „CVVP”) over de teelt door Pardo van mandarijnbomen van het ras „Nadorcott” zonder toestemming van CVVP.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 1 van verordening nr. 2100/94 bepaalt dat „[b]ij deze verordening [...] een communautaire beschermingsregeling voor kweekproducten [wordt] ingesteld als enige en uitsluitende vorm van communautaire bescherming van industriële eigendom met betrekking tot plantenrassen”.

4        Artikel 13 van die verordening, met als opschrift „Bevoegdheden van de houder van een recht op communautaire bescherming voor kweekproducten en verboden handelingen”, luidt:

„1.      Een communautair kwekersrecht heeft als rechtsgevolg dat de houder of houders ervan, hierna ‚de houder’ genoemd, bevoegd is, respectievelijk zijn, om de in lid 2 genoemde handelingen te verrichten.

2.      Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 16, is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten of oogstmateriaal van het beschermde ras, welke componenten of [welk] oogstmateriaal hierna alle ‚materiaal’ worden genoemd:

a)      voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering),

b)      het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering,

c)      te koop aanbieden,

d)      verkopen of op andere wijze in de handel brengen,

e)      uitvoeren uit de Gemeenschap,

f)      invoeren in de Gemeenschap,

g)      opslaan voor een van de hierboven onder a) tot en met f) genoemde doeleinden.

De houder kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

3.      Lid 2 is voor oogstmateriaal slechts van toepassing indien dit werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

[...]”

5        Artikel 94 van deze verordening, met als opschrift „Inbreuk”, bepaalt:

„1.      Eenieder die

a)      zonder daartoe gerechtigd te zijn, met betrekking tot een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, een van de in artikel 13, lid 2, genoemde handelingen verricht, of

b)      verzuimt de in artikel 17, lid 1, bedoelde rasbenaming correct te gebruiken, dan wel nalaat de in artikel 17, lid 2, bedoelde relevante informatie te verstrekken, of

c)      in strijd met artikel 18, lid 3, gebruikmaakt van de rasbenaming van een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend of van een benaming die met die rasbenaming kan worden verward,

kan door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op beëindiging van de inbreuk en/of betaling van een passende vergoeding.

2.      Wie opzettelijk of uit onachtzaamheid handelt, is bovendien ten aanzien van de houder tot vergoeding van alle andere door de inbreuk veroorzaakte schade gehouden. In geval van lichte onachtzaamheid mag de vordering tot schadevergoeding in evenredige mate verminderd worden, doch niet tot een lager bedrag dan overeenkomt met het voordeel dat voor de overtreder uit de inbreuk is ontstaan.”

6        Artikel 95 van deze verordening, met als opschrift „Vóór de verlening van het communautaire kwekersrecht verrichte handelingen”, luidt als volgt:

„De houder kan van eenieder die in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag tot het communautaire kwekersrecht en de verlening daarvan een handeling verricht die hem na die tijd uit hoofde van het communautaire kwekersrecht verboden zou zijn, een passende vergoeding eisen.”

7        Artikel 96 van verordening nr. 2100/94, met als opschrift „Verjaring”, bepaalt:

„Vorderingen op grond van de artikelen 94 en 95 verjaren drie jaar na het tijdstip waarop het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en de houder kennis heeft gekregen van de betrokken handeling en van de identiteit van de overtreder, of, bij het ontbreken van dergelijke kennis, dertig jaar na de voltrekking van de handeling.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Nadat Nadorcott Protection SARL op 22 augustus 1995 bij het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) een aanvraag daartoe had ingediend, heeft het CPVO haar op 4 oktober 2004 een communautair kwekersrecht voor het ras mandarijnenbomen „Nadorcott” verleend. Tegen deze beslissing is bij de kamer van beroep van het CPVO beroep met schorsende werking ingesteld, dat evenwel bij beslissing van 8 november 2005, bekendgemaakt in het Mededelingenblad van het CPVO op 15 februari 2006, is verworpen.

9        Pardo exploiteert sinds 2006 een boomgaard met 4 457 mandarijnenbomen van het ras Nadorcott.

10      Geslive, waaraan het beheer van de rechten met betrekking tot het ras Nadorcott was toevertrouwd, heeft Pardo op 30 oktober 2007 een aanmaning gestuurd waarbij deze werd gelast de exploitatie van dit plantenras te beëindigen, aangezien daarvoor geen licentie was verleend.

11      Op 30 maart 2011 heeft CVVP, waaraan het beheer van deze rechten met ingang van 13 december 2008 is overgedragen, Pardo een nieuwe brief gestuurd met het verzoek om, indien zij nog steeds 5 000 mandarijnenbomen van het ras Nadorcott exploiteerde, deze exploitatie te beëindigen.

12      Nadat CVVP in november 2011 bij de Juzgado de lo Mercantil (handelsrechter, Spanje) een verzoek om voorlopige maatregelen had ingediend om te doen vaststellen dat inbreuk was gemaakt op de exclusieve rechten met betrekking tot het ras Nadorcott, heeft zij tegen Pardo twee beroepen ingesteld, te weten, ten eerste, een vordering uit hoofde van de „voorlopige bescherming” met betrekking tot de handelingen die deze vennootschap heeft verricht voordat het kwekersrecht is verleend, te weten vóór 15 februari 2006, en ten tweede een vordering wegens inbreuk met betrekking tot latere handelingen. Concreet heeft CVVP verzocht om vaststelling dat inbreuk op de exclusieve rechten op het ras Nadorcott werd gemaakt vanaf 15 februari 2006 tot de beëindiging ervan. Tevens heeft CVVP verzocht om Pardo te veroordelen tot beëindiging van de onwettige exploitatie, verwijdering, en eventueel vernietiging, van al het plantmateriaal van dit ras waarover zij beschikt, en betaling van een vergoeding aan CVVP ter compensatie van die exploitatie.

13      Volgens die rechter in eerste aanleg waren er meer dan drie jaren verstreken tussen de datum waarop de houder van het kwekersrecht voor het ras Nadorcott Pardo als vermeende exploitant van dit ras heeft geïdentificeerd – namelijk uiterlijk op 30 oktober 2007, de datum waarop Geslive de aanmaning aan Pardo heeft doen toekomen – en de datum waarop CVVP de beroepen heeft ingesteld, namelijk in november 2011. Hij heeft dit beroep dan ook verworpen op grond dat de vordering wegens inbreuk was verjaard volgens artikel 96 van verordening nr. 2100/94.

14      De Audiencia Provincial de Murcia (rechter in tweede aanleg Murcia, Spanje), waarbij CVVP tegen deze beslissing hoger beroep heeft ingesteld, heeft vastgesteld dat Pardo niet betwistte dat zij bomen van het ras Nadorcott exploiteerde, en evenmin dat zij daarvoor geen toestemming van de houder van dat ras had. Deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat deze onderneming door haar activiteiten inbreukmakende handelingen had gepleegd en dat deze handelingen nog steeds voortduurden, aangezien zij die bomen is blijven produceren. Voorts heeft die instantie geoordeeld dat artikel 96 van verordening nr. 2100/94 aldus moest worden opgevat dat de vorderingen met betrekking tot inbreuken die minder dan drie jaar vóór de instelling van de beroepen van CVVP zijn verricht, niet verjaard zijn, terwijl de vorderingen betreffende handelingen die meer dan drie jaar daarvoor zijn verricht, wel verjaard zijn.

15      Bijgevolg is Pardo veroordeeld tot betaling van 31 199 EUR, wegens inbreukmakende verrichtingen en teneinde de handelingen die zij in de periode van de voorlopige bescherming had verricht zonder over toestemming van de houder van het recht op communautaire bescherming te beschikken, passend te vergoeden. Bovendien werd zij ertoe verplicht alle inbreukmakende handelingen te staken.

16      Pardo heeft tegen deze beslissing van de Audiencia Provincial de Murcia cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), en komt daarbij op tegen de uitlegging die de Audiencia Provincial de Murcia aan artikel 96 van verordening nr. 2100/94 heeft gegeven.

17      De verwijzende rechter wijst erop dat er volgens de nationale rechtspraak inzake intellectuele eigendom onderscheid moet worden gemaakt tussen eenmalige inbreukmakende handelingen en inbreukmakende handelingen die een aanhoudend karakter hebben. In dit laatste geval worden de verjaringstermijnen verlengd zolang de inbreukmakende handeling voortduurt. Deze rechter vraagt zich af of die rechtspraak kan worden toegepast op de verjaringsregels van artikel 96 van verordening nr. 2100/94 en in het bijzonder of álle vorderingen met betrekking tot inbreuken verjaard zijn wanneer de houder van het recht op communautaire bescherming zijn vordering instelt meer dan drie jaar nadat hij kennis heeft gekregen van de inbreukmakende handelingen en van de identiteit van de overtreder, dan wel of enkel vorderingen betreffende handelingen die meer dan drie jaar vóór het instellen van het beroep zijn verricht, verjaard zijn.

18      In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Staat artikel 96 van [verordening nr. 2100/94] in de weg aan een uitlegging volgens welke vorderingen krachtens de artikelen 94 en 95 van [deze] verordening zijn verjaard wanneer sinds het tijdstip waarop de rechthebbende, nadat het kwekersrecht is verleend, kennis heeft gekregen van de inbreukmakende handeling en van de identiteit van de overtreder, de termijn van drie jaar is verstreken, hoewel de inbreukmakende handelingen hebben voortgeduurd tot het tijdstip waarop de vordering werd ingesteld?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan worden aangenomen dat overeenkomstig artikel 96 van [deze verordening] de verjaring enkel intreedt met betrekking tot de inbreukmakende handelingen die buiten de termijn van drie jaar zijn verricht, maar niet met betrekking tot die welke binnen die drie jaar zijn verricht?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dan een vordering tot beëindiging van de inbreuk en tevens tot schadevergoeding alleen slagen met betrekking tot laatstbedoelde handelingen die binnen die drie jaar zijn verricht?”

 Procedure bij het Hof

19      Bij beschikking van de president van het Hof van 13 februari 2019 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest in zaak C‑176/18 betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 2100/94, ingediend door de Tribunal Supremo in het kader van een geding tussen CVVP en Adolfo Juan Martínez Sanchís over de exploitatie door laatstgenoemde van mandarijnbomen van het ras Nadorcott.

20      Na de uitspraak van het arrest van 19 december 2019, Club de Variedades Vegetales Protegidas (C‑176/18, EU:C:2019:1131), heeft de griffie van het Hof dit arrest bij brief van 7 januari 2020 aan de verwijzende rechter doen toekomen en hem verzocht aan te geven of hij, gelet op dat arrest, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in de onderhavige zaak wenste te handhaven.

21      Bij brief van 16 oktober 2020 heeft deze rechter het Hof meegedeeld dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

22      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 96 van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar voor de in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen ingaat, wanneer het communautaire kwekersrecht eenmaal is verleend, op het tijdstip waarop de houder kennis krijgt van de handeling en van de identiteit van de overtreder, ongeacht of deze inbreukmakende handeling is beëindigd dan wel voortduurt totdat de vordering wordt ingesteld.

23      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 20 januari 2021, Heavyinstall, C‑420/19, EU:C:2021:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 96 van verordening nr. 2100/94 betreft, blijkt uitdrukkelijk uit deze bepaling dat vorderingen op grond van de artikelen 94 en 95 van deze verordening verjaren drie jaar na de datum waarop het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en het tijdstip waarop de houder ervan kennis heeft gekregen van de betrokken handeling en van de identiteit van de overtreder, of, bij het ontbreken van dergelijke kennis, dertig jaar na de voltrekking van de handeling.

25      In de eerste plaats volgt uit deze bewoordingen dat deze bepaling voorziet in twee voorwaarden aan de hand waarvan kan worden bepaald op welk tijdstip de verjaringstermijn van drie jaar voor krachtens de artikelen 94 en 95 van verordening nr. 2100/94 ingestelde vorderingen ingaat, waarbij de ene voorwaarde voorafgaat aan de andere.

26      Het ingaan van die termijn hangt enerzijds immers af van een objectieve gebeurtenis, te weten het tijdstip waarop het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend, en anderzijds van een subjectief voorval, te weten het tijdstip waarop de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van de inbreukmakende handeling en van de identiteit van de overtreder.

27      Wat de vraag betreft of er tussen deze gebeurtenissen een rangorde bestaat als aanleiding voor de verjaring, moet worden aangenomen dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag van de gebeurtenis die zich als laatste voordoet, dat wil zeggen hetzij op de dag waarop op het recht op communautaire bescherming is verleend, hetzij op de datum waarop kennis is gekregen van de inbreukmakende handeling en van de identiteit van de overtreder (zie naar analogie arrest van 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 47).

28      Hieruit volgt dat artikel 96 van verordening nr. 2100/94 niet aldus kan worden uitgelegd dat beëindiging van de inbreukmakende handeling de gebeurtenis is die de verjaringstermijn van de in de artikelen 94 en 95 van deze verordening vastgestelde vorderingen doet ingaan.

29      Een dergelijke uitlegging, waarop CVVP zich beroept in haar schriftelijke opmerkingen, zou niet alleen indruisen tegen de bewoordingen van dat artikel 96, maar zou, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, erop neerkomen dat aan de in punt 26 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarden een voorwaarde wordt toegevoegd die niet door de Uniewetgever is vastgesteld.

30      In de tweede plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 96 van verordening nr. 2100/94 louter dat de verjaringstermijn van drie jaar ingaat op het tijdstip waarop de houder kennis heeft gekregen van de inbreukmakende „handeling” als zodanig, en van de betrokken overtreder. Deze bepaling bevat daarentegen geen enkele andere precisering met betrekking tot een eventuele inaanmerkingneming van de lengte van de periode waarin inbreukmakende handelingen in strijd met de rechten van de houder zijn verricht, of met betrekking tot het voortdurende karakter van die handelingen. Uit deze bewoordingen blijkt enkel dat deze „handeling” de handeling is die het voorwerp kan vormen van een van de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van verordening nr. 2100/94 voorzien.

31      In dit verband zij er enerzijds aan herinnerd dat, vanaf de verlening van het communautaire kwekersrecht, het zonder toestemming verrichten van de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 bedoelde handelingen met betrekking tot het plantenras waarvoor deze bescherming is verleend, een „ongeoorloofd gebruik” in de zin van artikel 13, lid 3, van deze verordening vormt. Overeenkomstig artikel 94, lid 1, onder a), van deze verordening kan derhalve eenieder die in deze omstandigheden een van deze handelingen verricht, door deze houder in rechte worden aangesproken met het oog op beëindiging van de inbreuk en/of betaling van een passende vergoeding (zie arrest van 19 december 2019, Club de Variedades Vegetales Protegidas, C‑176/18, EU:C:2019:1131, punt 41).

32      Wat anderzijds het tijdvak vóór de verlening van dit kwekersrecht betreft, kan deze houder overeenkomstig artikel 95 van verordening nr. 2100/94 van eenieder die in de periode tussen de bekendmaking van de aanvraag van het communautaire kwekersrecht en de verlening daarvan een handeling verricht die hem na die periode uit hoofde van dat kwekersrecht verboden zou zijn, een passende vergoeding eisen (zie arrest van 19 december 2019, Club de Variedades Vegetales Protegidas, C‑176/18, EU:C:2019:1131, punt 42).

33      Bijgevolg volgt uit de punten 24 tot en met 32 van het onderhavige arrest dat, volgens de bewoordingen van artikel 96 van verordening nr. 2100/94, de verjaringstermijn van drie jaar die in deze bepaling is vastgesteld voor de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van deze verordening voorzien, niet loopt vanaf het tijdstip waarop de inbreukmakende handelingen waarvoor deze vorderingen zijn ingesteld, zijn beëindigd, maar vanaf het tijdstip waarop de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van het bestaan van deze handelingen en van de identiteit van de overtreder, aangezien deze bewoordingen geen enkele verwijzing bevatten naar de begrippen „duur van de inbreuk” of „voortduren van de inbreukmakende handeling”, en zelfs geen zinspeling op die begrippen.

34      Ten tweede wordt deze uitlegging bevestigd door de context van artikel 96 van verordening nr. 2100/94.

35      De vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van deze verordening voorzien zijn immers met name gericht tegen de handelingen die worden opgesomd in artikel 13, lid 2, van deze verordening. Deze bepaling heeft wel degelijk betrekking op individueel geïdentificeerde handelingen, zodat de omstandigheid dat een handeling voortduurt in de tijd, niet beslissend is voor de bepaling van het tijdstip waarop de in artikel 96 van de verordening gestelde termijn aanvangt.

36      Ten derde vindt de in punt 33 van het onderhavige arrest weergegeven uitlegging van deze bepaling steun in de doelstelling die verordening nr. 2100/94 nastreeft met deze bepaling, voor zover deze een verjaringsregel inhoudt.

37      Er zij immers aan herinnerd dat verjaringstermijnen in het algemeen dienen om de rechtszekerheid te waarborgen (arrest van 30 april 2020, Nelson Antunes da Cunha, C‑627/18, EU:C:2020:321, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Om deze rol doeltreffend te kunnen vervullen, moeten dergelijke termijnen op voorhand zijn vastgesteld en moet elke toepassing „naar analogie” van een verjaringstermijn voldoende voorzienbaar zijn voor de justitiabele (arrest van 23 januari 2019, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C‑387/17, EU:C:2019:51, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Een uitlegging van artikel 96 van verordening nr. 2100/94 volgens welke de daarin vastgestelde verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf de beëindiging van de bestreden inbreukmakende handeling, zou tot gevolg hebben dat de houder van het recht op communautaire bescherming, zolang deze handeling voortduurt, de in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen kan instellen tot drie jaar na de beëindiging van die handeling, ongeacht het tijdstip waarop een aanvang is genomen met deze handeling en ongeacht het feit dat de betrokken houder kennis heeft gekregen van het bestaan van die handeling en van de identiteit van de overtreder.

40      Met een dergelijke uitlegging zou de overtreder die de inbreukmakende handelingen pleegt worden geconfronteerd met een voortdurende onzekerheid, aangezien de houder van het recht op communautaire bescherming, ondanks zijn gedogen van deze handelingen in dier voege dat bij de overtreder de indruk wordt gewekt dat hij te goeder trouw handelt, voor al deze handelingen rechtsgeldig een van de vorderingen zou kunnen instellen waarin de artikelen 94 en 95 van verordening nr. 2100/94 voorzien, ongeacht het tijdstip waarop elk van deze handelingen heeft plaatsgevonden.

41      Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 96 van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat de verjaringstermijn van drie jaar die in deze bepaling is vastgesteld voor de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van deze verordening voorzien, ingaat op het tijdstip waarop enerzijds het communautaire kwekersrecht definitief is verleend en anderzijds de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van de handeling en van de identiteit van de overtreder, ongeacht de omstandigheid dat de inbreukmakende handeling betreffende een beschermd ras voortduurt en ongeacht het tijdstip waarop die handeling wordt beëindigd.

 Tweede en derde vraag

42      Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 96 van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat alle in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen die betrekking hebben op een geheel van inbreukmakende handelingen betreffende een beschermd ras en die zijn ingesteld meer dan drie jaar nadat enerzijds het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en anderzijds de houder kennis heeft gekregen van deze handelingen en van de identiteit van de overtreder, zijn verjaard, ongeacht het tijdstip waarop elk van de handelingen die deel uitmaken van deze reeks handelingen afzonderlijk is gepleegd, dan wel of alleen de vorderingen betreffende handelingen die meer dan drie jaar vóór de instelling van deze vorderingen zijn gesteld, zijn verjaard.

43      Zoals blijkt uit punt 37 van het onderhavige arrest, heeft artikel 96 van verordening nr. 2100/94 betrekking op de verjaring van de in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen betreffende individueel geïdentificeerde inbreukmakende handelingen.

44      Zoals in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, betreffen die handelingen de in artikel 13, lid 2, van deze verordening opgesomde handelingen waarvoor de houder van het recht op communautaire bescherming toestemming had moeten verlenen, te weten het voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering), het conditioneren ten behoeve van vermeerdering, het te koop aanbieden, verkopen of op andere wijze in de handel brengen, het uitvoeren uit de Unie, het invoeren in de Unie en het opslaan van componenten of oogstmateriaal van het beschermde ras voor elk van deze handelingen.

45      Bijgevolg moet voor de toepassing van artikel 96 van verordening nr. 2100/94 afzonderlijk rekening worden gehouden met elke inbreukmakende handeling die overeenkomt met een van de in artikel 13, lid 2, van deze verordening genoemde inbreukmakende handelingen, ongeacht of deze wordt herhaald, voortgezet in de tijd of in verband kan worden gebracht met een geheel van handelingen.

46      Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, pleit het feit dat artikel 96 van verordening nr. 2100/94 voorziet in de verjaring van een „handeling” en niet in de verjaring van een gedraging die als een „geheel van handelingen” wordt beschouwd, bovendien voor een individueel onderzoek van de verjaring van elk van de inbreukmakende handelingen die deel uitmaken van een „geheel van handelingen”.

47      Hieruit volgt dat het tijdstip waarop de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van het bestaan van de individuele inbreukmakende handeling en van de identiteit van de overtreder bepalend is voor de vraag of de in de artikelen 94 en 95 van verordening nr. 2100/94 bedoelde vorderingen zijn verjaard, rekening houdend met de in artikel 96 van deze verordening gestelde termijn van drie jaar.

48      In de omstandigheden van het hoofdgeding staat het derhalve aan de verwijzende rechter om voor elk van de aan Pardo verweten inbreukmakende handelingen na te gaan of CVVP meer dan drie jaar vóór de instelling van de betrokken vorderingen tot schadevergoeding, die blijkens de verwijzingsbeslissing zijn ingesteld in november 2011, kennis heeft gekregen van deze handelingen en van de betrokken overtreder.

49      Indien artikel 96 van verordening nr. 2100/94 anders zou worden uitgelegd, namelijk aldus dat het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn van drie jaar de verjaring meebrengt van álle handelingen die inbreuk maken op de rechten van de houder, zoals Pardo in haar schriftelijke opmerkingen betoogt, zou dit indruisen tegen het doel van deze bepaling.

50      Uit een dergelijke uitlegging zou immers volgen dat de verjaring van de in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen betreffende een inbreukmakende handeling die zou worden beschouwd als het begin van een gedraging of als de oorsprong van een geheel van inbreukmakende handelingen met betrekking tot een beschermd ras, tevens tot gevolg heeft dat vorderingen betreffende elke latere handeling die kan worden toegerekend aan dat gedrag of die verband houdt met dat geheel van handelingen zijn verjaard, ongeacht het tijdstip waarop de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van het bestaan van een dergelijke handeling en van de betrokken overtreder.

51      Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen de verjaringsregels echter enkel betrekking hebben op vorderingen betreffende handelingen die reeds zijn verricht, en niet op vorderingen die in de toekomst zouden kunnen worden verricht.

52      Indien de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van verordening nr. 2100/94 voorzien zouden worden geacht te zijn verjaard op grond dat de vorderingen die betrekking hebben op de aan de verweten gedraging ten grondslag liggende „oorspronkelijke handeling” verjaard zijn, zou aan de houder van het recht op de communautaire bescherming bovendien elke bescherming worden ontzegd tegen inbreuken die zijn verricht ná de voor deze oorspronkelijke handeling geldende verjaringstermijn.

53      Een dergelijke opvatting van de verjaringstermijn van artikel 96 van deze verordening zou onverenigbaar zijn met het doel zelf van deze verordening, dat er volgens artikel 1 in bestaat een communautaire beschermingsregeling voor kweekproducten in te voeren.

54      Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 96 van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat enkel die in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen verjaard zijn welke betrekking hebben op een geheel van inbreukmakende handelingen betreffende een beschermd ras en zijn ingesteld meer dan drie jaar nadat enerzijds het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en anderzijds de houder kennis heeft gekregen van het bestaan van elke afzonderlijke handeling die deel uitmaakt van dit geheel van handelingen, alsook van de identiteit van de overtreder.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 96 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht moet aldus worden uitgelegd dat de verjaringstermijn van drie jaar die in deze bepaling is vastgesteld voor de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van deze verordening voorzien, ingaat op het tijdstip waarop enerzijds het communautaire kwekersrecht definitief is verleend en anderzijds de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van de handeling en van de identiteit van de overtreder, ongeacht de omstandigheid dat de inbreukmakende handeling betreffende een beschermd ras voortduurt en ongeacht het tijdstip waarop die handeling wordt beëindigd.

2)      Artikel 96 van verordening nr. 2100/94 moet aldus worden uitgelegd dat dat enkel die in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen verjaard zijn welke betrekking hebben op een geheel van inbreukmakende handelingen betreffende een beschermd ras en zijn ingesteld meer dan drie jaar nadat enerzijds het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en anderzijds de houder kennis heeft gekregen van het bestaan van elke afzonderlijke handeling die deel uitmaakt van dit geheel van handelingen, alsook van de identiteit van de overtreder.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.