Language of document : ECLI:EU:C:2021:908

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

11 november 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten – Artikel 2, lid 1 – Werkingssfeer – Artikel 3, onder e) – Begrip ‚installatie’ – Gevolgen voor emissies en verontreiniging – Hulpinrichtingen die als zodanig geen broeikasgasemissies uitstoten – Artikel 10 bis – Overgangsregeling voor de kosteloze toewijzing van emissierechten – Gegevensverzamelingssjabloon – Gecorrigeerd aandeel – Berekeningsmethode – Besluit 2011/278/EU – Artikel 6, lid 1, derde alinea – Export van koud water naar een entiteit in een bedrijfstak die aan een significant CO2-weglekrisico is blootgesteld”

In zaak C‑938/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 16 december 2019, ingekomen bij het Hof op 24 december 2019, in de procedure

Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf GmbH & Co. KG

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, C. Lycourgos, president van de Vierde kamer, en M. Ilešič, rechter,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door T. Heymann en C. Telschow, Rechtsanwälte,

–        de Bundesrepublik Deutschland, vertegenwoordigd door I. Budde, J. Steegmann en A. Leskovar als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en S. Eisenberg als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils, B. De Meester en A. C. Becker als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juni 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB 2009, L 140, blz. 63) (hierna: „richtlijn 2003/87”), met name artikel 2, lid 1, en artikel 3, onder e); van de corrected eligibility ratio (hierna: „gecorrigeerd aandeel”) bedoeld in het op de website van de Commissie toegankelijke Data Collection Template (hierna: „gegevensverzamelingssjabloon”), en van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 130, blz. 1), met name artikel 6, lid 1.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf GmbH & Co. KG (hierna: „EDW”) en de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) over een verzoek om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten (hierna: „emissierechten”) aan een industriële warmtekrachtcentrale op gasmotoren die als hulpinrichtingen absorptiekoelmachines omvat.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2003/87

3        Overweging 20 van richtlijn 2003/87 luidt:

„Met deze richtlijn wordt beoogd het gebruik te bevorderen van energiezuinigere technologieën, waaronder warmtekrachtkoppeling, waarmee de uitstoot per eenheid output wordt verminderd, terwijl de toekomstige richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt in het bijzonder de warmtekrachtkoppeling zal bevorderen.”

4        Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen.”

5        Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Definities”, luidt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

b)      ,emissie’: emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen, of de emissie door een vliegtuig dat een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent, van de met betrekking tot die activiteit gespecificeerde gassen;

[...]

e)      ‚installatie’: vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

[...]

u)      ‚elektriciteitsopwekker’: een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit heeft geproduceerd om aan derden te worden verkocht en waarin geen van de in bijlage I genoemde activiteiten worden uitgevoerd, behalve het ‚verbranden van brandstof’.”

6        In artikel 8 van de richtlijn 2003/87, met als opschrift „Coördinatie met richtlijn 96/61/EG”, is bepaald:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer installaties activiteiten verrichten die in bijlage I bij richtlijn 96/61/EG [van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26)] zijn vermeld, de voorwaarden voor en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor de in die richtlijn bepaalde vergunning. De in de artikelen 5, 6 en 7 vastgestelde eisen kunnen worden opgenomen in de in [richtlijn 96/61] vastgelegde procedure of procedures.”

7        Artikel 10 bis van dezelfde richtlijn, met als opschrift „Overgangsregels voor de hele Gemeenschap voor een geharmoniseerde kosteloze toewijzing”, luidt:

„1.      De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Gemeenschap vast voor het toewijzen van de [...] emissierechten. [...]

[...]

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Gemeenschap geldende ex ante benchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. [...]

[...]

3.      Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen.

4.      Er worden kosteloze toewijzingen gegeven voor stadsverwarming en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in richtlijn 2004/8/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG (PB 2004, L 52, blz. 50),], voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling. [...]

[...]

11.      Met inachtneming van artikel 10 ter is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 4 tot en met 7 van dit artikel in 2013 kosteloos wordt toegewezen, 80 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld. Vervolgens wordt de kosteloze toewijzing elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 30 % kosteloze toewijzing is, met als doel geen kosteloze toewijzing meer in 2027.

12.      Onder voorbehoud van artikel 10 ter worden in 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot en met 2020, overeenkomstig lid 1, aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, kosteloos emissierechten toegewezen voor 100 % van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maatregelen.

[...]”

8        Volgens artikel 13, lid 1, van die richtlijn strekt de derde handelsperiode zich uit over acht jaar, namelijk van 2013 tot en met 2020 (hierna: „derde handelsperiode”).

 Besluit 2011/278

9        Artikel 3 van besluit 2011/278, met als opschrift „Definities”, luidt als volgt:

„In het kader van dit besluit zijn de volgende definities van toepassing:

a)      ‚gevestigde installatie’: een installatie waarin een of meer in bijlage I van [richtlijn 2003/87] genoemde activiteiten of een overeenkomstig artikel 24 van die richtlijn voor de eerste keer in de regeling van de Unie opgenomen activiteit worden uitgevoerd, die:

i)      een broeikasgasemissievergunning verkreeg vóór 30 juni 2011, of

ii)      feitelijk in werking is, uiterlijk op 30 juni 2011 over alle relevante milieuvergunningen beschikt, in voorkomend geval met inbegrip van een vergunning als bepaald in richtlijn 2008/1/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 2008, L 24, blz. 8)], en uiterlijk op 30 juni 2011 voldoet aan alle overige in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat vastgestelde criteria op basis waarvan de installatie in aanmerking komt voor de verlening van de broeikasgasemissievergunning;

[...]

c)      ‚warmtebenchmark-subinstallatie’: de niet onder een productbenchmark-subinstallatie vallende inputs, outputs en daarmee samenhangende emissies met betrekking tot de productie en/of de invoer uit een onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit van meetbare warmte die:

–        binnen de grenzen van de installatie wordt verbruikt voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, of

–        wordt uitgevoerd naar een niet onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit, met uitzondering van de uitvoer voor elektriciteitsopwekking;

[...]”

10      Artikel 6, lid 1, van dit besluit, met als opschrift „Opsplitsing in subinstallaties”, luidt:

„Voor de toepassing van dit besluit splitsen de lidstaten elke krachtens artikel 10 bis van [richtlijn 2003/87] voor de kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komende installatie zoals vereist op in een of meer van de volgende subinstallaties:

a)      een productbenchmark-subinstallatie;

b)      een warmtebenchmark-subinstallatie;

c)      een brandstofbenchmark-subinstallatie;

d)      een procesemissies-subinstallatie.

Subinstallaties komen zo veel mogelijk overeen met fysieke delen van de installatie.

Voor warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- en procesemissies-subinstallaties maken de lidstaten op basis van NACE- en Prodcom-codes een duidelijk onderscheid tussen processen die wél en processen die niet in dienst staan van een bedrijfstak of deeltak die geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald bij [besluit 2010/2/EU van de Commissie van 24 december 2009 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico (PB 2010, L 1, blz. 10)].

Wanneer een in de EU-regeling opgenomen installatie meetbare warmte heeft geproduceerd en geëxporteerd naar een niet in de EU-regeling opgenomen installatie of andere entiteit, gaan de lidstaten ervan uit dat het betrokken proces van de warmtebenchmark-subinstallatie voor deze warmte niet in dienst staat van een bedrijfstak of deeltak die geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald bij [besluit 2010/2], tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat de verbruiker van de meetbare warmte behoort tot een bedrijfstak of deeltak die geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald bij [besluit 2010/2].”

11      Artikel 7 van dat besluit, met als opschrift „Verzamelen van referentiegegevens”, bepaalt:

„1.      Voor elke voor de kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens artikel 10 bis van [richtlijn 2003/87] in aanmerking komende gevestigde installatie, met inbegrip van installaties die slechts nu en dan in werking zijn, met name installaties die op reserve of stand-by staan en installaties met een seizoenregeling, vragen de lidstaten, voor alle jaren van de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 of waar toepasselijk van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 dat de installatie in werking was, bij de exploitant alle relevante informatie en gegevens op voor elke in bijlage IV genoemde parameter.

[...]

5.      De lidstaten verzamelen, registreren en documenteren de gegevens op een wijze die de bevoegde instanties in staat stelt om deze op gepaste wijze aan te wenden.

De lidstaten mogen aan de exploitant het gebruik van een elektronisch sjabloon of een specifiek documentformaat voor de indiening van de gegevens opleggen. De lidstaten aanvaarden echter het gebruik door de exploitant van elk door de Commissie voor gegevensverzamelingsdoeleinden krachtens dit artikel gepubliceerd elektronisch sjabloon of documentformaat, tenzij het sjabloon of documentformaat van de lidstaat ten minste de invoer van dezelfde gegevens vereist.

[...]”

12      Artikel 9, lid 3, van besluit 2011/278, met als opschrift „Historisch activiteitsniveau”, luidt als volgt:

„Onder warmtegerelateerd historisch activiteitsniveau wordt verstaan de tijdens de referentieperiode plaatsgevonden hebbende mediane historische jaarproductie en/of jaarinvoer uit een onder de EU-regeling vallende installatie van meetbare warmte die binnen de grenzen van de installatie verbruikt werd voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, of die wordt uitgevoerd naar een niet onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit, met uitzondering van de uitvoer voor elektriciteitsopwekking, uitgedrukt in terajoule per jaar.”

13      Artikel 10 van dit besluit, met als opschrift „Toewijzing op niveau van de installatie”, bepaalt:

„1.      Op basis van de overeenkomstig artikel 7 verzamelde gegevens berekenen de lidstaten overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 voor ieder jaar het aantal emissierechten dat met ingang van 2013 kosteloos wordt toegewezen aan elke gevestigde installatie op hun grondgebied.

2.      Voor deze berekening bepalen de lidstaten eerst als volgt het voorlopige jaarlijkse aantal kosteloos toegewezen emissierechten per subinstallatie afzonderlijk:

[...]

b)      voor:

i)      de warmtebenchmark-subinstallatie stemt het voorlopige jaarlijkse aantal kosteloos toegewezen emissierechten voor een bepaald jaar overeen met de waarde van de warmtebenchmark voor meetbare warmte zoals vermeld in bijlage I, vermenigvuldigd met de warmtegerelateerde historische activiteitsniveaus voor het verbruik van meetbare warmte;

[...]”

 Besluiten 2010/2 en 2014/746

14      Punt 1.4 van de bijlage bij besluit 2010/2 vermeldt onder de sectoren die aan een significant CO2-weglekrisico zijn blootgesteld, de vervaardiging van elektronenbuizen en andere elektronische onderdelen die overeenkomen met code 3210 van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (NACE).

15      Punt 1.1 van de bijlage bij besluit 2014/746/EU van de Commissie van 27 oktober 2014 tot vaststelling, overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, voor de periode 2015‑2019 (PB 2014, L 308, blz. 114), waarbij besluit 2010/2 is ingetrokken, vermeldt eveneens de vervaardiging van elektronische onderdelen, die thans overeenkomt met code 2611 NACE.

 Gedelegeerde verordening 2019/331

16      Gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2019, L 59, blz. 8) bevat een bijlage VII, met als opschrift „Methoden voor gegevensmonitoring”. Punt 7 van deze bijlage, met als opschrift „Regels voor om de netto meetbare warmte te bepalen”, bevat een punt 7.1, vierde alinea, met als opschrift „Beginselen”, dat bepaalt:

„Indien warmte wordt verbruikt voor koeling door absorptiekoeling, wordt dat koelproces beschouwd als een warmteverbruikend proces.”

 Richtlijn 96/61

17      Richtlijn 96/61, die is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2008/1, bepaalde in artikel 2, met als opschrift „Definities”:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

2)      ‚verontreiniging’: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;

3)      ‚installatie’: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I vermelde activiteiten en processen alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en de gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

[...]

5)      ‚emissie’: de directe of indirecte lozing, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;

[...]”

 Richtlijn 2010/75

18      Uit overweging 1 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17) blijkt dat deze richtlijn zeven richtlijnen herschikt, waaronder richtlijn 2008/1.

19      Artikel 3 van richtlijn 2010/75, met als opschrift „Definities”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

[...]

2.      ‚verontreiniging’: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;

3.      ‚installatie’: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I of in deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

4.      ‚emissie’: de directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;

[...]”

 Duits recht

20      § 4 van het Bundes-Immissionsschutzgesetz (federale wet betreffende de bescherming tegen emissies) van 15 maart 1974 (BGBl. 1974 I, blz. 721), in de versie van 17 mei 2013 (BGBl. 2013 I, blz. 1274; hierna: „BImSchG”), met als opschrift „Vergunning”, bepaalt in lid 1:

„De bouw en de exploitatie van installaties die wegens hun kenmerken of hun exploitatie in bijzondere mate schadelijke gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken of [...] gevaar, aanzienlijk nadeel of aanzienlijke hinder voor het publiek of de omgeving kunnen opleveren, [...] zijn vergunningsplichtig.”

21      § 2 van het Treibhausgas-Emissionshandelsgesetz (wet betreffende de handel in broeikasgasemissierechten) van 21 juli 2011 (BGBl. 2011 I, blz. 1475; hierna: „TEHG”), met als opschrift „Werkingssfeer”, luidt als volgt:

„(1)      Deze wet is van toepassing op de emissie van de in bijlage 1, deel 2, genoemde broeikasgassen uit de daar genoemde activiteiten. Voor de in bijlage 1, deel 2, genoemde installaties geldt deze wet ook wanneer zij onderdeel zijn van of horen bij een installatie die niet is vermeld in bijlage 1, deel 2.

(2)      De werkingssfeer van deze wet omvat voor de in bijlage 1, deel 2, punten 2 tot en met 31, genoemde installaties alle

1.      voor de exploitatie noodzakelijke installatieonderdelen en procesfasen, en

2.      hulpinstallaties die in ruimtelijke en bedrijfstechnische zin verband houden met de in punt 1 bedoelde installatieonderdelen en procesfasen en die kunnen bijdragen tot het ontstaan van de in bijlage 1, deel 2, genoemde broeikasgassen.

De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de in bijlage 1, deel 2, punt 1, bedoelde verbrandingseenheden.

[...]

(4)      Indien installaties in de zin van bijlage 1, deel 2, punten 2 tot en met 30, overeenkomstig § 4, lid 1, derde volzin, BImSchG vergunningsplichtig zijn, zijn de specificaties in de overeenkomstig het BImSchG verleende vergunning doorslaggevend voor de afbakening van de in de leden 2 en 3 genoemde installaties. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de in bijlage 1, deel 2, punt 1, genoemde verbrandingseenheden. In de in lid 1, tweede volzin, bedoelde gevallen is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing op de specificaties in de overeenkomstig het BImSchG verleende vergunning voor de installatieonderdelen of hulpinstallaties.”

22      § 4 TEHG, met het opschrift „Emissievergunning”, luidt:

„(1)      Voor de uitstoot van broeikasgassen door de activiteiten genoemd in bijlage 1, deel 2, punten 1 tot en met 32, is een vergunning vereist. De vergunning wordt door de bevoegde autoriteit verleend op verzoek van de exploitant van de installatie wanneer de autoriteit de in lid 3 bedoelde informatie kan vaststellen op basis van de bij het verzoek overgelegde documenten.

[...]

(4)      Voor installaties waarvoor vóór 1 januari 2013 overeenkomstig het BImSchG een vergunning is verleend, is de overeenkomstig het recht inzake de bescherming tegen emissies verleende vergunning de vergunning die is verleend overeenkomstig lid 1. De exploitant van de installatie kan echter ook in het in de eerste volzin bedoelde geval om een afzonderlijke vergunning overeenkomstig lid 1 verzoeken. In dat geval is de eerste volzin uitsluitend van toepassing totdat de afzonderlijke vergunning is verleend.”

23      § 9 TEHG, met als opschrift „Kosteloze toewijzing van emissierechten aan exploitanten van installaties”, bepaalt in lid 2:

„Voor de kosteloze toewijzing van emissierechten moet een verzoek worden ingediend bij de bevoegde autoriteit. [...]”

24      § 34 TEHG, in de versie van 18 januari 2019 (BGBl. 2019 I, blz. 37), met als opschrift „Overgangsbepaling voor de exploitanten van installaties”, bepaalt in lid 1:

„Met betrekking tot de emissie van broeikasgassen door activiteiten als bedoeld in bijlage 1 dienen de §§ 1 tot en met 36, in de tot en met 24 januari 2019 geldende versie ervan, verder te worden toegepast in de handelsperiode van 2013 tot en met 2020.”

25      § 2 van de Verordnung über die Zuteilung von Treibhausgas-Emissionsberechtigungen in der Handelsperiode 2013 bis 2020 (besluit inzake de toewijzing van broeikasgasemissierechten in de handelsperiode 2013 tot en met 2020) van 26 september 2011 (BGBl. 2011 I, blz. 1921), heeft als opschrift „Definities” en bepaalt in punt 30, met als opschrift „Toewijzingselement met warmtebenchmark”, het volgende:

„Alle niet onder een toewijzingselement in de zin van punt 28 vallende inputs, outputs en daarmee samenhangende emissies die verband houden met de productie van meetbare warmte of de invoer van dergelijke warmte uit een installatie die valt onder de werkingssfeer van het TEHG, mits de warmte niet is opgewekt uit elektriciteit of bij de productie van salpeterzuur en niet is verbruikt voor het opwekken van elektriciteit en evenmin is geëxporteerd voor het opwekken van elektriciteit, alsmede op voorwaarde dat die warmte

a)      in de installatie wordt verbruikt, buiten een toewijzingselement in de zin van punt 28, voor de vervaardiging van producten, de productie van mechanische energie of voor verwarming of koeling, of

b)      wordt teruggestuurd naar installaties en andere apparaten die buiten de werkingssfeer van het [TEHG] vallen.”

26      Artikel 3 van het besluit inzake de toewijzing van broeikasgasemissierechten in de handelsperiode 2013 tot en met 2020, met als opschrift „Opbouw van toewijzingselementen”, bepaalt:

„[...]

(2)      Voor de toepassing van de definitie van het in lid 1, punt 2, bedoelde toewijzingselement geldt de levering van meetbare warmte aan een warmtedistributienet als levering aan een andere inrichting in de zin van artikel 2, punt 30, onder b). [...]

(3)      Wat de in lid 1, punten 2 tot en met 4, bedoelde toewijzingselementen betreft, moet de aanvrager afzonderlijke toewijzingselementen bepalen voor het productieproces van producten in bedrijfstakken die zijn blootgesteld aan weglekrisico en voor de andere processen. [...]

(4)      Wat de toewijzingselementen met warmtebenchmark betreft, moet bij de toerekening aan de afzonderlijke toewijzingselementen in de zin van lid 3 het volgende worden gedaan:

1.      In geval van rechtstreekse levering van warmte aan een afnemer die niet binnen de werkingssfeer van het TEHG valt, moet aan bedrijfstakken die aan een weglekrisico zijn blootgesteld deze warmte worden toegerekend, voor zover de exploitant aantoont dat de afnemer behoort tot een sector die aan een weglekrisico is blootgesteld. Voor het overige moet warmte worden toegerekend aan bedrijfstakken die niet aan een weglekrisico zijn blootgesteld;

2.      In geval van levering van warmte aan warmtedistributienetten moet aan de bedrijfstakken die aan een weglekrisico zijn blootgesteld het deel van de totale geleverde hoeveelheid geleverde warmte worden toegerekend dat overeenkomt met het deel van de warmte dat wordt geleverd aan afnemers in bedrijfstakken die zijn blootgesteld aan een weglekrisico in de totale warmte die door de exploitant van het net tijdens de relevante leveringsperiode overeenkomstig artikel 8, lid 1, is geleverd. Voor het overige moet deze warmte worden toegerekend aan bedrijfstakken die niet aan een weglekrisico zijn blootgesteld.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

27      EDW, verzoekster in het hoofdgeding, exploiteert een zeer efficiënte industriële warmtekrachtcentrale op gasmotoren, die is onderworpen aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten op het niveau van de Europese Unie (hierna: „ETS”). Deze warmtekrachtcentrale omvat als hulpinrichtingen eveneens koelmachines, meer in het bijzonder absorptiekoelmachines (hierna: „koelmachines”), die warmte omzetten in koeling. Deze koelmachines stoten geen broeikasgassen uit.

28      De warmtekrachtcentrale van EDW levert uitsluitend aan een fabriek van Global Foundries die halfgeleiders produceert en niet aan EDW toebehoort. De activiteit van Global Foundries, die niet onder de ETS valt, behoort tot een bedrijfstak die is blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico overeenkomstig de besluiten 2010/2 en 2014/746.

29      In het bijzonder produceert de warmtekrachtcentrale heet water van 80 °C en stoom. Vanaf de stookketels wordt dit hete water van 80 °C rechtstreeks geleverd aan Global Foundries en voorts samen met de stoom geleverd aan de koelmachines van de warmtekrachtcentrale. Deze koelmachines voorzien Global Foundries van koeling in de vorm van water met een temperatuur van 5 °C of 11 °C voor de productie van halfgeleiders. Op basis de warmte die de koelmachines afgeven en door gebruik te maken van warmte die in de vorm van water met een temperatuur van 11 °C of 17 °C terugstroomt van het koelcircuit van Global Foundries naar deze machines, wordt ook warm water van 32 °C geproduceerd.

30      Wegens de door die hulpinrichtingen veroorzaakte geluidsemissies worden de warmtekrachtcentrale en de hulpinrichtingen ervan voor de verlening van de door het BImSchG vereiste vergunning als één enkele installatie beschouwd.

31      Op 19 januari 2012 heeft EDW een verzoek tot kosteloze toewijzing van emissierechten ingediend bij de Deutsche Emissionshandelsstelle (Duitse autoriteit voor handel in emissierechten; hierna: „DEHSt”) die haar op grond van de bepalingen inzake een warmetebenchmark-subinstallatie bij besluit van 17 februari 2014 63 770 kosteloze emissierechten heeft toegewezen, en 14 497 aanvullende emissierechten bij besluit na bezwaar van 28 april 2017.

32      Met name in het toewijzingsbesluit en in het besluit na bezwaar heeft de DEHSt geoordeeld dat de absorptiekoelmachines deel uitmaakten van de aan de ETS onderworpen installatie van EDW. Voorts heeft zij geweigerd van de gunstigere regeling toe te passen voor de bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant weglekrisico als gevolg van het koude water dat door koelmachines aan Global Foundries werd geleverd. Bovendien weigerde de DEHSt rechten toe te kennen voor de warmtestroom die bestaat uit warm water van 32 °C, aangezien de warmte het gevolg is van energie die vrijkomt door de werking van koelmachines. Zij bracht ook de invoer van warmte uit de niet onder de ETS vallende installatie in mindering op de door EDW gevraagde hoeveelheden warmte.

33      EDW heeft haar verzoek om aanvullende kosteloze toewijzing van 121 013 emissierechten gehandhaafd in haar op 1 juni 2017 bij het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter Berlijn, Duitsland) ingestelde beroep.

34      De verwijzende rechter is van oordeel dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding ten eerste afhankelijk is van de vraag of richtlijn 2003/87, en met name artikel 2, lid 1, en artikel 3, onder e), ervan zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de vaststelling van de grenzen van de onder de ETS vallende installaties rekening moet worden gehouden met, in voorkomend geval, de specificaties van deze installaties zoals neergelegd in een krachtens een andere nationale regeling inzake verontreiniging afgegeven vergunning. Dit kan tot gevolg hebben dat de installaties van hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde koelmachines, worden geacht deel uit te maken van deze installaties. De verwijzende rechter wijst erop dat de vraag of deze koelmachines binnen dan wel buiten de grenzen vallen van de aan de ETS onderworpen installatie die in het hoofdgeding aan de orde is, van invloed is op de hoeveelheid emissierechten die aan EDW kosteloos moeten worden toegewezen.

35      Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich, indien van toepassing, af op welke wijze de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor warmtebenchmark-subinstallaties wordt vastgesteld. Hij vraagt zich met name af hoe het in het gegevensverzamelingssjabloon bedoelde gecorrigeerde aandeel, gelet op de ingevoerde warmte van installaties die niet aan de ETS zijn onderworpen, moet worden berekend en toegepast en in het bijzonder of een alomvattende benadering van de warmtestromen van de betrokken installatie moet worden gevolgd, dan wel of het mogelijk is om voor de toerekening van deze invoer van warmte onderscheid te maken tussen deze verschillende stromen.

36      Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich af wat de voorwaarden zijn voor toepassing van de regeling voor bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico uit hoofde van artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278 met betrekking tot de koeling die in de koelmachines van EDW wordt geproduceerd en aan Global Foundries wordt geleverd.

37      In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling als bedoeld in § 2, lid 4, eerste volzin, [TEHG] op grond waarvan een installatie, waarvoor krachtens het [BImSchG] een vergunning is verleend, ook onder de [ETS] valt, wanneer deze vergunning tevens geldt voor hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Volgt uit de criteria voor de berekening van het gecorrigeerde aandeel [...] van warmte die is geïmporteerd uit installaties die niet onder de regeling voor de emissiehandel vallen, welke criteria zijn vastgelegd in het door de Commissie uitgewerkte [gegevensverzamelingssjabloon] en bindend zijn voor de lidstaten, dat dit aandeel moet worden toegepast op de totale warmte die is opgewekt door de installatie die onder de [ETS] valt, ook wanneer de geïmporteerde warmte eenduidig afkomstig is van één van meerdere identificeerbare en afzonderlijk bepaalde warmtestromen en/of het warmteverbruik binnen de installatie?

3)      Moet artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278/EU aldus worden uitgelegd dat het relevante warmteproces van de warmtebenchmark-subinstallatie in dienst staat van een bedrijfstak of deeltak die, zoals bepaald bij besluit 2010/2/EU, wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, wanneer deze warmte wordt gebruikt voor de productie van kou en die koeling wordt verbruikt door een niet onder de regeling voor de emissiehandel vallende installatie in een bedrijfstak of deeltak die is blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico?

Is het voor de toepasbaarheid van artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278/EU van de Commissie relevant of de koeling in de onder de regeling voor de emissiehandel vallende installatie wordt geproduceerd?”

 Procedure bij het Hof

38      De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen volgens de versnelde procedure.

39      Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft hij aangevoerd dat kosteloze emissierechten volgens de rechtspraak van de Duitse rechterlijke instanties verloren gaan indien zij niet zijn toegewezen vóór 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin de derde handelsperiode eindigt, omdat er geen bepalingen zijn op grond waarvan zij naar de vierde handelsperiode kunnen worden overgedragen. Indien een dergelijke uitlegging in overeenstemming is met het Unierecht, kan EDW de aanvullende kosteloze emissierechten waarop zij aanspraak maakt dus verliezen indien een vóór 30 april 2021 in kracht van gewijsde gegane beslissing ontbreekt. Voorts wijst de verwijzende rechter erop dat deze vraag rijst in een groot aantal bij hem aanhangige zaken.

40      Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dit Reglement.

41      Op 22 januari 2020 heeft de president van het Hof, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten om het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige zaak volgens de versnelde procedure te behandelen af te wijzen.

42      De motivering daarvoor was dat de redenen die door de verwijzende rechter zijn aangevoerd, niet de slotsom kunnen dragen dat de in artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering neergelegde voorwaarden in het kader van deze zaak zijn vervuld [zie naar analogie arrest van 25 februari 2021, Gmina Wrocław (Omzetting van het recht van vruchtgebruik), C‑604/19, EU:C:2021:132, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43      Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet kan worden gevormd door het enkele belang van justitiabelen – hoe legitiem ook – dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld, [beschikking van de president van het Hof van 18 januari 2019, VW (Recht op toegang tot een advocaat bij niet-verschijning), C‑659/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:45, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44      De omstandigheid dat EDW het beroep in rechte heeft ingesteld op 1 juni 2017, dat wil zeggen meer dan tweeënhalf jaar voordat de verwijzende rechter heeft beslist om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen, relativeert in dit verband des te meer de spoedeisendheid van het hoofdgeding (zie naar analogie beschikking van de president van het Hof van 18 januari 2019, Adusbef e.a., C‑686/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:68, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Volgens vaste rechtspraak kunnen louter economische belangen, hoe gewichtig en legitiem ook, op zich niet de toepassing van een versnelde procedure rechtvaardigen [zie in die zin arrest van 25 februari 2021, Gmina Wrocław (Omzetting van het recht van vruchtgebruik), C‑604/19, EU:C:2021:132, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46      Bovendien moet worden opgemerkt dat het grote aantal personen of juridische situaties dat mogelijkerwijs wordt geraakt door de beslissing die de verwijzende rechter moet nemen nadat hij het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing als zodanig geen uitzonderlijke omstandigheid is die de toepassing van een versnelde procedure kan rechtvaardigen [zie in die zin arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C‑584/19, EU:C:2020:1002, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

47      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, lid 1, en artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten worden geacht deel uit te maken van een aan de ETS onderworpen installatie.

48      In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat de grenzen van een installatie voor de toepassing van de ETS worden bepaald overeenkomstig de specificaties in de vergunning die krachtens een andere nationale regeling inzake verontreiniging aan die installatie is verleend. Derhalve worden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde koelmachines, die geen broeikasgassen uitstoten, met het oog op die vergunning wegens de geluidsemissies ervan geacht deel uit te maken van de installatie.

49      Er zij aan herinnerd dat artikel 3, onder e), van deze richtlijn het begrip „installatie” definieert als een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

50      Aangezien er in deze installatie geen enkele in bijlage I genoemde activiteit plaatsvindt, kunnen inrichtingen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde koelmachines slechts in een onder de ETS vallende installatie worden opgenomen indien hun activiteit om te beginnen rechtstreeks samenhangt met een in die bijlage I genoemde activiteit die in de installatie plaatsvindt en deze rechtstreekse samenhang concreet tot uiting komt in een technisch verband, zodat de band tussen de betrokken activiteiten bijdraagt aan de integriteit van het gezamenlijke technische proces van de onder bijlage I bij die richtlijn vallende activiteit (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Granarolo, C‑617/19, EU:C:2021:338, punten 42 en 45).

51      Voor zover aan deze criteria is voldaan, moet vervolgens met betrekking tot het derde criterium, namelijk dat de betrokken activiteit gevolgen moet kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging, worden opgemerkt dat richtlijn 2003/87 krachtens artikel 2, lid 1, ervan (dat de werkingssfeer ervan omschrijft) van toepassing is op „emissies” van de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde broeikasgassen, waaronder CO2 „uit de in bijlage I [bij die richtlijn] genoemde activiteiten” (arrest van 20 juni 2019, ExxonMobil Production Deutschland, C‑682/17, EU:C:2019:518, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Zo heeft het Hof geoordeeld dat de in die bijlage I genoemde activiteiten alleen binnen de werkingssfeer van die richtlijn en dus van de ETS vallen indien zij in die bijlage II genoemde „broeikasgasemissies” teweegbrengen (arrest van 28 februari 2018, Trinseo Deutschland, C‑577/16, EU:C:2018:127, punt 45).

53      Doordat de Uniewetgever heeft bepaald dat activiteiten die rechtstreeks verband houden met een in bijlage I bij richtlijn 2003/87 genoemde activiteit in een installatie kunnen worden opgenomen, heeft hij inderdaad bewerkstelligd dat onder de ETS activiteiten kunnen vallen die niet voldoen aan de voorwaarden waarmee de werkingssfeer van deze richtlijn wordt afgebakend en die in het bijzonder niet in die bijlage zijn opgenomen (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland EPZ, C‑158/15, EU:C:2016:422, punten 28 en 29).

54      Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat aan het derde criterium van artikel 3, onder e), van die richtlijn is voldaan wanneer de betrokken activiteit weliswaar emissies en verontreiniging veroorzaakt, maar geen in bijlage II bij deze richtlijn genoemde broeikasgassen uitstoot.

55      Volgens artikel 3, onder b), van richtlijn 2003/87 wordt in deze richtlijn onder „emissie” namelijk verstaan, de emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt aldus dat de emissie in de zin van deze bepaling, de emissie van een broeikasgas in de atmosfeer veronderstelt (beschikking van 6 februari 2019, Solvay Chemicals, C‑561/18, EU:C:2019:101, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Bijgevolg moeten de in artikel 3, onder e), van deze richtlijn genoemde emissies en verontreiniging, die dus enkel betrekking kunnen hebben op de in bijlage II bij die richtlijn genoemde broeikasgassen, tegen de achtergrond van die definitie worden uitgelegd.

57      Hieruit volgt dat de geluidsemissies als gevolg van de werking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde koelmachines niet voldoen aan het derde criterium van artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87, dat betrekking heeft op de gevolgen voor de emissies en de verontreiniging. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat deze koelmachines en de warmtekrachtcentrale van EDW voor de toepassing van de ETS als één enkele installatie kunnen worden beschouwd.

58      Bijgevolg kunnen dergelijke koelmachines niet worden geacht deel uit te maken van de aan de ETS onderworpen installatie op de enkele grond dat zij vanwege dergelijke geluidsemissies voor een vergunning verleend krachtens een andere nationale verontreinigingsregeling gelden als deel van de installatie, zoals is bepaald in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling.

59      Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het argument van de Duitse regering dat de afbakening van de betrokken installatie die reeds is vastgesteld op basis van de nationale regeling waarmee uitvoering is gegeven aan de richtlijnen 96/61 en 2010/75, gelet op de wil van de Uniewetgever om in artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 in essentie dezelfde definitie van het begrip „installatie” uit hoofde van deze richtlijn 2003/87 te hanteren als geldt in de Unieregelgeving inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, met name in die richtlijnen 96/61 en 2010/75, voor de toepassing van de ETS eveneens mag worden gehanteerd.

60      Ten eerste moet worden vastgesteld dat artikel 8 van richtlijn 2003/87 inderdaad bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor de in richtlijn 96/61 bepaalde vergunning wanneer installaties activiteiten verrichten die zijn vermeld in bijlage I bij richtlijn 96/61/EG (thans vervangen door richtlijn 2010/75).

61      Deze procedurele bepaling kan echter geen wijziging brengen in de materiële voorwaarden voor de toepassing van de ETS, met name wat betreft de bepaling van de installaties die onder de regeling vallen.

62      Ten tweede moet in dit verband worden opgemerkt dat de richtlijnen 96/61 en 2010/75 uitgaan van een ruimere benadering van de begrippen „verontreiniging” en „emissies” dan in het kader van richtlijn 2003/87 is bepaald. In artikel 2, punten 2 en 5, van richtlijn 96/61 respectievelijk in artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2010/75 wordt namelijk bepaald, ten eerste, dat het begrip „verontreiniging” moet worden opgevat als de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan, en, ten tweede, dat het begrip „emissies” moet worden opgevat als de directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem.

63      Indien het in punt 59 van het onderhavige arrest uiteengezette argument van de Duitse regering wordt aanvaard, zou dit derhalve tot gevolg hebben dat het nuttig effect van de door de Uniewetgever vastgestelde grenzen van de ETS wordt ontnomen, in casu voor zover het betrekking heeft op broeikasgasemissies en dat derhalve, zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de onderscheiden doelstellingen die de Uniewetgever heeft willen nastreven uit hoofde van richtlijn 2003/87 enerzijds en de richtlijnen 96/61 en 2010/75 anderzijds worden miskend.

64      Onder voorbehoud van deze beperking tot de emissies en de verontreiniging die samenhangen met de in bijlage II bij richtlijn 2003/87 genoemde broeikasgassen moet niettemin worden gepreciseerd dat uit de bewoordingen van artikel 3, onder e), van deze richtlijn volgt dat de voorwaarden waaronder het derde in dat artikel genoemde criterium kan worden geacht te zijn vervuld, niet strikt hoeven te worden uitgelegd.

65      In de eerste plaats vereist deze bepaling immers niet dat de betrokken activiteiten zelf leiden tot de uitstoot van broeikasgassen, maar enkel een gevolg kunnen hebben daarvoor. In de tweede plaats vereist dit criterium, voor zover de activiteit slechts een dergelijk gevolg kan hebben, niet dat een werkelijk gevolg voor de emissies en de verontreiniging wordt vastgesteld, maar enkel dat de mogelijkheid van een dergelijk gevolg kan worden vastgesteld.

66      Hieruit volgt dat een activiteit die het niveau van broeikasgasemissies van een onder bijlage I bij deze richtlijn vallende activiteit kan beïnvloeden, kan worden geacht deel uitte maken van dezelfde installatie als die activiteit, voor zover is voldaan aan de andere criteria van artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87.

67      Een dergelijke uitlegging vindt bovendien steun in de doelstellingen van de ETS. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2003/87 tot doel heeft een regeling voor de handel in emissierechten in te voeren waarmee wordt beoogd de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer te verminderen tot een niveau waarbij elke gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat wordt voorkomen en waarvan het einddoel de bescherming van het milieu is (arrest van 3 december 2020, Ingredion Germany, C‑320/19, EU:C:2020:983, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Bovengenoemde regeling berust op een economische logica die elke deelnemer aan deze regeling aanspoort een hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten die geringer is dan de hoeveelheid waarvoor hem aanvankelijk emissierechten zijn toegewezen, teneinde de overtollige emissierechten over te dragen aan een andere deelnemer, die een grotere hoeveelheid heeft uitgestoten dan waarvoor hem emissierechten waren toegewezen (arrest van 3 december 2020, Ingredion Germany, C‑320/19, EU:C:2020:983, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      In het kader van de verwezenlijking van deze doelstellingen moet worden opgemerkt dat richtlijn 2003/87, zoals blijkt uit overweging 20 en artikel 10 bis, lid 1, tot doel heeft de vermindering van de broeikasgasemissies te stimuleren en de energie-efficiëntie te verbeteren door gebruik te maken van de meest efficiënte technieken (zie in die zin arresten van 18 januari 2018, INEOS, C‑58/17, EU:C:2018:19, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 12 april 2018, PPC Power, C‑302/17, EU:C:2018:245, punt 27, en 21 juni 2018, Polen/Parlement en Raad, C‑5/16, EU:C:2018:483, punt 61).

70      Wanneer het niveau waarop een exploitant een in bijlage I bij die richtlijn genoemde activiteit uitoefent, en dus het niveau van de broeikasgasemissies die daaruit voortvloeien, afhangt van een niet onder die bijlage vallende activiteit die volgens de andere in punt 50 van dit arrest in herinnering gebrachte criteria van artikel 3, onder e), van die richtlijn rechtstreeks samenhangt met een dergelijke activiteit en door het bestaan van een technisch verband geïntegreerd is in zijn algehele technisch proces, kan niet worden uitgesloten dat een ETS-deelnemer geprikkeld wordt om de efficiëntie van de activiteit – hoewel zij niet in bijlage I wordt genoemd en zelf geen broeikasgassen uitstoot – te verbeteren om de behoeften van de activiteit (die samenhangt met de in bijlage I genoemde activiteit), en bijgevolg de emissies die uit die activiteit voortvloeien, te verminderen.

71      In casu blijkt uit de aan het Hof overgelegde informatie dat een deel van de in de industriële warmtekrachtcentrale van EDW geproduceerde warmte dient om te voldoen aan de behoeften van haar koelmachines, met als gevolg dat die behoeften bepalend zijn voor de activiteitsgraad van deze centrale en dus voor het niveau van de daaruit resulterende broeikasgasemissies.

72      Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie opmerkt, kan er dus van worden uitgegaan dat de koelmachines gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging en dat deze koelmachines en de thermische centrale van EDW bijgevolg – mits aan de andere criteria van artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 is voldaan – één enkele installatie vormen, hetgeen in voorkomend geval door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

73      In het licht van de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, en artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten, mogen worden geacht deel uit te maken van een aan de ETS onderworpen installatie, mits zij voldoen aan de criteria van artikel 3, onder e), van die richtlijn en met name gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging die samenhangt met de in bijlage II bij die richtlijn genoemde broeikasgassen.

 Tweede vraag

74      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het gecorrigeerde aandeel bedoeld in het door de Commissie krachtens artikel 7, lid 5, van besluit 2011/278 uitgewerkte gegevensverzamelingssjabloon één enkel aandeel vormt dat met name voor de berekening van het aantal kosteloos aan een warmtebenchmark-subinstallatie toe te wijzen emissierechten moet worden berekend en toegepast aan de hand van een alomvattende benadering van de warmtestromen van die subinstallatie, zelfs wanneer de uit een niet aan de ETS onderworpen installatie geïmporteerde meetbare warmte aan een bepaalde warmtestroom kan worden toegerekend.

75      Voor zover de koelmachines die in het hoofdgeding aan de orde zijn worden geacht deel uit te maken van de installatie, wenst de verwijzende rechter in het bijzonder te vernemen of een dergelijke alomvattende benadering moet worden gevolgd, ook al kan de invoer van warmte, in de vorm van water met een temperatuur van 11 °C of 17 °C afkomstig uit Global Foundries, worden toegeschreven aan de warmtestroom met betrekking tot het warme water van 32 °C dat wordt geproduceerd door koelmachines van de warmtekrachtcentrale.

76      Vooraf zij eraan herinnerd dat emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis, lid 3, van richtlijn 2003/87 en met inachtneming van onder meer lid 4 van dit artikel niet kosteloos worden toegewezen aan elektriciteitsopwekkers in de zin van artikel 3, onder u), van die richtlijn. Volgens dit lid 4 worden kosteloze toewijzingen gegeven voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling zoals gedefinieerd in richtlijn 2004/8/EG voor een economisch aantoonbare vraag met betrekking tot de productie van warmte of koeling.

77      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt dat EDW een zeer efficiënte industriële warmtekrachtcentrale exploiteert, zodat zij, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, hoe dan ook onder artikel 10 bis, lid 4, van richtlijn 2003/87 valt.

78      Na deze inleidende opmerkingen dient te worden vastgesteld dat artikel 7, lid 1, van besluit 2011/278 bepaalt dat de lidstaten voor elke gevestigde installatie die krachtens artikel 10 bis van die richtlijn voor de kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komt, bij de exploitant alle relevante informatie en gegevens opvragen voor elke in bijlage IV genoemde parameter voor alle jaren van de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 of, indien van toepassing, van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 dat de installatie in bedrijf was.

79      Voorts mogen deze lidstaten overeenkomstig lid 5, tweede alinea, van dat artikel 7 aan de exploitant het gebruik van een elektronisch sjabloon of een specifiek documentformaat voor de indiening van de gegevens opleggen. De lidstaten aanvaarden echter het gebruik door de exploitant van elk elektronisch sjabloon of documentformaat voor gegevensverzamelingsdoeleinden dat de Commissie krachtens dit artikel heeft gepubliceerd, tenzij het sjabloon of documentformaat van de betrokken lidstaat ten minste de invoer van dezelfde gegevens vereist.

80      In dit geval blijkt uit de informatie waarover het Hof beschikt dat de DEHSt het door de Commissie gepubliceerde gegevensverzamelingssjabloon heeft overgenomen, dat betrekking heeft op het gecorrigeerde aandeel in punt j) van afdeling II.2, met als opschrift „Complete balance of measurable heat at the installation” („Volledige balans van de meetbare warmte in de installatie”), van blad E, met als opschrift „EnergyFlows” – Data on Energy Input, Measurable Heat and Electricity” („Electriciteitsstromen” – Gegevens over energie-inputs, meetbare warmte en elektriciteit).

81      Ter beantwoording van de tweede vraag moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit 2011/278 bepaalt dat de lidstaten voor de toepassing van dat besluit elke installatie die krachtens artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG voor de kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komt opsplitsen in een of meer van de daarin bepaalde subinstallaties, waaronder de warmtebenchmark-subinstallatie waaraan in het hoofdgeding kosteloze emissierechten zijn toegewezen.

82      In dit verband definieert artikel 3, onder c), van dat besluit het begrip „warmtebenchmark-subinstallatie” als de niet onder een productbenchmark-subinstallatie vallende inputs, outputs en daarmee samenhangende emissies met betrekking tot de productie en/of de invoer uit een onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit van meetbare warmte die binnen de grenzen van de installatie wordt verbruikt voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, of wordt uitgevoerd naar een niet onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit, met uitzondering van de uitvoer voor elektriciteitsopwekking.

83      Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter is de installatie die in het hoofdgeding aan de orde is bovendien een „gevestigde installatie” in de zin van artikel 3, onder a), van besluit 2011/278, zoals die moet worden begrepen in het licht van artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87.

84      Uit dien hoofde stemt het voorlopige aantal kosteloos aan een subinstallatie toegewezen emissierechten voor een bepaald jaar, op basis van de overeenkomstig artikel 7 van dat besluit verzamende gegevens, overeenkomstig artikel 10, lid 1 en lid 2, onder b), i), van dat besluit overeen met de waarde van de warmtebenchmark voor meetbare warmte zoals vermeld in bijlage I, vermenigvuldigd met de warmtegerelateerde historische activiteitsniveaus voor het verbruik van meetbare warmte.

85      Volgens artikel 9, lid 3, van dat besluit komt dat historische activiteitsniveau in beginsel overeen met de mediane historische jaarproductie en/of jaarinvoer uit een onder de EU-regeling vallende installatie van meetbare warmte die tijdens de referentieperiode heeft plaatsgevonden en binnen de grenzen van de installatie verbruikt is voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, of die wordt uitgevoerd naar een niet onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit, met uitzondering van de uitvoer voor elektriciteitsopwekking.

86      Derhalve moet worden vastgesteld dat de kosteloze toewijzing van emissierechten krachtens die bepaling overeenkomstig de criteria voor het begrip „warmtebenchmark-subinstallatie” in de zin van artikel 3, onder c), van besluit 2011/278 berust op een alomvattende en niet op een afzonderlijke beoordeling van de warmtestromen van de betrokken installatie.

87      Ten tweede moet in het licht van de voorgaande overwegingen worden opgemerkt dat het door de Commissie gepubliceerde gegevensverzamelingssjabloon in overeenstemming is met de vereisten van dat besluit voor de bepaling van de hoeveelheid kosteloze emissierechten waarop de exploitant van een warmtebenchmark-subinstallatie aanspraak kan maken.

88      Overeenkomstig de punten a) tot en met e) van afdeling II.2 van blad E ervan vereist dit gegevensverzamelingssjabloon om te beginnen namelijk, ten eerste, de berekening van de totale in de installatie beschikbare meetbare warmte en, ten tweede, de vaststelling van de ratio of „ETS heat” to „Total heat” (hierna: „verhouding van de ,aan de ETS onderworpen warmte’ tot de ,totale warmte’”), die overeenkomt met de verhouding van het deel van die meetbare warmte die voor kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komt ten opzichte van de totale beschikbare meetbare warmte.

89      Overeenkomstig dat besluit kan voor deze toewijzing immers alleen rekening worden gehouden met de meetbare warmte die wordt geproduceerd in de betrokken installatie en met de meetbare warmte die is geïmporteerd vanuit een installatie die valt onder de ETS, met uitsluiting van de meetbare warmte die wordt geïmporteerd van entiteiten die er niet onder vallen. In casu wordt dit aandeel bepaald om rekening te houden met de hoeveelheid vanuit Global Foundries geïmporteerde warmte waarmee geen rekening kan worden gehouden bij de berekening van de kosteloos toe te wijzen emissierechten, aangezien Global Foundries niet aan de ETS is onderworpen.

90      Dit aandeel moet echter worden gecorrigeerd, aangezien bepaalde hoeveelheden van die meetbare warmte die beschikbaar zijn, afhankelijk van het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, moeten worden uitgesloten bij de berekening van de kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig besluit 2011/278. Zo wordt overeenkomstig de punten f) tot en met h) van afdeling II.2 van blad E van het gegevensverzamelingssjabloon het deel meetbare warmte berekend dat in de installatie wordt verbruikt voor elektriciteitsopwekking, het deel dat wordt verbruikt in het kader van een productbenchmark-subinstallatie en het deel dat wordt geëxporteerd naar een installatie die aan de ETS is onderworpen.

91      In voorkomend geval moet tevens worden vastgesteld in hoeverre de meetbare warmte die naargelang van het gebruiksdoel ervan is uitgesloten, voortvloeit uit een hoeveelheid warmte die recht geeft op kosteloze toewijzing van emissierechten.

92      Indien dat niet op basis van een feitelijke beoordeling van de warmtestromen kan worden vastgesteld, wordt daartoe beroep gedaan op de verhouding van de „aan de ETS onderworpen warmte” tot de „totale warmte”, berekend in punt e) van afdeling II.2 van blad E van het gegevensverzamelingssjabloon, zoals onder meer bepaald in punt f) van afdeling II.2, met betrekking tot het aandeel van de meetbare warmte die in de installatie wordt verbruikt voor de elektriciteitsopwekking.

93      Op basis van de in de punten f) tot en met h) van die afdeling II.2 berekende gegevens wordt het onder j) bedoelde gecorrigeerde aandeel gebruikt om het meetbare warmte-aandeel dat als gevolg van zijn oorsprong toelaatbaar is, te wegen ten opzichte van de totale meetbare warmte die beschikbaar is in de installatie, rekening houdend met de hoeveelheden meetbare warmte die overeenkomstig punt i) van afdeling II.2 naargelang hun gebruiksdoel moeten worden uitgesloten.

94      Hieruit volgt dat het gecorrigeerde aandeel één enkel aandeel is dat wordt berekend en toegepast op basis van een alomvattende benadering van de warmtestromen van de warmtebenchmark-subinstallatie.

95      Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bepaalt het gegevensverzamelingssjabloon in punt o) van afdeling II.2 van blad E dat het gecorrigeerde aandeel, om de hoeveelheid warmte te bepalen die kan worden toegerekend aan de warmtebenchmark-subinstallatie, uiteindelijk wordt toegepast op de totale hoeveelheid warmte die potentieel deel uitmaakt van de warmtebenchmark-subinstallatie. Deze totale hoeveelheid warmte komt overeen met de som van, ten eerste, de meetbare warmte die in de installatie wordt verbruikt en in aanmerking komt voor kosteloze toewijzing en, ten tweede, de meetbare warmte die wordt geëxporteerd naar niet aan de ETS onderworpen installaties of entiteiten.

96      Anders dan EDW stelt, kan aan deze conclusie niet worden afgedaan door „Guidance Document no 3 on the harmonized free allocation methodology for the EU-ETS post 2012 (Data collection guidance)” [richtsnoer nr. 3 betreffende de geharmoniseerde methode voor kosteloze toewijzing in de Europese Unie na 2012 (richtsnoeren voor gegevensverzameling)], van 14 april en 29 juni 2011, beschikbaar op de website van de Commissie.

97      Zoals blijkt uit de punten 91 en 92 van het onderhavige arrest, bestaat een van de fasen van de volledige balans van meetbare warmte in de installatie er namelijk uit vast te stellen in hoeverre de hoeveelheden meetbare warmte die naargelang van het gebruiksdoel ervan zijn uitgesloten, voortvloeien uit een hoeveelheid warmte die recht geeft op kosteloze toewijzing van emissierechten. In het kader van deze fase moeten de warmtestromen daadwerkelijk worden beoordeeld of, indien dat niet mogelijk is, moet de in punt e) van afdeling II.2 van blad E van het gegevensverzamelingssjabloon berekende verhouding van „aan de ETS onderworpen warmte” tot de „totale warmte” worden toegepast.

98      De aanwijzing op bladzijde 46 van „Guidance Document no 3 on the harmonized free allocation methodology for the EU-ETS post 2012 (Data collection guidance)”, moet in het licht daarvan worden begrepen. Op grond daarvan is dit aandeel enkel noodzakelijk wanneer het niet mogelijk is om duidelijk aan te geven welke onderdelen van de afzonderlijke warmtestromen binnen en welke onderdelen buiten de grenzen van aan de ETS onderworpen installaties worden geproduceerd.

99      Deze aanwijzing heeft dus betrekking op de alomvattende benadering van de warmtestromen van de betrokken warmtebenchmark-subinstallatie en daaruit kan niet worden afgeleid dat zij een kosteloze toewijzing van emissierechten mogelijk maakt op basis van een afzonderlijke beoordeling van deze verschillende warmtestromen, die bovendien in strijd zou zijn met de in punt 86 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten van besluit 2011/278.

100    Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het gecorrigeerde aandeel bedoeld in het door de Commissie krachtens artikel 7, lid 5, van besluit 2011/278 uitgewerkte gegevensverzamelingssjabloon één enkel aandeel vormt dat met name voor de berekening van het aantal kosteloos aan een warmtebenchmark-subinstallatie toe te wijzen emissierechten moet worden berekend en toegepast aan de hand van een alomvattende benadering van de warmtestromen van die subinstallatie, zelfs wanneer de uit een niet aan de ETS onderworpen installatie geïmporteerde meetbare warmte aan een bepaalde warmtestroom kan worden toegerekend.

 Derde vraag

101    Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278 aldus moet worden uitgelegd dat een proces van een warmtebenchmark-subinstallatie betrekking heeft op een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht aan een significant CO2-weglekrisico te zijn blootgesteld indien dit proces het verbruik van warmte betreft voor de productie van kou die wordt geëxporteerd en verbruikt bij een entiteit die niet aan de ETS is onderworpen en die deel uitmaakt van een bedrijfstak of deeltak die is blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico.

102    Krachtens artikel 10 bis, lid 11, van richtlijn 2003/87 was de hoeveelheid emissierechten die ingevolge de leden 4 tot en met 7 van dat artikel voor 2013 kosteloos was toegewezen, 80 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 van dat artikel bedoelde maatregelen was vastgesteld. Vervolgens is de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten elk jaar met gelijke hoeveelheden gedaald, tot 30 % in 2020, met als doel de eliminatie van kosteloze emissierechten in 2027.

103    Artikel 10 bis, lid 12, van die richtlijn behelsde een uitzondering op die regel. Zo is in 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot en met 2020 aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat overeenkomstig lid 1 van dat artikel een hoeveelheid kosteloze emissierechten toegewezen die gelijk was aan 100 % van de hoeveelheid vastgesteld overeenkomstig de in lid 1 van dat artikel bedoelde maatregelen.

104    Daartoe bepaalt artikel 6, lid 1, tweede alinea, van besluit 2011/278 dat de lidstaten onder meer voor warmtebenchmark-subinstallaties een duidelijk onderscheid maken tussen processen die wél en processen die niet in dienst staan van een bedrijfstak of deeltak die overeenkomstig besluit 2010/2 geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico. Bovendien gaan de lidstaten er volgens de derde alinea van uit dat wanneer een in de ETS opgenomen installatie meetbare warmte heeft geproduceerd en geëxporteerd naar een niet in de EU-regeling opgenomen installatie of andere entiteit, het betrokken proces van de warmtebenchmark-subinstallatie voor deze warmte niet in dienst staat van een dergelijke bedrijfstak of deeltak die geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat de verbruiker van de meetbare warmte behoort tot een dergelijke bedrijfstak of deeltak.

105    Hieruit volgt dat het voordeel van de bepalingen inzake de aan een significant CO2-weglekrisico blootgestelde bedrijfstakken of deeltakken hoe dan ook vereist dat de geëxporteerde meetbare warmte wordt verbruikt door een entiteit die deel uitmaakt van een bedrijfstak of deeltak die aan een dergelijk risico is blootgesteld.

106    Volgens de definitie van het begrip „warmtebenchmark-subinstallatie” in artikel 3, onder c), van besluit 2011/278 valt onder een dergelijke subinstallatie het verbruik van meetbare warmte voor koeling.

107    Anders dan EDW stelt, en zoals de advocaat-generaal in de punten 91 en 92 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet daaruit worden afgeleid dat het verbruik van kou door een entiteit die deel uitmaakt van een bedrijfstak of deeltak die aan een dergelijk risico is blootgesteld, niet gelijkstaat met een verbruik van warmte. Dit verbruik van warmte vindt plaats in de installatie waar de kou wordt geproduceerd om naar een dergelijke entiteit te worden geëxporteerd. Bijgevolg kan het proces betreffende dat verbruik van warmte niet worden beschouwd als een proces dat betrekking heeft op een bedrijfstak of deeltak die aan een significant CO2-weglekrisico is blootgesteld in de zin van artikel 6, lid 1, derde alinea, van dat besluit.

108    In casu moet worden vastgesteld dat de meetbare warmte die nodig is voor de productie van de kou die naar de fabriek van Global Foundries wordt geëxporteerd, wordt verbruikt in de koelmachines van EDW, zodat de bepalingen betreffende de bedrijfstakken of deeltakken die aan een significant CO2-weglekrisico zijn blootgesteld, niet van toepassing zijn omwille van dat verbruik.

109    Anders dan EDW betoogt, kan het document „Frequently Asked Questions on Free Allocation Rules for the EU ETS post 2020” (Vaak gestelde vragen over de regels voor de kosteloze toewijzing in de Europese Unie na 2020) van de Commissie aan die conclusie niet afdoen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 95 tot en met 97 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet dit document namelijk – naast het feit dat het geenszins bindend is en betrekking heeft op een handelsperiode na de periode waarop het hoofdgeding betrekking heeft – aldus worden uitgelegd dat het gebruik van warmte voor koeling in het kader van een absorptiekoelingsproces zoals dat in de koelmachines van EDW plaatsvindt, als het warmteverbruikende proces wordt beschouwd, aangezien het verwijst naar punt 7.1 van bijlage VII bij gedelegeerde verordening nr. 2019/331.

110    In het licht van de voorgaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278 aldus moet worden uitgelegd dat een proces van een warmtebenchmark-subinstallatie geen betrekking heeft op een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht aan een significant CO2-weglekrisico te zijn blootgesteld indien dit proces het verbruik van warmte betreft voor de productie van kou die wordt geëxporteerd en verbruikt bij een entiteit die niet aan de ETS is onderworpen en die deel uitmaakt van een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht aan een significant CO2-weglekrisico te zijn blootgesteld, aangezien deze entiteit niet de verbruiker van de warmte is.

 Kosten

111    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 2, lid 1, en artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten, mogen worden geacht deel uit te maken van een aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten op het niveau van de Europese Unie onderworpen installatie, mits zij voldoen aan de criteria van artikel 3, onder e), van die richtlijn, zoals gewijzigd, en met name gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging die samenhangt met de in bijlage II bij die richtlijn, zoals gewijzigd, genoemde broeikasgassen.

2)      Het gecorrigeerde aandeel bedoeld in het gegevensverzamelingssjabloon dat de Europese Commissie krachtens artikel 7, lid 5, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, heeft uitgewerkt, vormt één enkel aandeel dat met name voor de berekening van het aantal kosteloos aan een warmtebenchmark-subinstallatie toe te wijzen emissierechten moet worden berekend en toegepast aan de hand van een alomvattende benadering van de warmtestromen van die subinstallatie, zelfs wanneer de uit een niet aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten op het niveau van de Europese Unie onderworpen installatie geïmporteerde meetbare warmte aan een bepaalde warmtestroom kan worden toegerekend.

3)      Artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278 moet aldus worden uitgelegd dat een proces van een warmtebenchmark-subinstallatie geen betrekking heeft op een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht aan een significant CO2-weglekrisico te zijn blootgesteld indien dit proces het verbruik van warmte betreft voor de productie van kou die wordt geëxporteerd en verbruikt bij een entiteit die niet aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten op het niveau van de Europese Unie is onderworpen en die deel uitmaakt van een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht aan een significant CO2-weglekrisico te zijn blootgesteld, aangezien deze entiteit niet de verbruiker van de warmte is.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.