Language of document : ECLI:EU:C:2021:843

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 oktober 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 528/2012 – Artikel 3, lid 1, onder a) en c) – Begrippen ‚biocide’ en ‚werkzame stof’ – Voorwaarden – Werking op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze – Artikel 9, lid 1, onder a) – Goedkeuring van een werkzame stof – Draagwijdte van de goedkeuring”

In zaak C‑29/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland) bij beslissing van 10 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 23 januari 2020, in de procedure

Biofa AG

tegen

Sikma D. Vertriebs GmbH und Co. KG,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, N. Jääskinen en J.‑C. Bonichot, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Biofa AG, vertegenwoordigd door C. Stallberg, Rechtsanwalt,

–        Sikma D. Vertriebs GmbH und Co. KG, vertegenwoordigd door B. Münster, Rechtsanwalt,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lindenthal en M. Noll-Ehlers als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 mei 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 9, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB 2012, L 167, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 334/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 (PB 2014, L 103, blz. 22) (hierna: „verordening nr. 528/2012”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Biofa AG, een onderneming die biociden ontwikkelt en in de handel brengt, en Sikma D. Vertriebs GmbH und Co. KG (hierna: „Sikma”), een onderneming die online producten voor de bestrijding van schadelijke organismen verkoopt, over het in de handel brengen door Sikma van producten die een goedgekeurde en voor gebruik in biociden bedoelde werkzame stof bevatten.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 528/2012

3        In de overwegingen 1, 3 en 9 van verordening nr. 528/2012 staat te lezen:

„(1)      Biociden zijn noodzakelijk voor de bestrijding van organismen die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens of dier, en voor de bestrijding van organismen die schade toebrengen aan natuurlijke of vervaardigde materialen. Door hun intrinsieke eigenschappen en de bijpassende gebruikspatronen kunnen biociden evenwel gevaren inhouden voor mensen, dieren en het milieu.

[...]

(3)      [...] Deze verordening moet geschraagd worden door het voorzorgsbeginsel opdat het vervaardigen en op de markt aanbieden van werkzame stoffen en biociden niet resulteert in schadelijke effecten voor de gezondheid van mens en dier of in onaanvaardbare effecten voor het milieu. [...]

[...]

(9)      Deze verordening is van toepassing op biociden die in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, bestaan uit een of meer werkzame stoffen of deze bevatten of genereren.”

4        Artikel 1 („Doel en onderwerp”) van deze verordening luidt:

„1.      Deze verordening heeft ten doel de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden te harmoniseren en tegelijk een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen. De bepalingen van deze verordening stoelen op het voorzorgsbeginsel, dat tot doel heeft de gezondheid van mensen en dieren en het milieu veilig te stellen. [...]

2.      Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor:

a)      de vaststelling op Unieniveau van een lijst van werkzame stoffen die in biociden mogen worden gebruikt;

b)      de toelating voor biociden;

[...]

d)      het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden in een of meer lidstaten van de Unie;

[...]”

5        Artikel 3 („Definities”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 3:

„1.      Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)      ‚biociden’:

–        alle stoffen of mengsels die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, uit een of meer werkzame stoffen bestaan dan wel die stoffen bevatten of genereren, met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden;

[...]

[...]

c)      ‚werkzame stof’: een stof of micro-organisme met een werking op of tegen schadelijke organismen;

[...]

g)      ‚schadelijk organisme’: organisme, inclusief ziekteverwekker, dat ongewenst aanwezig is of een schadelijke invloed heeft op mensen, op menselijke werkzaamheden of de door mensen gebruikte of vervaardigde producten, op dieren of op het milieu;

[...]

x)      ‚agentschap’: het Europees Agentschap voor chemische stoffen dat is ingesteld bij verordening (EG) nr. 1907/2006 [van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1)];

[...]

3.      De Commissie kan, op verzoek van een lidstaat, door middel van uitvoeringshandelingen besluiten [...] of een specifiek product of een specifieke groep van producten [al dan niet] een biocide of een behandeld voorwerp is [...]. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 82, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”

6        Artikel 4 („Voorwaarden voor goedkeuring”), lid 1, van deze verordening is verwoord als volgt:

„Een werkzame stof wordt goedgekeurd voor een eerste periode van ten hoogste tien jaar indien kan worden verwacht dat ten minste één biocide dat deze werkzame stof bevat, zal voldoen aan de voorwaarden van artikel 19, lid 1, onder b), met inachtneming van de factoren van artikel 19, leden 2 en 5. [...]”

7        Artikel 6 („Voor aanvragen vereiste gegevens”) van verordening nr. 528/2012, bepaalt in lid 1:

„Een aanvraag tot goedkeuring van een werkzame stof dient ten minste de volgende elementen te bevatten:

a)      een dossier voor de werkzame stof dat aan de eisen van bijlage II voldoet;

b)      een dossier dat voor ten minste één representatief biocide dat de werkzame stof bevat, aan de eisen van bijlage III voldoet; [...]

[...]”

8        Artikel 9 („Goedkeuring van een werkzame stof”) van deze verordening luidt:

„1.      Na ontvangst van het in artikel 8, lid 4, bedoelde advies van het agentschap stelt de Commissie:

a)      een uitvoeringsverordening vast waarbij de werkzame stof wordt goedgekeurd en de desbetreffende voorwaarden worden vastgesteld, waaronder de datums van de goedkeuring en van het verstrijken van de goedkeuring; [...]

[...]

2.      Goedgekeurde werkzame stoffen worden opgenomen in een Unielijst van goedgekeurde werkzame stoffen. De Commissie houdt de lijst actueel en stelt deze langs elektronische weg beschikbaar aan het publiek.”

9        Artikel 19 („Voorwaarden voor het verlenen van toelating”) van die verordening bepaalt in lid 1:

„Een biocide, met uitzondering van biociden die in aanmerking komen voor de vereenvoudigde toelatingsprocedure overeenkomstig artikel 25, wordt alleen toegelaten als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de werkzame stoffen zijn opgenomen in bijlage I of goedgekeurd voor de betrokken productsoort en er wordt voldaan aan alle voor die werkzame stoffen vermelde voorwaarden;

[...]”

10      Artikel 95 („Overgangsmaatregelen betreffende de toegang tot de dossiers van werkzame stoffen”) van deze verordening bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Met ingang van 1 september 2013 wordt door het agentschap een lijst algemeen beschikbaar gesteld en regelmatig bijgewerkt van alle werkzame stoffen alsmede alle stoffen die een werkzame stof genereren, waarvoor een dossier [...] is ingediend en aanvaard of gevalideerd door een lidstaat in een procedure die bij deze verordening of die richtlijn is vastgesteld [...]. Per relevante stof worden op de lijst de namen van alle personen vermeld die een dergelijk dossier [...] hebben ingediend [...].

Een in de Unie gevestigde persoon die een relevante stof, al dan niet in een biocide, vervaardigt of importeert [...] of die een biocide vervaardigt of op de markt aanbiedt dat bestaat uit die relevante stof of dat die relevante stof bevat of genereert [...] kan te allen tijde bij het agentschap een volledig stoffendossier voor die relevante stof, een verklaring van toegang tot een volledig stoffendossier of een verwijzing naar een volledig stoffendossier waarvoor alle gegevensbeschermingstermijnen zijn verstreken, indienen. [...]

[...]

2.      Met ingang van 1 september 2015 mag een biocide dat uit een op de in lid 1 bedoelde lijst vermelde relevante stof bestaat dan wel die relevante stof bevat of genereert alleen op de markt worden aangeboden als hetzij de leverancier van de stof hetzij de leverancier van het product voor de productsoort(en) waartoe het product behoort wordt vermeld op de in lid 1 bedoelde lijst.”

 Uitvoeringsverordening 2017/794

11      Artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2017/794 van de Commissie van 10 mei 2017 tot goedkeuring van siliciumdioxide/kiezelgoer als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 18 (PB 2017, L 120, blz. 7) bepaalt:

„Siliciumdioxide/kiezelgoer wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 18, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden worden nageleefd.”

 Duits recht

12      Volgens de §§ 3 en 3a van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet tot bestrijding van oneerlijke mededinging, BGBl. 2010 I, blz. 254), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, is het schenden van een wettelijke bepaling die met name beoogt het marktgedrag te reguleren, een verboden oneerlijke handelspraktijk wanneer daardoor de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk worden geschaad.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13      Biofa, een handelsvennootschap naar Duits recht, ontwikkelt en verhandelt biociden.

14      Een van deze producten, met de handelsnaam InsectoSec®, wordt gebruikt ter bestrijding van kruipend ongedierte in pluimveestallen en bevat de werkzame stof „diatomeeënaarde” of „kiezelgoer” (hierna: „betrokken werkzame stof”).

15      Biofa heeft de Commissie overeenkomstig verordening nr. 528/2012 verzocht om goedkeuring van de betrokken werkzame stof. Bij uitvoeringsverordening 2017/794 is deze stof goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden van de in bijlage V bij verordening nr. 528/2012 beschreven productsoort 18, namelijk insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen, mits de in de bijlage bij die uitvoeringsverordening vastgestelde specificaties en voorwaarden worden nageleefd.

16      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Biofa is opgenomen op de lijst van leveranciers als bedoeld in artikel 95, lid 1, van verordening nr. 528/2012. Zij zou de enige producent van deze werkzame stof zijn.

17      Sikma, een vennootschap naar Duits recht, verhandelt het product „HS Mikrogur”, dat eveneens de betrokken werkzame stof bevat, maar wordt aangeboden aan houders van dieren en de levensmiddelenindustrie en dient ter bestrijding van pluimveemijt.

18      Aangezien Sikma de betrokken werkzame stof niet betrok bij Biofa, heeft laatstgenoemde onderneming bij het Landgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) een vordering tot staking van een oneerlijke mededingingspraktijk ingesteld. Ter ondersteuning van haar vordering heeft Biofa aangevoerd dat de betrokken werkzame stof in het door Sikma verkochte product geen louter fysieke of mechanische werking heeft. Daarom moet dit product worden aangemerkt als een „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 528/2012. De verkoop van dit product door Sikma vormt dus een naar nationaal recht onwettige handelspraktijk en is bovendien in strijd met de bepalingen van deze verordening, aldus Biofa.

19      Volgens Sikma is het door haar verkochte product geen „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 528/2012 omdat de betrokken werkzame stof op louter fysieke of mechanische wijze werkt.

20      Het Landgericht Köln heeft de vordering van Biofa afgewezen. Deze rechterlijke instantie heeft eerst geoordeeld dat zij diende te onderzoeken of het door Sikma verkochte product onder het begrip „biocide” in de zin van deze bepaling viel. Vervolgens was zij op basis van een nationaal deskundigenverslag van oordeel dat dit product niet als doel had om schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden, en dat het product dus niet onder dit begrip viel.

21      Biofa heeft tegen deze beslissing van het Landgericht Köln hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland). Hoewel deze rechter geneigd is die beslissing te bevestigen, vraagt hij zich niettemin af of de goedkeuring van een werkzame stof bij een uitvoeringsverordening overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 528/2012 inhoudt dat de aangezochte rechter ervan moet uitgaan dat een product dat deze stof bevat een „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening is, zonder dat deze aangezochte rechter – zo nodig aan de hand van een daartoe ingesteld deskundigenonderzoek – kan vaststellen of er is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling.

22      Tegen deze achtergrond heeft het Oberlandesgericht Köln de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer een werkzame stof is goedgekeurd bij een uitvoeringsverordening die is vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van [verordening nr. 528/2012], staat het dan in een gerechtelijke procedure in een lidstaat bindend vast dat de stof waarvoor de goedkeuring is verleend, als doel heeft [een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of te bestrijden] op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze [...] in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), [van deze verordening], of staat het ook na de vaststelling van een uitvoeringsverordening aan de rechter van de lidstaat bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, om feitelijk vast te stellen of de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, lid 1, onder a), [van deze verordening] zijn vervuld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

23      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 528/2012, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder c), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een product dat als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken of onschadelijk te maken, en dat een werkzame stof bevat die bij een uitvoeringsverordening van de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van die verordening, niet reeds louter op grond van die goedkeuring valt onder het begrip „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van die verordening, zodat het aan de bevoegde nationale rechter staat om na te gaan of dit product voldoet aan alle in laatstgenoemde bepaling gestelde voorwaarden om onder dit begrip te vallen.

24      Vooraf zij opgemerkt dat de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op het geval van een product „dat een [door een uitvoeringsverordening] goedgekeurde werkzame stof bevat”, en derhalve moet worden gerefereerd aan de definitie van „biocide” in artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 528/2012, dat specifiek ziet op een dergelijk geval.

25      Volgens deze bepaling wordt onder „biocide” verstaan „alle stoffen of mengsels die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, uit een of meer werkzame stoffen bestaan dan wel die stoffen bevatten of genereren, met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden”.

26      Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 528/2012 blijkt dus dat een product als „biocide” in de zin van deze bepaling moet worden aangemerkt indien het aan drie voorwaarden voldoet. Ten eerste moet dit product bestaan uit een of meer „werkzame stoffen”, dan wel die stoffen bevatten of genereren. Ten tweede moet het product bepaalde doelstellingen nastreven, namelijk schadelijke organismen vernietigen, afschrikken of onschadelijk maken, dan wel de effecten daarvan voorkomen of bestrijden. Ten derde moet het product „op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze” werken.

27      Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat, voor zover de werking van een product tot stand komt op een „andere dan louter fysieke of mechanische wijze” in de zin van deze bepaling en aan de overige daarin gestelde voorwaarden is voldaan, dit product ontegenzeggelijk binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt (arrest van 19 december 2019, Darie, C‑592/18, EU:C:2019:1140, punt 38).

28      Hieruit volgt dat de drie voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van deze verordening, zoals toegelicht in punt 26 hierboven, cumulatief zijn, zodat de aanwezigheid van een werkzame stof in het betrokken product op zich niet tot gevolg heeft dat dit product de hoedanigheid van „biocide” in de zin van die bepaling verkrijgt.

29      Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de omstandigheid dat een product een werkzame stof bevat die is goedgekeurd bij een uitvoeringsverordening van de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van verordening nr. 528/2012, moet worden beschouwd als een belangrijke aanwijzing dat het betrokken product kan worden aangemerkt als een „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van die verordening.

30      In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „werkzame stof” volgens artikel 3, lid 1, onder c), van die verordening ziet op elke stof of elk micro-organisme met een werking op of tegen schadelijke organismen. Anders dan artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van deze verordening, dat de werking preciseert, bevat artikel 3, lid 1, onder c), weliswaar geen verduidelijking over de werking van een dergelijke stof, maar de advocaat-generaal heeft in de punten 56 tot en met 62 van zijn conclusie terecht opgemerkt dat de „andere dan louter fysieke of mechanische” werking moet worden geacht inherent te zijn aan een „werkzame stof” als die in het hoofdgeding, welke is goedgekeurd overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 528/2012.

31      Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, wordt de werking van een werkzame stof namelijk onderzocht tijdens de procedure voor de goedkeuring van een werkzame stof. Daarbij worden de in artikel 4 van verordening nr. 528/2012 bedoelde voorwaarden geverifieerd en wordt in het bijzonder, zoals uitdrukkelijk bepaald in lid 1 van dat artikel, een werkzame stof slechts goedgekeurd indien kan worden verwacht dat ten minste één biocide dat deze werkzame stof bevat, zal voldoen aan de in artikel 19, lid 1, onder b), van deze verordening vermelde toelatingscriteria voor biociden.

32      Verder bepaalt artikel 6, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 528/2012 dat de aanvraag tot goedkeuring van een werkzame stof niet alleen „een dossier voor de werkzame stof” zelf moet bevatten, maar ook „een dossier dat voor ten minste één representatief biocide dat de werkzame stof bevat, aan de eisen van bijlage III voldoet”.

33      Hieruit volgt dat een werkzame stof per definitie „een werking op of tegen schadelijke organismen” in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van verordening nr. 528/2012 moet hebben, en dat zij slechts wordt goedgekeurd voor zover is aangetoond dat zij kan worden gebruikt om een product te creëren dat op een andere dan fysieke of mechanische wijze werkt op of tegen dergelijke organismen.

34      In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de aangezochte nationale rechter in het geval van een product waarvan de samenstelling identiek is aan die van het representatieve biocide dat de werkzame stof bevat in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 582/2012, verplicht is dat product aan te merken als een „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van deze verordening.

35      Deze uitlegging wordt bevestigd door het doel van verordening nr. 528/2012. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, gelezen in het licht van overweging 3 ervan, heeft deze verordening ten doel de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden te harmoniseren en tegelijk een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen. De bepalingen ervan stoelen op het voorzorgsbeginsel, dat tot doel heeft de gezondheid van mensen en dieren en het milieu veilig te stellen. In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, de enkele aanwezigheid van een werkzame stof als zodanig in een product een gevaar voor het milieu kan opleveren (zie in die zin arresten van 1 maart 2012, Söll, C‑420/10, EU:C:2012:111, punt 27, en 19 december 2019, Darie, C‑592/18, EU:C:2019:1140, punt 44).

36      Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat Biofa in casu in haar aanvraag tot goedkeuring van de betrokken werkzame stof een representatief biocide heeft vermeld dat voor 100 % uit deze werkzame stof bestaat. Indien de samenstelling van het door Sikma verkochte product identiek is aan die van het representatieve biocide, moet dit product bijgevolg worden beschouwd als een „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 528/2012, zonder dat Sikma met succes daartegen kan aanvoeren dat de werkzame stof in haar product uitsluitend dient om dat product zijn functie te laten vervullen door een louter fysieke of mechanische werking op of tegen schadelijke organismen.

37      Indien dit niet het geval is, staat het aan de verwijzende rechter om deze beoordeling te maken.

38      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 528/2012, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder c), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een product dat als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken of onschadelijk te maken, en dat een werkzame stof bevat die bij een uitvoeringsverordening van de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van die verordening, niet reeds louter op grond van die goedkeuring valt onder het begrip „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van die verordening, zodat het aan de bevoegde nationale rechter staat om na te gaan of dit product voldoet aan alle in laatstgenoemde bepaling gestelde voorwaarden om onder dit begrip te vallen. Indien de samenstelling van dat product evenwel identiek is aan die van het biocide dat bij de aanvraag tot goedkeuring van deze werkzame stof als representatief werd voorgesteld, moet deze rechter oordelen dat dit product onder dat begrip valt.

 Kosten

39      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 334/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder c), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een product dat als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken of onschadelijk te maken, en dat een werkzame stof bevat die bij een uitvoeringsverordening van de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van die verordening, niet reeds louter op grond van die goedkeuring valt onder het begrip „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van die verordening, zodat het aan de bevoegde nationale rechter staat om na te gaan of dit product voldoet aan alle in laatstgenoemde bepaling gestelde voorwaarden om onder dit begrip te vallen. Indien de samenstelling van dat product evenwel identiek is aan die van het biocide dat bij de aanvraag tot goedkeuring van deze werkzame stof als representatief werd voorgesteld, moet deze rechter oordelen dat dit product onder dat begrip valt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.